
Bomans en Erik
of het klein insectenboek
I
Edward Krabbendam
“Als ik aan mijn
eerste schooljaren terugdenk komt het mij voor alsof ik in een voortdurende
verbazing leefde, verbazing om de wereld die wijder en vreemder werd, vermengd
met een weinig schrik, of liever beschroomdheid.”
Dit schreef Godfried Bomans in zijn ‘Dagboek van een
gymnasiast’ toen hij een jaar of 19 was (Werken I, p. 675). Aan het begin van
de lagere school ging zijn speciale belangstelling uit naar woorden waaraan
beelden waren verbonden. Hij schreef:
“Zoo zag men bij het
woord a-a-p een langstaartig bruin monstertje op een tak zitten (..). De
mooiste plaatjes (..) vond ik die welke behoorden bij w-ei-d-e en bij
s-ch-a-p-e-n. Wanneer je daar lang naar keek, zat je tenslotte heelemaal zelf
in die heerlijke groene w-ei-d-e (..).
Oh, wat heb ik gedacht en gedroomd op de schoolbanken! (..) Mijn
visioenen (werden) tenslotte zoo sterk
dat zij geheel het karakter van werkelijkheid kregen. Ik zag alles levend en in
kleuren voor mij, doch hoe veel schooner was dit dan de werkelijkheid!” (Idem,
p. 676-677).
In het dagboek met jeugdherinneringen schreef de jonge
Bomans ook over de tuin van zijn ouderlijk huis:
“Groot genoegen vond
ik altijd in het oplichten van een steen, een platten rooden steen, die schuin
achter den zandbak op den grond lag. Nooit heb ik sedert dien tijd zulk een
ontstellende hoeveelheid duizenpooten, kevers en oorwormen meer bij elkaar
gezien! Alles wriemelde in panischen schrik door elkaar, en ik lag daar
geknield boven te kijken tot ik er pijn van in mijn hoofd kreeg. Leuke beesten
waren daarbij, met nijptangen op hun hoofd en geweldige koloogen. Wat mij
altijd trof was het verschrikkelijk
aantal beenen dat zij allemaal bezaten, en waarvan, naar mijn berekening, zeker
wel de helft zonder schade kon gemist worden. Bang was ik voor geen van hen, ik
vond ze niet ‘griezelig’; alleen zeer opmerkelijk. Ook kende ik niet het minste
medelijden waar het gold hun merkwaardigheid te verhoogen door er allerlei
stukjes af te halen. Zoo herinner ik mij dat een uitgetrokken poot van een
‘hooiwagen’ op eigen kracht en gelegenheid kon doorspartelen; trok je ze alle
acht uit, dan dartelden ze in een kring rond hun eigenaar, die in het midden
rustig bleef toekijken, alsof hem de voorstelling in het geheel niet aanging.
Ook een worm kon je in een heeleboel stukjes snijden, zonder dat dit aan zijn
opgewektheid schade leed” (Idem, p. 665).
![]() |
Zo’n 8 jaar later, op 25 januari 1940, legde Bomans zijn pen neer. Hij had de eerste versie van een boek af dat een klassieker zou gaan worden. Het was in een roes geschreven want het kostte hem slechts een week of 10. Bomans verklaarde dat het niet vooraf bedacht was. Dat zal waar zijn hoewel de ingrediënten – gevoed door verbazing, nieuwsgierigheid en fantasie - al sinds zijn kindertijd hadden liggen rijpen. |
![]() |
In ‘Erik of het klein insectenboek’ staan geen plaatjes meer centraal maar een schilderij, niet toevallig de Wollewei genaamd, waarin het leven zich afspeelt. De hoofdrol is weggelegd voor een jongen, Erik Pinksterblom genaamd, die kennis maakt met allerlei soorten kleine kruipers en vliegers, zoals wormen, mieren en wespen.
De titel lijkt me ontleend te zijn aan ‘Émile ou de l’éducation’, een tegendraadse ‘opvoedingsroman’ van Jean-Jacques Rousseau uit 1762.
