Godfried Bomans als zoon van mr. J.B. Bomans

Edward Krabbendam

Deel I

Godfried Bomans werd honderd jaar geleden geboren. Zijn moeder was Arnoldina Josephina Oswalda Reynart (1883), zijn vader Johannes Bernardus Bomans (1885). Omdat van moeder weinig bekend is, wordt de aandacht vrijwel uitsluitend gericht op vader Bomans die een zware stempel heeft gedrukt op het leven van zijn zoon.
Voor mr. J. B. Bomans was 1913 een bijzonder jaar. Op 2 maart kwam zijn zoon Godfried Jan Arnold in Den Haag ter wereld. Een half jaar later werd hij meester in de rechten en startte met een compagnon een advocatenpraktijk in Haarlem, waar het gezin ging wonen. Er gebeurde meer dat jaar. De verkiezingen voor de Tweede Kamer liep voor de Roomsch Katholieke Staatspartij uit op een grote nederlaag. J. B. Bomans liet het er niet bij zitten en trad toe tot de Roomsch Katholieke Propagandaclub waar zijn carrière als politiek redenaar begon. Hij bleek sterk te zijn in retoriek maar waar ging het precies over? Wilde hij wel de politiek in? Wat beoogde hij?
Michel van der Plas schreef daarover in ‘Godfried, Het leven van de jonge Bomans’, p. 20:
‘Hij schrijft zijn speeches tevoren zorgvuldig uit, er wordt niet of nauwelijks geïmproviseerd. Ze zijn nu nauwelijks leesbaar; ze schijnen eindeloos, herhalen zich tot vervelens toe, staan bol van clichés.’

Vader Bomans nam het in ieder geval op voor de katholieken, voor hun emancipatie. Verder was hij een vijand van de goddeloze socialisten die hij niet met praktisch politieke inzichten bestreed maar door te appelleren aan godsdienstige elementen.
Na tussentijdse verkiezingen kwam Bomans op 1 december 1916 in de Tweede Kamer. Twee jaar later beleefde hij mooie uren toen hij de degens kruiste met de socialist Troelstra, die revolutionaire plannen koesterde. Hij noemde de rede van Troelstra onder meer ‘bedenkelijke opruiing’ met ‘bewuste leugens’, waarop hij door de Kamervoorzitter werd afgehamerd. Bomans maakte er toen dit van: ‘Het zijn onwaarheden die men kan voelen als klompen zoo groot.’ (Godfried, p. 21)

Daarna zat Bomans niet stil. In 1917 werd hij wethouder Financiën in Haarlem, een functie die hij in 1923 opgaf om lid te worden van Gedeputeerde Staten. Telkens waren er verkiezingsbijeenkomsten, meetings en propagandabijeenkomsten waar hij redevoeringen hield. Van der Plas schreef over 1922:
‘Als nummer 1 van lijst 33 (23) in zijn kieskring liet hij de lucht daveren met zijn oproepen, waarin ‘heilig vuur’ en ‘Roomsche geestdrift’ een triomf voor ‘Rechtsch’ moeten bewerkstelligen. ‘Mannen’, roept hij in deze campagne uit, ‘werkt alsof geen bidden hielp, vrouwen, bidt alsof geen werken hielp!” (p. 22)
Dat werkte. Hij behaalde veruit de meeste stemmen in de Rijkskieskring Haarlem: 37.945, ruim 10.000 meer dan de populaire SDAP’er (socialist) Duys. Het ‘Rechtsche Overwinningsfeest’ is overweldigend. ‘Ons miljoenenleger heeft den veldslag gewonnen,’ triomfeert Bomans. ‘Wij hebben de Roomsche zaak alweder vooruit gebracht, en dat dan ‘in dienst van den Meester’.’ (p.22)
De feestelijke verkiezingsbijeenkomst in de St. Bavozaal sloot hij af met een speech waarna een ovatie volgde. Er werden nog liederen gezongen zoals ‘Roomschen dat zijn wij’ en ‘Aan u, o Koning der eeuwen’. Laatstgenoemde lied werd ‘op elke politieke bijeenkomst van katholieken gezongen’ en ging als volgt:
‘Fierheid in ‘t oog, blijheid van binnen,
voeren wij krijg met vereenigd geweld,
Fier in het strijden en blijde bij ‘t winnen
Jezus de zege van oudsher voorspeld.’ (p. 31-32)

Jezus werd in die tijd voor het politieke karretje gespannen. Godfried was negen jaar oud en maakte deze triomfavond mee.

