
Bomans als interviewer/geïnterviewde
Edward Krabbendam
Inleiding I
Bomans heeft vele mensen geïnterviewd, vooral tijdens de laatste jaren van zijn leven. Nadat hij in 1968 bij ‘de Volkskrant’ weg moest, ging hij bij de ‘NCRV’-tv werken. Voor die omroep verzorgde hij reisreportages en gesprekken met bekende Nederlanders, vaak uit de voorhoede van de maatschappij. Wouter van Dieren was destijds zijn producent en redacteur. In vier jaar tijd maakten ze tientallen uitzendingen waarvan er 6 zijn terechtgekomen in ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’ (1972).
Voor de ‘NCRV’ verdiepte Bomans zich ook in vraagstukken omtrent kerk en geloof. In 1969 reisde hij naar Rome om te zien of daar nog water stroomde uit de oorspronkelijke bron. Dat bleek bitter weinig te zijn. In het Heilige Land trad hij in de voetsporen van Jezus terwijl hij in Maastricht en Zundert met zijn zus Wally en broer Arnold sprak, beiden kloosterling. Die gesprekken zijn op 23 november 1970 uitgezonden onder de titel ‘Bomans in triplo’. 3 Miljoen mensen keken ernaar en waardeerden dat met 81 punten. Op 10 januari 1971 was de herhaling. Weer keken 3 miljoen mensen. Het waarderingscijfer bedroeg nu 84, volgens Jan van Hillo een ongekend hoog cijfer.
Kort na het overlijden van Bomans kwam weer een herhaling. Een van de kijkers was Wim Kan, de grote kleinkunstenaar. Hij schreef in zijn dagboek van 2 januari 1972: “Gisteravond herhaling op televisie. Zat er met Ol (zijn vrouw, e.k.) om twaalf uur nog over te praten. Godfried liep nog springlevend over het scherm. De beste presentator van Nederland.” (De televisietijd, p. 83)
In de vroege zomer van 1971 toerde Bomans door Vlaanderen met in zijn kielzog een televisieploeg van de Belgische tv. Hij sprak met een dertigtal Vlamingen waaronder hoogleraren, ministers, politici, hoge ambtenaren, een bisschop, filosoof, voetballer en diverse mensen uit de wereld van kunst en cultuur. De beelden werden in Vlaanderen uitgezonden, het verslag van Bomans kwam eind 1971 uit onder de titel ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’.
Bomans kon voortreffelijk interviewen, vandaar dat zijn gesprekken voor tv zo op papier uitgetikt konden worden voor een nieuw boek. Tv-criticus Nico Scheepmaker noemde dit “schrijven op het scherm (..) een zeer futuristische manier van boekenschrijven” waardoor Bomans “de modernste auteur van Nederland (was).” (Vrij Nederland, 31 december 1971)
*
Maar hoe zagen de interviews eruit waarin Bomans werd ondervraagd? Tot voor kort was dat onbekend maar dankzij het eindejaarsgeschenk 2011 van het bestuur van het Godfried Bomans Genootschap aan zijn leden, is daar verandering in gekomen. De titel luidt: Godfried Bomans – “Ik ben moeilijk te interviewen.” Dat zet de toon voor het boekje waarvan de meeste interviews hier aan de orde komen. Fred Berendse, de voorzitter van het Genootschap, heeft de moeite genomen om 13 van de 85 interviews die in zijn bezit zijn, naar eigen inzicht te selecteren. Dat deed hij met plezier en hij heeft de leden plezier verschaft, blijkens de positieve reacties.
Bomans,
met wie slechts een enkel tv-interview is gemaakt, blijkt inderdaad niet
makkelijk te interviewen te zijn geweest. Hij stelde liever zelf vragen, hij
nam het initiatief graag over. Hij had er ook een hekel aan. Journalisten
hadden een bepaald beeld van hem en kwamen alleen langs om dat bevestigd te
zien, terwijl hij zichzelf als niet te etiketteren zag, wat me juist lijkt. Het
enige etiket dat van hem mocht was dat van schrijver. Maar ook dat zei in zijn
geval niks: hij beoefende zo veel genres. En daaraan hadden de vakmatige etikettenplakkers
een hekel.
Ondanks zijn houding, komen nog meer zaken aan het licht die niet of minder bekend zijn.
Bomans blijkt een schat uit zijn jeugd te hebben bewaard: verwondering. Dat is voorbehouden aan kinderen, kunstenaars en heiligen. Bomans was geen heilige. Door zijn bezetenheid van mystiek was hij wel op de goede weg. De kiem daarvoor werd gelegd in zijn jeugd toen hij een mystieke ervaring had. Zoals bekend zijn alle mystici dwarsliggers die weinig of niets van de kerk moeten hebben. Bomans past in dat beeld. Behalve mooie herinneringen, had hij niets meer met de katholieke kerk. Hij achtte het zelfs noodzakelijk dat kerken werden afgebroken, ten gunste van het geloof. Bovendien wilde hij niet dat zijn dochter een ‘hersenspoeling’ zou krijgen zoals hij in zijn jeugd had gekregen en stuurde Eva niet naar een katholieke school, terwijl dat in die verzuilde tijd ‘moest’. Toch wordt hij nog steeds als een verstokte katholiek gezien.
