Inleiding
Bomans overleed op 22 december 1971. Al in de lente van 1972 verscheen ‘Herinneringen
aan Godfried Bomans’. Aan dat boek leverden 38 personen een bijdrage, zoals
de broers en zus van Bomans, vriend en schrijver Simon Carmiggelt, literatuurcriticus
Kees Fens, jaren ’50-vriend en schrijver Harry Mulisch en collega Michel van
der Plas, die de redactie voerde en ook de inleiding verzorgde.
De bijdrage van Van der Plas droeg als titel Het mysterie Bomans. Die eindigde met:
“Het is goed dat hij in de herinnering blijft leven als een man die, nog in de kracht van zijn leven, vragen mompelde. Dat is de condition humaine. Hij was voor zichzelf het grootste mysterie. En het is ook goed dat, nu het verklaard is en hij rust in vrede, hij zichzelf nog als raadsel opgeeft. ‘Want een koning levert zich niet uit’” (p. 177).
Het mysterie verklaard? Het was naar alle waarschijnlijkheid de bekende recensent Nico Scheepmaker die in de Leeuwarder Courant van 20 mei 1972 opmerkte, dat in het gehele boek met tientallen bijdragen “er in feite niet meer dan één (is) waarin een werkelijke poging is ondernomen om greep op het fenomeen Bomans te krijgen.”
Niet één stuk verklaarde het fenomeen, slechts in één stuk was een werkelijke poging daartoe ondernomen. Ook na dit boek leefde het mysterie vrolijk voort. De enige die werkelijk licht op Bomans heeft geworpen, is naar mijn idee Harry Mulisch.
In het voorwoord van ‘Herinneringen’ schreef Van der Plas: “Er is gestreefd naar een zo groot mogelijke representativiteit”. Dit sloeg op de vele aspecten van Bomans. Van der Plas vervolgde met: “Maar representativiteit werd ook beoogd voor wat de personen betreft die uitgenodigd zouden worden om een bijdrage aan het gedenkboek af te staan: familieleden, vrienden, intimi, vroegere collega’s en literaire critici (..).”
Het is eenvoudig na te gaan wie destijds een uitnodiging hebben gekregen: zij staan in het boek. Maar wie staan er niet in? Waarom kregen ze geen uitnodiging? En is het boek wel representatief?
In dit supplement komen personen voor die in het leven van Bomans een belangrijke rol hebben gespeeld en aan ‘Herinneringen’ ontbreken. Hun zienswijzen geven een aanvulling op wat reeds bekend is of geven een geheel nieuwe visie. Achtereenvolgens komen aan de orde:
- Bertus Aafjes, overleden vriend en collega
- Wouter van Dieren, vriend, tv-collega, journalist, sociaal-psycholoog en milieudeskundige
- Aleid Slingerland, vriendin en kunstenares
- Angèle Manteau, overleden uitgeefster
- Anton Heyboer, overleden jaren ’50-vriend en kunstenaar
- Pietsie Bomans, echtgenote van Bomans
- Erna Kramer, echtgenote van Heyboer in de jaren ‘50
- Willem Duys, vriend en tv-presentator
Achteraan volgen nog enige namen van personen die over Bomans interessante informatie hadden kunnen geven. Dit stuk is verder voorzien van een nawoord.
Aan de bijdrage van bovengenoemde personen gaat een inleiding in kleine letter vooraf.
'Herinneringen aan Godfried Bomans - Supplement'
Edward Krabbendam
Schrijver en radioproducer Tony van Verre (1938-2000) verzorgde in 1977 zes radio-uitzendingen over de in 1971 overleden schrijver en televisiepresentator Godfried Bomans. Van Verre nam gesprekken op met Bertus Aafjes, Simon Carmiggelt, Michel van der Plas en Harry Prenen. De belangstelling voor Bomans bleek nog zo groot dat de interviews in boekvorm zijn uitgekomen, onder de titel Bomans was de naam.
Van de vier personen ontbrak alleen Bertus Aafjes (schrijver, dichter, 1914-1993) aan ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’. Hier volgen citaten uit Van Verre’s ‘Bomans was de naam’, pagina 43-61.
1. Bertus Aafjes
”Godfried kwam een keer bij ons op de Plantage
Fransenlaan, dat was in het begin van de oorlog, we waren verschrikkelijk
arm, we hadden helemaal niets! Geen licht, geen gas, alleen water hadden we
nog; en van barre armoede waren mijn vrouw en ik, om elkaar te warmen,
in bed gaan liggen. Daar lagen we, in het donker, en
ineens gaat de bel. Ik doe wat kleren aan, doe open, daar staat Godfried Bomans.
Ik zeg, mijnheer Bomans – dat was de eerste keer dat ik hem meemaakte – ik
zeg eh, U kunt echt niet binnenkomen, want het licht werkt niet, we hebben
geen gas en ik heb U niets aan te bieden. Ja, maar ik wou toch graag even
binnenkomen. Ik zeg, nou kom dan maar. Ik kroop weer in bed en hij ging er
naast zitten. Hoe zit dat hier? Ik zeg, ja wij hebben eenvoudig de munten
niet voor de (gas-)meter!
Bomans verdwijnt en komt een ogenblik later met munten terug, die hij bij het postkantoortje vlak naast ons gehaald had, even later brandde het licht en hadden we weer gas. En na tien minuten kwam Godfried met een reusachtige gebraden kip binnen, zette die voor ons bed neer en ik heb hem nooit meer zo gelukkig zien kijken als toen wij die kip aten. Dat tafereel is hem altijd bijgebleven. Hij is mij altijd blijven zien als die dichter die verging van de armoede, wat ook in mijn dichterlijke periode het geval geweest is, en dat heeft zo’n grote indruk op hem gemaakt, dat toen ik vijftig werd (1964) hij een redevoering gehouden heeft, waarin hij dat hele verhaal vertelde en dat eindigde met de woorden: Dàt is nu een dichter!
(..)
Dat was mijn eerste ontmoeting met Godfried Bomans en die ontmoeting is bepalend geweest – sinds dat ogenblik waren wij, je zou het best kunnen zeggen, tweelingen; waarbij hij de filosofische denker was en ik de dichter. We waren loten van één stam, wisten beiden wat we waard waren en we waardeerden dat ten hoogste in elkander. Er was nooit een zweem van jaloezie, dat bestond helemaal niet, dat kon niet bestaan. En dat was zo merkwaardig voor Godfried Bomans, deze situatie, omdat nagenoeg iedereen hem op een of andere manier miskende, jaloers was, hem geen prijs gunde. ’t Is natuurlijk krankzinnig dat Bomans tijdens zijn leven nooit een prijs heeft gekregen.
Wat mij het meest opviel in Godfried Bomans, was zijn ongelofelijke slagvaardigheid. Hij was een duellist op hoog geestelijk niveau. Een mens probeert zich in een benarde situatie te verdedigen, duidelijk te maken, te poneren; de wijze waarop Bomans dat deed was ongeëvenaard. Ik heb nooit gezien dat Godfried in een geestelijk duel verliezer was; dat was ondenkbaar.
(..)
Ik ben geen psychiater of psycholoog – wat ik nu ga zeggen, wil ik dan ook heel voorzichtig formuleren – maar een ding is mij steeds sterker opgevallen, Godfried Bomans voelde zich miskend; miskend in die zin, hij moet in zijn jeugd niet opgemerkt zijn door zijn vader. Zijn vader was een briljante man, maar zo op zichzelf ingesteld, dat hij in het geheel niet gezien heeft hoe briljant zijn zoon was; die miskenning heeft hem erg getroffen, zo zeer, dat hij zijn hele leven lang eigenlijk – niets ànders is teveel gezegd – maar zijn hele leven lang sterke behoefte gehad heeft anderen ervan te overtuigen dat hij wèl belangrijk was.
Als hij in z’n tent ligt, op Rottumerplaat, is hij bang van de meeuwen “die mompelen als oude mannen”, zegt hij. Dan komt dat hele oude gevoel weer boven dat kinderen hebben: er ligt een man onder mijn bed, de angst voor het sprookje. De tragiek, ik gebruik hier misschien een te groot woord, maar de tragiek van Godfried Bomans was: dit displaced zijn, dit vervreemd zijn van zichzelf – maar dat was tegelijkertijd zijn grootheid. Daardoor kon hij iedere situatie vanaf een grote afstand bezien – kon hij iedere status, bluf, volkomen doorzien. Met een dodelijke stoot van zijn degen prikte hij de hele zaak door en heel Nederland schaterde. Maar er was iets heel ernstigs gebeurd – hij had weer een taboe of een heilig huisje in elkaar geslagen; dat heeft hij duizenden keren gedaan, duizenden taboes en duizenden heilige huisjes weggevaagd.
Hij was au fond een milde man, in bepaalde situaties
was hij zeer mild. Ik zou verhalen kunnen vertellen over bedelaars die hij
hielp, mensen die hij onderhield, waar niemand wat van weet, dat gaat ook
verder niemand aan. Maar als hij op de degen ging, was hij inderdaad niet
mild. Dan was hij een middeleeuwse ridder, dan vocht hij om te winnen en niet
om te verliezen. Hij vocht tot een van de partijen erbij neer viel; en de
ervaring heeft geleerd dat dat altijd de tegenpartij geweest is. Dan hou je
niet een beeld over van een milde man – maar is hier het woord mild wel op
zijn plaats? Zat hier niet en ethische bezetenheid achter om zaken te klaren,
op te helderen; zaken die onwaarachtig waren? Hoeveel onwaarachtigs Bomans
ontmaskerd heeft, in de politiek, in de zeden, in het geloof, noem maar op
– pakhuizen vol!
