Godfried Jan Arnold Bomans

Afkomstig uit:
Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
te Leiden 1971-1972, pag. 96-104.

door Michel van der Plas

GODFRIED JAN ARNOLD BOMANS

‘s-Gravenhage 2 maart 1913 – Bloemendaal 22 december 1971

Godfried Jan Arnold Bomans werd geboren te ‘s-Gravenhage op 2 maart 1913, als vierde kind van Johannes Bernardus Bomans (geboren te Amsterdam op 11 mei 1885) en Arnoldina Josephina Oswalda Reynart (geboren te Rotterdam op 19 december 1883); dezen waren gehuwd op 9 juli 1908, te Rotterdam, en hadden zich gevestigd te Den Haag, op het adres Bierkade 2A. Het was daar dat Godfried Bomans om 9 uur des voormiddags het levenslicht aanschouwde. Na hem zouden nog drie broers het huisgezin aanvullen. Het voor hem geboren zusje Hermina en broertje Herman zouden reeds op zeer jeugdige leeftijd overlijden.

In het gezin Bomans deed de vader zich gelden als de allesoverheersende figuur. In de eerste jaren van zijn huwelijk kortstondig geïnteresseerd in de makelaardij van effecten, maar al spoedig gedesillusioneerd door een deconfiture, begon hij in 1911, te Leiden, rechten te studeren, een onderneming die hij reeds op 10 juli 1913, vier maanden na de geboorte van zijn vierde kind Godfried, met succes voltooide. Kort daarop begon hij in associatie met mr.F.M. Hagemeyer een advocatenpraktijk te Haarlem, alwaar hij zich met zijn gezin vestigde. Maar al spoedig vatte hij belangstelling op voor de politiek en werd achtereenvolgens lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de R.K. Staatspartij (1916-1929), wethouder van financiën te Haarlem (1917-1923), lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (1923-1941), terwijl hij ook nog in het eerste jaar van de Duitse bezetting optrad als waarnemend Commissaris van de Koningin in Noord-Holland. In herinneringen, later opgehaald door zijn zoon Godfried, maar eveneens, zij het minder verdicht, door diens zuster Oswalda en broers Rex, Jan en Arnold, rijst de vader op als een in alle opzichten uiterst merkwaardige figuur: als een patriarch met sterke gezagsopvattingen en strenge, haast spartaanse denkbeelden over opvoeding; als een conservatief met geprononceerde ideeën over de bevordering van ‘de katholieke zaak’ in de Nederlandse samenleving; maar ook als een man met een levendige fantasie, een boeiend verteller van verhalen met meestal heroïsche inhoud. Het kon niet anders of deze rijzige, knappe, intellectueel goed toegeruste publieke persoonlijkheid moest wel een zwaar stempel drukken op de ontwikkeling van zijn kinderen, met name de gevoelige, al vroeg oorspronkelijke, maar ook tot vrijwillige afzijdigheid neigende Godfried. Meer nog dan als politicus slaagde de vader als zakenman: het waren voornamelijk zakelijke besognes die hem gaandeweg het kamerlidmaatschap deden verwaarlozen en tenslotte opgeven. Als president-commissaris van enkele grote financiële ondernemingen, met name van Gemeenschappelijk Eigendom, kon hij zich aristocratische allures aanmeten en een leven van betrekkelijk grote stijl leiden, waarbij hij liever royaal spendeerde dan spaarde. Voor de eerste pennevruchten van Godfried, reeds openbaar tijdens zijn studietijd aan het RK lyceum Sanctissimae Trinitatis te Overveen, schijnt hij weinig echte belangstelling te hebben gehad, althans betoond. Hij voorzag voor zijn zoons eerder min of meer briljante universitaire studies en daarop volgende maatschappelijke carrières in de publieke sfeer dan de hem teleurstellende opties waar zij, eigenzinnig, zelf de voorkeur aan gaven. Dat twee van zijn kinderen de kloosterlijke staat omhelsden, heeft hem lang verdroten.