In de jaren zestig kreeg Bomans het etiket conservatief opgeplakt, ook in politiek opzicht. Die term was toen beledigend bedoeld. Alleen al zijn leeftijd bracht dat met zich mee want in die tijd, waarin jeugdig links de lakens ging uitdelen, was alles boven de dertig jaar verdacht, alles boven de 40 conservatief. Zijn werk bij het toen rechtser wordende weekblad ‘Elsevier’ en bij de katholieke ‘Volkskrant’ gaven inderdaad de indruk dat Bomans conservatief was dan wel ‘zo rechts als de pest’ (Jeroen Brouwers). Jan Blokker stelde daarentegen, dat Bomans geen enkel conservatief stuk had geschreven maar dat hij bij verkeerd geachte bladen had gewerkt. De jeugdige beeldbepalers gingen af op de schijn want juist ‘Elsevier’ en ‘de Volkskrant’ werden niet door hen gelezen, ofwel, ze kenden het werk van Bomans niet maar hadden wel een oordeel, een mening, die voor waar is aangenomen. Het essay ‘Bomans als provo’ uit 2005 en diverse artikelen in de rubriek ‘1000-poot’ op deze site, hebben daarin geen merkbare verandering weten te brengen, ook niet ten aanzien van zijn vermeende hoge katholieke gehalte.
Welnu, Bomans blijkt uit het interview van Aad van der Mijn in twee opzichten links te zijn geweest, zo links als de pest. Hij was een groot voorstander van de provobeweging én hij was tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam. Dat waren net de stokpaardjes van links. Bomans kon dus aardig links zijn. Toch wordt hij nog steeds rechts of conservatief genoemd. Zelf achtte hij zich ‘een van de mensen die het minst begrepen wordt.’ Het bovenstaande maakt die gedachte aannemelijk, zijn afkeer een etiket opgeplakt te krijgen begrijpelijk.
Er komen nog veel meer zaken aan de orde zoals de 2 glazen champagne die Bomans dronk met Marlene Dietrich, die er luchtigjes bij zat, voordat Bomans haar liet verstarren en haar ene been in ons land wereldberoemd maakte. Verder portretteerde hij Dietrich op dodelijke wijze.
Bomans gaf ook een uitvoerige verklaring voor de populariteit van voetbal als kijksport en behandelde het probleem van schrijven voor kinderen. Verder zorgde hij voor diverse amusante passages. Kortom, Berendse heeft een waardevol boekje samengesteld.
Behalve deze inleiding zijn er nog twee opgenomen om de interviews een historisch kader te geven.
*
Bij bekende mensen thuis
Een zekere M.V. had Bomans in Haarlem opgezocht voor een artikel in het tijdschrift ‘Thuis’. Hij/zij vond het interieur passen bij een schrijver van sprookjes. Ook de klimop paste daarbij. Hij groeide aan de ene kant van het slaapkamerraam naar binnen en aan de andere kant naar buiten.
M.V. vroeg ondermeer of Bomans wonderlijke dingen meemaakte als hij op reis was. Nee, dat niet, wel als hij niet reisde. Hij vertelde de volgende anekdote.
‘Ik was eens bij een tante gelogeerd in Rotterdam, die me het museum Boymans wilde laten zien, en besloot maar ’s avonds te gaan, omdat er dan meteen een lezing was van een jong literator. Ik ging mee, we zaten in de zaal te wachten, het werd later en later, maar de literator kwam niet opdagen. Tenslotte deelde het bestuur mee, dat tot hun spijt de bewuste spreker niet was verschenen. Mijn tante vroeg mij, of ik niet spreken wilde en omdat ik daar geen bezwaar tegen had, ging ik dus naar voren. Hoe groot was de opluchting van het bestuur en mijn verbazing, toen we merkten, dat ik zelf de bewuste spreker geweest zou zijn. Niemand gelooft het, maar ik was het vergeten.’
[Bron: THUIS, tijdschrift voor woninginrichting, oktober 1952]
Moeders maken soms verschrikkelijke fouten
Tiny Keuls – Francis ging in gezelschap van een andere
vrouw bij Bomans in 1953 langs. Door vragen van Bomans aan haar, was ze al
direct vergeten dat zij voor een interview was gekomen. Het huis deed haar
denken aan een Engelse cottage met een zeer persoonlijke sfeer. Na enige tijd ging
ze met Bomans naar de studeerkamer die boven gevestigd was. Ook daar viel haar de
natuurlijke begroeiing op. De klimop slingerde zich om een portret van Dickens.
Verder stond de hele kamer in het teken van die Engelse schrijver met overal diens
boeken. (Bomans was van plan een biografie over Dickens te gaan schrijven. In
1952 kwam zijn vertaling van ‘The Pickwick Papers’ op de markt , e.k.)
