Voor een worm in een
mierikswortel
is de hele wereld een
mierikswortel
(joods gezegde)
Erik of het klein insectenboek
korte editie
Edward Krabbendam
De avond valt. Erik
Pinksterblom ligt in bed. Dit keer wil hij niet gaan slapen want hij vermoedt
dat er iets gebeuren gaat. Om wakker te blijven denkt hij aan het proefwerk van
de volgende dag. Het gaat over alle insecten uit het leerboek ‘Solms’ Beknopte
Natuurlijke Historie’. Uit zijn hoofd somt Erik kenmerken op van ondermeer de
wesp, behorend tot de familie van de vliesvleugeligen. Al denkend zwerft zijn
blik naar
het schilderij ‘Wollewei’ dat naast zijn bed aan den muur
hing. (..) Het bezat eigenlijk helemaal geen naam, doch Erik had het bij
zichzelf ‘Wollewei’ gedoopt omdat men er witte schaapjes zag grazen in een
groene weide. (..) Doch wat Erik het mooist vond van dit schilderij, was dat de
schilder er met eindeloos geduld alle insecten op geschilderd had die men maar
bij mogelijkheid bedenken kon: rupsen en kevertjes kropen over de takken van
bomen, kleine spinnen weefden er hun web, dikke hommels droegen honing aan, en
vlak tegen de onderlijst lag een enorm slakkenhuis.
(..) ‘Wat moet het toch heerlijk wezen,’ peinsde hij hardop (want hij was nog steeds bang in slaap te vallen), ‘wat moet het toch heerlijk wezen om daar te leven! Nooit geen proefwerken meer over insecten, want iedereen is daar zelf insect; altijd honing in overvloed, je speelt maar wat in het groene gras en de dag is voorbij. ’s Avonds lang opblijven, niemand die er wat van zegt. En dan slapen in die rode papaver daar links, of in het slakkenhuis, als daar plaats is. ’s Ochtends sta je op, je wast je handen in een dauwdruppel, en klaar ben je. En dan loop je wat rond en kijkt naar het leggen van de eieren en het uitkomen der larfjes, want je bent de enige die er wat van weet. O, wat zou ik….
Dan blijkt het portret van
grootvader, dat aan de muur hangt, te leven. Grootvader maakt met Erik een
praatje. Zodra hij vertelt dat alle portretten leven, wordt hij op de vingers
getikt door zijn vrouw. Ze zegt:
‘Prenez garde, Jean! Il est trop jeune!’
In tegenstelling tot opa, is
oma helemaal afgebeeld, met benen en voeten. Zij stapt over de lijst van haar
portret en belandt op het bed. Niet groter dan een duim, ploetert ze door de
wol. Via het linkerbeen van Erik komt ze steeds dichter bij zijn gezicht. Dan
vraagt ze of Erik zijn hoofd wil omdraaien want ze waait bijna weg. Tijdens het
gesprek dat ze voeren, klinkt ineens de stem van de grootvader van grootmoeder,
die op een medaillon is afgebeeld:
‘O, dat is een enig mannetje!’ riep Erik, ‘hij heeft een pruik op en –‘
‘St!’ Grootmoeder bracht snel haar wijsvinger naar den mond, ‘zeg dat nooit weer.’
‘Ja, maar het is toch een pruik,’ mompelde Erik. Het grijze dametje keek hem een tijdje aan en glimlachte toen.
‘Jij hebt nog heel wat te leren, mijn grote kleinzoon.’
Oma zegt ondermeer nog dit:
‘Alles leeft, kleine jongen, (..) men moet het alleen weten te zien. Kijk maar eens naar dat grote schilderij daar, met die schapen in de weide…’
‘Het schilderij Wollewei!’ riep Erik.
‘Het schilderij Wollewei,’ herhaalde grootmoeder, zonder zich te verwonderen, ‘daar moet je nu eens goed naar kijken…’
Erik ging rechtop in zijn bed zitten en keek ingespannen naar zijn geliefde schilderij. En werkelijk, de schapen hieven hun koppen op, de herder wuifde hem toe en de witte wolken dreven door de blauwe lucht van de ene lijst naar de andere.
‘Lieve grootmama!’, riep Erik, zijn handen vouwend, ‘laat mij gaan naar het land Wollewei! Ik heb altijd zo verlangd om dáár nu eens te zijn, tussen de vlinders en de bijen…’
‘Men moet heel klein worden indien men zo iets wil beleven,’
zei de stem van grootmoeder; maar oh, wat klonk die al ver… al verder en
verder… En tegelijk zag Erik dat zijn kussen tot een geweldige omvang was
opgezwollen en als een besneeuwde berg voor hem lag.
Erik klimt naar de bovenrand
van zijn bed en prevelt:
‘Nu den reuzenzwaai uit de gymnastiek-les’ (..)
Hij klemde zijn tanden opeen, pakte de onderlijst met beide handen beet, en …tjoep! In een boogje vloog hij over de lijst en viel in het frisse, zachte gras.
H. 2
Het eerste wat de kleine Erik deed in het land Wollewei was – huilen. Ja, dat is nu wel een beetje vervelend om te vertellen; maar deden wij soms anders toen wij voor het eerst gezet werden in het schilderij waarin we nu al zo lang leven?
Erik gaat op zoek naar de
herder en zijn schapen maar ieder spoor ontbreekt. Tot zijn schrik bemerkt hij
dat hij nog kleiner wordt en denkt:
Als dat zo doorgaat blijft er helemaal niets meer van me
over… en hoe moet ik dan terug?
Doch zover kwam het gelukkig niet; de dingen om hem heen kwamen tot stilstand en Erik begreep dat hij niet kleiner meer werd.
Erik is zo klein geworden dat
een wesp, die hem onbeweeglijk aanstaart, reusachtige afmetingen heeft.
Na een tijdje deed hij (de wesp) zijn mond open en na nog
een tijdje vroeg hij:
‘Hebt u permissie?’
‘Permissie voor wat, meneer?’ vroeg Erik eerbiedig.
‘Weet u niet’, vroeg de wesp, zijn ogen even verschuivend, ‘dat u op verboden terrein wandelt?’
‘Neemt u mij niet kwalijk, meneer de weps, maar…’
‘Wesp,’ zei de wesp.
‘Maar ik dacht dat het hier de openbare weg was.’
‘Neen,’ zei de wesp, zijn ogen weder in den vorigen stand brengend, ‘dit is eigen grond. (..) Het is om zo te zeggen een familiestuk.’
‘Familie-grond ,’ opperde Erik.
‘Zeer, zéér juist opgemerkt,’ zei de wesp, ‘familiegrond is het. U slaat den spijker wel op den kop. Wij zijn van zeer oude familie. Mag ik mij voorstellen: van Vliesvleugel. (..) De oude tak,’ voegde hij er na een tijdje aan toe. (..) ‘De nieuwe tak (..) voert wel den naam van Vliesvleugel, en zeker, zeker, zijn zij ook aan ons geparenteerd, doch door een mésalliance met de Liesheuveltjes zijn zij enigszins – enigszins…’ Hij zweeg een ogenblik pijnlijk getroffen voor zich uit. ‘Enfin,’ besloot hij, ‘u kent die geschiedenis.’
‘Natuurlijk,’ zei Erik bedremmeld, ‘het spijt mij vreselijk voor u.’
(..) ‘Och,’ zeide hij, ‘het is voor hen het ergste.’
Nadat Erik verklaard heeft
ook van een oude tak af te stammen, waardoor de wesp meent dat Erik net als hij
van adel is, nodigt hij Erik uit voor de lunch. Hij klimt op de rug van de wesp
en ze vliegen naar huis. Onderweg vertelt de wesp dat hij last heeft van een
kleine hartkwaal, zeven huwbare dochters thuis heeft zitten en hij informeert
of Erik geld heeft. Erik denkt aan zijn spaarpot met rijksdaalders, zegt ‘ja’,
wat de stemming bij de wesp verhoogt. Ze landen in een rode chrysant.
‘Permitteert u dat ik voorga,’ zei de wesp met een nijging, en zij gingen naar binnen. Meneer van Vliesvleugel zette zijn angel in de paraplu-bak en hing zijn vleugels aan het daarvoor bestemde haakje. Enigszins bevreesd liep de kleine Erik achter den breden rug van zijn gastheer aan; zij gingen een lange gang door waar het zo heerlijk zoet rook dat de geur Erik bedwelmde en hij tegen den rosen wand aan moest leunen.
‘Wordt u niet goed?’ vroeg de wesp verschrikt.
‘Het gaat al weer over,’ zei Erik. En werkelijk stond hij al weer op zijn benen.
‘U hebt waarschijnlijk ook een kleine hartkwaal,’ meende de wesp, bijna verheugd, ‘het is een teken van adel.’
Erik volgt de wesp en maakt
kennis met diens vrouw:
Mevrouw van Vliesvleugel rees omhoog van haar stoel toen zij naderden. Zij neeg toen Erik aan haar werd voorgesteld. ‘Wij zijn altijd blij een heer te ontvangen, sprak zij, op een toon alsof zij hiermee een terechtwijzing bedoelde. Erik maakte een buiging en daarna gingen zij allen zitten.
‘Een heer is een heer,’ verklaarde mevrouw van Vliesvleugel, ‘men is het of men is het niet.’
‘Zeer juist,’ mompelde haar man eerbiedig.
Erik begon het benauwd te krijgen. Hij had niet gedacht, als hij thuis in den tuin de wespen over den mesthoop zag vliegen, dat zij zo deftig waren.
‘Is men het,’ vervolgde mevrouw, ‘dan is men het ook, maar is men het niet, welnu, dan is men het ook niet.’
‘En wordt men het ook niet,’ voegde haar man er aan toe. ‘En wordt men het ook niet,’ herhaalde mevrouw, ‘wat men ook doet en wat men ook probeert. Terwijl, als men het is, men ook gerust kan zijn, want men is het.’
‘En blijft het ook,’ meende haar man.
‘En blijft het ook,’ bevestigde mevrouw, ‘wat men ook doet en wat er ook gebeurt. Dit is onze overtuiging. Ik hoop dat u de zaak eveneens zo ziet?’
‘Jawel,’ zei Erik, na een tijdje.
Hierna wordt thee gedronken.