Eigenlijk niet gelovend in een literaire loopbaan voor zijn in die richting toch al vroeg duidelijk begaafde zoon Godfried, vond hij in het nogal teleurstellende verloop van diens studietijd in Amsterdam, aan de Gemeentelijke Universiteit (1933-1939) en een door veel grilligheid gekenmerkt levenspatroon, conflictstof die gaandeweg een vrij diepgaande verwijdering tussen vader en zoon zou opleveren. Zelf publiceerde vader Bomans in de jaren 1933 tot 1935 in een razend tempo een reeks afleveringen van een ‘Donald-cyclus’: fantastische verzinsels van een edelman en diens aristocratisch bewind, in de pers een sleutelroman genoemd die eerder onthullend was over zijn eigen persoon en over zijn dromen van een schitterend nageslacht dan over de Nederlandse samenleving. Al te scherpe kritiek deed hem de reeks voortijdig afbreken.

Als gymnasium-alfa-leerling te Overveen had Godfried intens deelgenomen aan het gezelligheids- en verenigingsleven. In 1931 was hij redacteur van het schoolblad Tolle Lege geworden en had hij een toneelstuk Bloed en liefde geschreven, een kwasi-heroïsch drama, bedoeld als parodie op Victor Hugo’s Hernani; een uitbundig spel dat in latere jaren talloze malen vertolkt zou worden door middelbare scholieren. Onder het pseudoniem Bernard Majorick had hij een jaar later, 1932, zijn literaire debuut gemaakt, en wel in het Algemeen Litterair Maandblad Het Venster, met poëzie (Drijfjacht) en proza (Gebed voor Nederland). De schuilnaam zou hij later overdoen aan Joop Beljon. Voorzien van het getuigschrift eindexamen gymnasium alfa (gedateerd 5 juli 1933), had hij zich in september van hetzelfde jaar als student in de rechten laten inschrijven.

Intussen openbaarde zich in hem enige tijd lang een sterke vroomheid en een zekere neiging tot mystiek, onder grote invloed van kennissen in het Gooi. Hij nam onder meer gretig deel aan bedevaarten en processies. In 1935 vatte hij, na een verblijf van enkele weken in het klooster Monte Olivete in de Apennijnen, het plan op dat klooster binnen te treden. Het was slechts van korte duur, zij het dan dat hij reeds, met zijn ouders, afscheid had genomen van vele familieleden. Hij zette zijn studie voort en behaalde op 4 juli 1936 het candidaats rechten. Toch begon in hem langzaam maar zeker verzet te rijzen tegen de studie in een discipline die hem in feite niet boeide en die bovendien bekroond zou moeten worden met een maatschappelijke functie (burgemeester bijvoorbeeld) die hem niet aanlokte. Van nature bovendien neigend tot luiheid en de onbezorgde levenswandel die toen voor ‘studentikoos’ doorging, besteedde hij, hoewel door zijn vader kortgehouden, meer en meer tijd aan verenigingsleven in groot en klein verband en aan vriendschappen met een speels karakter en vol van allerlei practical jokes, terwijl hij bovendien steeds vaker de pen op papier zette. 1937 werd een belangrijk jaar: steeds vaker in conflict geraakt met zijn vader, betrok hij een kamer aan de Huidenstraat 25 te Amsterdam en legde tegelijkertijd een andere onafhankelijkheidsverklaring af door zijn eerste twee boeken te publiceren: de Memoires of gedenkschriften van mr.P.Bas, waarvan hij al grote stukken in verschillende studententijdschriften had gepubliceerd, en zijn treurspel in drie bedrijven Bloed en liefde. Het eerste boek kreeg een goede pers, waarin met name werd vastgesteld dat Nederland een humoristische schrijver van groot talent rijker was geworden.

Allengs begon zowel de studie als het geestelijk klimaat in Amsterdam hem tegen te staan. Twee maanden lang trad hij op als redacteur van het tijdschrift Propria Cures. Maar na een nieuw en nu diepgaand conflict met zijn vader vertrok hij plotseling, op 1 februari 1939, naar Nijmegen met vage plannen over studie in de wijsbegeerte en psychologie. Naar hij later zou getuigen, voelde hij zich vrijwel onmiddellijk thuis in deze ‘warme’ stad aan de Waal, waar hij bovendien, een gezelligheidsmens, meer geestelijke verwantschap aantrof bij professoren en medestudenten dan hij in Amsterdam had gedaan. Hij schreef er in de eerste maanden Erik of het klein insectenboek, volgens eigen mededeling te Berg en Dal en ‘in het gezelschap van een hond, een kat en een papegaai’: een ‘gelukkig boek’, dat iets zou weerspiegelen van een nieuwe rust en innerlijk vrede en van een verbeelding die hoger durfde vliegen dan voorheen; maar vooral van de innigheid waartoe hij al schrijvende in staat was. Toen dit boek in 1941 verscheen werd het een onmiddellijk succes: nog binnen het jaar verschenen er tien drukken van. Ook dit was een belangrijk jaar in zijn leven. Op 20 maart stierf, 55 jaar oud, plotseling, na een hartaanval, zijn vader in zijn riante woning Berkenrode aan de Herenweg te Heemstede. Met Kerstmis 1941 verloofde de zoon zich, en wel met Gertrud Maria Verscheure, woonachtig te Nijmegen.