Omdat de interviewster op pad was gegaan voor een maandblad
voor ouders en opvoeders, gaf Bomans - voorzien van psychologische kennis -
desgevraagd een anekdote uit zijn jeugd. Hij stelde ook dat moeders soms
verschrikkelijke fouten maakten, met name het ophemelen van hun kroost. Over
zijn opgroeien zei hij verder: ‘Onze
ouders hebben zich nooit veel met ons kinderen bemoeid (..) en daar ben ik
altijd dankbaar voor geweest.’
Het artikel eindigde met: “We hebben zowaar een interview gepleegd zonder het zelf te bemerken.”
[Bron: Het Kind, april 1954]
Gesprek met Godfried Bomans
Bertha van der Horst spoorde in 1957 naar Haarlem. De trein had vertraging, de bus ook. Bomans was inmiddels vertrokken. Waarheen? Zijn vrouw wist het niet en pakte de telefoon, later de fiets. Haar man zat in een theehuis.
Bomans stelde van der Horst bij binnenkomst direct de vraag wat zij van de antieke tafel vond en hij vertelde over de zilverden in de tuin die tot zijn leed in de top kromtrok.
Van der Horst schreef:
“We gaan zitten voor het vraaggesprek, maar aan vragen kom ik nauwelijks toe. Sommige geïnterviewden weten precies wat ze wel en niet kwijt willen. En Bomans wil Bomans helemaal niet kwijt, maar wel zijn belangstelling voor Dickens. Een belangstelling die meer van bedaarde bezetenheid (weg) heeft.”
Het gesprek gaat ondermeer over de boekenkast van Bomans waarin de grootste Dickensbibliotheek van Nederland staat, over de Dickens Fellowship en de Nederlandse tak, waarvan Bomans voorzitter is. Het gaat verder over humor en het optreden van Bomans in een gevangenis, voor het eerst. Hij werd uitgejoeld. Hij zei dat hij in andere gevangenissen harder werd uitgejoeld. Ze braken de tent af. Daarna was het stil. De gevangenen luisterden. Na afloop kreeg hij een ovatie.
Van der Horst wist uit eigen bron het volgende. Een reclasseringsambtenaar belde Bomans. Hij kwam 100 gulden tekort voor recreatiedoeleinden van gevangenen. Of Bomans een charitatieve katholieke instelling kende? Hij vroeg naar het gironummer en maakte het bedrag over.
[Bron: Wereldkroniek 1957, nummer 38]
Kinderen hebben een andere logica zegt
Godfried Bomans
In
de jaren zestig had Nederland een belangrijke supermarktketen onder de naam
CO-OP. Bij de boodschappen kreeg men punten. Voor 100 punten en 35 cent was een
van de zes boekjes verkrijgbaar die Bomans speciaal voor deze winkelketen had
geschreven , te weten: De verliefde Zebra, Jan de Zebra, De ontevreden vis, Het
luie jongetje, De ijdele engel en Het locomotiefje.
Een onbekende schrijver/journalist maakte met Bomans een praatje over deze ‘kinderboekjes-explosie.’ Dat ging hem kennelijk makkelijk af. Bomans zei daarover:
‘Alles wat
geschreven wordt, dat kost moeite. (Voor kinderboekjes) moet je je verplaatsen in een gedachtengang
waaraan je ontgroeid bent. Het is net als bij een slangenvel, dat heb je achter
je gelaten, je laat je kind-zijn achter je, en plotseling
moet je dat vel weer in. Dat is een verplaatsing, een verhuizing, die echt niet
zo eenvoudig is. (..) Dat vermogen kan alleen verklaard worden als je uit de
schipbreuk van je puberteit iets gered hebt. Bepaalde restanten, die je dus in
staat stellen om voor de kinderen te schrijven.
(..)
Een heleboel dames
die voor kinderen schrijven, die denken: een kind begrijpt weinig. Het is een
klein emmertje en laat ik nou alleen dat emmertje vullen. En dan krijg je dus
het Ot-en Sien-verhaal.
Maar dat is niet nodig. Je kunt gerust die badkuip vullen. Het kind haalt er
zelf het emmertje wel uit. (..) Ik heb naast deze zes boekjes ook een bundel
sprookjes geschreven. Sprookjes voor grote mensen weliswaar, maar die worden
door kinderen toch ook begrepen. Nou ja, begrepen niet, maar als verhaal
gewaardeerd. De diepe achtergrond zal hun wel ontsnappen, hoewel je dat
helemaal niet weet.’
[Bron onbekend, december 1960]
Tijd om oogst te gaan binnenhalen
Vlak voordat Bomans 50 jaar werd, reisde Henk Suèr naar Bloemendaal, waar Bomans sinds 1961 woonde. Na enige plichtplegingen nam Bomans het woord en zei:
‘Ik ben moeilijk te
interviewen. Ten eerste heb ik het interview zelf vaak in het belachelijke getrokken.