*

Vader was de baas in huis, ook, omdat zijn vrouw volgens Michel van der Plas ‘kleurloos blijft naast haar rijk getalenteerde man.’ Hij bemoeide zich danig met de opvoeding. Mogelijk wilde de eigenzinnige Godfried zijn voornaam daarom niet meer horen. Het werd Frits. Dat beviel enige jaren totdat het Hans werd. Op het gymnasium werd deze naam echter niet geaccepteerd.
J. B. Bomans vond dat zijn kinderen flink moesten worden. Daar hoorde worstelen bij. De winnaar mocht de gewichten van de koekoeksklok optrekken. Dat gold ook voor degene die niet met zijn ogen knipperde als vader wat water in zijn richting gooide. Hij wandelde ook graag flinke afstanden en nam zijn zoons mee. Vermoeidheid telde niet.
Ook in cultureel opzicht werden de kinderen gevormd. Vader was ontwikkeld, een goed verhalenverteller en hij declameerde graag verzen, bij voorkeur van Joost van den Vondel. Soms moesten de kinderen iets voordragen, zoals het Wilhelmus. Zoon Godfried moet hiervan veel geleerd hebben.

Op zesjarige leeftijd werd Godfried, passend bij de stand van het gezin, naar de exclusieve door particulieren opgerichte Cruquiusschool gestuurd waar zowel jongens als meisje in de klas zaten, wat zeer uitzonderlijk was in die tijd.
Van der Plas noemde de jonge Bomans een ‘uitstekende’ leerling. Dat zal zeker. Dat gaf hem de tijd in de eerste klas van de lagere school weg te dromen bij plaatjes van de leesplank aan de muur, zo blijkt uit zijn ‘Dagboek van een gymnasiast’ (1932). Dat deed hij zo krachtig dat hij, fantaserend over zijn favoriete plaatjes, de een met scha-pen, de ander met een wei-de, zich op den duur in die heerlijke wei zag zitten. De stap van scha-pen wei-de naar Wollewei is makkelijk gezet, de naam van het schilderij waar ook Erik (van het klein insectenboek) in kroop en gedurende enige weken onder insecten verbleef. Het idee voor de bestseller uit 1940 lijkt uit het eerste schooljaar afkomstig te zijn geweest.

Het gezin verhuisde in 1923 binnen Haarlem naar een riante villa met de passende naam ‘Boshof’. Veel leeftijdgenootjes kwamen er niet over de vloer. ‘Het is binnen dan ook vrij deftig; statig. Hier woont een zeer geleerde voorman van de katholieke establishment. (..) Het is vóór alles de R.K. geestelijkheid die de drempel overschrijdt. Waarom ook niet: mr. J. B. Bomans is een van de weinige lekenredenaars op het Eucharistisch Congres in Amsterdam; hij brengt het voor elkaar om gloedvol te spreken over ‘Eucharistie en politiek’.’ (p. 39)
Kerkbezoek hoorde er ook bij. Het hele gezin ging zondags naar de mis van 9 uur in de katholieke kerk aan het Spaarne, waar een eigen bank was gereserveerd.

J. B. Bomans kocht in 1920 zijn eerste auto. Er volgden meer. Daarmee bracht hij het gezin tot in het buitenland, om culturele schatten te gaan ontdekken. Met ‘Weer een kathedraal’ wist Godfried de pret te drukken.
In 1925 reed vader met zoons aan boord tegen een andere wagen. Dit voorval bracht Godfried verder aan het twijfelen omtrent het godenbeeld dat hij van zijn vader had. Verder had hij een hekel aan dat flink worden, het stokpaardje van zijn vader. Van der Plas schreef daarover: ‘Zijn vader is streng en hij past soms Spartaanse methoden toe om zijn zonen in het gareel te houden.’ (p. 54)
Godfried vond het geestelijk klimaat in huis kil. Waar was de aardigheid, warmte en begrip? Er groeide verzet. Er kwamen aanvaringen met vader. De achting voor zijn vader nam verder af door politieke schandaaltjes die de kranten haalden. Zo was mr. Bomans in 1927 het minst aanwezige Kamerlid. Verder vroeg men zich af of hij wel meer was dan een retoricus en werd hij beschuldigd van kuiperij – een dealtje met vervloekt links – om zijn zetel als lid van de Provinciale Staten veilig te stellen. Bomans stelde zich in 1929 niet meer verkiesbaar voor de Tweede Kamer. Tot aan zijn dood bleef hij Statenlid.

