Bomans en de Volkskrant

Edward Krabbendam

In 1921 verscheen ‘de Volkskrant’ op de markt. Dat dagblad bediende een klein deel van de katholieken in ons land en was eigendom van het rooms-katholieke werkliedenverbond. Het bleef een kleine krant en stopte in 1941 onder druk van de bezetter.

 

Joseph Maria (Joop) Lücker (1914-1980) studeerde in de jaren ’30 in Londen journalistiek en kwam in 1938 bij ‘De Telegraaf’ terecht, dat toen nog een gewone krant was. In 1944 nam Lücker ontslag, nadat ‘De Telegraaf’ al geruime tijd vrijwel alles publiceerde wat de Duitsers graag wilden. Daarna probeerde hij een algemeen katholieke krant van de grond te krijgen die na de oorlog zou gaan verschijnen. Hij kwam in contact met professor Romme en schreef Godfried Bomans op 10 februari 1945 een brief met deze passage:
“(..) De Volkskrant, dat in ’40 door onze beschermers verboden werd, verschynt na den oorlog in Amsterdam, met oud-minister Romme als politiek en my als algemeen hoofdredacteur. Het wordt een landelyk katholiek nieuwsblad (ochtendblad), tribune voor katholieken en niet-katholieken. (..) Nu is mijn vraag of je er iets voor voelt aan dit blad mede te werken”
(Godfried, p. 329).

Godfried Bomans (1913-1971) had als schrijver al naam gemaakt met ‘Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas’ en ‘Erik of het klein insectenboek’, vandaar dat hij werd benaderd. Tijdens het laatste jaar van de bezetting hield Bomans een dagboek bij dat de titel ‘Journaal van de laatste oorlogsdagen’ draagt. Het geeft een uitstekend beeld van die tijd en het is opgenomen in de verzamelbundel ‘Werken I’. Op 3 maart 1945 (p. 703) noteerde hij: ‘Ontvang aanbieding van Lücker voor redacteurschap van de Volkskrant’ en op 1 mei (p. 714): ‘Onderhoud met prof. Romme en Lücker over het karakter der nieuwe katholieke groepeering. Een ‘vormingsverband’ zonder electoraal karakter.’

Achter deze summiere mededelingen school een hele wereld. Dat blijkt uit het nawoord van een bijdrage die Joop Lücker leverde aan ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, een boek dat in het voorjaar van 1972 verscheen, kort na het overlijden van Bomans. Bomans aanvaardde het aanbod van Lücker onder deze voorwaarde: ‘Alleen als ik het eens kan zijn met de politieke stellingname van prof. Romme’. Tijdens het onderhoud op 1 mei stelde Bomans zich dan ook bepaald niet gedwee op. Niet Romme nam Bomans de maat, maar omgekeerd. Lücker schreef, dat het ‘een nogal impertinent kruisverhoor van de dertigjarige Bomans’ was waarna ‘de ex-minister ‘geslaagd’ was.’ (Herinneringen, p. 127). De krant kon van start gaan.

Met Lücker als algemeen hoofdredacteur, Romme als politiek hoofdredacteur en Bomans als chef-redacteur kunst, vormden de mannen van het eerste uur een goede combinatie. Op 8 mei 1945, enige dagen na de bevrijding, kwam de nieuwe krant uit en groeide als kool: binnen een jaar 100.000 abonnees. Lücker schreef niet zo veel, hij was vooral een organiserende hoofdredacteur, een echte vakman die veeleisend en autoritair was. Desondanks was de werksfeer goed. In de jaren zestig, toen de roep om democratisering steeds luider klonk, ontstonden er conflicten. In 1964 nam Lücker gedwongen ontslag. Daarna werd hij gezien als de aangewezen man om het katholieke dagblad De Tijd te gaan redden, dat het moeilijk had gekregen. Jan Kuijk schreef daarover in ‘Trouw’ van 6 augustus 2008:

‘In de hoop dat Lücker hetzelfde kunstje als met de Volkskrant nog eens met De Tijd zou herhalen, had de VNU (uitgever) hem aangetrokken. Maar al nam hij de populaire Tom Poes-strip mee van de Volkskrant en probeerde hij Godfried Bomans bij De Tijd in te lijven – het lukte niet.’