Ten tweede ben ik een onduidelijk mens. Mijn vader en mijn moeder hebben mij zo
ontworpen dat ik zeer veel kanten heb. Ik ben niet te etiketteren. Wat vindt u
ervan? Ben ik te etiketteren?’
Suèr gaf daarop geen antwoord en ging over op de 50ste verjaardag van Bomans. Daar zag hij niet tegenop want ‘de zaligheid komt naderbij’.
Het gesprek komt via zijn jonge dochter Eva op kinderen, die met hun grote ogen alles willen leren en zien, in primaire verbazing, die langzaam afsterft, door dingen te etiketteren. Ze verliezen daardoor hun mysterie. Bomans zei verder: ‘Alleen de kunstenaar bewaart iets van de kinderlijke verwondering. Ik verbaas mij de hele dag.’
De
boekjes voor de CO-OP die de hele kinderwereld zijn doorgegaan, kwamen vervolgens
aan de orde. Ze bezaten een dubbele bodem, voor vader, moeder en de
kleuterjuffrouw. De 24 nieuwe sprookjes voor grote mensen, die over een klein
jaar zouden uitkomen, hadden dat ook. In Vlaanderen, waar een schooluitgave van
‘Erik’ werd uitgegeven, gingen ze wel heel ver met het zoeken naar de diepere
betekenis. Achter elk hoofdstuk werd gevraagd wat de schrijver met dit en dat
bedoeld had. Bomans zei daarover:
‘Ik zou het
warempel niet weten, maar die onderwijzers zullen het toch wel weten, denk je
niet?‘
Bomans had vele eigenschappen. Hij noemde zichzelf oppervlakkig, contemplatief, serieus, nonchalant, kortom ‘een onduidelijk mens’ waarop het etiket schrijver geplakt mocht worden. Schrijver zijn betekende voor hem: ‘de verwondering dat je twee benen en twee armen hebt.’
Waarom mensen zijn boeken zo graag lazen (destijds de Omnibus 130.000 exemplaren, Noten Kraken 80.000) begreep Bomans niet erg, maar het succes verheugde hem zeer.
‘Wie ben ik?’,
vervolgde Bomans. ‘Ik probeer dat vaak te
ontdekken. Maar ik zie slechts een blinde vlek. Ik staar in mijn “ik” en ik zie
niets. Ook als schrijver ben ik niet van een etiket te voorzien. Ik beweeg mij
in alle hokjes: droom, romantiek, humor, satire, mystiek, waar ik helemaal
bezeten van ben. Ik heb zojuist weer een boek van Theresa van Avila gelezen.’
[Voor ‘Bomans als mystieke soloreligieus’, zie gerelateerde artikelen onderaan]
Bomans achtte zich nu oud genoeg om een roman te kunnen gaan
schrijven. Daarvoor had hij voldoende geleefd. Het werd tijd om de oogst binnen
te halen. Hij noemde in dit kader John Steinbeck,
schrijver van ‘East of Eden’, Tolstoi en Roald Dahl. Toch was een dikke
roman op zich niet nodig. De hoogste literatuur kon ook in het klein bereikt
worden. Bomans noemde ‘Kroeglopen’ van Simon Carmiggelt. Dat boekje was volgens
Bomans ‘meer waard dan 99 percent van de
romans die er de laatste tien jaar hier verschenen zijn. Hij is een
grootmeester van de miniaturen. Maar boven de kleine vorm staat het grote
bouwwerk. Het is dan wél zo dat ik liever niets schrijf
dan een slechte roman.’
Tegen het eind van het interview schreef Suèr: “Het gesprek wordt weer reddeloos chaotisch. Om iets van “de onduidelijke mens” te zien, moet ik een soort Japans doolhof door. Een wanhopig karwei? Hij (Bomans) oppert: ‘Ik geloof dat ik een van de mensen ben die het minst begrepen wordt.’
Overziet hij zichzelf wel enigszins? Ja, hoe moet je dat zeggen. Het is als met een boeket bloemen. Dan bloeit de ene, dan de andere.”
[Bron: De Tijd en Maasbode, 2 maart 1963]
Inleiding II
Tijdens
het Grand Gala du Disque traden zangers, zangeressen en musici op die allen aan
het eind van de avond een prijs ontvingen: een Edison. Het was een prestigieus
showprogramma met groot respect voor de artiesten. Op 12 oktober 1963 reikte
Bomans de beeldjes uit. Hoewel niemand in de zaal dat door zal hebben gehad –
de mensen hadden zich zelden zo geamuseerd - kwamen hier twee rellen uit voort.
Een van de deelnemers was Wim Sonneveld die als pater liedjes zong en grapjes
maakte over nonnen en priesters. Bomans noemde het optreden als Frater
Venantius het hoogtepunt van de avond. Onder katholieken ontstond direct een
strijd. Velen vonden dat Sonneveld veel te ver was gegaan.
De tweede rel betrof Marlene Dietrich. Deze Duitse actrice en zangeres was in 1930 naar Amerika vertrokken om furore te gaan maken in Hollywood. Ze werd later Amerikaanse en uit hekel aan nazi-Duitsland sprak ze het liefst geen Duits. Bomans wist dat.