De dan 16-jarige Godfried kreeg ook twijfels over het religieuze gehalte van zijn vader, die zich slechts 1 uur per week katholiek toonde, tijdens de mis, waar hij zich devoot gedroeg. Als de kerk uit was liep daar ‘meteen weer de doortastende politicus die slim om zich heen kijkt.’ (p. 65)
Er gebeurde nog meer dat jaar. Hoewel J. B. Bomans een groot voorstander was van de Roomsche zaak was de klap groot toen zijn oudste kind, Wally, (1909-2012) op haar manier die zaak ging dienen: zij trad in het klooster als zuster Borromée. Vier broers, allen een jaar na hun voorganger geboren, bleven achter, met Godfried als oudste.

Op school deed Godfried het goed op het vak wiskunde na. In de vierde klas van het gymnasium bleef hij echter zitten. Dit moet gezien worden als een protestactie tegen alle afgedwongen flinkheid. Dat werd onderstreept door een vuurwerkactie bij school. Samen met zijn broers liet hij 4 bommetjes ontploffen onder het raam van enkele klaslokalen terwijl er lessen aan de gang waren. Hij werd drie dagen geschorst.
In datzelfde schooljaar (1929-1930) publiceerde hij voor het eerst in de schoolkrant ‘Tolle Lege’ met ‘Zuurkraampjes’. Hij werd een belangrijk medewerker van die krant en kwam een jaar later in de redactie.

In 1932 werd er weer verhuisd, nu naar ‘Berkenrode’, een buitenhuis met 23 kamers. Mr. Bomans werd daardoor nog voornamer. Datzelfde doel werd gediend met de aanschaf van nog twee luxe auto’s waarmee hij showtochtjes maakte. Gelet op de nieuwe behuizing, moest de huisknecht het avondmaal bedienen in livrei, tot ergernis van Godfried.
Ondertussen schreef de zoon lustig door en was succesvol met het toneelstuk ‘Bloed en liefde’ dat in 1933 werd opgevoerd. Het was een parodie op het klassieke heldendrama wat een van de toeschouwers met trots vervulde: vader Bomans. Het is opvallend dat hij datzelfde jaar als een bezetene begon te schrijven. Het moest een roman in 10 (15?) delen worden met als titel ‘Jan Herbert Mac-Donald’ die hij opdroeg ‘Aan den Nederlandschen Adel’. De bekende politicus mr. J. B. Bomans koos de weinig verhullende schuilnaam J. B. de Rode en kon een uitgever vinden, wél op eigen kosten. Slechts de eerste vijf delen kwamen uit.
In die roman heeft de hoofdfiguur allerlei nobele trekken en kenmerken die bij de schrijver horen. Voorts blijkt het algemeen kiesrecht een ‘pest’ en de democratie functioneert niet. De hoofdpersoon ziet maar een oplossing: ‘Eigenlijk had de zwaai naar den sterken man twintig jaar eerder moeten komen, gelijk in Italië,’ citeerde Van der Plas (p. 106). Dit is opmerkelijk. J. B. Bomans verwijst naar de opkomst van Mussolini in Italië en schrijft dat in 1933, het jaar van Hitlers greep naar de macht in Duitsland.
In het boek wordt ook afgerekend met de Rooms Katholieke Staats Partij, waarvoor Bomans 13 jaar in de Tweede Kamer had gezeten.

In kranten verschenen recensies. Het waren ‘draken’ van boeken. De ene recensent vond verder dat de auteur fascistische ideeën had, een ander vond dat Bomans uit de partij gezet moest worden én uit de Gedeputeerde Staten. Na veel rumoer staakte J. B. Bomans de uitgave. Over de roman van vader werd thuis niet gesproken.

In mei 1940 was het Duitse leger ons land binnen gevallen. Dat kreeg in het begin van 1941 gevolgen voor de waarnemend commissaris van de Koningin: mr. J. B. Bomans werd vervangen. Hij bleef echter Statenlid. Van der Plas vervolgde met: ‘Hij is opgewonden, wanneer hij op 20 maart van zo’n Statenvergadering thuiskomt op Berkenrode. In de vroege avond – alleen zijn vrouw en zijn zoon Jan zijn thuis – krijgt hij een hartaanval.’ (p. 254)
Op 24 maart werd vader Bomans begraven, op 55-jarige leeftijd. Moeder Bomans overleed in 1955, eveneens na een hartaanval.