Het lukte Lücker niet Bomans bij ‘De Tijd’ te krijgen. Dat was te verwachten. Bomans was al vele jaren het boegbeeld van ‘de Volkskrant’. Om die reden wilde ‘De Tijd’ hem wel hebben. Om dezelfde reden, zal ‘de Volkskrant’ hem (nog) niet hebben willen laten gaan, zo hij dat gewenst had.

De andere hoofdredacteur was C.P.M. Romme. Hij was staatsman, hoogleraar en na de tweede wereldoorlog leidend figuur in de Katholieke Volkspartij (KVP, later opgegaan in het CDA). De vader van Bomans is overigens groot geworden in de voorloper van de KVP, de Rooms Katholieke Staatspartij, waarvoor hij van 1916 tot 1929 lid van de Tweede Kamer is geweest.

Romme had een indrukwekkende staat van dienst. Bij ‘de Volkskrant’ kreeg hij het staatkundige (politieke) gedeelte in handen. Hij bleek moeite te hebben met de oorspronkelijke opzet van de krant: geen electoraal karakter. De eigenaars van de krant waren nog steeds katholieke arbeiders en ze vonden dat de krant zich te veel in de richting van de KVP bewoog. Vanaf het begin lijkt Bomans daarvoor beducht te zijn geweest. Romme verliet in 1952 de krant.

‘De jeugd jubelt voor het paleis’ was de eerste bijdrage die Bomans op 12 mei 1945 aan ‘de Volkskrant’ leverde. Hij was naar de Dam in Amsterdam gegaan waar 20.000 jonge mensen waren samengestroomd om de bevrijding te vieren. Er waren vier sprekers die over het algemeen zakelijk bleven, maar burgemeester De Boer ‘sloeg spijkers met koppen’. Tijdens zijn toespraak had hij al veel bijval gehad maar deze werd ‘overtroffen door het elke beschrijving tartend gejubel’, schreef Bomans, ‘waarmee zijn verklaring ontvangen werd dat hij het Duits gaarne van het schoolprogramma zou willen schrappen en door een Scandinavische taal vervangen.’ Behalve het praktische nut hiervan, vroeg Bomans zich het volgende af: ‘wat hebben Goethe en Schiller ons misdaan?’ (Werken IV, p. 12).

In 1965 blikte Bomans humoristisch terug op dat beginjaar waarin hij chef-redacteur kunst was. Direct na de oorlog was er vrijwel geen kunst dus hij had een ideale baan.

Hoofdredacteur Lücker was een gekend liefhebber van stripverhalen. Al in het eerste jaar vroeg hij aan Bomans of hij dat er niet bij wilde gaan doen. Bomans had weinig zin en die werd niet groter toen hij oude kranten doorbladerde. Het zien van ‘Bruintje Beer’, ‘Tom Poes’ en ‘Mickey Muis’ brachten hem tot de volgende conclusie: ‘géén beesten, méér tekst en samenhang in het verhaal’ (Werken III, p. 11). Na deze conclusie begon Bomans aan een voor hem nieuw literair genre: het stripverhaal, met Pa Pinkelman in de hoofdrol. Deze eenvoudige man met bolhoed, knijpbrilletje en toverkunsten, beleefde de vreemdste avonturen en verkeerde soms in gezelschap van wereldleiders als Churchill en Stalin. Hij werd terzijde gestaan door de mollige tante Pollewop en de jongens Kareltje Flens en het negertje Flop. Tekst en tekening versterkten elkaar. In het voorwoord van ‘De avonturen van Pa Pinkelman’, het eerste stripverhaal uit 1946-’47, dankte Bomans de tekenaar Carol Voges ‘want voor het grootste deel komt de eer van het succes hem toe’ (Werken III, p. 13).

