Entree in het gekkenhuis

Medio 1965, twintig jaar na de oprichting, ging Elseviers Weekblad over op het magazineformaat, reden voor de onderzoeksjournalist Henk J. Meier (1937-2011) om de lezers van het door hem geredigeerde maandblad Ratio (1964-1965) wat meer inzicht te geven in de achtergronden van het sinds 1945 verschenen weekblad. Het resultaat was een themanummer waarin herinnerd werd aan het oorlogsverleden van sommige redacteuren, de omstandigheden waaron­der het weekblad was opgericht en de ontwikkeling die het sinds 1945 had doorgemaakt. Het was een kritische beoordeling waarmee Ratio in oktober 1965 met nummer 7 van de tweede jaargang naar buiten kwam. Het speciale Elseviernummer zal op de burelen van de Spuistraat in Amsterdam met weinig enthousiasme zijn begroet.

Henk J. Meier zelf benaderde een aantal (oud)medewerkers en hij is, ver­moedelijk gewapend met een recorder, naar Bloemendaal getogen. Het was zijn “eerste uitgebreide kennismaking en confrontatie met Godfried Bomans”. Toch wilde Meier er later weinig meer over kwijt dan dat het een “zeer memo­rabel” bezoek was geweest en dat het gesprek uiterst amusant was verlopen, “waarbij de gesprekspartners er elk een ander soort vermaak in schiepen”.

Godfried’s opmerking in deze monoloog dat hij meende terecht gekomen te zijn in “een gekkenhuis van heel hoog niveau met uiterst begaafde patiënten” leidde naar de titel “Genieten in een gekkenhuis” waaronder de uitgeverij Else­vier een kloeke bloemlezing uitbracht van zijn bijdragen aan het weekblad, een publicatie die in de eerste maand van 2012 binnen veertien dagen aan een tweede druk toe was.

Godfried Bomans? We zijn het hem gaan vragen. In een monoloog over de eer­ste jaren van E.W. (waarin hij de jaren voor ’45 nogal eens verwisselde met de jaren daarna) vertelde hij onder meer:

“In de winter van ‘44 woonde ik in de Zonnelaan in Haarlem. Lunshof woonde om de hoek, aan de Oosterhoutlaan aan het Spaarne. Op een wandeling door de sneeuw kwam ik hem tegen en hij zei: “Kom een borrel bij me drinken!” want Henk Lunshof had jenever – iets wat niemand in Europa op dat moment had – en elektrisch licht, dat hij kreeg via een illegale kabel naar een duitse hoogspanningsleiding. Hij zei: “Volgende week komen Piet Bakker en Werumeus Buning, kom er dan ook maar bij … ” Zo kwam ik er bij. Ik denk dat de anderen mij beschouwden als een vergissing van Henk Lunshof. Ik was een spons, mijn taak was te absorberen. Ik zat daar tegenover mensen die in zovele opzichten mijn meerderen waren. In de oorlog was je wereld veel klei­ner dan nu – alles dicht, alles beperkt, om acht uur naar bed, donker … Het is voor een jongeman een genade als hij op zo’n tijdstip in zijn leven ontmoetin­gen met zulke mensen heeft … een bloedtransfusie, dat was het. Dat weekblad … dat vond ik een droom … onzin. Ik heb daar nooit in geloofd. Voor de oor­log studeerde ik Rechten in Amsterdam (“P.C.”-redacteur 1938-’39), daarna ging ik in Nijmegen psychologie studeren tot de universi­tei­ten dicht gingen. Toen ging ik terug naar Haarlem. Ik had al iets gepubliceerd, “Pieter Bas” en “Erik”, dat was zo’n beetje een bestseller, het haalde in het eer­ste jaar (1939) twaalf drukken. Maar een journalist was ik niet – ben ik nooit geweest, omdat ik het niet kàn. In Haarlem heb ik toen thuis twee jaar lang joden verstopt. Zijn er allemaal goed doorgekomen. Maurice van IJzer, de eer­ste man van Jo Vincent, Hans Lichtenstein, de directeur van de Hirsch-ope­ret­te, die is nu di­recteur van de opera in Antwerpen.
Die redactievergaderingen werden altijd ‘s nachts gehouden en dan liep Van Duinkerken terug naar Amsterdam, want er gingen geen treinen. Ik had wèl de indruk dat ze allemaal lichtelijk krankzinnig waren. Dat moet je ook zijn. Ik dacht, ik ben terecht gekomen in een gekkenhuis van heel hoog niveau met uiterst begaafde patiënten. Van hen heb ik het snelle denken, het overzien van situaties en zo geleerd. Maar ik was een non-valeur, Ruiten-Vier in het spel, begrijpt u wel.
Die jongens hadden allemaal decennia ervaring bij de Telegraaf achter de rug. En dan voerden ze gesprekken in de trant van Jan moet nou maar eens ver­dwijnen en dat was dan de koning van Roemenië, of Het wordt tijd dat Piet eens opdondert, dat was dan de Minister van Openbare Werken. Dat maakte diepe indruk op mij. En ik was de luisteraar. Ik luisterde maar en knikte. Want je kunt wel vuurpijlen afschieten – zoals zij deden – maar je moet ook zorgen dat iemand het lichtspoor volgt. Dàt deed ik. Dan riep ik in bewondering “Aaahh!” Ik was de AAAHH!-roeper.
Henk Lunshof
had nogal wat drank in huis en er werd nogal wat gedronken. En hij hàd niet alleen licht, hij gàf ook licht. Hij was extrovert, mededeelzaam. Hij is historisch ongewoon goed geschoold. Hij is een van die mensen die er een dimensie bij heeft in het verleden. Historische kennis past hij onmiddellijk toe op situaties van nu. Henk Lunshof kan heel lang absurd zijn. Tijdens die ver­gaderingen ging hij soms languit op zijn rug op de grond liggen en annon­ceer­de: “ik ga nu liggend praten” of hij scheurde de post aan snippers die dan door de kamer stoof of hij ging op zijn hoofd op tafel staan. Henk is enig kind en heeft duidelijke trekken van een enfant gâté, maar dat vond ik juist aardig. Hij wist veel over godsdienst, de afscheiding van 1834, remonstranten en contra-remonstranten en zo. Nu is ons land confessioneel in zijn politiek. Daarin zijn we het enige land ter wereld. Wij spelen dus met heel zeldzame kaarten. Dat spel kende Henk. En bovendien had Lunshof de gave om iedereen met zijn ro­buuste hartelijkheid op zijn gemak te stellen. Ik herinner me nog een typerende anekdote – maar toen kende ik hem nog niet – uit zijn vrijgezellentijd. Toen had hij twee grote kamers in Haarlem. En ‘s morgens als hij van zijn bed naar de ontbijttafel moest, ging hij op de fiets … Henk Lunshof was breedsprakig en drukte zich graag in extremen uit …