Deel II

II.I. De man met de witte das

Op een uitzondering na, is de bovenstaande informatie afkomstig van Michel van der Plas (1927-2013), die een biografisch boek over de jonge Bomans heeft geschreven. Nu is Godfried aan de beurt. In 1971, kort voor zijn dood ten gevolge van een hartaanval – hij was toen 58 jaar oud – kwam ‘De man met de witte das’ uit. Dat is tevens de titel van het eerste deel van het boek. Het derde deel luidt: ‘De man met de zwarte das’. Tussenin staat ‘Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek’. De hier volgende citaten zijn alle uit het eerste en laatste deel van dat boek afkomstig.

Tweede Kamerlid mr. J. B. Bomans was volgens zijn zoon een opvallende verschijning wat hij accentueerde door het dragen van een witte das. Dat was niet zo nodig. Godfried vond zijn vader al opvallend genoeg, meer nog, een ‘schrikaanjagende (..), indrukwekkende persoonlijkheid,’ met een blik in de ogen van drift die hij nog net op tijd kon bedwingen. Hiermee verspreidde hij paniek.
Het waren niet zo zeer politieke aspiraties die J. B. Bomans naar de Kamer bracht, eerder verveling. Tijdens de mobilisatie gedurende de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was hij luitenant van een compagnie soldaten, ‘aan wie speciaal de bewaking van de Noordzee was toevertrouwd.’ Er viel dus niets te doen. Vader Bomans wist dat Kamerleden ontheven waren van militaire verplichtingen. Hij stelde zich kandidaat in het kiesdistrict Haarlem, voerde campagne en won in 1916 zijn zetel in de Kamer. Het districtenstelsel werd een jaar later opgeheven ten gunste van de evenredige vertegenwoordiging.
Politicus Bomans wist in dat jaar een ‘rooie rakker’ met veel aanhang in de Zaanstreek net voor te blijven. Een van de redenen was zijn kleding. Over zijn militaire tenue droeg hij een wijde officiersmantel die hij tijdens redevoeringen liet wapperen op allerlei gemoedsaandoeningen als verbazing en verontwaardiging. Het was een geweldig oratorisch hulpmiddel.

Godfried was te jong om daar nog iets van te weten maar hij werd later bijgepraat door een vrouw die in Lisse een bijeenkomst van zijn vader had bezocht. De lijsttrekker vertelde dat hij juist die dag jarig was. Hij had liever bij zijn gezin geweest. Na een hele worsteling had hij toch gekozen voor het welzijn van een heel district. Na zo’n mededeling kon de politicus geen kwaad meer doen en hij wikkelde de avond moeiteloos af.
Een week later ging die vrouw nogmaals luisteren. Toen bleek vader weer jarig te zijn. Godfried vond dat hulpmiddel, om een grote zaal stil te krijgen, geoorloofd, gelijk een dompteur die met een knetterende zweepslag de leeuwen in het gareel krijgt. In zijn tijd, 1971, met moderne communicatiemiddelen, ried Godfried de door zijn vader gehanteerde methode af.

Na het winnen van de verkiezingen was er een feestelijke bijeenkomst. J. B. Bomans kwam van achteren op en liep licht triomferend naar voren in de bomvolle zaal. Dat kon hij makkelijk doen want in die zaal zaten alleen aanhangers. Toen Godfried  8 jaar oud was, zat hij tijdens zo’n bijeenkomst op de voorste rij tussen katholieke geestelijken. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Dat gevoel werd versterkt door het optreden van zijn vader, daar op dat podium, die zo anders was dan thuis en hem niet aankeek.
De grote Bomans sprak ongeveer 5 kwartier. De laatste 15 minuten waren de finale. Het werden, nu het einde naderde, steeds meer kreten die dwars tegen het applaus ingingen. Uit enthousiasme gingen mensen met hun voeten zitten roffelen, een geluid dat verder ‘aanzwol en ten slotte oorverdovend werd. Ontzettend was het. De laatste zin was het hoogtepunt. Deze werd zeer snel uitgesproken, nog net vóór die onder de ovatie bedolven werd. (..) Debat was er natuurlijk niet. Men schuifelde verpletterd de zaal uit.’ (p. 27)

J. B. Bomans maakte niet veel werk van zijn politieke speeches. Er stond niets op papier. Aldus Godfried. Eerder liet ik Van der Plas opmerken dat Bomans ten tijde van de Propagandaclub alles op papier had staan en nauwelijks improviseerde. Kennelijk had hij dat later niet meer nodig.
De kranten uit die tijd brachten de belangrijkste punten uit die speeches. Godfried vond de inhoud niet veel zaaks. Het was een voortdurend hameren op de achterstelling van de katholieken en een appel de ‘roomse zaak’ te dienen, ‘afgewisseld met enige sabelhouwen naar de rooie kant.’
Godfried gaf verder een voorbeeld van het improvisatietalent van zijn vader.