En het wás een succes, ook de Pinkelmannetjes die hierop volgden. Dat was deels te danken aan bekende figuren die Bomans in zijn verhalen liet optreden, waardoor fantasie en actualiteit verweven werden. De actualiteit bestond ondermeer uit de Koude Oorlog, de atoombom en de dekolonisatie van Nederlands-Indië.Scannen0024.jpg

Bomans had het niet zo begrepen op hoogwaardigheidsbekleders zoals politici. De ene keer zette hij ze op een ernstige manier te kijk, dan weer humoristisch. Dat laatste gebeurde ondermeer in ‘Kopstukken’ uit 1947 en in ‘Pa Pinkelman in de politiek’ uit 1952, waarin de strips uit ‘de Volkskrant’ waren gebundeld. Om iets te doen te hebben stapte pa Pinkelman, zonder enige kennis van zaken, de politiek in. Het welvaartsprogramma van zijn partij was eenvoudig: “A. De bevordering van de welvaart en B. De bestrijding der armoe” (Werken III, p. 334). De humor school hierin, dat pa Pinkelman slechts een actiepunt had, want beide punten betekenden in de armoedige periode van vlak na de oorlog, precies hetzelfde. Voorts was de partij van mening dat de lonen omhoog moesten en de prijzen omlaag. Pa Pinkelman werd een bijzonder populair politicus en hij schopte het ver.  

De boeken van pa Pinkelman zijn een combinatie van ernst, humor en fantasie. Dat mag blijken uit een passage uit ‘Pa Pinkelman in de politiek’. De jongens Kareltje en Flop komen in de Arabische woestijn terecht en weten niet waar de anderen zich bevinden. Kareltje komt op het geniale idee een Volkskrant te gaan kopen. Zo konden ze ‘meteen in de avonturen van Pa Pinkelman lezen, waar Pa Pinkelman en tante Pollewop gebleven zijn’ (Idem, p. 363).

Middenin het hete zand vinden ze een kiosk die inderdaad ‘de Volkskrant’ verkoopt, zie tekening boven. Hard liep het niet maar toch. En daar was een oude kameeldrijver ‘die slechts één keer een artikel van prof. Romme had gelezen en er sindsdien aan verslaafd geraakt was en zich onverwijld bij de K.V.P. had aangesloten’ (p. 364). Dit citaat was meer dan grappig, Bomans gaf hier precies de reden waarom Romme vijf jaar later bij ‘de Volkskrant’ vertrok, of, moest vertrekken.

Was professor Romme een vaste gast in de verhalen van Pa Pinkelman, dat was niet het geval met de andere hoofdredacteur. Lücker komt er slechts een keer in voor. Dat had waarschijnlijk deze reden: Lücker en Bomans konden het goed met elkaar vinden. In het eerder genoemde boek ‘Herinneringen’ begon Lücker zijn bijdrage zelfs met de woorden: ‘Mijn vriendschap met Godfried Bomans (..)’. Die vriendschap bleek in 1939 in Amsterdam te zijn begonnen. Vervolgens haalde Lücker Bomans begin 1945 naar ‘de Volkskrant’ en zette hij Bomans aan tot de Pinkelman-strips. Daar ging Lückers herinneringsbijdrage in hoge mate over, wat jammer is, want hij had veel hebben kunnen vertellen. De start van die serie bleek heel wat voeten in de aarde te hebben gehad: Lücker had ‘dozijnen brieven en memo’s’ van Bomans ontvangen.

In een brief van 1 februari 1948 verklaarde Bomans blij te zijn dat hij veel gewone lezers een plezier deed met zijn stripverhalen. Maar ook minder gewone lezers bleken er plezier in te hebben. Een dag eerder had Bomans van mr. P.J. Witteman - toenmalig minister en vader van tv-presentator Paul Witteman - te horen gekregen ‘dat het gehele kabinet elke ochtend met de grootste pret Pa Pinkelman leest en ook de Grote Romme er zijn dag mee begint’ (Herinneringen, p. 126).