Mevrouw van Vliesvleugel, zich zeer bewust van haar stand, is net als haar man
van mening dat overige dieren ‘canaille’ is. Zij vraagt aan Erik:
‘Tot welke dierenfamilie hoort u eigenlijk?’
Erik zat een ogenblik verstijfd op zijn stoel.
‘Ik hoor gewoon bij de mensen,’ zei hij eindelijk.
‘Mensen,’ mompelde mevrouw van Vliesvleugel nadenkend, ‘kijk. Nooit van gehoord.’
(..) ‘Mensen dus,’ hernam de gastvrouw, ‘goed. Dat weet ik. En nu dit: zijn zij van adel?’
‘Niet allemaal,’ antwoordde Erik, die zich gedrongen voelde zijn diersoort zo gunstig mogelijk voor te stellen, ‘maar toch wel een heleboel. Baronnen, graven, en jonkheren, je kunt het zo gek niet bedenken of wij hebben ze. En dan is er nog een zieleadel; die vindt men ook onder gewone mensen.’
‘Van adel dus,’ besloot mevrouw van Vliesvleugel, de kern uit zijn betoog halend, ‘dat is één. En nu: hoeveel poten hebben zij?’
‘Pardon, benen,’ verbeterde Erik eerbiedig.
‘Wat zijn dat: benen?’
‘Benen zijn eigenlijk poten,’ legde Erik uit.
‘Dat komt dus op hetzelfde neer,’ meende mevrouw van Vliesvleugel; want als benen poten zijn, zijn poten ook benen. Dus: hoeveel poten hebben zij?’
‘In gewone doen twee,’ antwoordde Erik, ‘maar komen zij uit den oorlog, dan hebben zij er maar één.’
Alles wat Erik zegt wordt
door een vlieg opgeschreven, een soort secretaris van mevrouw, personeel,
waarmee geen kennisgemaakt mag worden. Ondertussen wil mevrouw van Vliesvleugel
nog weten of mensen een angel hebben. Alleen
agenten en Kamerleden hebben een angel, zegt Erik, denkend aan de degens die ze
droegen. De rest van het volk is gepeupel, concludeert mevrouw van Vliesvleugel
en vraagt:
‘Hebt u een angel?’
(..) ‘Natuurlijk heb ik die.’
‘Waar is hij dan?’ vroeg mevrouw, onmiddellijk een lorgnon uit een van de ringen van haar wespentaille halend en hierdoor haar gast van het hoofd tot de voeten opnemend.
‘Hij zit achter in mijn broekje opgevouwen,’ verklaarde Erik stotterend, ‘draag ik hem los, dan ben ik bang dat hij afknapt, of – of kreukelt.’
Gelukkig viel dit antwoord in goede aarde. Op een wenk van
den gastheer werden de porte-brisées geopend. Men stond op en begaf zich naar
de eetkamer.
H. 3
Eerder had Erik thuis
meegemaakt dat iedereen in rep en roer was als er hoog bezoek kwam, en er zelfs
een kok werd ingeschakeld voor de wonderlijkste gerechten. Tijdens zo’n
maaltijd had zijn moeder gezegd:
‘U begrijpt wel, Excellentie, het is maar een eenvoudig hapje, nietwaar?’
‘Maar moeder,’ had hij (Erik) toen zacht, maar zeer hoorbaar gezegd, ‘u hebt er den helen dag over gedaan!’
Er was toen een vreselijke stilte gevallen, en hij moest een week lang vroeg naar bed. Hij paste dit keer dan ook goed op toen mevrouw van Vliesvleugel tot hem zeide:
‘U moet het maar nemen zoals het valt, meneer Pinksterblom! Het gaat bij ons altijd maar heel huiselijk toe.’
‘Natuurlijk, natuurlijk!’ verzekerde hij.
‘Alles hoogst eenvoudig,’ voegde de gastheer er aan toe, met een gebaar over de stampvolle tafel.
‘Dat zie ik,’ verzekerde Erik ijverig, ‘minder kan het al niet!’
Erik krijgt aan tafel een
ereplaats, naast de gastvrouw en haar oudste dochter, en recht tegenover een van de rijkste wespen, de heer
P. Om een eind te maken aan naamsverwarring, verklaart de heer van Vliesvleugel
tegenover de heer P., dat zijn gast Erik Pinksterblom heet, Kamerlid met angel.
Erik laat zich de maaltijd
goed smaken. Dikke klompen honing plempt hij naar binnen, wat de heer P.
affreus noemt. De dochters zijn echter allerliefst. Ze kijken Erik met
stralende ogen aan. Terwijl de oudste dochter Erik tersluiks een klompje honing
in de hand stopt, fluistert ze:
‘Pas op (..) zij maken u het hof.’
‘Voor in bed,’ dacht Erik, het kluitje in zijn zak stoppend, ‘hartelijk bedankt juffrouw.’
Ook meneer van Vliesvleugel raakte wat losser; en toen allen een glaasje dauw op hadden was de stemming zelfs zo, dat Erik meende wel een liedje te mogen wagen.
Iedereen is enthousiast, mits
het beschaafd blijft. Erik zegt dat het liedje De Nijvere Bij heet.
‘De wat?’ vroeg de gastheer verschrikt.
‘De nijvere Bij,’ herhaalde Erik, ‘luister u maar.’
DE NIJVERE BIJ
Wie kent niet de
nijvere bij,
de nijvere, nijvere
bij?
Hij maakt ons toch
allen
met honing zo blij
met heerlijke honing
zo blij!
Erik zingt vol vuur nog twee
coupletten. Tot zijn ontsteltenis valt dan een diepe stilte en verlaat meneer
P. de kamer. Mevrouw van Vliesvleugel doorbreekt de stilte en zegt:
‘Ik geloof dat uw goede bedoelingen boven alle twijfel verheven zijn. Doch u hebt ons allen pijnlijk getroffen.’
‘Het spijt mij verschrikkelijk,’ stamelde Erik.
Er volgde een tijdlang stilte. Ditmaal was het meneer van Vliesvleugel die het woord nam: ‘U hebt een loflied gezongen, meneer Pinksterblom, op dien tak van onze familie waarop ik reeds eerder zinspeelde.’
‘De Liesheuveltjes?’ vroeg Erik verschrikt.
‘De Liesheuveltjes,’ knikte meneer van Vliesvleugel.
Mevrouw van Vliesvleugel zet
daarna haar bezwaren tegen de andere tak uiteen, terwijl haar man een klomp
bijenwas in gelijke plakjes snijdt. De Liesvleugeltjes zijn afgezakt tot de
arbeidende klasse en wonen allen in een huis waar het riekt, slechts om de honing,
terwijl alleen adellijk bloed telt. Dat de afgezakte tak honing verzamelt, is nog vergeeflijk, maar zij verzamelen voor anderen. De honing wordt na de zomer weggehaald en de bijen
krijgen daarvoor een bakje suiker terug.
‘Daarom,’ besloot mevrouw, ‘heeft onze familie besloten voor
goed met dezen tak te breken en zich geheel op zichzelf terug te trekken.
Daarom is ook de minste toespeling op deze betrekkingen voor ons zeer pijnlijk,
vooral als dit in den vorm van een loflied geschiedt.’
Erik vertelt dat hij een
beetje op de bas-viool kan spelen. Dat komt goed uit. Na de maaltijd wordt
altijd een uurtje muziek gemaakt, voor de spijsvertering. In de muziekkamer
aangekomen ziet Erik de instrumenten op tafel liggen: levende bromvliegen met
een snaar over hun buikje gespannen. De bas-viool waarop Erik tot zijn schrik
moet spelen is een geweldige bromvlieg die schuin tegen de muur staat. Erik beeft zo dat hij de strijkstok uit zijn hand
laat vallen, met tranen in zijn ogen. Toch begint Erik te spelen. Diep en vol
brommen de noten na. Ineens krijgt Erik er plezier in en hij speelt zich het
zweet op het voorhoofd, aangemoedigd door meneer van Vliesvleugel en zijn 8
dochters. Hij speelt door tot de vlieg bezwijkt. Daar het een mooi instrument
was, is het afscheid zeer koeltjes. Meneer Vliesvleugel geeft nog wel een
hommel mee die Erik naar het hotel zal vliegen.
H. 4
Erik geniet van de luchtreis.
Onderweg blijkt de hommel een beetje aan filosofie te doen en draagt een boek
achterop zijn rug mee, dat hij nogal eens raadpleegt. Het gaat om ‘Schicksal
der Gegenwart’, een boek dat ook in de boekenkast van Eriks vader staat.
‘Tjonge, jonge,’ mompelde Erik eerbiedig, ‘ik heb altijd gedacht: wat zou dat toch betekenen?’
‘Nu, eerlijk gezegd, begrijp ik het ook niet helemaal,’ bekende de hommel.
‘Maar waarom leest u het dan?’ vroeg Erik verbaasd.
De hommel geraakte zichtbaar in verlegenheid.
‘Ja,’ zeide hij, ‘ik lees het ook eigenlijk niet. Ik bekijk alleen maar af en toe den titel. Het mag nu gek klinken, maar telkens als ik die woorden zie, ga ik vanzelf een beetje dieper denken. Ik begin dan te voelen dat ik een redelijk wezen ben, met verstand en inzicht begaafd, een – een – kortom, een hommel.’
Het einde verraste Erik. Maar natuurlijk, dacht hij, zo moet een hommel ook wel spreken.
Als ze er zijn, bedankt Erik
vriendelijk voor de tocht, maar er moet afgerekend worden. Erik geeft het
klompje honing dat hij van de oudste wespendochter had gekregen. De hommel kan
niet wisselen waarna hij het hele klompje mag houden. Erik begrijpt wel dat hij
nu niets meer over heeft als hem de hotelrekening gepresenteerd wordt.
Plotseling ziet Erik een oog, dat zacht op en neer zwaait.
‘Dag oog,’ stamelde Erik, ‘bent u alleen, of zit u ergens
aan vast?’
‘Hij hoort bij mij,’ riep iemand, een heel eind er achter,
‘wenst u een kamer?’
Erik liep onder het oog door en kwam na enige tijd bij een
slak aan.
Op weg naar het hotel wordt
Erik kriegelig van de trage gang en de trage denk- en spreektrant van de slak.