***
Op 7 februari 1940 stuurde Bomans een brief vanuit zijn
woonplaats Nijmegen naar Haarlem, bestemd voor zijn oude vriend en
vertrouwensman Harry Prenen. Daarbij was een deel van ‘Erik’ gevoegd. Bomans
was benieuwd naar Prenens reactie. Zij correspondeerden veel, ook over het
motto van het boek. Dat werd een intrigerende uitspraak van niet minder dan
Leonardo da Vinci. In feite was het de Italiaanse vertaling van Bomans’ eigen
woorden: Wij zijn alle ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd
schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.
Bomans stuurde zijn manuscript naar Anton Sweers die al meer werk van Bomans had uitgegeven. Sweers zag er kennelijk niets in, wat een kostbare vergissing was, en verwees het door. Het kwam terecht bij uitgeverij Het Spectrum in Utrecht. Op 24 april 1940, vlak voor het begin van de Duitse bezetting, reageerde directeur Piet Bogaard per brief. Hij was zeer ingenomen met ‘Erik’ en zag mogelijkheden het boek voor het eind van dat jaar te laten verschijnen.
Bomans ging akkoord. Graag had hij gezien dat zijn vaste
illustrator Harry Prenen de prentjes zou gaan verzorgen maar daar kwam niets
van in. De uitgeverij gaf de voorkeur aan Karel Thole, een toen al bekende
naam. Charles Nypels - een
modernistische meesterdrukker en boekontwerper - zorgde voor een prachtig
boekje dat rond de Kerst van 1940 werd uitgebracht.
Michel van der Plas heeft een boek geschreven over het leven van de jonge Bomans. Daarin is een brief aan A.J. Schneiders - Bomans’ oud-leraar Nederlands - van 4 januari 1941 opgenomen, waarin Bomans zijn verwachtingen omtrent ‘Erik’ weergaf:
“Ik
geloof niet dat ‘Erik’ ooit een populair boek zal worden of zelfs veel lezers
zal vinden – eerstens om de prijs (..), tweedens ook om de inhoud. De
taal is zoo ‘eenvoudig’ en het gegeven zoo ‘open’ dat de meesten het klankbord
erachter niet bespeuren zullen en het hoogstens ‘aardig’ vinden. Zoo thuis. Is
dit niet de ironie van elk boek dat
iets wil zeggen buiten het uitdrukkelijk vermelde om: dat die het noodig hebben
het niet verstaan… en die het verstaan daardoor bewijzen het niet – of althans
minder – noodig te hebben? Zoo praat men altijd eenigszins voor de banken” (Godfried
- Het leven van de jonge Bomans – 1913-1945, p. 238).
De eerste 2.000 exemplaren waren snel verkocht. Ze kostten 2 gulden 50, wat duur was in die tijd. Bomans ontving daarvan 15%. Alleen top-auteurs kregen zo veel. Kennelijk waren de verwachtingen bij de uitgeverij hoog gespannen. En ze werden bewaarheid: in 1941 volgden maar liefst 9 herdrukken. Daarna niet één meer. Bomans weigerde lid te worden van de Kultuurkamer, een organisatie voor nazi-propaganda. Als straf werden zijn boeken niet meer herdrukt en verkocht, waardoor Bomans een hoge prijs betaalde.
Van der Plas schreef dienaangaande: “Ook Godfrieds uitgevers maken moeilijke tijden door. Bij Het Spectrum is er voor de derde druk van ‘Pieter Bas’ geen papier. Na 1943 kan ook ’Erik’ niet meer herdrukt worden” (Idem, p. 314).
Van der Plas vergiste zich hier tweemaal. Niet na 1943 maar na 1941 verscheen van ‘Erik’ geen herdruk meer. De reden was Bomans’ weigering lid te worden van de Kultuurkamer en niet het gebrek aan papier. Van der Plas, die gegeven bladzijde 275 van ‘Godfried’ beter wist, hield de eervolle daad van verzet van Bomans verborgen.
Over het snelle en grote succes schreef Bomans in het voorwoord van de vierde druk:
“Bij dezen druk om een
begeleidend woord verzocht, kan ik niet anders dan mij gelukkig en … verrast
verklaren om de goede ontvangst die men mijn geesteskind bereid heeft. Het is
altijd prettig voor een Vader als zijn jongens het goed maken. Nu, deze maakt
het al heel goed. Dus ben ik blij.”