Als er nu verkiezingen zijn, hangen de affiches van politieke partijen op aangewezen plaatsen. Vroeger wees men de plaatsen aan waar ze niet mochten hangen waaronder kerken, raadhuizen en scholen. Verder mocht men overal plakken.  Ook kalken was toegestaan, bijvoorbeeld op kademuren en druk betreden voetgangersgebieden. Af en toe stonden 30 tot 40 mannen in zwarte pakken – allen plakkers en kalkers – in de tuin van de familie Bomans, voor een hapje en een drankje. Zij zorgden ervoor dat vader overal in Haarlem te zien was. Dat vervulde Godfried met gêne en trots, waarbij het eerste de overhand had. Het opvallende was, dat niemand op school er over sprak, zelfs niet als de kinderen aan het knikkeren waren bij een muur waarop J. B. Bomans levensgroot stond afgebeeld.
Voor de jonge Bomans was vader alomtegenwoordig, als het Opperwezen zelf. Overal keek vader hem aan, met een allesdoordringende blik die hem menigmaal verstijfd deed staan. En dat was telkens het geval want er waren gewone verkiezingen om de 4 jaar en tussentijdse. Bovendien deed J. B. Bomans eerder ook al mee aan de verkiezingen voor de Gemeenteraad. Godfried schreef: ‘Hij was dus overal. Lief was God niet. Nu was dit niemand om mij heen.’ (p. 40)

Tot zijn twaalfde had Godfried een volstrekt geloof in zijn vader en keek tegen diens onfeilbare autoriteit op, echter zonder een spoor van genegenheid. Dat was onverenigbaar: vader viel van zijn voetstuk.
Wel bewonderde hij zijn vader als spreker maar nog meer als causeur: hij kon prachtig vertellen. Als hulpmiddel daartoe loog hij, niet alleen in detail maar ook op hoofdlijnen. Als hij met de auto over een kiezel had gereden en verder niets, kon hij toch de afgrond zijn ingereden waar nog nooit een sterveling was uitgekomen, maar waar hij ongedeerd aan de rand verscheen. Godfried had hier geen moeite mee. Het verhaal werd er alleen maar beter op.
Vader vertelde ook over grote historische figuren als Napoleon en Julius Caesar. Daar gooide hij soms  een enkele paus tussendoor. Ook zijn eigen verleden kwam aan bod. Zo had hij op zijn rapporten uitsluitend tienen staan. Een keer stond er een negen, voor vlijt. Met zijn studie rechten was het ongeveer net zo gegaan en hij stond ook zijn mannetje op het voetbalveld. Op een keer maakte hij een goal terwijl de keeper de bal wel gehoord maar niet gezien had. En de verrichtingen van vader tijdens de mobilisatie waren van dien aard dat zoon Godfried volkomen begreep, dat de Duitsers ons land niet binnenvielen.

Godfried Bomans slaagde in 1933 voor het eindexamen Gymnasium A. Hij schreef zich later dat jaar in als student Rechten aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en werd spoorstudent. Kosten eerste studiejaar: 60 gulden. Zelf had hij liever Geschiedenis gaan studeren maar zijn vader, meester in de Rechten, besliste anders: zijn zoon moest ook meester worden. Dat kon niet goed gaan. In 1936 haalde Godfried toch nog zijn kandidaats en daar bleef het bij, tot 1 februari 1939, toen hij naar Nijmegen vertrok voor de studie Wijsbegeerte en Psychologie. Ondertussen schreef hij veel. In 1937 kwam zijn eerste boek ‘Pieter Bas‘ uit. In 1943 moest hij zijn studie staken omdat de universiteit door toedoen van de Duitse bezetter werd gesloten. Hij verhuisde naar zijn oude woonplaats Haarlem.