De eerstvolgende jaren gaven een zoekende Bomans te zien. Onzeker aangaande de adequate uitbuiting van zijn talenten (zeer muzikaal, flirtte hij bijvoorbeeld ook af en toe met het denkbeeld zich verder als pianist of zelfs componist te ontwikkelen), verwelkomde hij haast met vreugde het voor hem onaanvaardbare voorschrift van de bezetter, de loyaliteitsverklaring voor studenten te ondertekenen; het betekende, eind 1942, het einde van een studie die hem feitelijk nooit bevredigd had. Hij nam afscheid van Nijmegen, dat zich hem nog lang herinneren zou als een haast legendarische ‘eeuwige student’, en verhuisde naar Haarlem. Daar huurde hij een woning aan de Zonnelaan 17, waarin hij, later in het jaar 1943, twee onderduikers zou opnemen. In de hongerwinter moest hij zelf onderduiken in Aerdenhout. In die twee laatste oorlogsjaren bleef hij spelen met uiteenlopende vage plannen voor later. Hij liet zich overhalen tot het redacteurschap van het te herrijzen dagblad De Volkskrant en tot dat van het voor het eerst te verschijnen Elseviers Weekblad, maar speelde tezelfdertijd met denkbeelden over een ‘groot boek’, misschien een biografie van Charles Dickens, van wie hij intussen werk begon te vertalen.

In de laatste maanden van de oorlog was hij gescheiden geweest van de vrouw met wie hij, op 14 april 1944, in Nijmegen een huwelijk ‘voor de wet’ had gesloten: ‘Pietsie’ Verscheure. Het kerkelijk huwelijk tussen de twee werd gesloten op 17 augustus 1945, ook te Nijmegen en wel in café De Bonte Os, dat als noodkerk was ingericht. Zij betrokken de woning aan de Zonnelaan te Haarlem.

Nu, na de bevrijding, begon de schrijver Bomans zich duidelijk te ontwikkelen. In De Volkskrant, waar hij als kunstredacteur optrad, verschenen reportages van zijn hand, maar ook, sinds 12 november, de afleveringen van een stripverhaal De avonturen van Pa Pinkelman, dat een overweldigend succes zou krijgen, niet in het minst doordat, naarmate de afleveringen volgden, hij allerlei politieke en maatschappelijke actualiteiten in de fantasieën begon te verwerken. Tezelfdertijd startte hij in Elseviers Weekblad met een reeks verzonnen interviews van satirische aard, die later als Kopstukken gebundeld zouden worden. Maar hij wisselde deze humoristische stukken af met korte essays over historische figuren, vaak uit de negentiende eeuw: Dickens, Beets, Haverschmidt, Tachtigers. (Overigens zou de band van een redacteurschap, vaste dienstbetrekking, hem al spoedig als een te knellende, tot teveel verplichtende voorkomen en al spoedig trad hij zowel bij de Volkskrant als bij Elseviers Weekblad uit de redactie.)

In 1946 verscheen het boek dat sommigen tot op heden beschouwen als het hoogtepunt van zijn oeuvre: de eerste verzameling Sprookjes. In deze fantastische korte vertellingen lijkt hij, elders als schrijver zo vaak in de aanval, het meest zichzelf te durven zijn: ontwapend, verwonderd, ronde kijkend in een wereld bevolkt met wezens van de eigen verbeelding en tussen hen in tot meer mededogen en daarmee gepaard gaande innigheid en tederheid in staat dan in de toch met onvrede beleefde werkelijkheid.