Hierna volgden dat jaar nog 5 herdrukken.
Nadat de ergste oorlogsschade was opgeruimd kwam de elfde editie in 1947 op de markt en in 1948 twee volgende edities. De veertigste druk is van 1979, inmiddels is de vierenvijftigste druk op de markt. ‘Erik’ is verder bewerkt voor de middelbare school, met vragen en dergelijke. Tussen 1957 en 1970 kwamen daarvan 8 drukken uit.
‘Erik’ is ook
vertaald. Wout van Leersum liet in
tijdschrift Godfried van september 1996 weten dat in 1942 de Noorse vertaling
was uitgekomen, een vrije vertaling, bestemd voor kinderen. In ‘Godfried’ van
april 2001 schreef van Leersum uitgebreider over vertalingen. in 1952 verscheen
de Duitse versie van ‘Erik’, in 1994 de Engelstalige en in 1992 eentje in het
Esperanto. In 2006 kwam een Franse versie uit.
‘Erik’ is ook verfilmd, in 2004, onder regie van Gidi van
Liempd. In datzelfde jaar verscheen tevens het hoorspel Erik of het klein
insectenboek op cd van Peter Drost met muziek van Fay Lovsky.
***
Het eerste boek van Bomans was ‘Pieter Bas’. Het verscheen
in 1937. De ontvangst van ‘Erik’ was in de pers “royaal en opvallend gunstiger dan die van Pieter Bas”, schreef
Michel van der Plas in ‘Godfried’. Hij schreef verder dat het dagblad De Tijd
de toon zette met: “’Pieter Bas’ was een
leuk boek en een prettig boek, maar juist iets te weinig een boek. (..) Nu is
hij (Bomans) dan toch geslaagd, hij heeft een ‘echt boek’ gemaakt’” (p.
245).
In de recensie wordt verder gewezen op Bomans’ “juiste gevoel voor proporties. De groote
kwaliteit ligt wel hierin, dat hij nergens de zuivere
verhouding opoffert aan zijn grillige inventie” (p. 246).
Van der Plas gaf meer citaten waaronder de volgende:
“Paul Haimon noemde ‘Erik’ in ‘Herstel’: een
werk om eenvoudig gelukkig mee te zijn. ‘Het is een wijs en vreugdevol boek,
dat soms is als een gedicht en soms als het leven zelf, gul en goed, en een
andermaal als een raak portret van ‘levens sotternijen’.’
De bespreking in de
Nieuwe Rotterdamsche Courant (de NRC, in 1970 gefuseerd met het
Algemeen Handelsblad, e.k.) van zaterdag 8 februari 1941 is niet ondertekend,
maar een zoals een auteur zich dromen kan: waardig, op niveau en prijzend. (..)
Het is ‘den schrijver
gelukt het land der dichterlijke verbeelding te bereiken’ (..) en: ‘in dit boek
is een ironische en soms sarcastische uitbeelding gegeven van een
mensenmaatschappij in al haar geledingen: niet één kerk of één partij of één
menschelijke eigenschap wordt tot caricatuur gemaakt, maar vele menschelijke
eigenaardigheden worden, soms met milden, soms met venijnigen spot over den
hekel gehaald’” (Idem, p. 248).
Kennelijk verbaasde de recensent van de ’NRC’ zich er over
dat een schrijver niet één groepering te kijk had gezet, zoals in die tijd van
verzuiling gebruikelijk was tussen protestanten en katholieken. Bomans had geen
specifieke groep op het oog; hij kaartte het merkwaardige gedrag van mensen aan.
Wie de recensie voor de ‘NRC’ geschreven heeft is onbekend.
Hoewel Bertus Aafjes dat waarschijnlijk niet geweest zal zijn, dacht ik wel
direct aan hem. Aafjes zei eens tegen Tony van Verre: “Als je het (werk van Bomans) werkelijk leest op zijn botten en beenderen,
zit daar een satire in, even scherp als die van onze grootste satiricus uit de
middeleeuwen: Erasmus” (Bomans was de naam, p. 52).