Ondanks het grote succes vond Bomans - na 315 maal 3 korte verhaaltjes over hetzelfde onderwerp te hebben geschreven - het welletjes, ook omdat zijn gewone werk in gevaar kwam. Op dat moment schreef Bomans ‘Pa Pinkelman in de politiek’, een serie die in de krant op 23 februari 1948 eindigde. Ondanks zijn bezwaren, begon Bomans op 18 december 1951 aan zijn vierde serie met de titel ‘De onsterfelijke Pa Pinkelman’. Hierin zal Lücker ook wel de hand hebben gehad.

Pa Pinkelman groeide uit tot een volksheld. Velen waren dol op hem en zelfs in het Catshuis beleefde men aan hem de grootste pret. Alhoewel. Bomans was niet erg lovend over de politiek. En lang niet iedere krantenlezer was enthousiast. ‘Briefschrijvers klaagden dat Bomans de Volkskrant bezoedelde’, schreef Willem Ellenbroek op 9 oktober 1976 in ‘de Volkskrant’. ‘Een bezoek van Pinkelman aan een poffertjeskraam, dat uitliep op een gigantische gooi- en smijtpartij (..) wekte een golf van woede op in een volk, dat nog maar net de hongerwinter achter zich had.’

Ellenbroek sloot zijn artikel af met: ‘Een volksheld uit de jaren ‘40-’50 van RK huize en zijn avonturen, die gelezen werden in de genoeglijkheid van de schemerige huiskamer, stiekem vanuit de bureaula, schoolbank, de kloostertafel en de fractiekamer van de KVP. Een nonconformist dèze Bomans; wat er bijvoorbeeld uit zijn Pinkelmanavonturen nu nog bovenborrelt is dat hij voor provo uit - de misselijkmakende middenstandsmentaliteit - dat dragend volksdeel al even hekelde via Pinkelmans botsingen met de ABNM-partij: het Afwachtend Blok van Neutrale Middenstanders.’

Ellenbroek noemde Bomans een nonconformist en zag in hem een voorloper van de vooral ludieke provo-beweging van de jaren zestig. In onze tijd zien nog maar weinig mensen Bomans op die manier. De meesten denken juist dat Bomans in politiek (en kerkelijk) opzicht conservatief was. Anderen achten hem uitgesproken rechts, zoals Jeroen Brouwers. Op bladzijde 92 van zijn boek ‘De wereld van Godfried Bomans’ stelde hij de televisieserie van het stripechtpaar Pinkelman-Pollewop uit 1976 aan de orde, vertolkt door Ton van Duinhoven en Maya Bouma. Hij haalde Ben Kroon aan die in ‘De Tijd’ (24-9-’76) had geschreven dat de spraakmakende Amerikaanse televisieserie ‘Archie Bunker’, een nakomeling van Pinkelman was. Vervolgens citeerde Brouwers een gedeelte van de bovenstaande conclusie van Ellenbroek en reageerde daar als volgt op: ‘Pinkelman en Archie Bunker in dezelfde adem, en Bomans zo’n beetje voorgesteld als een inspirerende voorloper van provo, - het lijken merkwaardige pogingen uit katholieke of ex-katholieke hoek tot postume verlinksing van Bomans.’ Eerder in het boek gaf Brouwers al aan waarom dit merkwaardige pogingen waren: ‘Bomans was zo rechts als de pest’ (p. 42).

In 2005 verscheen het essay Bomans als provo. Op bladzijde 31 van dat boekje komt deze zin voor: ‘Alles bij elkaar kan hij (Bomans) rustig de eerste provo van Nederland worden genoemd, maar wel een heel keurige en genuanceerde.’ Ik meende dat dit een nieuw geluid was maar het is al dertig jaar oud. En in 2005 wist ik nog niet, dat Bomans al in 1960 tegen kernwapen was, toen een kernoorlog dreigde met de Sovjet Unie. Dat blijkt uit een affiche met veel tekst, dat zo begint: ‘Beseft u nu… nu u de circulaires van de minister hebt gelezen, waarin u slechts een fractie van de werkelijkheid is verteld, hoe machteloos u en uw gezin bent, als de kernwapenen gebruikt worden?’ Als dat gebeurt, veranderen steden in puinhopen en massagraven. Dat kan voorkomen worden ‘als de publieke opinie zich tegen deze waanzin keert.’