Naarmate zijn bekendheid, ook als uitermate knap voordrager van eigen werk, en, in het algemeen, als gevat spreker toenam, begon hij meer en meer in het openbaar op te treden. Met name in Haarlem en omgeving, waarvan hij de geschiedenis uitstekend kende en de lof vele malen zong. Hier sloot hij en onderhield hij zijn beste vriendschappen: met de jeugdvriend H.L.Prenen (de door hen in 1937 opgerichte Rijnlandsche Academie was blijven bestaan), met de hoogbejaarde Lodewijk van Deyssel, met de beeldende kunstenaars Boot, Verwey, Andriessen. Hier nam hij het initiatief tot de oprichting (in 1949) van een sociëteit, Teisterbant geheten, als welker president hij vele jaren lang hij in het verenigingsleven van Haarlem een zo enthousiasmerende rol zou spelen, terwijl hij ook een trouw lid werd van een schaakclub. Hier opende hij, behalve jaarlijkse kunstmarkten, een eindeloze reeks tentoonstellingen, manifestaties en etablissementen van de meest uiteenlopende aard.

In 1950 schreef hij bij gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van de Cistercienzer Abdij Maria Toevlucht te Zundert, waar zijn broer Arnold als monnik was ingetreden, een kroniek met de titel Een halve eeuw Trappistenleven. Dit boek, dat wel het meest onbekend gebleven geschrift van zijn hand is, toont de schrijver Bomans volgens de literaire criticus Kees Fens op zijn best, iets wat hij zelf later altijd bestrijden zou; als schrijver van een kroniek stelt men zich, zo zou hij verklaren, nu eenmaal zeer bewust op het tweede plan; en daardoor ontstaat een soort ethiek waarbij alle ijdelheden, die anders bij het schrijven gebruikt worden, uitblijven, ‘en daarmee worden dan geen zwakheden vertoond.’

In de jaren 1953 en 1954 verbleef hij langere tijd in Rome. In Elseviers Weekblad en De Volkskrant (beide bladen zou hij tot aan zijn dood met bijdragen van een overigens steeds grillig wisselende frequentie trouw blijven) verschenen daarover reportages van zijn hand. In het eerste blad publiceerde hij, in 1954, bovendien een reeks afleveringen van een uitvoerige mystificatie die hem reeds langere tijd voor ogen had gestaan: Robert Spoon, een door hem verzonnen historische figuur met uitzonderlijke kwaliteiten, die had moeten uitgroeien tot een omstreden persoonlijkheid, onderwerp van langdurige polemieken, indien mogelijk tot in het buitenland. In hetzelfde jaar ving hij in de Volkskrant aan met de publicatie van wekelijkse korte beschouwingen over actuele onderwerpen, stukjes, aanvankelijk ondertekend met de naam Parlevink, die talloze malen rechts onderin op de eerste pagina zouden verschijnen: een feuilletonistisch unicum in de geschiedenis van de Nederlandse dagbladpers. Vele van deze korte stukjes zouden later in boekvorm verschijnen, terwijl hij ook een groot aantal ervan voor de radiomicrofoon ten gehore zou brengen. Daardoor kon hij zich niet steeds aan de indruk onttrekken, een gewiekst uitbuiter te zijn van zijn eigen produkten voor verschillende achtereenvolgende vormen van publicatie. Het korte stukje echter leek voortaan precies de vorm, geëigend voor zijn schrijftalent. In de beperking zocht hij zich de meester te tonen. De beknopte omvang gaf hem juist die ruimte voor de beperkte overweging van, onder de oppervlakte, meestal diep ernstige aard, waar hij als huiskamerfilosoof met zin voor distantie en erasmiaanse relativering altijd al toe had geneigd. Zijn proza was kraakhelder, doorzichtig, speels, steeds vol verrassende wendingen.