Het naamloze hotel blijkt het huis te zijn geweest van een reuzenslak uit de
ijstijd. Erik biedt aan over de naam na te denken. De slak is verheugd want hij
denkt daarover al 10 jaar na, net als de vorige eigenaar, zijn broer, die eraan
is gestorven.
Het hotel heeft een lange
gang, die in een spiraal nauwer en nauwer wordt. Aan beide kanten zijn
kamertjes. Het hotel zit voor de helft vol met een rups, een hooiwagen, twee
verdwaalde bijen enzovoorts. Naast de kamer van Erik, met stromend water, ligt
een enorme berg schoenen. Daar verblijft de duizendpoot.
H. 5
Als Erik de volgende ochtend
wakker wordt, is het stralend weer. Hij is blij dat hij een hansop aan heeft
want die kan hij altijd aanhouden, ook in bed, en hij hoeft zich ’s ochtends
niet aan te kleden. Hij denkt aan thuis. Hoe kan hij terugkomen? Hij zal de
lijst zelf moeten zien te vinden.
Bij het betreden van de
ontbijtkamer, maakt Erik een buiging en noemt zijn naam. Enkele gasten
ontbreken waaronder de rups. Een bij stelt zich aan Erik voor met de naam Bij.
‘U behoeft zich aan mij niet voor te stellen,’ hernam Erik, ‘want ik ken u zeer goed uit Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie. U bent een kever, u een mug, u een sprinkhaan…’ En hij noemde zonder aarzelen bijna al hun namen. (..)
‘Dat is zeker hoogst opmerkelijk,’ sprak de bij verwonderd, ‘kent u dat ook?’ en hij wees naar een tafeltje apart.
‘Ja zeker,’ zei Erik, ‘dat is een kakkerlak. Hij legt zijn eitjes in afval van bladeren en planten en houdt zich bij voorkeur op in vochtige of donkere plaatsen.’ Allen applaudisseerden.
(..) ‘Het is zeer frappant,’ verbaasde zich een meikever, ‘te weten wie men is zonder er aan voorgesteld te zijn. Weet u ook wie ik ben?’
‘U bent een kever,’ zei Erik beslist.
Een bij concludeert dat Erik
tot een intelligent diersoort behoort en vraagt Erik naast hem plaats te nemen,
zodat hij zich op zijn gemak zal voelen. Het valt Erik op dat de dieren zo
beleefd en eerbiedig tegen hem zijn, tot hij het boek ‘Schicksal der Gegenwart’
ziet, dat hij de vorige avond had laten liggen.
De bij zegt, terwijl hij een
weinig stuifmeel op zijn boterham strooit:
‘Ontwikkelde dieren ontmoet men reeds zelden, (..) doch geleerden die boeken schrijven, zijn met een lantarentje te zoeken.’
De bij verklaart graag in
moeilijke boeken te snuffelen, want dat brengt zijn beroep met zich mee. Erik
vraagt wat zijn beroep dan is. Hem wordt een kaartje overhandigd met:
E.J.H. Bij
was handelaar
‘Ja goed,’ zei Erik, ‘maar wat bent u nu?’
‘Hoezo?’ vroeg de bij.
‘Ziet u,’ meende Erik, het kaartje nog eens overlezend, ‘het is toch wel erg omslachtig als u zegt dat u handelaar wàs. Zou het niet beter zijn om meteen maar te zeggen wat u nu bènt?’
‘Ja, maar ik bèn handelaar!’ riep de bij.
‘Dan moet u ook niet schrijven dat u handelaar wàs,’ zei Erik.
Het gesprek was opeens vreselijk ingewikkeld geworden, en het duurde enigen tijd voor de meikever den knoop ontward had.
‘Ik doe alles verkeerd,’ dacht Erik verdrietig bij zichzelf, toen het geschil was bijgelegd.
Hij at een blaadje sla en keek schuchter om zich heen. Doch iedereen was al weer druk bezig met eten en praten. ‘Ziet u,’ zei de tor, ‘zo gaat het hier nu elken dag toe. Echt wat je noemt gezèllig. Je praat wat en je eet wat, en voor je het weet is de dag om.’
Ter geruststelling van Erik
verklaart de tor dat 2 of 3 bladzijden uit het boek dat Erik bezit, voldoende
zal zijn voor de rekening van het hotel. Met een gerust hart kijkt Erik rond om
het gezelschap waarin hij is beland, eens rustig op te nemen. De gasten blijken
allerlei eigenaardigheden te hebben, zoals een hooiwagen, die met zijn armen en
benen geen raad weet.
Er werd overigens druk gepraat en geschertst, en de
sprinkhaan, die een glaasje te veel op had, begon plotseling als een gek door
het vertrek te springen. Toen de andere dieren bemerkten hoe verbaasd Erik op
zijn stoeltje de sprongen van het beest naoogde, toonden ook zij hunne
bekwaamheden.
Aan deze vertoning komt een
eind als de slak in de deuropening verschijnt:
‘Mijne heren,’ sprak hij zenuwachtig, ‘mag ik u even storen?
Ik vrees dat er iets gebeurd is. Kamer 14 geeft
maar geen antwoord.’
Allen kwamen naderbij.
‘Het is de kamer van meneer Rups,’ vervolgde de slak, zenuwachtig zijn ogen over elkaar wringend, ‘ik breng hem altijd zijn kropje bladgroen op bed, zoals u weet, maar dit keer kreeg ik geen antwoord.’
Met de slak aan het hoofd
gaan alle gasten naar kamer 14.
‘Man!’ riep de sprinkhaan, vertwijfeld tegen het plafond springend, ‘kan het nu niet iets harder?’
‘Dit is mijn topsnelheid, meneer,’ hijgde de slak, ‘nog éven
sneller, en ik voeg er nòg een lijk aan toe.’
Uit deze woorden blijkt de
ernst van de situatie. Ieder meent op zijn manier gezien te hebben dat de rups
de laatste tijd neerslachtig was.
‘Mijne heren,’ sprak de slak, toen zij eindelijk voor het
deurtje stonden, ‘wat er ook gebeurt, ik verzoek u de grootste discretie in
acht te nemen en de autoriteiten er zoveel mogelijk buiten te laten. De naam
van het hotel staat op het spel.’
‘Maar het hotel heeft nog helemaal geen naam,’ merkte de
kakkerlak op, die in de achterste rij stond. Aan deze opmerking werd evenwel
geen aandacht geschonken.
De gasten besluiten met z’n
allen ‘rups’ te gaan roepen. Daarop volgt een diepe stilte. Vervolgens wordt
gepoogd de deur te forceren. Dat lukt niet.
‘Het materiaal is solide,’ stelde de slak niet zonder welgevallen vast, ‘dat zien de heren wel.’
‘Als u nu uw oog eens door het sleutelgat naar binnen brengt,’ zei Erik, ‘dan kunt u precies zien wat er eigenlijk aan de hand is.’
Allen gaven luide
hun bewondering voor dezen inval te kennen. De slak kroop een eindje terug, en
bracht uiterst behoedzaam zijn oog naar binnen, terwijl hij langzaam op de deur
toekroop. ‘Niet dringen, heren!’ riep hij
voortdurend, ‘de minste beweging kan noodlottig worden!’
Allen hielden hun adem in. Het oog bleef wel een volle minuut in de kamer, en, hoe zij den eigenaar ervan ook ondervroegen, deze scheen sprakeloos van verbazing.
Eindelijk trok de slak het terug. ‘Mijne heren,’ sprak hij met trillende stem, ‘er is een misdaad in het spel. Meneer Rups zit helemaal vastgebonden in een hoek van de kamer.’
Men was stil van ontzetting; maar Erik ging een licht op.
‘Dat is een pop,’ zeide hij.
‘Een wàt?’ vroeg de slak.
‘Een pop of een cocon,’ zeide Erik, ‘als de rups een vlinder wil worden, spint zij zich in en wordt een pop. En na een tijdje komt zij er uit en is een vlinder.’
‘Dat begrijp ik niet,’ sprak de mestkever.
‘Ik ook niet helemaal,’ zei Erik, ‘maar het is toch zo. Het staat bij Solms.’
‘Ja goed, maar waarom moet die gekheid nu juist in mijn hotel gebeuren!’ riep de slak, ‘kan meneer daar niet een andere plaats voor uitkiezen?’
‘Neen, opeens moet het gebeuren,’ zeide Erik, ‘en dan is het ook niet meer tegen te houden. De rups wordt slaperig; zij eet niet meer, zwaait op en neer met den kop..,
‘Precies wat ik zei,’ onderbrak de spin, ’ik had het al lang in de gaten.’
‘Zwaait op en neer met haar kop,’ hernam Erik, die dit
gedeelte van Solms met kleine lettertjes en al uit het hoofd kende, ‘en trekt
zich terug in een donker, liefst windstil hoekje. Grotere soorten graven zich
zelfs den grond in. Het weefsel der cocon is in enkele uren gereed. Dan begint
de zogenaamde verpopping, welke varieert van twee tot zes weken, al
naargelang…’
‘Pardon,’ onderbrak de slak, ‘wat zei u? Twee tot zes weken?
En blijft al dien tijd mijn beste kamer bezet?’
‘Het is aan te raden de pop op generlei wijze te storen,’ besloot Erik, den slotzin van Solms aanhalend, ‘dus u moet er afblijven.’
‘Ik heb met Solms niets te maken,’ sprak de slak, ‘ik moet mijn geld hebben.’
‘U kunt de helft van den pension-prijs rekenen,’ stelde de bij voor, ‘want meneer eet niets en heeft ook geen bediening nodig.’
‘Zo eenvoudig is de zaak toch niet,’ meende Erik, want wie moet er eigenlijk betalen? De rups heeft wel logies genoten, maar die is er dan niet meer. En de vlinder, die is er dan wel, maar die heeft geen logies genoten.’
‘Mijn kop loopt om,’ sprak de slak, ‘daar is geen wijs meer uit te worden.’ En op de plaats waar hij stond trok hij zich in zijn huis terug om zich over het geval te beraden.
(..) Erik was een beetje verbaasd dat er bij dit wonderlijke
voorval over niets anders dan over geld gesproken werd. Intussen bleek deze
gebeurtenis hem een zeer goede faam onder de gasten bezorgd te hebben. Van alle
kanten werd hij ondervraagd omtrent het leggen van eieren, het opkweken van
larven en alles wat daaromtrent los en vast zat. Soms, als hij zich het
betreffende hoofdstuk herinnerde, gaf Erik precies antwoord; maar meestal zeide
hij: ‘Doe maar zoals u het altijd gedaan hebt, dan komt het allemaal in orde.