Het pamflet besluit met de oproep zich aan te sluiten bij de Stichting Anti Atoombom Actie te Haarlem, toen woonplaats van Bomans. Vierentwintig bekende Nederlanders onder wie veel professoren, steunden de oproep van deze vredesbeweging. Onder hen bevonden zich slechts twee schrijvers: dr. Victor van Vriesland en Godfried Bomans.

In de maand augustus van datzelfde jaar (1960) schonk Bomans in ‘de Volkskrant’ aandacht aan de Amerikaanse atoombommen die vijftien jaar eerder Japanse steden hadden getroffen. Meer dan 100.000 doden waren het gevolg. Uit een Amerikaanse onderzoek bleek dat het gebruik strategisch van aard was geweest en vooral op een vergissing had berust. Bomans vroeg zich af of dit wel kon, of het gebruik überhaupt wel kon. Voor Westerse landen, lag het antwoord volgens hem bij de ‘christelijke moraal.’ En doordat ‘elke regering, als het er op aankomt, uitsluitend praktisch denkt en aan morele bezwaren geen enkele betekenis hecht’ (Supplement op Werken IV, p. 41), riep Bomans zijn lezers op de moraal te volgen.

Bomans en anderen blijken voorlopers te zijn geweest. Ruim twintig jaar later ging progressief Nederland - met het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) als gangmaker - massaal de straat op om tegen kernwapens te betogen.

Scannen0003.jpgIn de jaren vijftig schreef Bomans enige tijd columns onder de naam ‘Parlevink’ die op de voorpagina werden afgedrukt. Daarmee deed hij lang niet iedereen een plezier. Op 31 augustus 1956 stond een sprookjesachtig verhaal in ‘de Volkskrant’ met de titel De kluizenaar. Het ging om een sterk vermagerde geestelijke in Thüringen die plotseling schoon genoeg had van zijn leven, zijn grot uitkwam en in een duur restaurant ging zitten eten, de volgende dag weer. De kerkmeester zocht hem in zijn grot op. Daar zat de kluizenaar in een leunstoel te genieten van een sigaar en een tv-programma. Voorts was alles aanwezig, wat de kerkmeester thuis ook had. Bij zijn vertrek zei hij tegen de kluizenaar: ‘Gij zijt een prooi van de satan en een afschrikwekkend voorbeeld. Ik groet u’ (Werken IV, p. 291).

Weer in het dorp, werd zijn gedrag van kerkelijke zijde zeer gewaardeerd, net als thuis, waar de soep juist gereed was. De vrouw van de kerkmeester zei tegen haar man: ‘Uitstekend (gedaan), dat noemt zich christelijk en ontzegt zich niets. Bind je servet om, want ze is precies goed’ (p. 292).

Ongeveer een half jaar later was Bomans te gast bij AVRO-radio waar hij ‘De kluizenaar’ voordroeg. Daarop reageerde een redacteur van het katholieke dagblad voor Noord Brabant ‘De Stem’. Hij schreef dat Bomans zich schuldig had gemaakt aan ‘kwetsende provocatie’ omdat hij ‘levensbeschouwelijke waarden, die zeer velen (..) heilig zijn, op wrange wijze’ bespot had.

Daardoor had hij ‘begrippen als klooster, pastoor en kerkmeesters ‘door de modder gesleurd’’ (Werken VII, p. 257).