Tijdens zijn lofrede in het Engels verklaarde hij dat hij geen afkeer van het Duits had. Het was een prachtige taal. Alleen mensen met een kinderachtige houding en een bekrompen blik hadden een hekel aan die taal gekregen (wegens de Tweede Wereldoorlog, e.k.). Gaandeweg verstarde Dietrich tot op het bot. Wel werd haar been op die avond in ons land wereldberoemd door ‘Had mijn vrouw maar een zo’n been’, wat een oud mannetje in de bioscoop tegen Bomans zuchtend zou hebben gezegd.
Ook vond men dat Bomans Françoise Hardy voor de gek had gehouden terwijl hij, gelet op zijn motoriek, verdacht werd dronken te zijn. Wouter van Dieren heeft Bomans goed gekend. Hij heeft geschreven dat Bomans die avond aangeschoten was, iets wat tijdens andere optredens nooit is voorgekomen.
Het volgende interview werd een week na die prijsuitreiking gehouden.
Dat men mij voor dit klusje kon vragen
Gerth van Zanten was benieuwd wat er te zeggen viel over de prijsuitreiking die zo veel tumult had opgeleverd. Van Zanten achtte Bomans die avond een persoon die door het circus voor één avond was gecontracteerd om de dompteur in de leeuwenkooi te vervangen. Want wat te beginnen met Marlene Dietrich? Bomans wilde vooraf met haar een praatje maken. Een man als een kleerkast belette hem haar kamer binnen te gaan. Op het dreigement dat ze dan geen prijs kreeg mocht Bomans binnen. Hij zei tegenover van Zanten:
‘En daar lag
Marlene op een soort sofa, helemaal op de toer, die ik had verwacht. Zij trok
die geheimzinnige glimlach en nam een trek aan haar sigaret, gevat in een lang sigarettepijpje. Haar peignoir bedekte één been, één been
niet. Aan de bovenkant viel de peignoir open, zodat ik haar decolleté moést opmerken. Zij begon mij gewoon te verleiden (..).
Herr Bomans, sprak zij, in die heerlijke
omfloerste stem en in het Duits, Herr Bomans, u hebt
geen idee wat voor een troep het hier is! Een troep! Zij opperde duizenden
bezwaren tegen iedereen, toen keek zij mij lang en peinzend aan en zij zei: ik
geloof dat u de enige aristocraat hier bent, wilt u champagne met mij drinken? Zij
stak haar slanke, elegante arm uit naar een in ijs gekoelde fles. Wij dronken
snel twee glazen. Het ging in een razend tempo.’
De vraag of Bomans - vele uren later - een beetje dronken op het scherm verscheen, zoals velen dachten, lachte hij weg en verklaarde goed tegen drank te kunnen en nooit dronken was. Zijn gestuntel bij de trap kwam door de kleine treden en zijn grote voeten: schoenmaat 48.
Marlene Dietrich hield niet op kritiek
te
leveren op de organisatie maar was gekomen en gebleven, niet alleen om een beeldje te krijgen, maar ook om 25.000 gulden op te strijken. De 62-jarige Dietrich wilde wel als een grande madame behandeld worden. Bomans verklaarde dat als volgt:
‘Marlene Dietrich
kan eigenlijk niet meer zingen, ze drijft voort op haar renommée
(roem). Als het “kunnen” is uitgevallen, blijft alleen de entourage rond die
stem over. (..) Vandaar die overtrokken zorg voor een eigen kapster, een eigen
grimeur, dirigent en costumière, kortom de
“verschijning”. Als je dit allemaal als louter kapsones beschouwt, begrijp je
niet goed de tragiek van iemand die weigert zijn leeftijd te aanvaarden. Wie
doof is voor de klok van de tijd, moet wel doen wat zij doet, er is geen andere
keus. (..) Je moet dat moment vóór zijn, maar daarvoor is berusting nodig,
karaktervastheid, zelfkennis en vooral wijsheid.’
Bomans erkende dat hij een stommiteit had bedreven door tegen de verstarrende Dietrich te zeggen dat het kleinzielig was om geen Duits meer te willen spreken en zei: ‘Ik wist echt niet dat zij principieel geen Duits meer zingt, maar goed, dat had ik moeten weten.’ (Tijdens het Gala zong ze echter wel een lied in het Duits, e.k.)
Ook een ander kritiekpunt op Bomans’ optreden kwam aan de orde. Hij zou de artiesten bijna niet aan het woord hebben gelaten. Bomans zei zijn best te hebben gedaan maar er kwam niks uit.
Er waren fouten gemaakt, maar de fout lag niet bij Bomans, maar bij Willem Duys. Bomans zei:
‘Ik zal u één fout
van Willem Duys met name noemen. Dat hij mij voor dit klusje heeft gevraagd.’ “Bomans
vertelde het met een geamuseerdheid van een man, die blij is dat hij “dat
circus” toch één keer heeft kunnen meemaken.”