Ieder geschrift van hem waar men zo smakelijk om zit te lachen – nou, dat wordt door de lezer maar verdomd oppervlakkig gelezen. Als je het werkelijk leest op zijn botten en beenderen, zit daar een satire in, even scherp als die van onze grootste satiricus uit de middeleeuwen: Erasmus…
Het meest bewonder ik zijn bovenmenselijke moed. Om alles te zeggen wat hem op de tong kwam; maar dat is een gevolg van het feit dat hij alles uitprobeerde, alles najoeg om te achterhalen wat hij zelf was. Wat de mens was. Wat geloven was, wat God was. Ik vind het ongelofelijk moedig dat iemand nooit schippert, nooit halve waarheden zegt. Als hij niet die geestigheid had gehad, die briljante manier van zeggen, die bijna Engelse aforistische wijze om de dingen te formuleren, dan zouden diezelfde essays die hij schreef dodelijk geweest zijn, en ook kwetsend. Maar hij was zo fijngevoelig van nature, dat hij, als hij het zwaarste geschut in stelling bracht, dat toch nog op een zo sublieme wijze en op zo’n niveau deed, dat er van kwetsen geen sprake was. Hij kwetste een zaak die fout was, maar nooit een persoon.
(Slot) Als ik nu aan hem denk word ik verdrietig, omdat iemand waarvan ik ontzettend veel hield, zoveel in dit leven heeft moeten verwerken – waar heel weinig mensen enig besef van hebben. Men blijft helaas in de verpakking steken en de eigenlijke essentie, het eigenlijke probleem, dat waar het wezenlijk om gaat in het hele oeuvre van Bomans, voor zover ik dat ken – en ik geloof wel dat ik daar enige kijk op heb – is van veel diepere aard dan de lezer veronderstelt.”
***
Wouter van Dieren (1941) is sociaal-psycholoog, journalist, directeur van het Instituut voor Milieu en Systeem Analyse (IMSA) en lid van de Club van Rome. Hij heeft een grote naam op het gebied van milieumanagement en duurzaamheid. Al in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen milieuvervuiling problematisch werd, was Van Dieren voor het milieu in de weer ondermeer als voorzitter van ‘Milieudefensie’. In september 1971 lanceerde hij in ons land ‘The Limits To Growth’. In 1972 verscheen de Nederlandse vertaling met als titel Rapport van de Club van Rome, voorzien van de subtitel: De grenzen aan de groei. Van Dieren wordt als dé milieugoeroe van Nederland beschouwd.
Van Dieren heeft vanaf begin 1968 tot eind 1971 voor de NCRV met Bomans samengewerkt en ze zijn vrienden geworden. Dat is geheel onbekend geraakt. Van Dieren noemde Bomans een inspirerend leermeester door wie hij leerde schrijven en hij zag hem als filosoof en geestverwant.
Voor NCRV-televisie maakten ze enkele tientallen tv-uitzendingen waaronder de befaamd geworden ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’. Productie en redactie waren in handen van Van Dieren, Han Baartmans voerde de regie.
Bomans overleed tegen de Kerst van 1971. In het najaar van 1972 verscheen ‘Godfried Bomans – Gesprekken met bekende Nederlanders’. In dat boek had Van Dieren eerder uitgezonden tv-gesprekken van Bomans met onder anderen pater Jan van Kilsdonk, professor Harry Kuitert en politicus P. Jongeling geredigeerd. Hij gaf tevens een blik achter de schermen en een beeld van Bomans. Uitgeefster Angèle Manteau van ‘Elsevier’ achtte het daarom niet nodig een bijdrage van Van Dieren op te nemen in het herinneringsboek dat een half jaar eerder verscheen.
2. Wouter van Dieren
“Toen ik in de winter van 1968 Godfried Bomans leerde kennen wist ik niet
dat bijna vier jaar van intense samenwerking het boeiende gevolg zouden zijn.
(Ik werd) zijn grootvizier, de ghostwriter achter het doek. Mijn taak was
een gecompliceerde en discrete. Veel van het waas over onze werkzaamheden
zal ik niet kunnen wegblazen omdat een nooit gemaakte maar toch geldende afspraak
dat verbiedt. ‘De meester zelf’, moest ik altijd weer zeggen als ik zijn werkkamer
binnenviel. ‘Nee maar, de Meesterknecht!’ riep hij dan quasi verrast uit.
Hij was verzot op dit soort tradities, rituele begroetingen en het soort vriendschap
dat er de absolute voorwaarde voor was” (Gesprekken, p. 7-8).
“Godfried deed nooit zijn huiswerk, las de benodigde stukken en brieven niet, pretendeerde een grote belezenheid door midden in een boek een citaat open te slaan, terwijl dat de enige alinea was die hem uit het hele boek bekend was en kwam vaak totaal onvoorbereid of op het verkeerde uur op de plaats waar een prestatie van hem werd verlangd. De manier waarop hij geregeld door zijn omgeving door een zoveelste gang naar Canossa werd geloodst tart iedere beschrijving, en ook in de studio liep hij veelal op de krukken die wij, regie-, produktie- en redactieknechten, voor hem moesten zijn” (idem, p. 30).
Tijdens de uitzending van het gesprek met Pieter Jongeling, leider van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), was Bomans van plan de kijkers op te roepen eens te gaan stemmen op Jongeling. Dat fragment is er op het laatste moment uitgeknipt onder druk van het Amsterdamse wereldje waartoe Harry Mulisch behoorde.
Van Dieren:
“Bomans vond de politieke winkel een beschamende vertoning en hij ergerde zich aan het gebrek aan inspiratie dat onze politieke leiders den volke voorhielden, zoals hij in ‘De man met de witte das’ heeft beschreven. Jongeling liep weliswaar mee in de stoet, maar dan toch als een primus inter pares, niet op grond van specifieke politieke kwaliteiten of inzichten, maar door het lef waarmee hij zich juist niet politiek opstelde, te midden van het schipperende, bewerende, het haalbaar-zoekende, kijvende volkje dat aan Godfrieds verveelde en geërgerde blik voorbijtrok. Zijn keus, Jongeling, was een daad van protest, die betekende: neem eens een voorbeeld aan deze man, wie het minder om de knikkers dan om zijn overtuiging gaat” (Idem, p. 81).
“In de vele verhandelingen die over Godfried Bomans sinds zijn dood zijn verschenen wordt steeds gerept over zijn televisie-optreden: de invloed die er van uitging, de intimiteit ervan, de indringendheid, het hoge niveau, enfin, de superlatieven zijn niet van de lucht. Dat is ook weleens anders geweest. Godfried was weliswaar een bewonderde, doch in veel kringen geen graag geziene gast. De reden daarvan is dat zijn presentie in hoge mate de orde verstoorde. Ieder bouwwerk begon te trillen als hij de voor- of achterdeur binnenliep, vaak zonder iets te zeggen. Ik heb het onuitsprekelijk genoegen gehad om hiervan getuige te zijn geweest. (..) Het had iets magisch, maar het werd in die magie het hevigst beleefd door anderen, en niet door Godfried, hoewel deze er op allerlei manieren gebruik van wist te maken. Maar er kwam reactie. Mensen vinden het niet leuk steeds weer gehypnotiseerd te worden, en dus poogde men tegenstoten uit te delen”, zoals ‘Hij is altijd beschonken (..)’. Deze image had Godfried te danken aan zijn champagnevisite in de kleedkamer van Marlène Dietrich, waarvan hij inderdaad aangeschoten en beladen met brutaliteiten het podium van een Grand Gala du Disque besteeg. Daarna evenwel - nooit” (Idem, p. 130).
Van Dieren zag Bomans door zijn televisie-optredens uitgroeien “tot een waar charismatisch figuur” (p. 9) die regelmatig storm veroorzaakte. Zijn grote aantrekkingskracht – als hij op straat kwam werd hij direct omringd door enthousiaste mensen – kwam voort uit de eenvoudige conclusies die hij tijdens uiteenzettingen trok. Daarmee maakte hij het besproken onderwerp voor een breed publiek doorzichtig.
Van Dieren:
“Het effect van deze vereenvoudiging was een opluchting bij de toehoorders, die in de niet aflatende woordenstroom van de dagelijkse nieuwsvoorzienig plotseling een reddingsvlot van overzichtelijkheid zagen om zich aan vast te klampen. Een simplificatie, die overigens vaak geheel ten onrechte als zodanig werd gezien, omdat het blootleggen van de enkelvoudigheid in wat als veelvoudig werd gepresenteerd nauwelijks een versimpeling , doch vaker meer een meedogenloze verheldering was. Dat was een fenomeen dat mij als getuige lang zal bijblijven” (idem, p. 137).
Tijdens een toespraak van een bekend politicus hoorden Bomans en Van Dieren veel moeilijke termen. Na afloop stelde Bomans een vraag die Van Dieren opschreef.
Van Dieren:
“’U bedoelde vermoedelijk dat die winkel slecht beklant is, en daarom geld moet hebben. Waarom zegt u dat dan niet? U heeft er een kwartier over gedaan, ik had dat in één minuut bevredigend afgewerkt.’
Bomans had het vanzelfsprekende recht om op iedere sport van de maatschappelijke ladder dit soort sprongen te maken, die vrijwel altijd een onmiddellijke vrije val van de aldus aangesprokene tot gevolg hadden: verlegenheid, sfeer van een betrapte schooljongen die zijn knoeiwerk moet goedpraten.
(..) Eigenlijk waren dit deprimerende lessen, omdat zij zo onbarmhartig de ballons van de overbodigheid naar beneden haalden. Want dat is de kern van de ‘invloed’ van Godfried Bomans.