En als het voor den eersten keer is, volgt dan uw instinct. U hebt allemaal
instinct, daar kunt u van op aan, het staat bij Solms. Als u dat volgt doet u
precies wat Solms zegt. (..) De dieren waren zeer verbaasd.
‘Wij doen dus precies zoals het in Solms staat?’ vroegen zij, ‘en vanzelf, zonder dat wij het gelezen hebben?’
‘Ja,’ antwoordde Erik, ‘precies zo.’
H. 6
Op voorstel van Erik wordt de
naam van het hotel ‘Het Slakkenhuis’. Hij beleeft er aardige dagen en kijkt
zijn ogen uit bij al die vreemde gasten.
Doch waarover hij zich het meest verwonderde, dat was het grote aantal benen waarop zij zich voortbewogen. Volgens Erik kon daar zonder schade de helft van afgeknipt worden, al wachtte hij er zich wel voor deze gedachte openlijk uit te spreken. Van hun kant verbaasden de dieren zich uitermate over het feit dat hij met slechts twee toe kon. ‘Valt u nooit eens om, meneer Pinksterblom?’ vroegen zij, ‘kost het u geen moeite om staande te blijven?’ ’Niet in het minst,’ sprak Erik dan, en ten bewijze daarvan trok hij één been naar boven en bleef op het andere rustig doorpraten. Dit kunststukje verwekte telkens een storm van bijval en Erik kon het niet genoeg herhalen naar hun zin.
Een
bijzondere gebeurtenis was het ook wanneer hij ’s Zaterdags-avonds naar bad
ging. Allen stonden dan om de kuip om te zien hoe hij zijn hansop en broekje
uittrok. Dat men zijn vel naar believen kon afstropen was reeds op zich iets
merkwaardigs, maar dat men er dan nog eentje overhield, daar konden zij maar
niet over uitgepraat raken. ‘Waarom loopt u niet in uw tweede vel?’ vroegen
zij, ‘het is veel mooier en bovendien past het veel beter.’ (..)
Een andere bezienswaardigheid was het ochtend- en avond-gebed dat Erik bad, en het gebed voor en na het eten. Met open mond stonden zij daar naar te kijken.
‘Wat doet u nu eigenlijk, meneer Pinksterblom?’ vroeg de slak, die gewoonlijk als woordvoerder dienst deed.
‘Ik praat met God,’ legde Erik uit.
‘En wie is God?’ vroeg de slak.
‘God is Hij die mij gemaakt heeft,’ sprak Erik, die zijn catechismus-les tamelijk goed kende.
‘En wie heeft ons gemaakt?’ vroeg de slak.
‘J. Th. van Brienen,’ zeide Erik. Dit was de naam die in den rechterhoek van het schilderij stond.
‘Dus dat is dan ònze God,’ besloot de slak.
Erik schrok hevig, doch er viel niets tegen in te brengen.
‘Ik zal het later wel eens uitleggen,’ besloot hij.
Maar aan wie kan hij tijdens
een wandeling vertellen dat deze wereld slechts een schilderij boven zijn bed
is? De kakkerlak komt het meest in aanmerking want hij houdt ongeveer gelijke
tred
… maar Erik vond dat hij als zoon van het kamerlid Mr. Pinksterblom daar toch moeilijk mee om kon gaan zonder diepe schande over de familie te brengen.
Wat hem echter het meest er toe bracht, het geheim van het
schilderij maar voor zichzelf te houden, was de ervaring die hij gaandeweg
opdeed dat geen der insecten eigenlijk enig belang scheen te stellen in zijn
leven; allen praatten slechts over het hunne, over eieren en larven,
winterslaap, zomervluchten, vrijages in de lente, en over de schaarste van goed
hoefblad en deugdelijk speenkruid.
(..) Erik had dan al zijn aangeboren beleefdheid nodig om niet te gapen van
verveling.
(..) En zo was er niemand aan wien Erik had durven meedelen dat dit hele leven, dat ieder zo mateloos belangrijk vond, zich slechts afspeelde tussen de goedkope lijsten van een schilderij, dat elk ogenblik door de werkster in de kachel gestopt kon worden. En hoe zou iemand aan deze zelfgenoegzame diertjes hebben kunnen duidelijk maken, dat er ergens een lijst was en dat het eigenlijke leven pas aan de overzijde van dien drempel begon?
Erik wordt er bedroefd van en
besluit in zijn eentje de lijst te gaan zoeken. Nu de nood hoog is, is de
redding nabij. De vlinder verschijnt in de ontbijtzaal. Iedereen legt zijn mes
en vork neer, zo mooi was ze.
‘Zo, zo! Kijk, kijk!’ riep de slak eindelijk, ‘daar hebben we onze oude rups! Acht dagen en negen nachten heeft ie er over gedaan! Kunt u betalen?’ De vlinder ritselde zacht met haar vleugels.
‘Ik weet niet wat u bedoelt,’ sprak zij verlegen, ‘ik werd zo juist wakker in een klein kamertje, en kom nu hiernaar toe om inlichtingen. Zoudt u ook kunnen zeggen waar ik ben?’
‘Dat is het toppunt,’ riep de slak, en zijn stem sloeg werkelijk over, ‘zoudt u ook kunnen zeggen waar ik ben! Veertien dagen lang heeft de slampamper mijn beste kool opgegeten, en nog een volle week mijn mooiste kamer bezet! Maar ik neem het niet! Je zult betalen, vriend!’
‘Schreeuw nu niet zo,’ sprak Erik, snel naderbij komend, ‘de vlinder kan het toch niet helpen, dat zij een rups geweest is? Het stond in Solms en het moest gebeuren.’
‘Ik heb met Solms niets te maken!’ riep de slak, ‘ik moet mijn geld hebben!’
‘U hebt ook niet veel oog voor de wonderen der natuur,’ meende Erik boos, ‘maar u zult uw geld krijgen, hoor. Alstublieft!’
En hij scheurde het hele eerste hoofdstuk uit van ‘Schicksal der Gegenwart’, en gooide het als een prop de slak toe.
‘Dat is wat anders,’ sprak deze, den pension-prijs oprapend,
‘ik vraag wel excuus.’
De vlinder weet niet wat er
gaande is maar begrijpt wel dat ze Erik dankbaar moet zijn. Met grote glanzende
ogen kijkt ze Erik aan en vraagt waarom hij dat voor haar gedaan heeft. Erik
ziet in die ogen iets wat hij bij andere dieren niet gezien had, behalve bij
reeën in het hertenkamp waar hij zondags met zijn moeder langs ging.
Er lag hetzelfde verlangen in naar de wijdte van bossen en
velden, en Erik voelde: dit was een oog, gemaakt voor de verte, groot, open en
glanzend… En hij begreep ook dat dit een dier was, anders dan al die veelpotige
insecten om hem heen, die niets vroegen en niets begeerden dan dicht tegen de
aarde gedrukt rond te scharrelen om hun eitjes
in groefjes en kuiltjes te leggen, die aldoor, zolang hij ze kende,
gepraat hadden over zichzelf en hun kleine belangen. En er kwam opeens een
grote blijdschap in hem alsof hij iemand herkende. ‘Bedank mij toch niet,’
zeide hij, ‘ik ben veel blijder nog dan u.’
(..) ‘Zij is van mijn
soort! Van mijn soort is zij!’ En dienzelfden avond nog openbaarde hij zijn
geheim. De vlinder luisterde stil toe, en dacht na. Toen sprak zij: ‘U hebt mij
het leven gered toen ik weerloos was en lelijk. Nu ik vleugels heb, wil ik ook
u helpen. Klim op mijn rug als ik uitvlieg naar de zon en de bloemen. Te voet
zult u het nooit vinden.’ En zij spraken af om reeds den volgenden morgen, in
alle vroegte, te vertrekken.
Na een onrustige nacht klimt
Erik op de rug van de vlinder, het boek achterlatend. De vlinder had echter nog
nooit gevlogen en is niet zeker of zij het wel kan.
‘Maar een stem in mij zegt dat het wel gaan zal.’
‘Kijk, dat is nu het instinct!’ riep Erik, ‘daar heb je het weer! Denk er maar niet over na, en volg die stem!’
Na een proefvlucht vertrekken
beiden om zo hoog mogelijk te gaan. De lijst blijft evenwel buiten het zicht.
H. 7
Er breken zorgeloze dagen
aan. Erik en de vlinder vliegen rond in de schone natuur. En:
Erik hield veel van honing. Thuis, aan tafel, had hij het alleen maar ’s Zondags gekregen en dan nog slechts op één boterham. Nu kreeg hij er zoveel van als hij wilde; en bij een zeldzame bloemsoort stopte hij ook zijn broekzakken nog vol, of bond een grote, goud-gele klomp in een zakdoek om zijn hals. (..) De vlinder haalde het met haar lange tong te voorschijn, en legde het, tot een klompje gebald, voor Erik op den stamper; hijzelf hoefde niets te doen dan op een meeldraad te klimmen en het op te eten.
Erik komt er achter dat de
vlinder geen zij is maar een hij, als een lieftallig vlindermeisje voorbij
fladdert dat in een papaver woont. Erik en de vlinder betrekken een leegstaande
paardenbloem in de nabijheid en overleggen hoe de verliefde vlinder zijn
genegenheid tot uitdrukking moet brengen. Haar aanspreken durft hij niet en een
cadeautje geven is hem te gewoon. Het wordt een gedicht.
Zij begonnen onmiddellijk. De vlinder haalde een schoon en onaangetast blaadje van den jasmijnbloesem, en Erik sneed een nieuw puntje aan een dennenaald. Het gedicht zelf leverde onuitsprekelijke moeilijkheden op, en toen zij tegen den middag het eerste couplet af hadden, vonden zij het zelf nogal somber van toon:
Ik kàn het niet langer
meer dragen,
Mijn hoofd raakt er
nog van op hol,
Reeds is ’t in mijn
voelspriet geslagen,
Zoals bij een mens in
zijn bol.
Er volgen nog 3 coupletten
van gelijke lengte. De brief wordt opgevouwen en aan een mier meegegeven.