[Bron: De Telegraaf, 19 oktober 1963]
Voor ‘Bomans en het Grand Gala du Disque’, zie gerelateerde artikelen onderaan.
De ruiteninzetter
‘De ruiteninzetter’ is meer een gewoon artikel dan een interview. Het gaat over het grote succes van Bomans als schrijver waardoor hij voor die tijd veel verdiende, enkele honderdduizenden guldens per jaar. Hij verbaasde zich ook onder de jeugd zeer populair te zijn. Jonge mensen gooiden ruiten in terwijl hij ze er juist inzette. Hoe kon hij dan bij jonge mensen populair zijn?
Bomans bleek voor een nieuw boek niet zelf de selectie uit zijn artikelen voor ‘Elsevier’ en ‘de Volkskrant’ te hebben gemaakt en was wat ontstemd over het zojuist verschenen ‘Van de hak op de tak’.
Over het spreken in het openbaar, wat Bomans al snel zonder nervositeit deed, zei hij:
‘Het geheim van
niet verlegen zijn, is dat je niet bang bent een figuur te slaan. De meeste
mensen denken dat verlegen mensen bescheiden zijn. Dat is een misverstand.
Verlegen mensen zijn trots. De ontspannen spreker is daar niet bang voor.
Daardoor spreekt hij goed. Het geheim van een goed spreker is, dat je niet
teveel van jezelf moet houden.’
[Bron: De Haagsche Post, 26 juni 1965]
Inleiding III
Zuid Vietnam leek in de jaren vijftig van de vorige eeuw door agressie van buitenaf communistisch te zullen gaan worden. De Amerikanen gingen zich er mee bemoeien. In 1964 escaleerde het conflict. President Johnson voerde de troepensterkte in vier jaar op naar 550.000 man. Het internationale protest tegen de zware bombardementen van onder andere Noord Vietnam werd vrij massaal, ook in ons land. In 1966 riep de marxistisch/leninistische groepering Rode Jeugd in een pamflet op Amerikaanse instellingen in ons land in brand te steken of op te blazen. Ook het rechtse dagblad ‘De Telegraaf’ kreeg ervan langs. Enkele dagen later werd daar de boel kort en klein geslagen door linkse arbeiders. Voor ‘de Volkskrant’ van 18 juni 1966 schreef Bomans ‘De raddraaiers’, waarin hij met name Rode jeugd verantwoordelijk stelde voor de vernielingen. Justitie maakte er werk van. Vier jonge communisten gingen een week de cel in. Bomans kreeg van Mulisch een telegram waarin hij van verraad werd beticht. In brieven werd hij met de dood bedreigd.
Bomans en de Rode Jeugd
Aad van der Mijn* zocht Bomans een maand na publicatie van ‘De raddraaiers’ op. Over de gevolgen daarvan zei hij:
‘Het is erg
vervelend dat dit door mij aan het rollen moest komen. Ik had dat nooit
verwacht. (..) De dag na mijn stuk kreeg ik een telegram van Mulisch en een
aantal anderen. Later in de week kwamen de dreigbrieven, een stuk of dertig, op
één na alle anoniem. Het huis heeft twee weken onder politiebewaking gestaan.’
Op het bezwaar dat hij zijn stuk nooit had moeten schrijven, zei Bomans:
‘Ik houd vol dat
vrijheid van meningsuiting aan twee kanten moet bestaan. Als zo’n geschrift
(het pamflet) op straat, in het openbaar dus, wordt aangeboden, dan mag ik er in
het openbaar wat van
zeggen.’
Bomans liet zich ook uit over de (ludieke) provobeweging die vooral in Amsterdam aanhang verkreeg (en in de kern te vergelijken is met de Occupy-betogers in onze tijd, e.k.). Bomans was van mening dat de oude structuur van kerk en geloof, die de samenleving richting gaf, aan het instorten was, en zei:
‘De provo’s voelen dit. Zij slaken
noodkreten. Zij zijn niet verontrustend, het uitblijven van de provo-beweging zou verontrustend zijn. Zij bouwen geen
nieuw dak (structuur, e.k.), maar zij zijn de drenkelingen die om hulp roepen,
zij signaleren ruïnes.
(..)
Wij bidden niet
meer met gevouwen handen. Wij dansen om het Lieverdje. Hebt u dat wel eens
gezien? Het is een bijna sacrale, kerkelijke bijeenkomst. Ik vind het erg
boeiend. Het zijn eigenlijk heel aardige jongens, die provo’s. Zij hebben de
antennes voor de golflengten die nu trillen. Daarom vind ik het zo vervelend
dat ik nu juist als aanbrenger van deze mensen wordt gezien.’
De oorlog in Vietnam was het onderwerp van het bewuste pamflet. Wat dacht Bomans van die oorlog?
‘Een prestigezaak
van (president) Johnson. Hij kan niet meer terug. Maar het idee dat het
communisme in Azië bestreden moet worden is onzin. Het is het goed recht van
een continent communistisch te worden. De democratie moet zijn voortreffelijkheid kunnen bewijzen,
daar gaat het in Vietnam om. De kracht moet niet schuilen in het tegenhouden
van het andere. (..) Johnson (zou) beter het negerprobleem kunnen oplossen in
eigen land, dan nu in Vietnam de vermanende vinger te heffen.’