Zijn optreden was een volstrekt natuurlijke zaak, niet bestudeerd, niet gespeeld, doch een vanzelfsprekend gevolg van milieu en opvoeding en in die compositie door de anderen als ongerijmd, humoristisch, wijsgerig of invloedrijk ervaren” (Idem, p. 139).
Bomans liep volgens van Dieren over een zijpad terwijl iedereen gedwongen was de hoofdbaan te volgen, als een superieure drop-out, maar hij was dat niet.
Van Dieren:
“(hij was niet) uitgestapt omdat hij nimmer instapte. Hij verscheen op deze wereld als een verbaasde wandelaar op een klinkerpad naast onze betonbaan en doordat hij dáár, op zijn manier, zíjn normen, definities, stellingen en observaties beleefde en verkondigde, waren wij in de gelegenheid om die af en toe als humor of wijsheid te ervaren, in ieder geval als anders en ongerijmd, want een klinker verschilt duidelijk van beton.
(..) Toch was dat zijpad eindeloos vereenzamend en ik geloof
ook niet dat er zoveel echte vrienden waren als velen ons willen doen geloven.
Iedereen beschrijft en analyseerde hem van buitenaf (..) zelden verdiepte
de buitenwereld zich in zijn innerlijk leven, want de ladders waren te kort
om hem in de ogen te kijken, en degenen die dat toch lukte, moesten dan ervaren
hoe hij zelf die ladders weer omvergooide – verboden toegang.
Daarom stond hij zeer alleen op dit ondermaanse; zijn omgeving legde een claim op hem, eiste zonder veel te geven, ook al omdat hij nauwelijks in staat was te ontvangen. En hij liet niet veel van ons over. Ik maak me geen enkele illusie over de manier waarop hij over ons sprak, want gingen collega’s en vrienden de deur uit, met wie hij schreef, schaakte, sprak en een goed glas wijn dronk, dan volgde vaak een veroordeling waarvan de betrokkenen ondersteboven zouden zijn geweest. Dit geheel in tegenstelling tot de mededeling in je gezicht. (..) Een fors compliment, in gelijkluidende trant gedaan jegens schrijvers, journalisten, radio- en tv-collega’s, schilders en uitgevers, over wie je dan echter later hoort: ‘Hij kan er niets van. Met hem kan ik niet werken. Heeft niets te melden. Ik moet zijn hele bijdrage herschrijven, lijkt nergens op. Het is slecht georganiseerd. Hij heeft niets voorbereid.’ Enzovoorts. Een onophoudelijke tirade jegens de eerder gecomplimenteerden, bittere en vooral eenzame vaststellingen dat de anderen geen reuzen waren, ook al dachten ze dat omdat hij het nog niet over zijn hart kon verkrijgen de getrouwen na vele jaren nog eens te vertellen dat hij eigenlijk niets aan hen te beleven vond” (Idem, p. 140-141).
Michel van der Plas is adjunct-hoofdredacteur geweest van Elseviers Magazine, het hedendaagse weekblad Elsevier. Op 12 december 1971 zou Bomans het interview met Johan Cruijff bij hem afleveren voor plaatsing in het kerstnummer. Bomans kwam niet. Pietsie Bomans belde op dat haar man op bed lag, met 40 graden koorts.
In die periode werkten Bomans en Van Dieren aan de tv-uitzending die op 1 januari zou worden uitgezonden, een vraaggesprek van Bomans met zichzelf.
Van Dieren:
“We hebben er die dinsdagmiddag, 21 december 1971, uren aan gewerkt, en hoewel het tegen Kerstmis loopt, blijkt het zachte weer aanlokkelijk genoeg om mij uitgeleide te doen. ‘Doe dat nou niet’, zeg ik. Hij ziet er bepaald te slecht uit, bleek, geel, zo heb ik hem nog nooit gezien. Hij wijst gewoontegetrouw nog even op de sequoia. ‘Ik zie je vrijdag weer’, wuift hij mij opgewekt toe. Dat zal de dag van zijn begrafenis zijn.
Woensdagochtend, half tien. Jan van Hillo belt op: ‘Weet je dat vannacht…’
Wat moet je dan na vier jaar zonder opgezegde geestverwantschap nog zeggen? Een bedenking die de volgende opbellers niet hindert. ‘Uw laatste indrukken?’ De krant. Na drie ben ik het zat. De volgende – hoeveel waren het er? – worden uitgescholden. Hoe het komt weet je niet: de indruk dat er nationale rouw is afgekondigd die het hele land in het zwart hult.
‘We zien elkaar vrijdag weer.’
Zeker, met duizenden anderen, in een stampvolle kerk vol met hen die heel
dicht tot heel ver van hem af leefden, en waarvan de laatsten, ondanks de
fysieke afstand, de trouwhartige illusie hadden van nauwe verwantschap en
intieme vriendschap. In de kerk zijn zij zonder onderscheid en dat maakt de
samenscholing tot een demonstratie van gelijkberechtigdheid, want niemand
van de bevoorrechten kan zijn rangorde benadrukken door in Godfrieds nabijheid
te verkeren. Dit is een anonieme wereld van devotie en verdriet.
(..) Maar dit is niet te vatten: een zwijgende menigte, nauwelijks te zien in het halfduister onder de dennenbomen, als op die kerstavond de kist wordt neergezet tegen een heuveltje, weinig woorden nog worden gesproken, waarna wij hem alleen achterlaten, die eerste koude nacht tussen het zand en de stenen” (p. 158-159).
“Wat opvalt wanneer je de ‘Herinneringen’ (aan Godfried Bomans), dat monumentale boek, uitspelt, is de nadrukkelijke wijze waarop enkele vrienden plotseling zelf auteur zijn geworden. Hun stijl is zijn stijl en hun analyse is het felle licht van een lamp die het eindelijk doet in de handen van hen die in het duister tastten toen Godfried er nog was. Want dit is duidelijk: wij stonden allemaal in zijn schaduw, en niet aan de zonzijde. Hij koesterde zich niet aan ons, wij scholen wel achter hem.
En met het verschrikkelijke verlies, dat ieder ongetwijfeld oprecht beleeft, is tegelijk de noodzaak ontstaan om het zonder die reus met zijn reuzenschaduw te doen: we zijn zelf groot geworden, we moeten zelf overeind blijven” (p. 8).
“Wanneer ik kan schrijven, dan is dat dank zij hem, want hij hield niet op te onderwijzen en te corrigeren, zonder moralist te zijn, beginnend met volledige afwijzing van het gebodene, na enige jaren gevolgd door een enkele pluim” (p. 159).
***
Bomans heeft diverse vriendinnen gehad. Eind jaren veertig maakte hij kennis met tekenares Maria Güde. Onder de naam Pluvier illustreerde ze ondermeer ‘Op het vinkentouw’, een boek van Bomans uit 1957 met columns uit de Volkskrant.
Op 19 december 2001 werd de documentaire ‘Heimwee van een sprookjesverteller’ van Coen Verbraak op televisie uitgezonden. Daarin kwamen de bekende namen rond Bomans voor zoals Harry Mulisch, Anton Heyboer, Hella Haasse, Kees Fens, Herman van Run en Jeroen Brouwers. Op Wally na, waren er geen familieleden van Bomans te zien en ook Michel van der Plas, schrijver van het biografisch boek over de jonge Bomans en redacteur van ‘Herinneringen’, ontbrak. Daar stond tegenover dat twee vriendinnen wel meededen: Aleid Slingerland en Ineke Swanevelt. Slingerland is kunstschilder. Eind jaren veertig ontmoette zij Bomans voor het eerst. Opmerkelijk waren haar uitspraken over de pijnlijke linkerarm van Bomans, waardoor hij de laatste maanden zijn jas bijna niet kon aan- of uittrekken, en zij hem daarbij moest helpen. Ze vond het vreemd dat zo’n intelligente man niet naar de dokter ging. Niet veel later overleed Bomans aan een hartaanval, waarschijnlijke zijn tweede, omdat zijn ziekte op het onbewoonde Rottumerplaat in de zomer van 1971 in de richting wijst van een eerste hartaanval.
Aleid Slingerland is voor zover ik weet de enige van de vriendinnen die zich schriftelijk over Bomans heeft uitgelaten en wel in het tijdschrift Godfried. Een door haar vervaardigd portret van Bomans heeft dat tijdschrift vele jaren gesierd. Een jaar na zijn overlijden hield Slingerland een expositie met schilderijen waarvoor Bomans model had gestaan.
3. Aleid Slingerland
“(..) Als vanzelfsprekend (kwam) de gedachte bij
mij op, dat ik ook wel eens enkele van mijn herinneringen aan Godfried op
papier zou kunnen zetten. Tenslotte heb ik hem zeer goed gekend en heeft hij
ontelbare malen voor mij geposeerd. (..) Godfried was, als ik hem dat vroeg,
altijd weer bereid voor mij te poseren op voorwaarde, dat hij dan zou mogen
werken. Hij vond het zelf heerlijk, om onder de balken van mijn atelier te
zitten schrijven, omdat hij daar, door geen telefoon, of wat dan ook gestoord
kon worden. Voor mij was er wel een nadeel aan dat ‘werken’ verbonden, omdat
ik dan altijd alleen het profiel zag en dat was dan bovendien meestal nog
bedekt door zijn, een sigaret vasthoudende, hand. (..) Deze werkende toestand
is er dan ook de reden van, dat de portretten die ik van hem maakte, veelal
dezelfde pose hebben.
Alleen het laatste portret, dat ik in augustus voor zijn dood maakte toont hem geheel en face. Die middag zei hij plotseling: ‘Zal ik nu eens echt voor je poseren?’