Daarop verschijnt het vlindermeisje niet meer. De vlinder vermagert
zienderogen. Toch komt er een brief van vader Vlinder. Beiden worden
uitgenodigd tot ‘een ernstig onderhoud, gevolgd door een intiem maal.’
Ze gaan hierop in. Vader
Vlinder wil alleen maar weten of er gewerkt wordt. Drie klompjes honing acht
hij het minimum waarop een gezin kan worden gevestigd. Het komt in het leven
aan op honing, dat biedt houvast, al het andere is poëzie.
Het ‘intieme maal’ was veel genoeglijker. Behalve mevrouw
Vlinder zaten wel twaalf vlinder-kinderen aan, de een nog liefelijker om te
zien dan de ander; en bij de minste beweging ritselden hun vleugels alsof het
zijden japonnen waren. Lager aan tafel zaten de kleintjes, die nog rupsen waren
en dan ook onbehoorlijk veel aten en verder geen boe of ba zeiden.
Hoewel de tafel afgeladen is
met lekkernijen, zegt mevrouw Vlinder dat het maar een eenvoudig hapje is, wat
Erik bevestigt. Tijdens het bruiloftsmaal vertelt de vlinder hoe Erik hem in
‘Het Slakkenhuis’ van de dood heeft gered. Hierop brengt vader Vlinder een
dronk uit op de gezondheid van Erik, met de woorden:
‘Hartelijk dank, meneer Pinksterblom (..), als u dat niet gedaan had, zat ik nou nòg met twaalf volwassen dochters. Nu is er ten minste één de laan uit.’
Tijdens de maaltijd staat
vader Vlinder op voor een toespraak. Hij zegt dat het pad van het huwelijk niet
altijd over koolbladeren loopt. Dan blijkt of het huwelijk op honing is
gebaseerd of niet. Aan het eind van zijn toespraak verklaart hij het huwelijk
voor geopend. Vervolgens neemt Erik het woord. Hij is verheugd dat het huwelijk
is gesloten. Aangemoedigd door applaus wordt Erik overmoedig. Hij vertelt dat
zijn vlindervriend graag vlindermeisjes onder de kin gekieteld had en zelfs een
hele nacht was weggebleven. Na die woorden blijft het geruime tijd stil. Vader
Vlinder neemt eindelijk het woord. Indien hij geen 12 dochters had en geen mand
vol met eieren, zou hij navraag hebben gedaan. Nu niet. Hierop heffen alle
zussen een lied aan, met als begin: Met
u, zusje, zijn wij blij / Heden gij en morgen wij.
Lang, heel lang zwaaide Erik het bruidspaar na, tot zijn
halsje stijf was en hij niets meer zag dan dansende vlekken voor zijn ogen.
Toen keek hij om zich heen en zuchtte diep. Hij was alleen.
H. 8
Al drie dagen loopt Erik door
de velden. Er is weinig te eten en de stemming is omgeslagen. Hoe hongeriger en
havelozer hij er uitziet, des te brutaler dringen insecten op hem af. Met
dreigende taal en een dennenaald als speer, weet hij dieren weg te houden, en
met gesis, alsof hij een kat is. Moe en hongerig kiest Erik ditmaal de kortste
weg, dwars door een graspolletje. Plotseling ziet hij een glinsterende draad.
Tot zijn vreugde denkt hij, dat alleen mensen, van zijn formaat, zo’n mooie
draad hebben gemaakt. Voorzichtig geworden, beroert hij de draad héél even:
Doch het was genoeg: hij zat vast. In zijn ijver om zich los te rukken, klemde hij zijn hele hand krampachtig om den draad, greep zich ook met de andere vast… het was afschuwelijk! Als vliegenlijm plakte en kleefde de taaie stof aan zijn vingers, en hoe hij ook rukte of trok, er was geen verwikken aan!
Erik denkt na. Dan zet hij
beide voeten vooruit, leunt achterover en trekt uit alle macht: de draad knapt.
Hij tuimelt achterover, beseft wat er aan de hand is, krabbelt overeind, met de speer in aanslag. Voor hem staat een woedende
spin met kromme harige poten. De punt van de dennennaald is op haar kloppende
keel gericht. Nog één stap en ze zou erbij zijn, dreigt Erik. De spin roept met
schrille stem:
‘Kwajongen! (..), waarom heb je mijn web vernield, hè? Waarom, waarom, waarom?’ Zij stampvoette van woede. ‘Drie volle dagen heb ik er aan gewerkt, en daar komt me dat onderkruipsel alles vernielen!’
Erik vraagt haar te bedaren
en stelt voor een knoop in de draad te leggen. Maar wie moet er voor het
spinsel zorgen?, werpt ze tegen. Haar tirade gaat door, tot ze zichzelf
onderbreekt en Erik begerig aankijkt.
‘Kom wat dichterbij, kleine,’ sprak ze plotseling op honingzoeten toon, ‘en laat die naald toch zakken. Ik zal je toch niets doen? Kom, kom!’ Erik zweeg. Stevig hield hij zijn dennenaald omklemd. ‘Kom, mijn jongen,’ lispelde de spin, zacht heen en weer wiegend op haar poten, ‘ik maakte maar een grapje daar even. (..) Je bent toch niet boos, klein lekker stukje…’
Zij slikte het woord in, en bleef Erik met toegeknepen ogen aankijken.
‘O volstrekt niet!’ riep Erik, die zich hoe langer hoe onbehaaglijker voelde.
‘Mooi, kleine,’ lispelde de spin (..), kom dus wat
dichterbij dan kunnen we eens gezellig praten over de restauratie-kosten.’ (..)
‘Ik doe het niet,’ verklaarde Erik beslist, ‘wij kunnen op een afstand ook wel praten.’ (..)
Als enig antwoord kneep de spin hare ogen half toe, en dook
iets omlaag op haar poten. Het was een haast onmerkbare beweging, doch Erik
herkende haar: bliksemsnel, juist toen de spin haar sprong maakte, hief hij
zijn speer schuin omhoog… Hij zag nog hoe de punt recht in haar borst drong en
hoe zij langs den stok als een reusachtigen kraal op hem toegleed. Hij voelde
iets warms en kleverigs over zich heen vallen; toen werd het donker om hem
heen.
Als Erik zijn ogen weer
opendoet, ziet hij ernstig kijkende diertjes om zich heen, in zwarte jassen met
pandjes. Ze wisten niet zeker of Erik dood was en betreuren dat hij nog leeft.
De spin hebben ze al begraven. Zodra dat hapje mals geworden is, eten de
doodgravers het op. Met z’n allen rennen de torren ineens naar een inmiddels
mals geworden hapje. Erik is te laat.
‘Wat was het?’ vroeg Erik toen hij enigszins op adem gekomen
was.
‘Een bromvlieg,’ sprak de doodgraver met vollen mond, ‘net voor ieder een hap.’
‘Maar had u dan niet voor mij een stukje kunnen bewaren?’ vroeg Erik, ‘ik voel mij zo duizelig…’
‘Zaken zijn zaken,’ sprak de doodgraver, ‘dan moet u maar harder lopen.’ Hij slikte het stuk waar hij aan bezig was door, en keek in tweestrijd naar de achterpoot die hij in zijn hand hield. ‘Men mag niemand te kort doen,’ zeide hij eindelijk, ‘en als ik u dit gaf, zou ik mijzelf te kort doen.’ En hierna stak hij het in zijn mond en slikte het in één keer door.
De tor nodigt Erik wel uit bij hem thuis wat te komen eten, als zijn vrouw daar geen bezwaar tegen maakt.
H. 9
Erik en tor Anton lopen door
een smalle gang onder de grond. De vloer ligt bezaaid met poten, vleugels,
dekschilden enzovoorts. Erik zegt dat het er riekt en het is er bovendien een
rommeltje.
‘U houdt er toch vreemde opvattingen op na,’ sprak hij eindelijk, ‘dit is
juist een teken van welstand.’
Onderweg blijkt de
dienstbaarheid van de doodgraver groot. Als Erik wegens honger een teken van
zwakte laat zien, stelt de tor voor direct een kuiltje te gaan graven.
In de kamer gekomen, ziet Erik overal beenderen, doodshoofden en
geraamten. Daartussen kleine doodgravertjes die kraaiend van plezier met botten
spelen. Tot teleurstelling van mevrouw, heeft haar man een nog levend dier
meegenomen.
De tor vertelt dat er
geruchten zijn dat er bij de dam een dode houtworm ligt. Erik wil weten wat die
dam is en waar hij ligt. Mevrouw vertelt dat er een hoge gladde muur van hout
is die vanuit een hoge grasspriet te zien is. Daar houdt de wereld op. Mevrouw
zegt:
‘Wat daarachter ligt, dat weten wij niet.’
‘O, dat weet ik wel!’ riep Erik, stralend van vreugde. Daar lag immers zijn eigen land, het land van de mensen! En daar zat ergens de familie Pinksterblom bedroefd om de tafel heen omdat de kleine Erik verdwenen was en maar niet terug wilde komen.’ (..)
‘Wat wilt u daar nu eigenlijk uitvoeren?’ vroeg het doodgravertje, onrustig heen en weer schuivend, ‘ik houd niet van die ongewone dingen. Wat bent u van plan?’
‘Ik wil er overheen klimmen,’ zei Erik, ‘ik hoor hier niet. (..) Ik hoor aan den anderen kant!’
‘Allemaal hoogmoed,’ sprak het doodgravertje, ‘als ik en de
anderen het uithouden, kunt u het ook.’
Ze gaan aan tafel met daarop
een grote dampende paardenvlieg. Met een bevende vork prikt Erik het eerste
stukje van zijn bord maar al snel hapt hij er stevig op los, want het is
heerlijk.
Vader Anton ontvouwt daarna
de zin van het leven.
‘Praats hebben ze allen,’ vervolgde de doodgraver
glimlachend, ‘maar vroeg of laat komen ze toch bij mij op tafel. Dat is hun
bestemming. Al die krabbelaars denken wel dat zij leven, maar zo moet men de
zaak niet opvatten, meneer Pinksterblom! Zij
zijn alleen maar bezig dood te gaan, dat is de zaak. Bij den een duurt het
korter, bij den ander duurt het langer, maar alle zijn zij op weg naar mijn
tafel, en af en toe kom ik eens kijken hoever het er mee staat. (..) Nemen wij
nu eens deze paardevlieg, die hier voor ons ligt, meneer Pinksterblom. Haar
hele leven heeft zij besteed om dik en rond te worden. Nu goed, zij is dan eindelijk zo ver. Ik ga alle
moeilijkheden voorbij die haar dit gekost heeft, zij is het. En wat blijkt nu? Dat het in mijn belang geweest is, en alleen in mijn belang.’