II.II. Spelen in de zandbak van de politiek

Het eerste deel wordt afgesloten met de vraag of de politicus Bomans uit de jaren ’20 in 1971 nog zou aanslaan. Godfried verwachtte dat niet en ging eens bij de latere collega’s van zijn vader een kijkje nemen. De lijsttrekkers waren namelijk op verkiezingscampagne. Dat mondde uit in het tweede deel van het boek, waarin portretten zijn opgetekend van Berend J. Udink (CHU), Barend Biesheuvel (ARP), Joop den Uyl (PVDA), Hans Wiegel (VVD), Ridder van Rappard (Nederlands Appel), dominee Abma (SGP), Hans van Mierlo (D’66), Fons van der Stee (KVP) en Marcus Bakker (CPN).
Uit de titel blijkt al dat Godfried Bomans de politiek kinderachtig gedoe vond. Hij portretteerde zelfs toppolitici van die tijd als Joop den Uyl, Hans Wiegel en Hans van Mierlo, op een treffende en tamelijk ontluisterende manier.

II.III. De man met de zwarte das

In 1923 besloot vader Bomans zijn ‘merk’ niet meer in de Tweede Kamer te dragen. Voortaan had hij een zwarte das om, wat toen gebruikelijk was. Zijn zoon achtte dit een keerpunt in het leven van zijn vader. Hij was een romanticus die geen genoegen nam met het gewone leven. Als Kamerlid, Statenlid en Gemeenteraadslid had hij veel invloed gehad maar had hij zijn droom waargemaakt? Voor hem moest alles in het groot gebeuren, ook qua emotie en intensiteit. Maar had hij de enerverende  verkiezingen gewonnen, dan moest hij in de Kamer gaan stemmen over de ‘algehele herziening van het rioleringswezen.’ Godfried schreef verder:
‘Hij kwam er steeds minder, totdat eindelijk het ‘absenteïsme’ van mr. Bomans in de koppen van de kranten doordrong en hij in 1929 zich terugtrok.’ (p. 123)

Vader Bomans was gevat, snel, scherp, breed van visie en intelligent en hij kon ironisch en sarcastisch zijn. Dit alles werd volgens Godfried pas vruchtbaar door het betrekkelijke in te zien, ‘de plotseling relativerende en daardoor bevrijdende glimlach, die was hem onthouden. Ik heb hem ook nooit echt zien lachen.” (Idem) Daardoor bleef hij vasthouden aan idealen die slechts in verwaterde vorm realiseerbaar waren.

Een andere uitweg was de kunst waar de spanning tussen idee en realiteit noodzakelijk is. Daar koos vader Bomans later voor. Hij ging schrijven, dag en nacht, als een bezetene om een roman van 15 (10?) delen te gaan maken, met elke maand een nieuw deel. Thuis werd over die gigantische onderneming niet gesproken. De boeken werden soms even schichtig doorgebladerd. De kinderen wilden er niet te veel van weten omdat ze er zelf in voorkwamen, al in het eerste deel, als de zonen van een geniaal edelman, allen even scherp van verstand en adel van geest. Die edelman werpt de troon in het vermolmde koninkrijk der Nederlanden omver om er zelf te gaan opzitten. Godfried schreef: ‘De tegenstelling tussen deze vier supermensen en de sufferds die wij werkelijk waren benam ons alle lust om ook de volgende delen te raadplegen (..)’ (p. 125)
Omdat het pseudoniem J. B. de Rode snel ontmaskerd was en de inhoud van het boek niet verenigbaar was met de gedragslijn van een Kamerlid, werd hij gedwongen te kiezen voor het boek of voor zijn politieke functie. Hij legde de pen neer. Godfried schreef: ‘Mijn vader keerde dus weer op aarde terug.’ Hij werd daardoor nog zwijgzamer.

Godfried kreeg niet de indruk dat zijn vader veel van hem verwachtte; hij beschouwde hem als een debiel. Daartoe gaf hij zelf aanleiding. Hij ontweek zo veel mogelijk vaders blik en ging hem uit de weg, wat in dat grote huis makkelijk kon. Daar leed hij onder en zijn vader waarschijnlijk ook. Daarom besloot Godfried een opening te forceren en bood zijn vader het voltooide manuscript van ‘Pieter Bas’ aan, dat enkele jaren eerder was uitgebracht. Er zat een blauw lint omheen. Hij liep naar boven, opende de deur van de slaapkamer waar zijn vader lag te lezen. Hij keek Godfried van over de rand van het boek aan. Godfried vroeg of zijn vader zijn boekje wilde lezen. Vader gaf geen antwoord. Met een knik gaf hij aan dat Godfried het aan het voeteneind  kon neerleggen. Er viel geen woord.
Enkele dagen later lag het manuscript op Godfrieds bureau, het lint er nog omheen. Nooit heeft vader er iets over gezegd.