Van Duinkerken praatte ons natuurlijk plat tegen het behang. Hij is de laatste uit een geslacht van bierbrouwers dat teruggaat tot Karel de Grote. Al die ge­slachten hebben na eeuwen deze betonnen man opgeleverd, dit wonderkind. Hij kent geen vorm van vermoeidheid. Met gemak geeft hij zo ook even een lezing over het liefdeleven van Pepijn de Korte en zijn opmerkingen begonnen steeds met “Zoals je wel weet …” maar dat wist niemand. Alleen ik zorgde er voor dan fijntjes te knikken, alsof ik het me allemaal weer herinnerde. Hij keek je doordringend aan, maar zag je niet. Dat zijn mensen die monologen houden. Zo heb ik van Duinkerken na de oorlog eens Bloem en Roland Holst horen toespreken over de foutieve conceptie van de theorieën van Oswald Spengler.
Bloem was het eerste weg en daarna verdween ook Roland Holst. Hun plaat­sen werden ingenomen door twee obers, die met het kleingeld in hun zak ston­den te rammelen, maar Van Duinkerken merkte het niet en ging onverstoor­baar verder. Dat is het … Kolossaal. Een fijner, dunner besnaard persoon kan daar natuurlijk niet tegen op en hij moest dan ook even de kamer uit gaan, naar de W.C. of zo, wilden de anderen kunnen bloeien.
Piet Bakker praatte ook ontzaggelijk veel. Bakker was een volksjongen, een echte vaderfiguur. Hij wou mij het vak – de journalistiek – leren, maar ik kon het niet en ik had eigenlijk geen contact met hem. Voor Hiltermann heb ik al vroeg veel achting gehad. Een van de scherpste intellecten die Nederland heeft wat politiek inzicht betreft. Hiltermann was op die redactievergadering eigen­lijk de rechter-commissaris. Hij maakte proces-verbaal op. Uit een mist van woorden wist hij in een paar druppels de essentie te condenseren.
Linggadjati – dat is de enige maal geweest dat ik Hiltermann een fout heb zien maken. Hij dacht toen dat Nederland failliet zou gaan als Nederlands-Indië ons zou ontvallen. Maar als Piet Bakker bij voorbeeld weer erg lang van stof was (hij gebruikte bij voorkeur duizend woorden voor iets wat in drie gezegd kon worden), vroeg Hiltermann: “Wat heb je nu eigenlijk bedoeld?” Dat was een gevreesde opmerking.
Werumeus Buning zat er toen al een beetje mistroostig bij. Hij zat aan de dood te denken, denk ik. Maar na de oorlog had je die geweldige redactiediners in Victoria, Amstelhotel, Dikker & Thijs of Schiller. Dan zat Buning te eten als een katholiek die een mis met drie heren bijwoont. Van hem heb ik op dat ge­bied ook veel geleerd.
Jo Spier had humor die droger en directer was dan die van Lunshof – fijner ook misschien. Spier heeft een soort verneukeratieve humor die dodelijk is.
Wouter de Keizer is ook een heel ongemeen mens. Terwijl hij barst van het werk heeft hij de gave je te doen geloven dat hij – als je op bezoek komt – maanden op je heeft zitten wachten. Van Wouter de Keizer heb ik altijd de in­druk gehad dat hij iets Oosters had; wat hemzelf misschien ook duister was … De ondergang van Klautz heb ik voorspeld in het huisorgaan van Elsevier.
Ik schreef: “Klautz is een tijdbom en hij zal exploderen …” Dat is precies uitgekomen. (Zie het hierna volgende interview met Bomans. –Red.) Van der Brink weet dat nog precies. Die haalt dat graag aan. Maar Klautz zelf zal het wel niet gelezen hebben voor het verscheen …
Arntzenius, wel tekenend dat ik die vergeet. Een psychiater. Een verachter. Hij verachtte ons. Bitter, begaafd, maar hij wou excelleren in iets dat hij niet kon, in dirigeren. Hij vond schrijven maar een pis aller (een second best, verduide­lijkt Bomans). Zijn opmerkingen waren intelligent, maar wrang. Ja – L. M. G. Arntzenius; ik was een beetje bang voor hem.
En na de oorlog verschenen in Elsevier van mij verhalen en essays die later zijn gebundeld. Ik merkte een lichte verbazing bij mijn mederedacteuren, die zoiets helemaal niet van mij hadden verwacht. Ik was altijd zo zwijgzaam ge­weest, begrijpt u wel. Maar ik word altijd geboeid door wat anderen in gezel­schap te zeggen hebben en als ze het met voldoende overtuigingskracht doen, kan en wil ik geen objecties bedenken – dan ben ik maar al te gauw geneigd de man gelijk te geven …”

Tot zover Bomans’ monoloog.