[Bron: Het Parool, 19 juli 1966]
Naschrift:
- Aad van der Mijn is in 2004 overleden. Hij heeft vele vertalingen op zijn naam staan. Hij deed ook journalistiek werk. Voor ‘Hollands Diep’ van 20 december 1975 schreef hij een groot artikel waarbij hij Anton Heyboer persoonlijk en de vrouw van Bomans per telefoon interviewde. De titel luidde: De haat-liefde tussen Anton Heyboer en Godfried Bomans. Dat stuk komt voor in ‘Bomans, Heyboer en Kramer’, zie gerelateerde artikelen onderaan.
- De conservatief genoemde Bomans was wel gecharmeerd van de provo-beweging. Dat is eerder tot uitdrukking gekomen in het essay ‘Bomans als provo’ uit 2005.
- Dr. J.A.A. van Doorn gebruikte in 2007 de gebeurtenissen rond ‘De raddraaiers’ in zijn beschouwing in ‘Trouw’ over de af en toe opstekende grote intolerantie in Nederland. Zijn commentaar komt voor in ‘Bomans en van Doorn’, zie gerelateerde artikelen onderaan.
Eén rijuur per automobilist
In 1968 bezocht Siebren Haakma Bomans in Bloemendaal. Het interview ging over het verkeer. En passant gaf Haakma een raak portret:
“Godfried Bomans (55) is een karakter, maar het is ondoenlijk om hem te karakteriseren. Hij is niet te etiketteren. Daarom is hij irriterend voor vakmensen, die zich met dit soort plakwerk bezighouden. Bomans heeft zijn eigen ideeën en op alles en nog wat een zeer persoonlijke en originele kijk. Zijn toegespitst gevoel voor geestigheden is dermate zijn tweede natuur geworden dat men zich afvraagt of hij wel eens serieus kan zijn. Maar hij kan ook zo ernstig zijn dat men geneigd is zekerheidshalve zijn humor serieus te nemen.”
Binnenshuis zag Haakma een soort kamergeleerde, in de tuin - een begroeid duingebied - leek Bomans weer een botanicus. En de hut die daar stond had hij als volleerd timmerman in elkaar gezet.
Op de vraag wat hij het meest was - schrijver, publicist, moralist, causeur, radio- of
televisiemedewerker?
- gaf Bomans als antwoord dat hij een
dilettant was, een echte liefhebber van kunst en cultuur, die nergens expert in
was. Als generalist had hij
niet veel op met specialisten, want “A
specialist is a man who knows more and more about less and less until he knows
everything about nothing at all.”
Als verdere liefhebberijen gaf Bomans piano spelen, graven, timmeren, schaken, schrijven over religie, astronomie, geschiedenis, biologie, essayeren voor ‘de Volkskrant’ en spreken in het openbaar.
Het gesprek ging verder op humoristische wijze over het verkeer. Het eerste gemotoriseerde vervoermiddel was een scooter die Bomans begin jaren ’50 in Italië kocht tijdens zijn verblijf aldaar, waarmee hij naar huis is gereden. Bij de grens liet hij een Italiaanse schoenrekening zien die als rijbewijs werd geaccepteerd. Na een jaartje liep dat mis en moest hij rijlessen nemen. Na vijf lessen vond hij het genoeg, zei tegen de uit Indonesië verdreven examinator dat Soekarno de grootste ploert uit de geschiedenis was, waarna hij geslaagd was, zowel voor het theoretische als praktische gedeelte. Daarna volgde een 2CV (Lelijke Eend), twee Volkswagens en een Autobianchi Primula.
Na allerlei inzichten over auto’s, het rijden en de weggebruikers, stelde Bomans voor om in verband met de verkeersdrukte elke beroepsgroep een uur rijtijd te geven, van 6-7 uur de vroege vogels, dan het kantoorpersoneel enz. Zelf zat hij nooit langer dan een uur achter het stuur want dan had hij er genoeg van.
[Bron: De Spiegel, 1 april 1968]
Godfried Bomans
René Mariën was enkele weken voor Bomans’ overlijden bij hem te gast, voor waarschijnlijk diens laatste interview. Bomans stelde voor een partijtje te gaan schaken waar de Vlaming vanaf zag. Hij was wel te porren voor wat tafeltennis. Mariën was gekomen voor een favoriet onderwerp van Bomans: voetbal. Bomans had zelf gevoetbald en verklaarde dat hij een dodelijk schot had, vooral wanneer hij de bal op eigen doel terugspeelde. De populariteit van voetbal was volgens hem een gevolg van het weinig ludieke werkzame leven terwijl mensen behoefte hebben aan een speels element. Voorts:
‘Op de
voetbaltribune kunnen de mensen de
agressie die zij gedurende één week hebben opgespaard, kwijt raken. De meeste
mensen hebben in het leven een positie van dienstbaarheid. Op het kantoor bv.
staan ze onder iemand. Zij kunnen niet zeggen wat zij willen. Op deze wijze
wordt veel kwaadheid verdrongen. Zondagnamiddag kan de bom exploderen. Zij
kunnen zich uitschreeuwen voor hun club, zich nijdig maken op de andere. Na
zich 90 minuten te hebben afgereageerd, kunnen zij er weer een week tegenaan.’