De tor is wel blij dat Erik
goed eet want ook dat is in zijn belang. En hij vindt het heerlijk te zien hoe
anderen zwoegen en sjouwen om rond en dik te worden, en zegt:
‘U weet niet half hoe rustig het iemand maakt wanneer men
van alles de zin en de bedoeling begrijpt.’
Op dat moment gebeurt er iets
verschrikkelijks: een mol graaft zich een weg door het huis van de doodgraver.
Erik laat zich plat op de grond vallen.
Het was juist op tijd. Hij voelde de zachte mollenvacht over
zijn rug strijken als gold het een liefkozing… Toen hij opkeek was het vertrek
zo kaal als na een verhuizing. Zelfs de geraamten langs den muur en de vlieg op
tafel waren verdwenen.
H. 10
Erik zit onder de grond.
Urenlang doolt hij door gangen. Hij komt verschrikkelijke beesten tegen die hij
de weg niet durft te vragen. Gelukkig kruist een malse regenworm zijn pad.
Hoewel Erik niet weet of hij tegen de voor- dan wel achterkant van dat geringde
slangenlijf spreekt, zegt hij:
‘Ik wil graag den weg weten naar boven. Zoudt u mij dat misschien kunnen uitleggen?’
‘Spartelen.’
‘Wat zegt u?’ vroeg Erik, die meende verkeerd te verstaan.
‘Spartelen,’ herhaalde de stem rustig. ‘U wacht tot het geregend heeft, en dan begint u maar te spartelen. Dan komt u er vanzelf.’ En hij maakte aanstalten om zijn weg te vervolgen.
‘Ach meneer, wacht u toch even,’ riep Erik door het gat, ‘ik kan niet spartelen!’
‘Niet spartelen?’ herhaalde de worm verbaasd, ‘ja wat kunt u dan eigenlijk wèl? Waar heeft u uw opvoeding genoten? Of bent u misschien gehalveerd?’
‘Maar ik ben helemaal geen worm!’ riep Erik, ‘ik ben een mens!’
‘Een mens,’ herhaalde de worm peinzend, ‘nooit van gehoord. Wat is dat voor een insect?’
‘Dat is helemaal geen insect,’ sprak Erik, ‘een mens is een redelijk wezen, naar Gods beeld geschapen, met verstand en vrijen wil.’
‘Tut, tut, wat een mond vol,’ mompelde de worm (..) ‘de een blaast nog hoger van den toren dan de ander, en het slot is dat ze allemaal voor de wormen zijn. Nu, hoe ziet zo’n mens er uit?’
(..) ‘Nu, om te beginnen, hebben mensen een hoofd,’ sprak Erik (..) waarin een mond, een neus, oren en ogen zijn aangebracht…’
‘Allemaal overbodig,’ prevelde de worm, ‘maar gaat u door.’
‘Dan komt het halsje, waar niets bijzonders van te vertellen valt…’
‘Die stukken zijn juist het belangrijkste, meneer,’ onderbrak de stem, ‘maar gaat u verder.’
‘Dan komt de romp –‘
‘De wàt?’
‘De romp,’ herhaalde Erik.
‘Wat is dat: de romp?’
‘Aan den romp zitten de armen en benen vast, en –‘
‘Allemachtig,’ mompelde de worm, ‘hoofd, hals, romp, armen en benen, het is om er draaierig van te worden zo ingewikkeld als u in elkaar zit. En kunt u met dat alles niet eens naar boven spartelen?’
‘Ik kan het werkelijk niet,’ zei Erik, ‘al zou ik nog zo mijn best doen.’
‘Dan vraag ik me toch af waar dat allemaal voor dient,’ hernam de worm, ‘gooi die rommel toch weg, meneer, en word een worm! Hoeveel poten hebt u?’
‘Twee.’
‘Dat is twee te veel,’ verklaarde de worm.
Omdat twee benen het
geringste aantal is dat de worm – op eigen soort na - ooit was tegengekomen,
vermoedt de worm dat Erik een mislukte worm is of een worm-op-weg. Dat is een
worm die geen worm is maar het wel zou kunnen worden. De drang naar dat hogere
is een ieder aangeboren, slechts weinigen lukt het die staat te bereiken. Het
is een kwestie van uitverkiezing.
Terwijl de worm zo praat,
kronkelt hij voor Erik uit om de weg te wijzen. Dan zegt Erik dat hij een rare
vraag heeft.
‘Kom, kom, kom,’ sprak de worm, die zich nu werkelijk in de vreemdste bochten begon te kronkelen van ingenomenheid, ‘weest u toch niet beschaamd. Wij kunnen niet allemaal een worm zijn. Nu, wat is het?’
‘Ik zou graag willen weten hoe u zich zo…,’ Erik zocht naar het juiste woord om den worm niet te kwetsen, ‘zo opgeruimd kunt voelen, terwijl u toch eigenlijk – blind bent.’
(..) ‘De zaak is dat u de rollen omdraait, mijn waarde. Het is juist een groot voorrecht om blind te zijn, een teken van uitverkiezing. Hoeveel dieren zijn er blind? Ik kan ze op mijn ringen natellen, zo weinig zijn het er. Wij, wormen, hebben geen ogen nodig. U wel. Dat is een teken van zwakte. U hebt ook een hoofd nodig, en armen en benen. U bent ingewikkeld van hulpeloosheid. Wij hebben aan dit alles geen behoefte.’
(..) En zo praatte het dier voort, terwijl het zich van louter vergenoegdheid in steeds ingewikkelder bochten wrong.
‘Past u toch op,’ had Erik al eens onderbroken, ‘u raakt nog in den knoop!’
En dat gebeurt, een dubbele
knoop nog wel. De worm vraagt Erik om hulp, want hij kan zien waar de knopen
zitten. Erik doet voorlopig niets. De worm moet het zelf maar uitzoeken. Hij
komt steeds verder in de knoop. Hoewel Erik het een vies beest vindt, steekt
hij toch een handje toe maar slaagt er niet in een behoorlijke regenworm van
hem te maken.
Erik was juist van plan hulp te gaan halen, toen er een stem achter hem vroeg:
‘Een ongeluk?’
Het was een mier die dit zeide.
H. 11
Hij droeg een geweldige baal op zijn schouders, die hij onder het spreken op den grond zette om beter te kunnen kijken.
‘Die zit óók lelijk in den knoop,’ sprak het insect, het geval hoofdschuddend beschouwend, ‘familie van u?’
Erik droogde zijn handen af en stelde zich toen zo sierlijk mogelijk voor.
‘Pinksterblom!’ herhaalde de mier verrast, ‘u bent die beroemde Pinksterblom? Kijk, kijk! De hele buurt praat over u, men hoort de ongelofelijkste verhalen –‘ De mier trad enige schreden terug en keek Erik oplettend aan. ‘Eén ding is in ieder geval niet overdreven,’ zeide hij, ‘u loopt op twee benen. Wel, wel, wat een ontmoeting! Iedereen heeft den mond vol over u: van de wespen hoor je dit, van de vlinders hoor je dat, en alle spreken elkaar tegen. De een zegt dat u buitengewoon geleerd bent, de ander weer dat u bijzonder dom zijt. Ja, wat moet je nu geloven?’
‘Ik ben niet geleerd en ook niet zo erg dom,’ sprak Erik, blozend over zoveel belangstelling, ‘alleen in botaniseren was ik goed en voor Plant- en Dierkunde had ik met Pasen een 9. De rest waren zessen en zevens.’
‘Tòch nog aardig,’ vond de mier, die niet wou laten merken
dat hij het niet begreep.
Door Erik wordt de mier die
een mierenpop in de zon moest gaan leggen, in verwarring gebracht, want dan
zijn er vogels die de pop wel lusten.
‘O jeetje!’ mompelde de mier (..) wat is het leven moeilijk als je er over nadenkt! Als de zon er is, zijn er vogels, en zijn er geen vogels, dan is er ook geen zon.’
‘U móet ook niet nadenken,’ zei Erik, ‘dat hoeven alleen de mensen te doen. U doet alles vanzelf. Wij hebben Solms nodig.
‘Juist, Solms,’ herhaalde de mier, ‘dat is het woord waar iedereen het tegenwoordig over heeft. Wat zegt Solms voor dit geval?’
‘Dat vertel ik niet,’ verklaarde Erik beslist, ‘was ik maar nooit over dien Solms begonnen. Al die arme beesten zitten nu misschien te piekeren of ze het wel doen zoals in Solms staat.’
‘Piekeren?’ riep de mier, ’niemand doet er een oog meer dicht! Wacht maar, als u dadelijk buiten komt, dan zult u eens wat zien! Bij ons, mieren, ligt ook alles in de war. Iedereen wacht op u, om te horen hoe het moet.’
‘Maar dat is verschrikkelijk!’ prevelde Erik, ‘de hele natuur loopt in het honderd. Ik moet er direct heen!’
‘Ja, maar wat moet ik nu met die pop doen? Moet ik haar nu in de zon leggen, of moet ik haar hier laten, of-‘
‘Zegt u mij eens,’ onderbrak Erik, ‘wat was u van plan te doen vóór u mij ontmoette?’
‘Ik wilde deze pop naar boven brengen en in de zon leggen.’
‘Nu, doet u dat dan, want dat is zeer goed. Ik ga met u mee, want ik moet nu onmiddellijk naar boven.’
‘En ik dan?’ riep de worm, ‘moet ik hier in den knoop blijven?’
‘Ik zal u helpen,’ beloofde Erik, ‘ik kom terug met anderen.
Alleen kan ik het niet.’
Erik loopt achter de mier het
licht tegemoet. Hij ziet de zon weer en dankt God op zijn knietjes, dat hij
zien mag, terwijl de mier denkt dat Erik een bladluis gevonden heeft. Van alle
kanten stuiven diertjes op hem af, met eieren en poppen beladen.