In het begin van de Duitse Bezetting (1940-1945) woonde Godfried als student in Nijmegen. Hij woonde op kamers in de Pater Brugmanstraat. Op een dag in maart, 1941, stond hij voor het raam en zag een zwarte Mercedes de straat inrijden die ter hoogte van zijn adres stopte. Zijn moeder bleef er in zitten, vader stapte uit. Beiden had hij in geen jaren gezien. Zijn vader kwam de kamer binnen. Godfried schreef verder:
‘We keken elkaar een ogenblik aan. Toen begaf hij zich naar het raam en keek naar buiten. ‘Mooi uitzicht,’ zei hij en draaide zich langzaam om. Ik antwoordde niet. Hij bleef een ogenblik bewegingloos staan en zette toen een fles wijn op tafel. Ik zei nog steeds geen woord. (..) Zo verliepen enkele seconden. Toen knoopte hij zijn jas dicht en verliet de kamer. Ik hoorde het portier dichtslaan en de auto wegrijden. Enkele dagen later kreeg ik een telegram. Hij was gestorven.’ (p. 127)

*

Dit verslag is ijzingwekkend. Gelet op het karakter van vader, kortweg een nare man, is er geen reden tot twijfel. Een dergelijk tafereel had zich immers in het klein al eerder afgespeeld met ‘Pieter Bas’. Toch maakte Van der Plas korte metten: er was niets van waar. Dat deed hij op bladzijde 231 van ‘Godfried’. Op zekere dag moet Godfried tentamen doen. Het is prachtig weer en hij laat een medestudent opbellen dat hij ziek is. Kennelijk veel te mooi weer voor een tentamen. ‘s Avonds belt vader op. Zijn zoon liegt dat hij geslaagd is. Vader stapt de volgende dag in de auto met een paar flessen wijn als cadeau en wordt door zijn zoon en eerder genoemde student ontvangen. De sfeer moet goed geweest zijn want vader stelt zijn zoon voor iets in de stad te gaan eten.

Wat een raar verhaal, dat zich bijna een jaar eerder – in de zomer van 1940 – zou hebben afgespeeld. Vader Bomans bracht belangstelling op voor zijn inmiddels 27-jarige zoon terwijl hij dat nooit had gedaan. Nu was hij – een drukbezet Statenlid – ook nog buitengewoon attent door van Haarlem naar Nijmegen te rijden omdat zijn zoon een tentamen had gehaald. Zelfs gewone mensen doen dat niet. Het bezoekje met een fles wijn in maart 1941 is echter wel goed te verklaren en komt nog aan de orde.
Van wie is dat verhaal over vaders tentamenbezoekje in de zomer eigenlijk afkomstig? Van die medestudent, die dezelfde hospita had als Godfried. Zijn naam? Van der Plas vermeldde dat niet.

Deel III

Journalist Godfried Bomans, na de Tweede Wereldoorlog werkzaam voor zowel ‘de Volkskrant’ als het weekblad ‘Elsevier’, schuwde de confrontatie niet. De ene keer pakte hij het Ministerie van Onderwijs aan, dan weer kerkelijke en politieke autoriteiten. En soms ging bijna het hele Nederlandse volk over de knie.
Bomans had moeite met het gezag. Daarin kwam hij overeen met de vooral ludieke provo’s van de jaren zestig. Zo kon hij zelfs veel begrip opbrengen voor de studentenbezetting van de Hogeschool in Tilburg, anders kwamen er nooit noodzakelijke vernieuwingen op gang.
De jaren zestig zijn de geschiedenis ingegaan als de opstand van de jeugd tegen hun vaders omdat zij de macht in handen hadden. Bomans moet hierdoor beïnvloed zijn geweest want er was een enorme autoriteit in zijn leven die hij nog nooit beschreven had: zijn vader. In 1971 was hij dan zover met ‘De man met de witte das’.
Hieraan is een worsteling vooraf gegaan, blijkens een interview van Ischa Meijer (1943-1995), onder meer journalist en tv-presentator. Hij ging tegen de winter een dag bij Bomans op bezoek. Zijn interview verscheen in ‘De Nieuwe Linie’ van 24 december 1966 en is in 2003 opgenomen in de bundel ‘De interviewer en de schrijvers’. ‘De man met de witte das’ blijkt op hoofdpunten een stilering van dat interview te zijn geweest.