Ik kreeg vreselijke haast, greep een doek en begon daarop met houtskool te tekenen met in mijn achterhoofd de gedachte ‘volgende keer maak ik het in olieverf af. (..) Na zijn dood vond ik het getekende portret terug. Het bleek het beste te zijn, wat ik ooit van hem gemaakt heb.
Godfried aan het werk, gedroeg zich als een groot, zoet kind. Als ik maar zorgde, dat er een schaaltje chocolaatjes stond. Dat at hij achter elkaar leeg, zijn gedachten elders. Na het werk dronk hij meestal nog een kopje koffie en moest even naar ‘den Beet’ (Beethoven) luisteren. Eén van zijn lievelingsplaten was diens pianoconcert no. 4.
(..) Had Godfried geen muzikale wensen, dan vroeg hij steevast naar ‘den Eck’ ofwel ‘Eckermann’s Gespräche mit Goethe’. Dit werk boeide hem enorm, terwijl Goethe zelf voor hem bijzaak leek. Hij sprak nooit over diens werk. Tolstoy’s ‘Oorlog en vrede’, daar kon hij eindeloos in gaan zitten lezen. De figuur van Napoleon boeide hem daarin ongewoon. (..)
Er is al zoveel gezegd en geschreven over Godfried.
Het lijkt mij, vooral voor hen die hem niet persoonlijk gekend hebben, interessant
te weten, waardoor Godfried geboeid werd. Nu was dat heel veel, omdat hij
zich voor het leven, in al zijn facetten, interesseerde. De meesterwerken
uit literatuur en muziek zijner keuze geven ons nog een ander inzicht in zijn
wezen, dat toch voor velen altijd iets ongrijpbaars zal blijven behouden.
Ik heb van Godfried veel geleerd. Niet in het minst door de literatuur waarop hij mij opmerkzaam maakte. Over grote denkers zei hij eens: “Het is alsof zij een steen in een stille vijver geworpen hebben. De deining, die dat veroorzaakte, blijft maar doorgolven naar alle kanten en bereikt ook ons nog, soms jaren, soms eeuwen, nadat zijzelf allang gestorven zijn.”
Dagenlang zou ik zo door kunnen vertellen over die ontmoetingen met Godfried. Interessant waren ze steeds; het was nooit eender. Steeds weer die onverwachte visies en meningen. Als hij vertrok had je altijd weer iets, om over na te denken. Het is een groot voorrecht hem van zo nabij gekend te mogen hebben.”
(Bron: ‘G. B. als model’, tijdschrift Godfried, nr. 1, 1981)
*
“Godfried had zich een ongewone vrijheid in doen en laten toegeëigend en had dit waarschijnlijk ook nodig. Hij kwam en ging op de gekste momenten. Altijd was je verrast als hij kwam. Altijd liet hij iets van mystificatie achter wanneer hij ging. Je wist nooit waar hij vandaan gekomen was en nog minder waar naar toe hij onderweg was. Hij had iets ‘ongrijpbaars’, wat hij met demonisch genoegen èn zorgvuldigheid cultiveerde.
Al zijn vrienden hebben dit ondervonden en hij had er velen. De ‘huisjes’, zoals hij ze noemde, waar hij, als hij licht zag branden, even aanging, waren ontelbaar, liet als een twintigste eeuwse Diogenes even zijn licht schijnen of stak zelf wat op en verdween weer. Nogmaals, hij zal dat nodig gehad hebben. Hoe vaak vond je niet een facet van een gesprek wat je gevoerd had terug in een van zijn stukjes?
Hij bezocht mijn man en mij zeer frequent omdat wij ook ‘nachtuilen’ waren, en als hij, terugkomend van een lezing of teevee-opname, nog licht zag branden, belde hij aan.
Het is zo natuurlijk, dat hij nog even vrij en op z’n gemak wilde zitten, en het is ook natuurlijk dat mevrouw Bomans, nooit wetend hoe laat een en ander zou eindigen, naar bed ging waardoor hun huis donker en stil werd. Hoe vaak hebben wij niet tegen Godfried gezegd: ‘Zeg Godfried, moet je nou niet eens naar huis?’ ‘Ja, ja,’ zei hij dan gewillig en stond al bij de kapstok onhandig met z’n jas te hannesen.
Dan, plotseling, komt de tijding van Godfried’s dood. Ontdaan ging ik diezelfde dag naar mevrouw Bomans, waar ik verslagen naar zijn prachtige, nu kale en als in paars gedrenkte, bos stond te kijken. De stemming in die tuin weerspiegelde zó indrukwekkend de droefheid en rouw die er in het huis heerste, dat ik mevrouw Bomans vroeg dit de volgende dag vast te mogen leggen. Zo ontstond ‘De Tuin der rouw’, en terwijl ik daarmee bezig was werd de gedachte in me geboren een hele expositie aan de nagedachtenis van Godfried te wijden. Precies een jaar na zijn dood, december 1972, nodigde ik Adriaan Roland Holst uit voor de opening van deze expositie.”
(Bron: ‘Confrontatie’, tijdschrift Godfried, nr. 4, 1975. Interview van Ted van Turnhout met Aleid Slingerland)
***
De vaste uitgever van Bomans’ werk was ‘Elsevier’. Tussen 1946 en 1970 verschenen daar maar liefst 324 drukken en herdrukken. Maar het boterde niet altijd. Eind jaren zestig liet Bomans drie boeken elders verschijnen. Om de inkomsten op peil te houden, zo meen ik, gaf ‘Elsevier’ in 1970 op eigen houtje ‘Oude en nieuwe buitelingen’ uit.
Angèle Manteau (1911-2008) was oprichtster van Uitgeverij Manteau. In 1971 ging ze voor Uitgeverij Elsevier werken. Ze lijmde de breuk tussen Bomans en Elsevier en ze zat Bomans achter de vodden om ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ af te maken. Dat was een bewerking van een serie gesprekken die hij met bekende Vlamingen had gevoerd, die door de BRT werd uitgezonden. In het najaar van 2007 kwam het beeldmateriaal op een dubbel-dvd op de markt.
Manteau werd in 1978 opgevolgd door Wim Hazeu. Nadat Manteau was overleden, noemde Hazeu “de succesvolle exploitatie van het werk van (de overleden) Bomans haar grote verdienste” (Elsevier, 3 mei 2008).
4. Angèle Manteau
“Bij Elsevier begon men nattigheid te voelen en om tegenover boekverkopers
de schijn te redden, bracht men gauw in 1970 een door Bomans niet samengestelde
selectie uit twee eerder verschenen bundels onder de misleidende titel: Oude
en nieuwe buitelingen.
Een dermate succesvol auteur (Bomans) ziet men nu eenmaal ongaarne naar andere uitgevers overstappen. De enige Elsevier-uitgave uit het jaar 1970, Oude en nieuwe buitelingen, bevatte ondanks de titel niets nieuws en de presentatie ervan was zowel Elsevier als Bomans onwaardig. Het omslag paste eerder bij de Rolling Stones en het binnenwerk was ronduit een ramp. Men had gewoon stukken zetsel uit de twee vorige uitgaven bijeengeplakt, waarbij de koptitels niet opnieuw gezet waren. Hierdoor waren de titels nu eens in groot kapitaal, dan weer in klein kapitaal, soms gespatieerd en soms niet. Het was echt een schande, waartegen Bomans in december 1970 verbolgen had geprotesteerd. Dit alles werd mij bij mijn aanstelling op 1 januari 1971 niet verteld. Wanneer ik het wel geweten had, zou ik waarschijnlijk niet eens voor Bomans hebben durven verschijnen.
Hoewel geen twee mensen zo van elkaar konden verschillen als Godfried en ik, klikte het onmiddellijk tussen ons. We kwamen overeen in contact te blijven, wat een definitief herstel betekende van de breuk met Elsevier. (..) In het voorjaar van 1971 sloot ik voor Elsevier vier nieuwe contracten met hem af. ‘De man met de witte das’ en ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ verschenen nog datzelfde jaar. ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’ en ‘Op reis rond de wereld en op Rottumerplaat’ zouden beide postuum verschijnen.
Bomans was een auteur die qua begeleiding en tijd veel van zijn uitgever vergde, maar uiteindelijk was het zowel in zakelijk als in menselijk opzicht een dankbare taak. Zijn grote kracht lag hierin, dat hij exact en vaak geestig wist te formuleren wat iedereen dacht en ook graag even sierlijk had willen kunnen zeggen.
De Belgische radio en televisie had hem voorgesteld een reeks gesprekken met bekende Vlamingen te voeren, onder begeleiding van een tv-ploeg. Bomans stelde me voor er een boek van te maken. Deze Elsevier-uitgave getiteld Een Hollander ontdekt Vlaanderen verscheen najaar 1971. Verschillende opnamen vonden bij me thuis in Gooik, een dorpje op 20 km ten zuidwesten van Brussel, vaak in de tuin, plaats. Ook begeleidde ik hem naar Vlaamse steden waar bekende Vlamingen woonden.
Het viel me op, hoe competent hij was in verband met opnamen, zowel wat de klank als wat het beeld betreft. Hij had met Nederlandse tv-ploegen heel veel ervaring opgedaan. Tijdens die opnamen logeerde hij bij mij (..).