‘Meneer Pinksterblom! Meneer Pinksterblom. Wilt u eens even komen kijken? Zijn dit goede eieren? Wanneer komen ze uit? Moet ik ze in de zon leggen of in de schaduw?’ Het was een gedrang en geschreeuw dat horen en zien verging.
(..) ‘Mijne dames,’ zei Erik, die wel begreep dat dit allemaal moeders waren, ‘als u het aan mij vraagt, loopt het mis. Ik weet er heel weinig van af, en dat kleine beetje had ik nog voor mij moeten houden. U doet het uit u zelf precies zó als het in Solms staat, ja, soms heb ik gemerkt dat u het nog beter doet. (..) Denk niet: (..) wat zou Solms er wel van zeggen, want alles wat u doet staat precies zo bij Solms en als het er niet staat of als het er anders staat, hebt u toch gelijk.
Onderweg deelt Erik links en
rechts bemoedigende woorden uit. Bij de mierenhoop aangekomen worden Erik en de
mier staande gehouden. Erik maakt zich bekend.
‘Holala, neemt u mij niet kwalijk,’ sprak de schildwacht, onmiddellijk opzij tredend, ‘gaat uw gang!’ En Erik trad binnen in het mierennest, verwelkomd door alle mieren met een blij hoera-geroep.
H. 12
Na een beroerde tijd breekt
een mooie periode aan. Erik leert het leven kennen dat zich onder een hoop
dennennaalden afspeelt. Hij loopt wat rond, bekijkt de werkzaamheden met
aandacht en zegt dat ze alles goed doen, waardoor de rust weerkeert. Erik helpt
soms een handje door manden met miereneieren te vervoeren. Hij breekt weleens
een ei wat niet erg gevonden wordt.
Slechts één keer, toen hij een volle mand van boven naar beneden liet vallen, keken zij even verbaasd en vroegen of dit óók in Solms stond.
Solms was het toverwoord, waarmee Erik vele van zijn onhandigheden verontschuldigde, Solms was het ook, die hij voor de redding van den worm spande. Bijna was hij diens ongelukkigen toestand vergeten, toen hij plotseling, bij het kijken naar de bladluizen in de donkere stallen, aan het arme blinde dier dacht. Een minuut later daalde een klein legertje werkmieren den berg af. Vol ongeduld bleef Erik op de top naar hun terugkomst uitzien, en toen eindelijk de uitkijk de eerste werkmier in de verte waarnam, holde hij den berg af, hen tegemoet. Doch wat hij toen zag perste hem de tranen uit de ogen. Ieder droeg, op een rijtje gevolgd door een ander, een eindje worm in de kaken, en het arme dier werd in honderd stukjes voor hem neergelegd.
‘Maar dat heb ik helemaal niet bedoeld!’ riep Erik, ‘ik vroeg hem uit de knoop te halen!’
‘Nu, hij is toch uit den knoop?’ meende de aanvoerder.
Daar was niet veel tegen in te brengen.
’s Avonds is er een noenmaal,
ter ere van Erik, waarvoor hij de worm ter beschikking heeft gesteld. De hele
dag hangt een heerlijke braadlucht in de gangen van het huis. Er heerst wel
enige onrust, die voortkomt uit het instuderen van een hulde-zang, vanwege
Eriks geleerdheid. Hij zoekt de dirigent vlug op want hij vindt het te veel
eer. Maar het gaat door. De dirigent blijkt tevens componist te zijn, die slecht
begrepen wordt. Hij zegt tegen Erik:
Het blijft weer onder ons, meneer Pinksterblom, maar het gaat boven hun pet. Ze dóen wel alsof ze het begrijpen, maar ze begrijpen het niet.’
De musicus schudde het hoofd en glimlachte treurig.
‘Ach, dat is naar,’ zei Erik, ‘en hebt u al veel van die onbegrijpelijke muziek gemaakt?’
‘Niet veel, maar wel diepe,’ sprak de kunstenaar, ‘en het
zit ‘m ook niet in het vele, maar in het diepe. Daar zijn bij voorbeeld mijn
drie strijdliederen, stuk voor stuk meesterstukjes, al zeg ik het zelf; daar
heb je mijn melkliedje, dat gezongen moet worden bij het melken der bladluizen.
En dan, niet te vergeten, mijn eierlied.’
‘Wat is dat voor een lied?’
‘Het eierlied,’ legde de mier uit, ‘moet gezongen worden door moeders, op het moment, dat ze een ei leggen. Ten minste, dat was mijn bedoeling. Maar denkt u dat ze het doen? Geen een.’
‘Misschien hebben ze het te benauwd,’ opperde Erik.
‘Onzin,’ sprak de mier, ‘daar heb ik het liedje juist voor gemaakt. Laksheid is het, gebrek aan aanvoelen. En dan mijn ander eierliedje, dat gezongen moet worden bij het opengaan der eieren.’
‘Door wie?’ vroeg Erik verbaasd.
‘Door wat er uitkomt,’ antwoordde de componist, ‘is het geen aardige gedachte, dat het eerste wat zo’n diertje doet, als het op de wereld komt, is: een lied te zingen, een hymne aan de natuur? Maar denkt u dat ze het doen? Geen een.’
‘Maar ze hebben toch ook nog nooit van het liedje gehoord?’ meende Erik.
‘Uitvluchten,’ sprak de mier.
’s Avonds is de eetzaal
versierd en kevertjes geven licht.
Er was een grote tafel gedekt en op ieders bord lag een dampend stukje worm. Men was echter zo kies geweest op Eriks bord iets anders te leggen, omdat hij met het gebraad vriendschappelijke betrekkingen had onderhouden; hij kreeg een dubbelgebakken bladluis en een omelet van een mislukt mierenei.
De oudste mier, een werkmier,
staat op en begint zijn toespraak. Hij schildert de moedervreugde bij het
uitkomen van de eieren en de verheven roeping van het vaderschap, die de
mannetjes met hun leven betalen. Het leven is schoon doch niet zonder
tegenslag. Vorig jaar nog had een egel 573 mierenpoppen verzwolgen en in de
lente van dat jaar had een vreselijk slag gewoed tegen de grasmieren die aan
150 vrouwen en 348 werkmieren het leven had gekost. Een mannetjesmier onderbrak
de rede. Hij wees erop dat de aanwezige mannetjes er toen nog niet waren; zij
waren in het najaar geboren. De spreker
verontschuldigde zich wegens zijn nalatigheid: de mannetjes wáren er inderdaad toen nog niet, en als ze er geweest waren, zouden zij stellig tot den laatsten man voor het vaderland gevallen zijn (applaus). Nu was de eer te beurt gevallen aan de vrouwen en aan de werkmieren, die daarvoor ook beter door de natuur waren toegerust.
‘Waarom?’ fluisterde Erik verbaasd.
‘Omdat wij angels hebben,’ fluisterde zijn tafeldame terug, ‘en die sufferds niet.’
Er wordt een minuut stilte in
acht genomen voor de gevallenen. Dan gaat de spreker verder, terwijl de
bladluis op Eriks bord koud wordt. Hij memoreert hoe goed het hen gaat. Er kon
weleens een mand vol eieren naar beneden vallen (gelach) maar het verschil was
spoedig weer bij-gelegd. Het ging werkelijk zeer goed, de stallen stonden vol
met bladluizen.
Doch het grootste geluk en de grootste eer was het Huis te beurt gevallen door de komst van een man, uitblinkend in kennis en bescheidenheid, verwonderlijk van lichaamsbouw, doch verwondelijker nog van geest, toegerust met de gave der profetie op schier alle gebied, een man… kortom, hij bedoelde den heer Pinksterblom (stormachtige toejuichingen, aangroeiend tot een ware ovatie). Erik stond op, boog naar alle kanten, en ging geheel in de war weer zitten.
‘Dat moesten ze thuis eens meemaken,’ dacht hij stil bij
zichzelf, terwijl de toejuichingen voortduurden, ‘dat moest juffrouw Schönberg
eens zien.’
De oude spreker bekent lang
te hebben nagedacht over de vraag tot welk insectensoort de heer Pinksterblom
behoort. Of hij dat geheim nu wil onthullen.
‘Ik wil best,’ zei Erik, ‘als het maar niet tegenvalt.’
‘Het kan niet tegenvallen,’ verklaarde de mier (applaus).
‘Nu,’ sprak Erik blozend, ‘ik ben een mens.’
Onmiddellijk barstte er een oorverdovend gejuich los; het was duidelijk, dat er met deze woorden een langdurige spanning gebroken werd.
‘Een mens!’ riep de spreker begeesterd, ‘goed, een mens! Ik verzoek dan alle aanwezigen een dronk te drinken op het heil van deze schrandere insecten!’
Erik stootte zijn glaasje tegen wel duizend andere glaasjes, en bleef toen bedremmeld rondkijken.
‘U moet antwoorden, meneer!’ fluisterde zijn tafeldame zenuwachtig, ‘toe dan.’
Doch Erik ging zitten en begon luid te wenen. De ontsteltenis was zeer groot. ‘Maar meneer Pinksterblom!’ riep een ieder.
‘Het angeltje komt door,’ veronderstelde het oude heertje (aan tafel).
‘Stilte!’ riep de werkmier, die zo juist gesproken had, ‘stilte, mijne heren! Wat is er aan de hand, goede meneer Pinksterblom?’
‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis,’ snikte Erik, ‘ik
hoor hier helemaal niet! Ik loop nu al drie weken in mijn pyama rond en kan de
lijst van het schilderij maar niet vinden! Wat zullen ze thuis wel zeggen?’
De mieren begrijpen er niets
van: de lijst van het schilderij? Een grijze werkmier zegt, dat het hem
opgevallen is dat meneer Pinksterblom zich zonderling kan gedragen en vraagt
zich af of Erik wel een echte Wolleweier is. Hij zegt:
‘Laat hij ons, mieren, doen delen in zijn lot! Misschien kunnen wij hem helpen? Vijfduizend vermogen meer dan één, zelfs al is die ene een Pinksterblom. En als er gevochten moet worden: ik stel mijn angel beschikbaar!’
Zelden werd een rede met meer bijval begroet. Een hoog en
fijn gezoem vervulde de ganse ruimte: het was de wapenkreet der mieren, een
doordringend gegons uit duizenden keeltjes. (..) En daar barstte reeds het
oorlogslied los:
Vooruit! Vooruit!