Hoewel het werk van Erasmus – waarin iedereen op even
sublieme als hardhandige wijze op zijn bliksem krijgt - veel genialer en breder
van opzet is, zie ik met Aafjes, ‘Lof der zotheid’ zachtjes door het boek van
Bomans heen schijnen.
Erik werd na verschijning ernstig genomen. Het was een écht boek, over menselijke zotheid, dat zowel poëtisch, ironisch, sarcastisch, bespottend en humoristisch was. Door deze hoedanigheden noemde geen van de recensenten ‘Erik’ een kinderboek, want kinderen snappen dat nog niet. Michel van der Plas bracht de moeilijkheidsgraad treffend tot uitdrukking met:
“De
maatschappijkritiek zit onderhuids, dieper, van stekeliger gehalte. Hoe benepen
zijn de wezens waar Erik, en de lezer met hem, op stuit. Al deze insecten
kennen hun eigen status uitstekend, maar dat blijft hun beperking; ze zitten,
binnen de lijst van het schilderij ‘Wollewei’, als het ware elk nog eens in een
extra lijst. Elk groepje is bekrompen, zelfgenoegzaam; het zweert bij het eigen
gelijk. Zo de samenleving zien is eerder tragisch dan komisch” (Godfried,
p. 236).
***
Ondanks de ernst van het boek die evenwel
luchtig werd opgediend, is ‘Erik’ bekend komen te staan als kinderboek.
Op de Hogere Burger School (HBS-A) die ik eind jaren zestig bezocht,
mochten alleen meisjes ‘Erik’ op hun literatuurlijst zetten, jongens
niet. Op 23 december 1996 werd in de aula van de universiteit van Utrecht een forumdiscussie gehouden over de plaats van Bomans in de literatuur, waarover Cees van den Berg in het tijdschrift Godfried van april 1997 verslag deed. Een leraar, wiens naam ontbreekt, zei over ‘Pa Pinkelman’ en ‘Wonderlijke Nachten’ (boeken van Bomans): “Ik vind dat nog steeds geen grote literatuur. Als leraar Nederlands zeg ik tegen mijn leerlingen: nee jongens, niet op de lijst, dat kun je niet maken, niet doen! Erik gaat nog net, maar de rest…” (p. 16) |
![]() |
Michel van der Plas zei hierop:
“Bomans is natuurlijk
een eminent voorbeeld van iemand die zeer waardevolle bijdragen heeft geleverd
aan het Nederlandse proza-aanbod. Er zijn weinig Nederlandse schrijver in deze
eeuw die zulk helder, bondig, economisch en beeldend proza hebben geschreven
als Bomans. En dat zou je als leraar toch mee moeten laten wegen bij het
beantwoorden van de vraag of zo’n schrijver op de literatuurlijst mag worden
gezet.” (p.16).
Kees Fens is langdurig de literatuurpaus van Nederland
geweest. Hij had geen hoge pet op van Bomans’ werk. ‘Erik’ vond hij ook niet
veel (Godfried, maart 1991). Dat zal voor neerlandici maatgevend zijn
geweest.
Een bezoekje aan www.scholieren.com
bevestigt bovenstaand beeld. De moeilijkheidsgraad van een boek wordt daar
uitgedrukt met behulp van sterren. Het moeilijkste boek, vaak met de hoogste
literaire waarde, krijgt er 5. ‘Erik’ scoort één ster. Het is dus voor onbenullen.
Indien men op Internet kijkt naar de doelgroep voor de vertalingen, dan blijkt het een kinderboek te zijn voor ongeveer 10-jarigen.
Bomans is zo veel mogelijk buiten de
literaire Wollewei gehouden. De reden lijkt me te liggen in de grote
onbekendheid onder neerlandici met het zeer omvangrijke en veelzijdige werk van
Bomans. Illustratief is de houding van de eerder aangehaalde leraar Nederlands
tijdens de Bomans-conferentie in Utrecht. Hij vond het passend dat van Vestdijk
en Couperus een verzameld werk uitkwam, maar niet van Bomans. Hij was immers
een “bijna vergeten schrijver”.