Gaandeweg echter begon de arbeid van de pen meer en meer klem te zitten tussen het vele werk van totaal andere aard waartoe hij aan het eind van de jaren vijftig bereid werd gevonden. Dit ‘bijwerk’ kon zelfs de overhand krijgen, met het gevolg dat zijn boeken, voor de overgrote meerderheid bundelingen van korte stukjes in verschillende bladen verschenen, de indruk wekten van herhalingsoefeningen, iets waar een allengs minder gecharmeerde en kribbiger kritiek nu bij herhaling op begon te wijzen. Met vele talenten toegerust, verdeelde hij zijn energie over zoveel projekten tegelijk, dat met name ‘het grote boek’ uit zijn horizon verdween dat hij zichzelf toch eigenlijk nog steeds beloofd had: een Dickens-biografie. Zelf maakte hij overigens nooit de indruk onder deze ontwikkeling als onder een last gebukt te gaan. Met een zekere gretigheid aanvaardde hij integendeel opdrachten van de meest verscheidene aard die hem buiten de werkkamer en, gaandeweg, ook steeds meer buiten de grenzen van het schrijverschap en die van Haarlem en Nederland brachten. Daar waren de ontelbare lezingen alom in den lande en overzee. Daar waren de vele verplichtingen die hij aanging zowel voor de radio als voor de televisie Ernst en humor in mijmeringen voor de AVRO, Kopstukken voor de KRO, Hou je aan je woord voor de AVRO, Gevraagd voor de NCRV). Daar was voorts veel werk voor representatieve en reclamedoeleinden (o.m. de Famous Writers School, taalcursussen en dergelijke). Maar de rechtvaardigheid gebiedt dat men zich afvraagt of dit ‘bijwerk’ hem niet zo goed lag en hem zo uitstekend afging, dat het eenvoudig als een andere legitieme expressie moet worden gezien van zijn talenten. Met name voor de media van radio en televisie bleek hij een opvallende en overtuigende ‘personality’ te zijn, uitzonderlijk begaafd in de doordringende ondervraging vol understatements, in de improvisatie (‘op het scherp van de snede’ zoals hij zelf placht te zeggen) vol verrassende wendingen, in het hardop meedenken over tal van problemen in forums. Inderdaad wisselden ernst en humor elkaar daarbij steeds harmonisch af, waarbij het moraliserende element, dat ook al in zijn geschriften een steeds grotere rol was gaan spelen, sterk opviel. De stelligheid waarmee hij bepaalde denkbeelden naar voren bracht kon soms wat gemakkelijk schijnen. Onverdraagzaamheid echter bleef hem vreemd. Steeds meer in het publiek optredend, verwierf hij zich, naarmate hij ouder werd, een werkelijk nationale bekendheid en populariteit. Herhaaldelijk bleek hij bij nationale enquêtes de meest gelezen en meest bekende Nederlandse schrijver, een die zelfs een fanclub achter zich kreeg. Voor velen werd hij een goede huisvriend; voor velen bracht hij gereserveerde bedenkingen ten aanzien van raadselachtige verschijnselen in de zich snel wijzigende samenleving treffend onder woorden; hij leek uit te groeien tot de vaderlandse huiskamermoralist.

Aparte vermelding verdient overigens de reeks leesboekjes die hij onder de titel Pim, Frits en Ida voor de lagere school schreef. Zijn pen was uitermate geëigend voor eenvoudige, klare vertellingen. En eigenlijk sloten deze verhalen, bedoeld voor zeer jeugdige lezers, wonderwel aan bij zijn sprookjes, waarvan in 1965 een nieuwe verzameling het licht zag.

Naarmate de jaren ’60 vorderden, en de crisis in het christelijk geloofsleven meer en meer om zich heen greep, was het of de gelovige katholiek Godfried Bomans zich ook zelf gedwongen zag dieper in te gaan op de inhoud en de beweegredenen van zijn levensbeschouwing. De merkwaardige ontwikkelingen met name binnen de katholieke gemeenschap van Nederland konden hem niet onberoerd laten. Een in wezen behoudend gezinde man als hij, die nochtans, vanuit zijn onderzoekende en relativerende Erasmus-positie in het midden, een open oog hield voor de dwingende aspecten van een Nieuwe Theologie en de haast onvermijdelijke ontmythologisering en secularisatie, begon zich in toenemende mate rekenschap af te leggen van zijn eigen ‘condition humaine’. Hij leek van nature geëigend zich daarbij te vereenzelvigen met ‘de eenvoudige gelovige’, voor wie het verlies van het oud-vertrouwde met verdriet gepaard ging. Maar hij bracht ook de moed op, een naar zijn mening waarschijnlijk kale en kille toekomst in de ogen te zien. Van de verdichting en de verhulling kwam hij tot een voor hem nieuwe openheid, van het wat romantische afstandelijke tot nuchtere werkelijkheidszin, onder meer in de reeks gesprekken die hij in 1969 met Michel van der Plas voerde ‘over hun roomse jeugd en hoe het hun later verging’, gesprekken die later dat jaar in boekvorm zouden verschijnen onder de titel In de kou. Maar ook in de neerslag van reizen, die hij onder meer in opdracht van de NCRV ondernam (een reis om de wereld, een reis naar Rome, een reis naar het Heilige Land) en in de gesprekken die hij, in 1970, voor de televisie voerde met zijn broer Arnold en zuster Wally in hun onderscheidene kloosters, kwam hij allengs scherper naar voren als een zoeker, een man die vragen stelde in plaats van, zoals vroeger, de antwoorden te geven, een hardop denkende die meer en meer geboeid werd door de vragen rond de dood en het voortbestaan. Vooral de televisiefilm Bomans in triplo bleek honderdduizenden diep te treffen.