Zo klinke ’t kloek
besluit!
Nu ook niet langer
mieren,
Trekt allen uw
rapieren
En werpt u op den
buit!
‘Ho, ho!’ riep Erik, door zijn tranen heen lachend, ‘er is nog helemaal niets aan de hand! Als u nu gaat zitten, zal ik u vertellen hoe ik hier gekomen ben.’ (..)
Allen gingen zitten, en Erik vertelde onder ademloze stilte
de geschiedenis zijner lotgevallen.
H. 13
Den volgenden dag marcheerde Erik aan den spits der troepen voorwaarts; en alles wat maar enigszins mier kon genoemd worden, marcheerde in gesloten slagorde achter hem aan. Zelfs de oude vrouwen en zij die aan het mierenzuur leden hompelden mee: iedereen wilde graag weten, hoe men over de lijst aan den anderen kant kon komen. Want Erik had daarover niet weinig opgeschept: allen zijn hartelijk welkom, had hij in het vuur van zijn rede uitgeroepen, er is in ons thuis plaats genoeg voor ieder, die maar komen wil.
Erik belooft ook voor eten te
zorgen. En zijn moeder zou het heel gezellig vinden als iedereen een tijdje
kwam logeren. De mieren zijn nu niet meer te houden. Iedereen gaat aan de slag
en de toegangswegen van de mierenhoop worden afgesloten. De volgende dag gaan ze op weg.
Het was een prachtige morgen. Vlammend rood en oranje vouwde
de jonge dag zijn vleugels open, en al het gewas dat gebogen stond onder den
last van dauwdroppels, richtte zich ritselend op en schudde zijn vracht als een
diamanten kleed van zich af.
(..) ‘Wordt er niet gezongen?’ hernam Erik, ‘kom, dat zou nu
wel leuk zijn. Gisteravond…’
Doch voor hij had uitgesproken, werd reeds in de achterhoede
het oorlogslied ingezet, en weldra zong ieder uit volle borst mee.
Het oorlogslied veroorzaakt
grote paniek onder de insecten, wat de gesprekspartner van Erik zeer pleziert.
Door een kleine onoplettendheid wordt hij door de rest van de mieren onder de
voet gelopen. Erik laat de stoet voorbijgaan en vindt alleen een gebarsten
dekschildje terug.
‘Ja meneer,’ sprak een der oudjes, die achteraan slofte, ‘het leven is hard. Maar u zult dadelijk nog wel wat anders beleven. Vechten, steken en bijten. Heerlijk.’
Erik, die al dien tijd zo blij geweest was dat hij eindelijk insecten gevonden had, die hun eigen toestand schenen te begrijpen en zelfs verlangden naar een ruimere wereld, begon plotseling een vermoeden te krijgen omtrent het eigenlijke doel van dezen tocht.
De horde mieren stort zich op
een grote worm die, in tegenstelling tot de vorige avond, binnen een oogwenk
uiteengerukt is en verslonden. Daar blijft het niet bij.
De troep rukte onmiddellijk verder en waar zij voorbij trok
liet zij een droevig spoor na van gebroken eierschalen, vleugeltjes, pootjes en
dekschilden, en overal klonk het geschrei der arme nabestaanden. Erik, die in
de achterhoede ontsteld meeliep, trof een huisgezin van Duizendpoten aan dat
geheel ontwricht was: de moeder zat verslagen tussen de schalen harer eieren,
en van hare larfjes was er geen een meer in leven.
‘En niets, niets
hebben wij hen gedaan, meneer Pinksterblom,’ snikte het arme dier. Wat vader
Duizendpoot betrof, die zat stil in zijn stoel en zei niets: zijn hoofd was
afgebeten.
Erik rent naar voren om de
aanvoerders tot rede te brengen. Als hij ze heeft ingehaald, ziet hij een
vreemd schouwspel.
Bewegingloos en zwijgend stonden allen in slagorde geschaard, in de meest volkomen stilte. (..) Erik ging op zijn tenen staan en keek over de hoofden heen naar voren. Daar, op nog geen honderd schreden afstand, stond een ander mierenleger, in gelijke slagorde opgesteld. (..) Ze waren niet rood, als hun tegenstanders, doch groenachtig van kleur met grauwe spikkels over kop en vleugels, en aanmerkelijk forser van bouw.
Geruime tijd gebeurt er
niets. Plotseling breekt een verschrikkelijk gevecht uit.
De tegenstanders rukten elkander de benen uit het lijf en
beten elkaar de koppen af, alsof het niets was; en, hoewel Erik er eigenlijk
weinig mee te maken had, maakte zich gaande weg ook van hem een vreemde
opwinding meester. Zijn adem ging sneller, en sneller, en al spoedig streed hij
met gebalde vuisten in de voorste gelederen mee. ‘Bravo, meneer Pinksterblom!’
hoorde hij om zich heen roepen, ‘sla d’r op!’ Wat er van toen af gebeurde wist
hij niet precies meer: hij werd bevangen door een wilde drift. Blindelings
rukte hij ergens een achterbeen los en zwaaide daarmee als een dolleman in de
rondte, schrik en verderf zaaiend in de vijandelijke gelederen. En juist wilde
Erik, ver uithalend, een dodelijken slag toebrengen, toen een straal scherp en
bijtend vocht hem recht in het gezicht gespoten werd. Hij begreep onmiddellijk,
dat dit het verschrikkelijke mierenzuur was en ging terstond op den grond
zitten om als een razende zijn ogen uit te wrijven. En terwijl hij wreef en
wreef voelde hij dat er iets wonderlijks met hem gebeurde. Het was of de wereld
wijder en wijder werd, en toen hij het waagde tersluiks een blik om zich heen te werpen, zat hij rechtop in bed, in
zijn eigen kamer, met beide vuisten zijn ogen uitwrijvend.
Erik is zeer verbaasd. Hij
blijft een tijd roerloos liggen. Dan glipt hij zijn bed uit en opent de
gordijnen. Het is een heerlijk frisse ochtend en de zon doet de glinsterende
bladeren van de perenbomen schitteren. Erik kijkt rond. Alles is hetzelfde gebleven, en de portretten aan de muur
zeggen geen boe of ba.
Hij dacht een ogenblik na, en besloot toen de familie, die
stellig al binnen aan de ontbijttafel
zat, door zijn onverwachte binnentreden te verrassen. Snel kleedde hij zich aan
(..) Buiten, op het terrasje, stond zijn Vader een pijp te roken; de blauwe
rook kringelde langzaam in het zonlicht omhoog, en toen Erik zachtjes achter
zijn rug de kamer binnentrad, keerde hij zich om en zeide: ‘Zo jongen. Je das
zit scheef.’ Dat was alles.
Eriks moeder schikt het dasje
recht terwijl zijn broers een pijp roken en de krant lezen.
Zodra zijn boterhammen-trommeltje was gereed gemaakt, stapte Erik naar school toe. Het was hem vreemd te moede. Alle huizen stonden nog op hun zelfde plaats, en niemand wees hem na als een buitengewone knaap, die misschien wel iets meer gezien had dan een gewone jongen. Ook op school was niets veranderd.
(..) Het proefwerk verliep niet al te best. Er waren enkele
passages, waarlangs juffrouw Schönberg een rode streep trok met de woorden: ‘onbegrijpelijk’ en ‘wartaal’, en bij de vraag: ‘Behoren de wespen tot de nuttige
insecten?’ waarop Erik had geantwoord: ‘Dat
is wel mogelijk, maar ga er niet naar toe, want je verveelt je er dood,’
schreef juffrouw Schönberg in dikke blauwe letters: ‘Jongen, ben je niet wijs? Wat scheelt je? Kom na vieren eens even bij
me.’
Erik bleef na vieren in het lege schoollokaal wachten op de achterste bank, doch zijn antwoorden waren zo wonderlijk, dat juffrouw Schönberg een nieuwe punt sleep aan het blauwe potlood en zijn moeder een briefje schreef, dat het zo niet door kon gaan en dat er gewerkt moest worden.
‘… Vooral zijn
meikevers, mevrouw, zijn uitermate zwak, en wat de familie der Vliesvleugeligen
betreft, waaronder de wespen en de mieren vallen (gelijk u wel weet) houdt de
jongen er meningen op na die geheel en al tegen Solms indruisen,
In verband met de
aanstaande schoolinspectie, meende ik u hiervan niet onkundig te mogen laten.
In de hoop dat er
achter heen zal worden getrokken, verblijf ik
Hoogachtend,
Elizabeth Schönberg
Het is wel hard zulk een briefje te moeten overbrengen voor iemand, die een volle maand onder de insecten geleefd heeft, en die slechts zijn mond hoeft open te doen, om een ieder met zijn kennis omtrent deze dieren te verbazen; maar Erik zweeg als een pot. Hij moest een uur vroeger dan anders naar bed en daar bleef hij den helen avond stil liggen wachten, tot hij weer klein zou worden om dan nooit, nooit meer terug te keren in deze ondankbare wereld. Zo dacht de kleine Erik. Doch menselijke berekeningen zijn ongewis. Het grote wonder gebeurde niet, dien avond niet, en den volgenden avond niet. En het gebeurde nooit meer.
En nu is dat alles al weer lang geleden; zo lang, dat als men Erik naar dien avond zou vragen, hij enkel vergenoegd wat glimlachen zou en uit het raam naar buiten kijken. (..)
Een belangrijk insecten-kenner is hij niet geworden, gelijk
men misschien verwachten zou. Maar er is toch één eigenaardigheid van dien
avond bij hem overgebleven: soms, als hij onder zekere mensen vertoeft, kan hij
niet nalaten aan bepaalde kleine insecten te denken; de ene keer zijn het de
Vliesvleugeltjes, een andere maal meent hij onder de Hommels te zijn; weer een
andere keer ontmoet hij Wormen en doodgravers. Soms zelfs komt hij Spinnen
tegen. Slakken ziet hij tamelijk veel, wat miskende Mieren betreft, die worden
elken dag veelvuldiger. Dat is een merkwaardig gezicht voor wie eens in
insecten-land was. En hier eindigt de geschiedenis van Erik Pinksterblom. Vaart
allen wel, houdt altijd de lijst in het oog, - en bekommert u niet té zeer om
honing…
28 augustus 2009
Correcties: 30 augustus 2009