Op de vroege ochtend van 22 december 1971, verliet ik het Vlaams-Brabantse dorp waar ik woon met de bedoeling naar Amsterdam te rijden en in de middag Godfried Bomans in Bloemendaal op te halen. Zijn zo juist verschenen boek, Een Hollander ontdekt Vlaanderen, zou hij in Den Haag aan pers en vrienden voorstellen. Ik reed eerst langs het kantoor van Elsevier in Brussel en, bij het binnenkomen hoorde ik dat de heer Dolf van den Brink (directeur van ‘Elsevier’) me aan de telefoon verwachtte. Nooit zal ik zijn woorden vergeten: ‘Mevrouw Manteau, Godfried is vannacht overleden…’ Ik ben zo ontdaan en ontredderd, dat ik in mijn moedertaal begin te spreken: ‘Mais ce n’est pas possible! Je lui ai encore parlé par téléphone hier après-midi et j’ai rendez-vous avec lui à trois heures à Bloemendaal pour l’áccompagner à La Haye.’ Maar hoe meer ik verward klets, hoe meer het onherroepelijke tot mij doordringt (..)”
Op 2 maart 1973 zou Godfried zestig jaar zijn geworden en reeds in 1971 had ik met het plan rondgelopen deze verjaardag met een speciale uitgave te vieren. Nu zou het boek veel eerder gereed moeten zijn. (..) Twee maanden later verscheen het boek (..) Herinneringen aan Godfried Bomans, een verzameling lange en kortere essays van onder anderen Simon Carmiggelt, Kees Fens en Harry Mulisch, afgewisseld met foto’s en documenten. (..) De vraag was enorm. (..) Ik veronderstel dat er meer dan honderdduizend zijn verkocht.”
(Bron: ‘De schrijver en zijn uitgevers’, tijdschrift Godfried nr. 1, maart 1996)
***
Jaren terug zag ik op televisie een reportage over Anton Heyboer. Hij woonde in een verbouwde loods temidden van een zwerm vrouwen en honden. In zijn atelier maakte hij aan de lopende band kunstwerken. De in lompen gehulde man met hoed, nam een stel kwasten in zijn hand, doopte ze in verf, veegde even over een vel papier, en klaar. Met pretoogjes kraaide hij iets van: “Alweer een kunstwerk af”, en “Wat ben ik toch een geweldige kunstenaar.”
Vier jaar terug overleed Heyboer (1924-2005). Naar aanleiding daarvan schonk NRC Handelsblad op 11 april veel aandacht aan deze markante figuur. Het artikel droeg de titel “Excentriekeling tegen de ‘kunstpenose’’’. Heyboer bleek in de jaren vijftig met sobere etsen en gouaches naam te hebben gemaakt. Zijn werk was uitgevoerd in aardetinten en opgebouwd “volgens zijn eigen ‘systeem’ van kruizen, figuren, ruiten en cirkels, soms aangevuld met een tekst in rode verf.” Zijn vroege werk was naar eigen zeggen ‘kunst voor intellectuelen en beleggers’’, dat z’n weg vond naar musea in binnen- en buitenland. Later legde hij zich toe op schilderwerk. Daarmee had hij veel succes. Heyboer zei daarover: “En voor diezelfde penose ben ik een ramp geworden, want ik heb alles in de war gegooid door hier (in Den Ilp) goedkope kunst te gaan maken.”
De NRC gaf de volgende levensloop van Heyboer: Hij werd in Nederlands-Indië geboren, woonde in Haarlem, Delft, Voorburg, op Curaçao, in Haarlem, Berlijn (wegens tewerkstelling in bezettingstijd), Borger (in boshut), en in Frankrijk en Spanje (op zwerftocht). Begin jaren vijftig hield het zwerven op en belandde hij op de psychiatrische afdeling van Santpoort waar een psychose werd geconstateerd. Omwille van zijn geestelijke gezondheid, ging Heyboer etsen maken. Ongeveer tien jaar later betrok hij in 1961 de loods in Den Ilp. In dat dorp werd met afgrijzen gereageerd en niet alleen, omdat hij een harem meenam: Maria, Lotti en Joke. Later kwamen Marike en Petra daar nog eens bij. In die omgeving werd Heyboer de bestverkopende kunstenaar van Nederland. In de jaren zeventig verklaarde hij, dat hij jaarlijks anderhalf miljoen gulden per jaar beurde. Heyboer bleef schilderen. Bij zijn dood liet hij zijn bruiden 80.000 goed verkoopbare schilderijen na.
Schrijver/vertaler Aad van der Mijn is in 2004 overleden. Van zijn hand verscheen ‘De haat-liefde tussen Anton Heyboer & Godfried Bomans’ in het tijdschrift Hollands Diep van 20 december 1975. Met Erna Kramer als informatiebron, belde Van der Mijn op zekere dag Heyboer op met het verzoek te mogen langskomen, om te praten over zijn vroegere vriendschap met Bomans. Daar had Heyboer geen zin in. Het verleden was het verleden. Hij wilde liever over het nu praten, over zijn werk en zijn leven. Dat vond Van der Mijn ook goed, als Heyboer wilde vertellen waarom zijn tijd met Bomans niet meer interessant was. Er werd een afspraak gemaakt.
Van der Mijn vertrok naar Den Ilp waar Heyboer zijn huis/loods had staan. Hij werd door Maria en een stel enorme honden begroet. Even later zaten hij en Heyboer middenin een kale ruimte. De honden waren in de hokken langszij gestopt en Lotti, Marike en Maria waren daar op gaan zitten, en keken een beetje neer op de gesprekspartners. Er heerste een haast religieuze rust. Heyboer begon uit zichzelf over Bomans.
5. Anton Heyboer
“We gingen wel veel met elkaar om, maar ik mocht
nooit bij hem binnenkomen. Mari Andriessen, Otto de Kat, Kees Verwey, die
mensen kwamen bij hem binnen, die mochten de salon in. Ik denk dat zijn vrouw
niet wilde dat ik binnenkwam. Ik zat altijd met Godfried te praten op een
bank in de tuin, met dikke jassen aan.”
Van der Mijn (VdM): “Je haalde met Bomans en Mulisch toch vaak veel grappen uit?”
Heyboer (H): “Ja, ach, de practical joke was toen net nieuw hè. Ja, we haalden grappen uit. Ik liep in die tijd altijd in een smoking. Ik had er vijf gekocht bij een uitdrager. Een keer gingen we naar een officiële gebeurtenis. Godfried had een dropveter voor me gekocht, die ik toen als een vlinderstrik om mijn nek knoopte. Terwijl iemand een lezing hield begon ik langzaam mijn das op te eten.
(..) Er zat altijd wel wat in die grappen. Godfried smokkelde me in dure clubs naar binnen. Dan hield hij de portier zo aan de praat dat die man niet zag dat ik pantoffels aan had bij mijn smoking.”
VdM: “Bomans heeft toch een hoop dingen voor je gedaan?”
H: “Wat dan?”
VdM: “Hij gaf je toch geregeld geld?”
H: “Da’s waar. Een gulden per dag. Dat was heel wat in die tijd.” (..)
VdM. “Bomans heeft je toch aan een huis geholpen, zodat jij uit Santpoort weg kon?”
H: “Dat was vóór mijn tijd geweest, ik kende hem toen nog niet. Hij had alleen van mij gehoord.”
VdM: “Hij heeft toch gezorgd dat je op een eenvoudige manier katholiek kon worden, toen je dat wilde?”
H: “Daar heb je weer zoiets. (..) Alles wat je ophaalt uit die tijd, daar zitten ook altijd weer vervelende dingen aan (..).”
VdM: ”Je ziet Mulisch nooit meer?”
H: ”Ik heb hem een tijd geleden nog één keer gezien, op het Leidseplein. Ik ging achter hem staan. Ik zei: ‘Zo bent u ook beroemd? Uiteraard zei Harry, anders zouden wij niet praten met elkaar.’” (..) Het was in de tijd dat Harry zich bezighield met politiek, met Cuba en het communisme. Dat is echt iets voor mensen als Harry, mensen die zelf niets meemaken, gaan zich bezighouden met zulke dingen. (..) Harry is altijd op zoek geweest naar liefde. Harry had liefde nodig, een aardige vader. Vroeger was Godfried die vader voor hem. Godfried wás een aardige vader. (..) Voor mij was Godfried óók een vader. Ik zocht dat óók in hem. Ik had dat óók in mijn jeugd gemist. Alleen, ik kon er niet tegen wanneer Godfried weer zo vreselijk aardig voor me was.”
VdM: “Je wou dat dan bewust verbreken?”
H: “Ja, ik kreeg het daar gewoon benauwd van.”
Hierna volgen twee verklaringen waaruit een onvriendelijke kant van Heyboer blijkt. Een ervan is van schilder Kees Verwey:
“Mijn vrouw en ik zouden bij
de Bomansen gaan eten. Godfried kwam alsmaar niet. Toen hij verscheen was
hij lijkbleek. Hij was bij Heyboer geweest. Heyboer had tegen hem gezegd:
‘Sandberg van het Stedelijk (Museum) heeft mijn werk gezien, ik ben beroemd,
ga weg, ik heb je guldens niet meer nodig.”
H: “Bomans is altijd in de maatschappij gebleven. Hij heeft sprookjes geschreven voor de maatschappij. Als jezelf in de maatschappij blijft is dat niet moeilijk, je weet wat de maatschappij wil, je weet ook precies tot hoever je dan kunt gaan. Godfried wou alleen maar veel geld verdienen.”
“Dat wil jij ook Ton”, zegt Maria.
“Ja’, zegt hij. “Dat wil ik ook, dat is waar. Maar Godfried heeft er zijn hele leven mee verknoeid. Hij heeft niets met zijn leven gedaan. Zijn broer in het klooster zag hij als een patiënt. Hoe kun je dat zeggen van een man die zo tot het uiterste gaat?”
***
In 1939 vetrok Bomans van Amsterdam naar Nijmegen om er wijsbegeerte en psychologie te gaan studeren. Hij schreef daar ‘Erik of het klein insectenboek’ wat een klassieker is geworden. In december 1941 verloofde hij zich met Gertrud Maria (Pietsie) Verscheure. In april 1944 volgde het burgerlijk huwelijk en in 1945 de kerkelijke inzegening.