Bomans zag nog een reden voor de populariteit van
voetbal. Het gewone leven bestond uit een niet te overziene
chaos waardoor het een verkwikking was een groene rechthoek te zien waarop
alles duidelijk was: ‘22 mensen binnen de
krijtlijnen die zich aan reglementen hebben te houden. (..) De mensen komen in
een atmosfeer van vastheid, overzichtelijkheid en helderheid. Dit contrast is
voor hen een aangename ervaring.’
Voorts gaf voetbal binding die eerder door godsdienst, vorstenhuis en de dreiging van een kernoorlog werden geboden. Dat was weg. Op de tribune vonden de mensen die binding, die eenheid terug.
[Bron: Gazet van Antwerpen, 31 december 1971]
Naschrift:
Bomans
werd op of rond 12 december 1971 ernstig ziek. Dat bleef hij tot zijn
overlijden op 22 december. Dit interview meldt daar niets van en zal eerder die
maand zijn afgenomen. René Mariën constateerde wel
dat Bomans een kettingroker was.
Dit zal het laatste interview zijn geweest met Bomans. Het laatste interview van Bomans was op 2 december 1971 met Johan Cruijff. Cruijff bleek weinig te lezen en dan alleen boeken waarbij je niet moest nadenken. Bezorgd informeerde Bomans of Cruijff weleens wat van hem had gelezen. “Ja,” was het antwoord.
Dit interview is het laatste artikel van de zojuist uitgebrachte bloemlezing van bijdragen van Bomans aan ‘Elseviers Weekblad’ en ‘Elseviers Magazine’ die als titel heeft meegekregen ‘Genieten in een gekkenhuis’. Oorspronkelijk verscheen dat fraaie, lange en geruchtmakende artikel in het Kerstnummer. Bomans heeft dat nummer nooit gezien want toen was hij al dood.
14 Januari 2012
Gerelateerde artikelen op deze site waarvan voor dit ‘1000-pootje’ gebruik is gemaakt:
- Bomans als mystieke soloreligieus
- Bomans en het Grand Gala du Disque
Verantwoording illustraties:
1 Postzegels, die de leden van het Bomans Genootschap ter gelegenheid van de 40ste sterfdag van Bomans toegestuurd hebben gekregen, tezamen met boekje met interviews. Scan.
2 Voorkant van het boekje met interviews, het eindejaarsgeschenk 2011 van het Genootschap. Scan.
3 Voorkant van door Bomans vertaalde ‘Pickwick Papers’ van Dickens. 1952. Scan.
4 Voorkant van ‘De verliefde zebra’, een van de 6 CO-OP-kinderboekjes. 1960. Scan.
5 De schrijvende Bomans, vermoedelijk begin jaren ’50. Foto van Maria Austria. Scan.
6 Het Edisonbeeldje. Google afbeeldingen.
7 Bomans en Marlene Dietrich na het uitreiken van de prijs tijdens het Grand Gala du Disque in 1963. Scan uit ‘Godfried Bomans’, 2010.
8 Provowaardeerder Bomans op een bank. Vermoedelijk begin jaren zestig. Scan uit het interviewboek ‘Godfried Bomans’, 2011.
9 Bomans op zijn Lambretta in Italië, 1954. Scan uit ‘Godfried Bomans’, 2010.
10 Bomans in gesprek met Johan Cruijff. Scan uit ‘Elsevier’ van 21-12-1991.
Bijlage:
Nieuwsbericht op deze site van 14 januari 2012:
Bomans was zus, Bomans was zo. Alles lijkt elkaar tegen te spreken. Enerzijds komt dat door zijn grote veelzijdigheid, anderzijds is er nog steeds geen wetenschappelijk verantwoorde biografie.
De leden van het Godfried Bomans Genootschap hebben vorige maand een boekje met interviews gekregen dat verhelderend werkt en als grondslag is genomen voor een nieuw ‘1000-pootje’. Was Bomans zo rechts als de pest? Hij kon stevig links zijn. Was Bomans een conservatieve katholiek die zich verbonden wist aan de kerk? Hij was anti-kerks vanwege zijn belangstelling voor mystiek.
In het boekje komen meer interessante zaken aan de orde zoals zijn onderhoud met Marlene Dietrich met wie hij champagne dronk, zijn kijk op het schrijven van kinderboeken en sprookjes alsmede zijn interessante visie op de populariteit van voetbal als kijksport. Er valt nog veel meer te lezen en te genieten, indien u het nieuwe 1000-pootje ‘Bomans als interviewer/geïnterviewde’ aanklikt.