Het jaar dat zijn laatste levensjaar zou worden zag hem actiever dan ooit tevoren. Men kon zelfs de indruk krijgen dat hij roekeloos begon om te springen met zijn energie, te meer daar het aantal verplaatsingen toenam op een wijze die buitengewone risico’s met zich mee moest brengen voor zijn lichamelijke gezondheid. Hij reisde bijvoorbeeld door het land om talrijke lijsttrekkers in de verkiezingsstrijd van 1971 te observeren; de weerslag van zijn ervaringen legde hij neer in De man met de witte das. Treffend is daarin vooral dat hij, ongeweten dicht genaderd tot ‘de dood van de sprookjesverteller’, zich uitvoerig rekenschap gaf van zijn ver- houding tot de vaderfiguur die in zijn leven onmiskenbaar zo’n belangrijke rol had gespeeld. Toch werd de onthulling geen ontluistering; de toon van mededogen is er in te beluisteren, evenzeer als die van vrede met al ‘wat nu eenmaal zo heeft moeten zijn’; een toon die ook doorklinkt in Het dagboek van Rottumerplaat, vrucht van een bar avontuur op dat onbewoonde eiland, waar hij van 10 tot 17 juli in opdracht van AVRO en VARA verbleef, fysiek zwak en daardoor geestelijk minder stabiel. Naast deze ervaringen stond nog die van een uitputtend verblijf in Vlaanderen, gevuld met reeksen interviews, voor de programmaserie Een Hollander ontdekt Vlaanderen, uitgezonden door de BRT, en later ook in boekvorm verschenen. Daar was ook nog een zeereis door de Middellandse Zee op gevolgd. Daar was voorts een nieuwe reeks televisiegesprekken bij gekomen. En dat alles was nog doorsneden en afgewisseld met tal van optredens voor allerlei instanties en lichamen. Bij al wat zou worden vaste gelegd in boekvorm, door de radio en door de televisie, zou zodoende veel ongeregistreerd blijven van wat zijn rusteloze persoonlijkheid van zichzelf wegschonk. Van sommige van zijn activiteiten, waarin hij het beste van zichzelf gaf, bestaan zodoende alleen maar herinneringen; de briljante gesprekspartner zal versluierd blijven, de geestige tafelredenaar evenzeer, en de consciëntieuze en heel vaak zeer onderhoudende briefschrijver zal althans voorlopig onbekend zijn.

In de tweede week van december reisde hij naar Brussel, alwaar zijn boek Een Hollander ontdekt Vlaanderen uitvoerig ten doop werd gehouden. Hij keerde ziek naar Nederland terug, om ook nog de feestelijke jaarvergadering bij te wonen van de (door hem in 1956 opgerichte en vele jaren lang als president voorgezeten) Dickens Fellowship. Hoge koorts dwong hem naar bed te gaan en het voorlopig te houden. Op 21 december voelde hij zich weer in zoverre redelijk wel, dat hij, opgestaan, ‘s avonds meende een wedstrijd te kunnen gaan spelen voor de schaakclub in Bloemendaal waarvan hij lid was. Zijn spel die avond was rusteloos; slecht staande, bood hij remise aan; het werd geweigerd en hij verloor. Zich plotseling weer zeer slecht voelend, reed hij met zijn auto naar huis, maar toen zijn vrouw de deur voor hem opende, wankelde hij naar binnen. Hij zakte onmiddellijk ineen op een bank. Hij leefde nog een uur. Na een hartaanval en een moeilijke doodsstrijd overleed hij te 0.45 uur op 22 december.

De verslagenheid na dit onverwachte heengaan was nationaal. Ongekend groot was de belangstelling bij de uitvaartmis die op de middag voor Kerstmis in de parochiekerk van de Allerheiligste Drieeenheid te Bloemendaal door zijn broer Arnold werd opgedragen en bij de daarop volgende teraardebestelling in het vallende duister.1)

NOOT

1. Voor de geschriften: Herinneringen aan Godfried Bomans, Amsterdam 19724.