Pietsie heeft zich na de dood van haar man, bij mijn weten, slechts een keer over hem uitgelaten. Dat was tijdens een telefonisch gesprek met Aad van der Mijn na het interview met Heyboer.
6. Pietsie Bomans
“Godfried vond hem een boeiende man. Ik werd ook erg door hem geboeid, maar soms hield de vriendschap ineens op. Dan werd Heyboer ineens heel vijandig. Ik heb nooit geweten hoe dat kwam. Godfried was dan helemaal verbijsterd. Heel akelig was dat. Na de dood van Godfried heb ik niets meer van Heyboer gehoord, dat heeft me wel verbaasd.” (..)
Van der Mijn (VdM): “Uw man hielp hem wel met
sommige dingen?”
Pietsie Bomans (PB): “Ach ja, moreel een beetje, ik weet dat niet zo.”
VdM: “Hoe zag u Heyboer?”
PB: “Het beeld van hem is nu verstoord door de boeken die hij over zichzelf heeft laten schrijven. Dat is jammer. Ik was toch wel heel erg door hem geïmponeerd. Zoals hij vertelde hoe hij leefde, op een kopje rijst per dag, een beetje vocht, heel sober, dat boeide me. Alleen, hij verwaarloosde zichzelf ook
zo erg. Hij had op het laatst geen tand haast in zijn mond.”
VdM: “Hij heeft nu een zilveren kunstgebit.”
PB: “Het is niet waar.”
VdM: “Zonder aparte tanden.”
PB: ‘Wat een krankzinnige man toch. Hij wilde altijd aandacht trekken. Hij vraagt altijd weer de aandacht. Als je niet op hem inging, was hij gewoon stomverbaasd.”
VdM: “Hij mocht u wel?”
PB: “Dat lijkt me wel? Dacht u niet? We mochten alleen nooit in Den Ilp komen – waarom dat weet ik niet. Hij wou ook niet bij ons naar binnen. Hij bleef buiten zitten in het prieeltje. Hij vond ons huis te burgerlijk. Als hij al een keer binnenkwam ging hij nooit zitten (..).”
VdM: “Hij zegt dat hij niet bij ú naar binnen mocht.”
PB: “Zegt hij dat? Dat is nou het toppunt. Hoe haalt hij het in zijn hersens? Wat is dat toch een rare jongen.
(..) Godfried zag hem als een echte vriend. Hij was heel geboeid door Heyboer, heel geïnteresseerd, hoewel hij dikwijls werd gekrenkt. (..)
Ik kon zijn houding vaak niet begrijpen. Als je nou zo’n leven leidt als hij (Heyboer), hoe kan je dan tegelijkertijd zo verbitterd zijn? Ik denk wel eens, dat hij het gewoon niet kan verdragen dat mensen aardig voor hem waren. Je hebt meer mensen zoals hij, die worden belaagd door krachten, daar kunnen ze zelf niet tegenop. Iets demonisch.
Maar ze hebben samen veel plezier gehad. Ze maakten tochtjes. Ze gingen biljarten en ze haalden een beetje flauwekul uit. De verhalen van Heyboer waren altijd boeiend ook, heel merkwaardige spinsels, dat wel, meestal niet te volgen, maar toch heel boeiend. Ze hebben samen veel plezier gehad. Daarom zou ik het onaardig vinden wanneer hij Godfried nu af zou vallen omdat Godfried burgerlijk geweest zou zijn.”
VdM: “Daar komt het bij Heyboer toch wel op neer.”
PB: “Je zou verwachten van iemand met zo’n grote intelligentie, dat hij zou kunnen zeggen, laat iedereen leven zoals hij zelf wil en probeer hem niet te dwingen. Maar ja, het geheel grenst natuurlijk toch aan waanzin, aan schizofrenie, dat weet Ton ook wel.
(..) Ik denk ook dat Godfried en Anton allebei veel aan die vriendschap hebben gehad. Dat zal Heyboer zelf toch ook wel zeggen?”
VdM: “Eigenlijk niet.”
PB: “Nee? Dat is dan toch niet eerlijk van hem. Ze hebben veel aan elkaar gehad. Ze hebben allerlei dingen samen doorgepraat en beleefd. Het zou heel onaardig zijn van Anton wanneer hij dat niet zou willen zeggen.”
***
Erna Postma (1937) was 15 jaar oud toen ze Anton Heyboer voor het eerst ontmoette. In 1956 bekeerde hij zich tot het katholicisme waarna hij met Erna kon trouwen. Uit hun huwelijk kwam een dochter voort, Marcelle.
In 2007 verscheen Anton Heijboer, 1952-1959, Het verzonken leven. Louis Ferron (1942-2005), die over de Haarlemse sociëteit Teisterbant ‘De keldergang der heren’ heeft geschreven, moedigde Erna Kramer (Postma) aan, een boek te gaan schrijven over de Haarlemse periode omdat zij een schat aan informatie had. Daar is het in 2007 van gekomen. Het is een sympathiek boekje geworden, in feite een brief aan haar overleden ex-echtgenoot, waarin zij vertelt wat zij samen hebben meegemaakt. Een van de eerste dingen die zij samen deden, was een bezoekje brengen aan Bomans.
7. Erna Kramer
“Daarna moest je naar een goede vriend en zijn vrouw,
die in de Zonnelaan woonden. Ik bleef zolang buiten wachten, op de hoek van
het Spaarne. Na een tijdje kwam er een grote, donkere, vriendelijke man op
me af, die vroeg: ‘Ben jij het meisje van Ton?’ Ik knikte; hij nam mijn fiets
aan en stelde zich voor als Godfried Bomans. ‘Kom maar mee’, zei hij. Samen
liepen we naar de Zonnelaan. Pietsie, de vrouw van Godfried, ontving mij allerhartelijkst”
(p.11).
Ikzelf woonde nog bij mijn ouders en ging naar school. Jij was negenentwintig en had al veel meegemaakt. Godfried had ervoor gezorgd dat je in ’t Paradijsje terechtkwam, een plek waar meer kunstenaars(..) woonden (p.12).
In het huis van Boot was het een onbeschrijflijke bende. (..) Je was weer begonnen te etsen. De etsplaatjes waren in het begin niet zo groot, omdat er niet genoeg geld was voor zink. Je hebt de halve dakgoot van meneer Boot gesloopt om toch te kunnen etsen.
Godfried kwam te hulp en gaf jou vijf gulden in de week om te kunnen leven. Voor kunstenaars was er in die tijd de ‘contraprestatie’: (..) 19 gulden in de week (..) Godfried was de redder in nood (p.16).
In het huis van Boot (..) legde je een nieuwe basis van waaruit je kon werken en leven. (..) De etsen die je maakte gingen over de dierbaren om je heen (..) Je bouwde je eigen systeem, met vormen van ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk principe’, met (..) verwijzingen naar het heelal, naar God en Jezus.
Met Godfried, die van huis uit katholiek was, met mijn ouders en mijn twee broers, Hannes en Paul, voerde je lange gesprekken. Die gesprekken deden je goed. Je was op zoek naar de zin van je bestaan, naar wie je was” (p. 17).
Heyboer was gescheiden. Dat was al een schande in de jaren ’50. Nu was hij 29 jaar oud en had een schoolmeisje van 15 jaar als vriendin. Nog meer schande.
“Sommige mensen wilden niet meer met je omgaan. Anderen verzoenden zich langzaam met jouw scheiding van je gezin. Bij Godfried en Pietsie waren we welkom. Ze spraken wel af en toe over wat er gebeurd was met jou, je vrouw en je kind, maar ze verweten je niets. (..) In september 1953 vertrokken Godfried en Pietsie voor een jaar naar Rome. We voelden dat als een gemis (p.19).
In die dagen begon je je ‘systeem’ op te schrijven, grote vellen papier schreef je vol met een systeem van de cijfers 1 tot en met 9, de cijfers uit de kabbala (p.22).
We kochten een sloep (..) Later in IJmuiden kwam er een zeiltje op en een nummer (p.27).
Jij en het geloof. Je praatte er veel over, met mijn ouders, met een vriend van mijn ouders die pater was. Je had veel vragen. Vooral de figuur Jezus was belangrijk, je identificeerde je op een bescheiden manier met hem. (..) Het geloof gaf je inspiratie. (..)
Het menselijk bestaan en de wereld van de geest probeerde je tot één geheel aaneen te smeden. Op grote vellen papier schreef je op wat voor jou de oorsprong was van ‘geest’ en ‘materie’ (p.31).
In oktober 1954 kwamen Godfried en Pietsie terug uit Rome en brachten een scooter mee. Soms bracht Godfried me daarop naar school, waar Godfried en de scooter veel bekijks hadden. Ik talmde dan met afstappen, zodat iedereen het goed kon zien (p.32).
Ons leven werd langzaam wat socialer. (..) We gingen regelmatig naar Teisterbant, de kunstenaarssociëteit in de gewelven onder café-restaurant Brinkmann aan de Grote Markt. Godfried was voorzitter van Teisterbant, Lodewijk van Deyssel was erelid. (..) Er waren literaire avonden waarop schrijvers werden uitgenodigd, zoals de Haarlemse schrijver Harry Mulisch, die toen net Archibald Strohalm had geschreven (p.34).
Joop Landré, de latere voorzitter van de Tros, was nog een tijdje voorzitter van Teisterbant. Hij maakte films in die tijd. Boebi Brugsma, de oorlogscorrespondent, kwam vaak op de sociëteit (p.36).