*

Godfried Bomans was tegenover Ischa Meijer zeer openhartig en toonde zijn bewondering voor de jonge generatie schrijvers die van hun privé-ervaringen boeken maakten. ‘Kort Amerikaans’ viel bij hem zeer in de smaak en hij wilde Jan Wolkers graag eens ontmoeten. Die bewondering had alles te maken met zijn onvermogen op dat terrein.
Bomans gaf een tamelijk ontredderde indruk en vertelde dat hij nog moest genezen van de kwetsuren uit zijn jeugd. Hij groeide op in een gezin ‘waar niemand tegen elkaar sprak.’ Zodra de ploert voorbijkwam, drukten ‘vijf bleke schimmen (..) zich tegen het behang. (..) We zochten allemaal ons klooster. Ik las maar, en ik las maar. Alles was beter dan dat huis. (..) Twintig jaar ben ik ziek geweest, psychisch een wrak. (..) Nu moet ik volwassen worden.’ (De interviewer en de schrijvers, p. 9)
Later op de dag, zei Bomans, plotseling, na enkele minuten van doodse stilte: ‘Jaren heb ik die man gehaat. Ik heb een manier gezocht om ervan los te komen. Ik kan niet over hem schrijven. Niet direct. (..) Ik vind het niet fout dat al die mensen tegenwoordig maar direct op het papier zetten wat ze beleefd hebben. Ik kan het niet. Nog niet… Maar wie weet. Ik heb je al gezegd, ik genees langzaam. (..) Ik weet heus wel dat ik nog moet groeien.’ Maar er is al een stap gezet. ‘In de laatste Katholieke Illustratie heb ik heel even over hem geschreven… Lees dat nou es.’ (p. 12)
Ischa Meijer las het bewuste stuk en kon de vader van Bomans er niet uithalen.

‘Om te ontkomen aan de macht van mijn vader heb ik ‘Pieter Bas’ geschreven,’ vervolgde Bomans. ‘Op gelinieerd papier, in keurig handschrift (..) Op een avond was het klaar. Ik deed er een lichtblauw bandje omheen. Toen ging ik de trap van mijn vader op. (..) Nog herinner ik het me: die lange tocht omhoog. De deur van zijn kamer stond open. Daar lag de dictator op bed, chocola te vreten. Zijn verbaasde gezicht.
‘Wat kom jij hier doen’…?
‘…Vader, ik heb een boek geschreven…’
En daarna ruggelings de kamer uit. De volgende dagen … die halve bewusteloosheid waarin ik leefde. Op een morgen lag het manuscript weer op mijn bureautje. Zonder commentaar. Toen (1937) ben ik van huis gevlucht zonder een cent. Ik was de debiel. De debiel, dat heeft hij zelf gezegd. Debielen hoeven niet te studeren. Ik kreeg geen cent voor m’n rechtenstudie in Amsterdam. Ik deed mijn kandidaats. Ik had honger, ik woonde in een miserabel keldertje, zonder licht.’ (p. 14)
(..)
Misschien heeft hij de etalage van een boekwinkel vol zien liggen met ‘Erik’… Maar op een dag stopt de Mercedes van mijn vader voor mijn huis in Nijmegen. Ik stond verlamd achter het raam. Ik kon er niet uit. Maar de tiran, de Zeus stapt uit zijn wagen en belt aan. Ik moest open doen. En daar stond hij oog in oog met die debiel. Geen van beiden konden we iets zeggen. Toen zette hij een fles wijn op tafel en vertrok. Er is geen woord gevallen.
De volgende dag belt m’n moeder op om mij te vertellen dat hij gestorven was…’ (p. 14-15)

Verantwoording scans:

Foto 1: Godfried Bomans zoals afgebeeld in ‘De wereld van Godfried Bomans’ van Jeroen Brouwers, 1982, gespiegeld
Foto 2: Vader Bomans uit ‘De man met de witte das’ van Godfried Bomans, detail, 1971, gespiegeld
Foto 3: Verkiezingsaffiche uit 1921 uit ‘De man met de witte das’
Foto 4: Voorkant van ‘Godfried, Het leven van de jonge Bomans’ van Michel van der Plas, 1982
Foto 5: ‘Berkenrode’ uit ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, redactie Michel van der Plas, 1972
Foto 6: Vader Bomans als luitenant uit ‘De wereld van Godfried Bomans’
Foto 7: Kalkers op de weg uit ‘De man met de witte das’
Foto 8: Voorkant van ‘De man met de witte das’
Foto 9: Voorkant van ‘Pieter Bas’ van Godfried Bomans, zijn debuut uit 1937
Foto 10: Zie foto 4, detail
Foto 11: Omslag van ‘Erik of het klein insectenboek’ van Godfried Bomans, 1940