Hij en vele collega’s zullen vreemd hebben opgekeken toen de zevendelige verzamelbundel Werken op de markt kwam, in de tweede helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Ze werden boven verwachting verkocht. Van het eerste deel werden er in een jaar tijd ruim 10.000 exemplaren verkocht. In de loop van de tijd kwamen er recensies over de verschillende delen, die waarderend van toon waren. Hierbij dient aangetekend te worden dat geen van de recensenten neerlandicus was.
‘Erik’ is van een gerespecteerd boek afgezakt tot een
onbenullig kinderboek. Zagen de recensenten het in 1941 verkeerd? Dat geloof ik
niet. Als academicus heb ik het boek op latere leeftijd diverse keren gelezen.
Het gaat om het menselijk tekort, ofwel, het tekortschieten in menselijkheid,
het gebrek aan humaniteit, in prachtige proza,
met veelal fijnzinnige humor, ironie en spot.
Voor dit artikel heb ik ‘Erik’ nogmaals herlezen. Alleen al de inleiding zit zo geraffineerd in elkaar dat het noodzakelijk is langzaam en met volle aandacht te lezen. Anders leest men over al het fraais heen en zal men nooit het peil kunnen bereiken van oud-premier Dries van Agt. Hij zei tijdens een bijeenkomst van het Godfried Bomans Genootschap in oktober 2002 over Bomans het volgende: “Hij liet ons een rijk oeuvre na, een paradijselijke oogst, die wij niet kunnen ophouden te savoureren en die in onze harten verder rijpt” (Tijdschrift Godfried, maart 2003, p. 8).
Waardering voor Bomans is ook gekomen van een van de
grootste intellectuelen van Nederland, de vorige jaar overleden
socioloog/historicus J.A.A. van Doorn. Hij schreef me op 14 juli 2006 dat hij
‘Erik’ zeer de moeite waard vond.
Blijkens een interview van Jeroen Aarten voor de voormalige
Bomans Krant op Internet dat in maart 2005 afgedrukt werd in tijdschrift
Godfried, blijkt ook de tegendraadse Midas Dekkers gecharmeerd te zijn van
‘Erik’. Dekkers is bioloog, schrijver,
was presentator van het radioprogramma Vroege Vogels en hij verschijnt
regelmatig op tv. In 2002 verscheen zijn boek De Larf waarvoor ‘Erik’ een
inspiratiebron was.
Als
kind moest Dekkers ‘Erik’ lezen en vond het een vreselijk boek. “Goed beschouwd is ‘Erik’ helemaal geen
kinderboek”, zei Dekkers. Pas toen hij grijze haren kreeg,
werd hij zodanig door het boek gegrepen dat hij tot de volgende uitspraak kwam:
“Wat mij betreft kan ‘Erik’ de
vergelijking met ‘Alice in Wonderland’ (een wereldklassieker, e.k.) glansrijk
doorstaan” (p.20).
Dekkers verbaasde zich er over dat Bomans ”zo’n volstrekt bijzonder inzicht in de insectenwereld ten toon weet te spreiden” . Zijn kijk op de natuur was geniaal en hij bleek ook oog te hebben voor de metamorfose, een aspect dat door buitenbiologen vaak wordt verwaarloosd. Dekkers zei hierover tegen Aarten:
“Ik heb de dingen die
mij (in ‘Erik’) het meest zijn opgevallen al in ‘De Larf’ gebruikt, maar de
sleutelscène is de rups die in een pensionnetje een kamer heeft gehuurd en
steeds maar niet verschijnt tijdens het eten, zodat de gasten zich afvragen
waar hij toch is. Vervolgens blijkt dat hij zich aan het verpoppen is. De
pensionhouder maakt zich daarna voornamelijk zorgen over de vraag of hij zijn
geld wel krijgt. Erik legt hem netjes uit dat de vlinder die er straks uit komt
hem geen geld schuldig is, omdat die vlinder nu eenmaal heel iemand anders is
dan de rups die ooit de kamer gehuurd heeft. Dit is het wezen van de
metamorfose ten diepste. (..) Na je puberteit, je eigen verpopping, ben je
iemand anders geworden. Bomans heeft dat inzicht heel duidelijk verwoord.”