We werden vrienden met Godfried en Pietsie, met Harry en Rieks, met Frans Verpoorten en zijn vrouw Emmy, met Boebi, Jules en Polly Chapon (..). De vriendschappen waren vol betekenis. We voerden eindeloze gesprekken. Het was pas negen jaar na de oorlog; ieder had zijn eigen ervaringen, traumatische ervaringen soms. (..) Boebi had in Buchenwald gezeten en jij in een Duits interneringskamp. Harry zat gemangeld tussen z’n joodse moeder en z’n Oostenrijkse vader (p.36-37).
Anton Heyboer nam later zijn intrek in het ouderlijk huis van Erna Kramer, toen nog Postma geheten.
“Godfried, Harry en jij brachten hele avonden door op die grote kamer. Jullie spraken over jullie vaders, strenge, autoritaire mannen, waaronder jullie - gevoelige jongens, alle drie - te lijden hadden gehad, emotionele schade hadden opgelopen, ieder op zijn manier. (..) Er ontstond een soort driemanschap tussen jullie. Je was soms jaloers op de band tussen Harry en Godfried, omdat ze beiden schrijver waren (..). Als Harry het had over de verschillen tussen zijn schrijverschap en dat van Godfried, kon er onderling wrevel ontstaan. Jij speelde daarop in en probeerde - tevergeefs - een wig tussen hen te drijven (..). Er waren felle discussies (p.39).
Godfried had inmiddels een Citroën deux chevaux gekocht. Hij nam ons mee naar lezingen die hij overal gaf. Eén ervan was in Leiden, voor studenten. Ik mocht als vrouw niet mee de bestuurskamer in, dat was zo in die tijd. Dat mocht wel toen Godfried zei dat anders de lezing niet doorging (p.46).
Met Godfried en Pietsie bezochten we vrienden
van hen in Antwerpen, Edgar en Liesbeth Boonen (..) We zochten in De Panne
aan de Belgische kust de dichter Karel Jonckheere op, en de schrijver Willem
Elsschot en zijn vrouw Fine in hun buitenhuis. Godfried en Elsschot, een norse,
bonkige man, mochten elkaar graag. (..) Soms ging Pietsie mee, soms bleef
ze thuis (..) We bezochten Arnold, de broer van Godfried, die in een klooster
zat waar je niet mocht praten” (p.47).
Erna en Anton besloten in augustus 1956 te gaan trouwen.
“We vroegen Harry en Godfried om onze getuigen te zijn. Ze stemden in” (p.53).
In verband met het kerkelijk huwelijk drong de moeder van Erna erop aan dat Anton katholiek zou worden. Bomans regelde een spoedprocedure. Op 15 september trouwden ze in de kleine Mariakapel.
“Het getrouwde leven beviel ons. (..) We wilden allebei een kind. Je miste Andries nog steeds. Ik raakte zwanger en je vond het prachtig. (..) Toen je het nieuws aan Godfried en Pietsie vertelde, wilden zij de wieg geven (p.59).
Omstreeks die tijd beleefden we bij Harry thuis aan het Staten Bolwerk de Hongaarse opstand (1956) op een grijze, stormachtige zondagmiddag in oktober. Allemaal voelden we de angst voor weer een nieuwe oorlog. Terwijl Harry en jij daarover praatten en de spanning bij ons opliep over wat er allemaal zou kunnen gebeuren, werd de storm buiten steeds heviger en rolde er vlak voor het huis met veel lawaai een enorme boom om. Dat was een ‘omen’ (voorteken), zeiden jullie. Rieks en ik werden hier niet door gerustgesteld (p.63).
Niet lang daarna besloot Rieks Harry te verlaten. Harry had te veel oog voor ander vrouwelijk schoon. (..) Later die avond was Teisterbant afgeladen met Amsterdamse en Haarlemse kunstenaars, die zich van de galerie naar de sociëteit hadden verplaatst. Er werd gedanst en heel veel lawaai gemaakt. Het werd een spektakel. Jij bespeelde de piano en de Japanse kunstenaar Tajiri en schrijver Cees Nooteboom maakten roffelend geluiden op de piano, Cees Nooteboom met een pollepel. In de vroege uurtjes kwamen we thuis (p.65).
Onze dochter werd geboren op 9 juli 1957. We noemden haar Marcelle Marie (..) Marcelle werd gedoopt in de kathedraal St.-Bavo. Ze kreeg een wit jurkje aan met een hoedje. Godfried en mijn moeder, die peetvader en peetmoeder werden, hielden haar ten doop (..) (p.68-70).
Je kocht een oud grijs autootje. Een rijbewijs vond je niet nodig. Godfried had je in zijn deux chevaux leren autorijden, zelfs in de rouwstoet naar de laatste rustplaats van Harry’s vader.
Het leven met de baby bracht zo z’n verandering. We gingen minder uit; in plaats daarvan kwamen de vrienden bij ons. Harry bracht Ineke Verwayen mee en jullie spraken over verliefd zijn en het vaderschap (p.70).
Toen Marcelle negen maanden oud was stierf onverwacht mijn vader (..) De uitvaart was plechtig, met veel familie en vrienden. Godfried en Harry stonden jou tijdens de begrafenis bij. Godfried, die iets zo fijntjes kon zeggen en zo de juiste plek kon raken (p.77).
Na de dood van mijn vader had het leven in de Wilhelminastraat zijn aantrekkingskracht verloren. Je wilde weg (..) Een boot was de enige oplossing, besloot je. (..) Het eerste wat je deed was onze boot de Ste. Marcelle dopen. (..) Een koperen crucifix, het huwelijkscadeau dat
we van Pietsie en Godfried hadden gekregen, hing je in de mast (..) (p.78-79). In Amsterdam meerden we aan tegen de walkant van de Oudeschans (p.82) (..) Harry kwam soms langs met Ineke (p.84).
De zomer was voorbij, het werd najaar. Aan boord was het koud en vochtig. (..) We konden een winkeltje huren in de Koningstraat (p. 85).
Mijn moeder kwam ons iedere week bezoeken. Dan
aten we bij de Chinees in de Binnen Bantammerstraat. Op een avond zaten we
er met z’n drieën, mijn moeder, Marcelle en ik. Jij was er niet bij.
Ik denk niet dat het bij me was opgekomen als je erbij was geweest. We waren dag en nacht samen, en toen, die avond, voelde ik even je invloed niet. Ik zag weer een nacht in de kroeg voor me, weer een avond en een nacht waarin Marcelle te weinig zou eten, te weinig zou slapen. Marcelle moest opgroeien met school, vriendjes en vriendinnetjes. Daar was je het mee eens.
‘Mam’, zei ik tijdens de maaltijd ineens, ‘als je teruggaat naar Haarlem, ga ik met je mee. Dit leven is niet goed voor Marcelle.’
We haalden wat spulletjes op uit het winkeltje en Marcelle en ik vetrokken met de trein. Met pijn in m’n hart nam ik afscheid van je (p.85-86).
Marcelle is balletdanseres geworden. De toegang tot jou werd voor haar en voor haar zoon, jouw kleinzoon Bart Anton, afgesneden” (p.88).
***
Willem Duys werd in 1928 geboren. Het bekendst werd hij als presentator van het praatprogramma ‘Voor de vuist weg’ dat in de jaren zestig 4 à 5 miljoen kijkers trok. In dat programma verschenen allerlei mensen, van groot tot klein, als ze maar iets bijzonders te melden hadden. Op tafel stond een vredige kom met goudvissen maar in de zaal kropen of slopen soms wilde dieren.
In het verzamelde werk van Bomans is niets over Duys terug te vinden. Dat betekent niet dat ze elkaar niet kenden. In 1963 hebben ze nauw samengewerkt want Duys had de touwtjes in handen van het ‘Grand Gala du Disque’ dat Bomans presenteerde. Daardoor veranderde dat serieuze liedjesfestival in een klucht en maakte Bomans dat ene been van Marlène Dietrich wereldberoemd.
Verder was Bomans ook weleens gast in ‘Voor de vuist weg’.
Bomans overleed in 1971. In die tijd zat ik in dienst. Op de kazerne was geen radio, tv of krant. Berichten uit de buitenwereld kwamen niet of nauwelijks door. Maar tegen kerst 1971 ging de dood van Bomans als een lopend vuurtje door de kazerne. Ongeloof was de meest voorkomende reactie: Het kón niet waar zijn dat de gezelligste oom van Nederland dood was. Had hij die zomer niet nog een huzarenstukje opgevoerd door een week op dat onbewoonde eiland te kamperen? En hoe oud was tie dan? Kon niet bestaan dat hij dood was! Toch was het zo.
De enorme indruk die zijn dood in ons land maakte kan ik het best vergelijken met de verslagenheid na de moord op de Amerikaanse president John F. Kennedy in 1963. Willem Duys heeft het gevoel van veel Nederlanders treffend weergeven in ‘De dag dat Bomans stierf’ in Elsevier Magazine van (vermoedelijk) 20 december 1975. Hieronder volgt een samenvatting die enigszins bewerkt is.
8. Willem Duys
“Het vroor die
gedenkwaardige ochtend van de 22e december 1971 minstens achttien
graden, althans in het hartje van Tirol. Zoals elke dag was de Nederlandse
kolonie direct na het ontbijt naar het “station” van Serfaus geslenterd om
daar een lift te pakken tot het Kölner Haus op ruim 2000 meter. Tijdens de
tocht naar boven, in een stoeltje voor een persoon in de open lucht, is de
stilte indrukwekkend … als er tenminste geen Nederlanders in de buurt zijn.
En meestal is dat wèl het geval, want ‘s werelds luidruchtigste toeristen
zitten rond Kerstmis bij duizenden in de buurdorpen Foss en Serfaus. Het stille
beleven van de zweeftocht wordt derhalve meestal vervangen door vaderlandse
vrolijkheid. (..) Die woensdagochtend 22 december 1971 bengelden wij met z’n
tweehonderden aan de dikke draad toen één uitroep alle vrolijkheid op slag
deed verstommen. Een willekeurig iemand had familie uit Amsterdam aan de telefoon
gehad en had het nieuws direct ontsteld uitgedragen. “Godfried Bomans overleden”…
de jobstijding ging van lift tot lift en legde in drie minuten de afstand
af waar passagiers een half uur over doen. Slechts enkele Duitse en Zweedse
‘zwevers’ zullen niet begrepen hebben waarom zóveel Hollanders opeens zó stil
waren…
Nadat ook iedereen op de zonneterrassen en in
de gelagkamers van Kölner Haus het schokkende bericht had vernomen, gebeurde
er iets heel merkwaardigs, illustratief voor de ongelooflijke populariteit
van Godfried. Bij tientallen verlieten landgenoten hun luie stoelen… ski’s
werden afgegespt… sleetjes werden rechtop gezet… en de retourliften bestormd.
Halverwege de middag was “half Nederland’ weer terug in het dorp, links en
rechts informerend naar nadere omstandigheden, vruchteloos wachtend op telefonische
verbindingen, nog vruchtelozer prutsend aan zelfs de gevoeligste radio. En
dat terwijl de vaderlandse ochtendbladen
op z’n vroegst een dag later Tirol zouden bereiken. Nooit hebben mijn verhalen over Bomans zo’n
dankbaar gehoor gehad als die avond. Vooral zijn befaamde uitreiking van Edisons aan Corry Brokken en Marlène Dietrich herleefde weer in geuren en kleuren.
Ieder jaar opnieuw, ook deze week zit ik op Godfried’s sterfdag in zo’n zelfde liftje en denk ik terug aan toen… die vrolijke tocht naar boven, die stille terugkeer in het dorp, die middag en avond vol reminiscenties en anekdoten. Misschien vergaat het menige lezer ook zo, ongeacht de plek en het moment van het vernemen der jobstijding. Is het werkelijk alweer vier jaar geleden? Toch wel - zijn boeken zijn allemaal herdrukt, zijn mooiste tv-programma’s herhaald, zijn markante monologen op platen vastgelegd. (..) Maar ik zou àlle herdrukken en herhalingen en platen graag ruilen voor nog eens één uurtje schaak, zoals tijdens ons tv-gesprek op 7 april 1963. Ik opende met e2-e4, de simpelste zet der onnozelen. Godfried keek heel lang naar mijn pionnetje en schudde zijn manen. “Tegen zoveel vernuft is geen kruid gewassen”, sprak hij quasi-droevig en legde tot mijn verbazing zijn koning op de rug.”
***
Nawoord
In ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ wordt de positie van Bomans tijdens de Duitse bezetting nauwelijks belicht terwijl hij verzetswerk had verricht. Zo had hij drie joodse onderduikers in huis waarvan Hans Lichtenstein de belangrijkste was . Bomans hield hem de laatste negen maanden van de bezetting uit Duitse handen. Op de vraag waarom zijn naam afwezig is in ‘Herinneringen’, heeft Sabine Lichtenstein in de zomer van 2008 in Bomans Weekblad dit antwoord gegeven:
Mijn ouders (dus ook mijn vader) wisten niets van een herinneringsboek over Bomans, laat staan dat men mijn vader vroeg er aan bij te dragen. Anders had hij dat natuurlijk gedaan (..).
Ook Mies Bouwman (1929), bekend van ‘Open het dorp’ en haar talkshows op televisie,
had over die periode wellicht nuttige informatie kunnen verstrekken. Hoewel
zij niet genoemd wordt en de naam Bouwman aan het namenregister ontbreekt,
komt zij voor op pagina 321 van ‘Godfried’, het biografische boek van Michel
van der Plas over de jonge Bomans. Tijdens de bezetting was het hele gezin,
op vader na, bij de ouders van Bomans ondergedoken. In die tijd woonde Bomans
weer in Haarlem. Hij heeft Mies, die toen een jaar of vijftien was, leren
kennen, zo blijkt uit het verslag van Van der Plas. Ze hebben elkaar later
nog ontmoet want ze zaten beiden in het tv-circuit en Bomans is enkele malen
bij Mies in haar show te gast geweest.
Wellicht ook hadden Hella Haasse en Willem Ruis, die een half jaar voor het overlijden intensief contact had gehad met de zwaar zieke Bomans op Rottumerplaat, een interessante bijdrage kunnen leveren.
Opvallend is het ontbreken van een kopstuk van Uitgeverij Elsevier dat over een langere periode contact heeft gehad met Bomans. Die uitgeverij is van Bomans rijk geworden.
In het voorwoord van ‘Herinneringen’ schreef van der Plas dat er gestreefd was naar een zo groot mogelijke representativiteit waardoor het beeld van Bomans “voor zoveel mogelijk anderen als herkenbaar, waarheidsgetrouw en overtuigend zou kunnen overkomen.”
Dat is niet erg gelukt. Met Nico Scheepmaker ben ik het eens dat Bomans als fenomeen nauwelijks wordt verklaard. Daarvoor was de diepgang te gering en de representativiteit onvoldoende. Genoemde personen in dit Supplement hadden niet misstaan in ‘Herinneringen’, de afwezigheid van bijdragen van Bertus Aafjes en Wouter van Dieren acht ik een groot gemis. Zij kenden Bomans goed en op grond van hun tamelijk overeenkomstige visie, uitten ze veel waardering. Daarmee weken ze ver af van de gangbare mening die gevoed is door Kees Fens, Harry Mulisch en Michel van der Plas. Kort- en grofweg is dit het verschil. Fens, Mulisch en van der Plas waren van mening dat Bomans iedereen naar de mond praatte. Daardoor is Bomans nooit een groot schrijver geworden. Deze mening, juist of niet, heeft het gewonnen. Aafjes en Van Dieren stelden juist dat Bomans niemand naar de mond praatte maar onthullend, zelfs ontluisterend tewerk ging. Geen huisje was hem heilig. Daar lag zijn grootheid, zijn charisma. Hij was een reus temidden van dwergen. Deze tegengestelde mening van mannen met inzicht, is in ‘Herinneringen’ afwezig.
Waarom een bijdrage van Bertus Aafjes ontbreekt, weet ik niet. Een bijdrage van Van Dieren is er buiten gehouden. Van Dieren liet me weten dat hij er wel een had geschreven maar die werd geweigerd, omdat hij in zijn boek met gesprekken van Bomans, dat een half jaar later zou verschijnen, ook een beeld van Bomans zou geven.
Dat lijkt me een ondeugdelijk argument. De eerste druk van ‘Herinneringen’ bepaalde het beeld van Bomans, want dat boek vond zijn weg naar werkelijk geïnteresseerden en recensenten van kranten en tijdschriften. Daar werd de mening gevormd, niet door een later boek van Van Dieren. Overigens, de bijdrage van Van Dieren zou weer wel opgenomen worden in de tweede druk van ‘Herinneringen’. Erg logisch klinkt dat niet: niet in de eerste, wel in de tweede druk. Het werd ten slotte de zevende druk.
Het is spijtig dat ‘Herinneringen’ te weinig representatief is geweest om een waarheidsgetrouw beeld van Bomans te bieden.
***
25 februari 2009
Gerelateerde artikelen met doorklik:
- sBomans
en Mies Bouwman
Verantwoording illustraties:
1. Omslag van ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ (1972).
2. Bertus Aafjes uit ‘Bomans was de naam’ ( 1978) van Tony van Verre, p. 42, fragment.
3. Bomans en Aafjes op de hoes van een grammofoonplaat uit 1961. Idem, p. 59.
4. Wouter van Dieren, afbeelding Google.
5. Bomans op een zeepkist in de speakerscorner op het Vlooienveld te Haarlem, 1968. Afbeelding Google.
6. Voorkant van ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’ (1971) onder redactie van Wouter van Dieren.
7. Begrafenis van Bomans te Bloemendaal, 24 december 1971. Afbeelding Google.
8. Aleid Slingerland uit tijdschrift Godfried, maart 1981.
9. Portret van Slingerland dat jarenlang de voorkant van het tijdschrift Godfried en de voorkant van ‘Bomans als provo’ (2005) sierde.
10. Angèle Manteau uit tijdschrift Elsevier, 3 mei 2008.
11. Voorkant van ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ (1971).
12. Anton Heyboer uit tijdschrift Hollands Diep van 20-12-1975.
13. Heyboer op de dag van zijn huwelijk met Erna Postma, uit ‘Anton Heyboer - 1952-1959 – Het verzonken leven’(2007) van Erna Kramer , p. 57, detail.
14. Mevrouw Pietsie Bomans, 1946, uit ‘Herinneringen’, p. 22, detail.
15. Erna Heyboer uit ‘Anton Heyboer’, p. 81, detail.
16. Voorkant van ‘Anton Heyboer’.
17. Bomans in tijdschrift Vrij Nederland van 5-12-1981, p. 5, detail.
18. Erna Heyboer en dochter Marcelle uit ‘Anton Heyboer’, p. 87, detail. Foto: Ed van der Elsken.
19. Willem Duys, afbeelding Google.
20. Bomans en Marlène Dietrich bij het Grand Gala du Disque 1963, uit Vrij Nederland van 5-12-1975, p. 35.
21. Bomans, Harry Mulisch, Simon Carmiggelt en Mies Bouwman tijdens het tv-programma Mies en scène uit 1966. Afbeelding Google.