***
Over ‘Erik’ valt veel te zeggen, behalve dat het een kinderboek
is. Bomans voorzag al in 1941 dat oppervlakkige lezers - zij die het klankbord
achter het ‘eenvoudige’ en ‘open verhaal’ niet zouden opmerken - het hoogstens
een aardig boekje zouden vinden, terwijl het juist door de eenvoud, een
weerbarstige satire is die zich moeilijk gewonnen geeft, net als het motto van
‘Leonardo da Vinci’. Zelfs nadenkende volwassenen zullen moeite moeten doen om
het op “zijn botten en beenderen” te
lezen. Er is een kinderboek van gemaakt. Dan ben je er vanaf, ook in literaire zin,
want een kinderboek legt niet makkelijk waarde in de literaire schaal, zeker
vroeger niet.
‘Erik’ is al 68 jaar oud en nog steeds in leven, met in ons
land meer dan 900.000 verkochte exemplaren. Dat zegt veel, maar niet in
literaire kring. Wim Vogel –
voor zover me bekend de enige neerlandicus in ons land die het voor Bomans
opnam - heeft er op gewezen dat Bomans
in de meeste handboeken van de literatuur uit de jaren ’60 en ’70 ontbrak. Wel
trof men auteurs aan als P.J.A.M. Bungsters en F. Olivier.
In deze nieuwe eeuw staat het er niet beter voor. Het werk
van Bomans behoort niet tot de literatuur, althans, volgens Portegies’ en
Rijghards ‘Nederlandse literatuur in een notendop’ uit 2005: Bomans ontbreekt
in het geheel. Andere
auteurs horen er wel bij. Van 40% van de namen heb ik nog nooit gehoord. Dat is
bijna de helft.
In
de jaren zestig van de vorige eeuw voltrok zich een ‘culturele revolutie’.
Kerkelijke dogma’s en andere werden opgeruimd. Erg bevrijdend was dat niet want
er kwamen gewoon andere dogma’s. Alles wat nieuw was, was goed, het bestaande
was per definitie fout en moest weg. Deze nieuwe dwanggedachte stond onder
scherp toezicht. Simon Carmiggelt heeft dat fraai verwoord. In 1971 schreef
Bomans ‘De man met de witte das’, een opzienbarend boek, waarin hij een weinig
verheffend beeld gaf van politiek en politici. Carmiggelt was enthousiast. De
letterkundige met wie hij sprak was dat ook en zei: “Bomans is een groot schrijver. Maar je mag het alleen niet zéggen.”
Carmiggelt concludeerde: “Ziedaar waar een klein literair wereldje klein in kan zijn”
(Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 71).
Het was de tijd van jeugdig links waarin op muzikaal gebied
de Beatles echt
niet konden en Abba bijna
werd verboden.
30 juni 2009
Naar verwachting zal in juli of augustus het tweede deel verschijnen met een samenvatting van ‘Erik’, voorzien van citaten, begeleidende tekst en commentaar.
Gerelateerde stukken op deze site
Bomans en Harry Prenen, deel I
Meer over Bertus Aafjes in: Herinneringen aan Godfried Bomans - Supplement
Verantwoording illustraties
1. Foto van Bomans uit vermoedelijk 1947, detail, gespiegeld. Bron: ‘De wereld van Godfried Bomans’ van Jeroen Brouwers.
2. Detail van omslag van Erik van Karel Thole.
3. Privéscan van leesplankje Aap-noot- Mies als briefkaart van uitgeverij De Stulp, detail.
4.
Idem.
5.
Omslag van ‘Erik’, elfde druk. Voorgaande edities
hadden ook dit omslag.
6. Voorkant Franse versie van ‘Erik’ uit 2006. Bron: Internet.
7. Foto Michel van der Plas, die voorkomt op de achterkant van diens boek ‘Godfried –Het leven van de jonge Bomans – 1913-1945.
8. Detail van voorkant van ‘Erik’, elfde druk. Voorgaande edities zagen er ook zo uit.
9. Zevendelige verzamelbundel Werken. Foto: Jac Aarts.
10.
Midas Dekkers. Bron: Google afbeeldingen.
11.
Foto van Simon Carmiggelt, sterk verkleind,
vermoedelijk uit de jaren ’60. Bron: ‘Bomans was de naam’ van Tony van Verre.