Bomans als kwetsende provocateur. Daar reageerde hij in 1957 als volgt op: ‘Hoewel (ik) in het algemeen geneigd ben om misverstanden, die rond mijn werk en persoon ontstaan, te laten voor wat zij zijn, moet ik hier een uitzondering maken’ (p. 257-258). Daarna verzocht Bomans de mensen die kritiek hadden, het stuk nog eens rustig door te lezen, want er klopte niets van hun beschuldigingen. Het stuk gaf slechts aan dat we, naar oud-christelijke waarden, van anderen niets kunnen verwachten, waaraan we zelf ook niet (kunnen) voldoen. Een maand later volgde in ‘De Stem’ nog een aanval op ‘de katholieke Bomans’, naar aanleiding van de column (satire) ‘Het congres’. Hij zou de godsdienst zuur bespotten en anti-klerikale grapjes debiteren. Bomans eiste rectificatie wegens ‘grove belediging’.

In die periode gaf Bomans aan de universiteit van Leuven een bloemlezing uit ‘Parlevink’ onder de titel ‘Op het mes’. Die lezing werd de kern van een boekje dat in de zomer van 1957 uitkwam. ‘Op het mes’ werd kennelijk een te scherpe titel gevonden want het boek waarin Parlevinkjes werden gebundeld, ging ‘Op het vinkentouw’ heten. Dat geeft aan dat men vast zit, gevangen is. De inleiding van een zekere M.G. begint aldus: ‘In deze bundel satiren wendt de schrijver Godfried Bomans, wiens talent over veel kanten beschikt, ons zijn scherpe zijde toe. Zeker, hij heeft het floret van zijn sarcasme ook eerder te vermoeden gegeven. Maar was dit wapen vroeger veelal verborgen in de schede ener zachtmoedige ironie, die hem van de dichter Roland Holst de naam “fluwelen duivel” deed verwerven, hier schittert het lemmet onbedekt en treft de stoot in het hart’ (p. 5).

Bomans als fluwelen duivel. Voor het eerst heb ik daar zijn erenaam verklaard gezien. Dat is niet verwonderlijk: Bomans had de inleiding zelf geschreven en er de initialen van een vriendin onder gezet, die ‘Op het vinkentouw’ van illustraties voorzag.

Roland Holst zag Bomans als een fluwelen duivel en ik denk dat hij voor velen sprak. Maar wie ziet Bomans na een halve eeuw nog als een duivel, nou ja, zijn kritische kant, waarmee hij dodelijk kon uithalen?

Naast dit tijdsaspect en de jaren zestig, waarin Bomans ‘uit’ werd verklaard, is er nog een andere reden waarom zijn kritische kant niet goed meer te zien is. In een deel van zijn werk komen humor en ironie voor. De kern van geestigheid was volgens Bomans ernst, en hij betreurde, dat hij vrijwel uitsluitend als humorist gezien werd. Men lachte over zijn ernst heen. Zo had Bomans in Leiden een voordracht voor studenten gehouden. Het onderwerp was het Nederlandse volkskarakter. Een gedeelte daarvan hoorde hij later op AVRO-radio. In zijn dagboek van 1957 schreef hij op 29 maart: ‘‘t Klonk niet eens zo kwaad, er zaten een paar goede dingen in. Maar het viel mij op, dat de studenten telkens lachten, hoewel er niets te lachen viel. Dat is blijkbaar mijn lot’ (Werken I, p. 748-749).

Kennelijk vergaapte men zich aan het fluweel en had men geen oog voor het scherpe wapen dat daarachter stak, en gebruikt werd. Toch was het zo, dat velen de ernst wel door hadden anders had Bomans nooit zo veel mensen tegen de haren hebben kunnen instrijken.

In onze tijd ‘weet’ bijna iedereen dat Bomans een zeer conservatieve katholiek geweest is. Maar juist hij, was de schrik van conservatief katholiek Nederland. Het kan verkeren. Ook elders maakte hij zich soms weinig geliefd waardoor hij veel kritiek over zich heen kreeg. Ik geloof dat het hem weinig kon schelen en hij stond niet alleen. In ‘Op het vinkentouw’ staat nog een verantwoording waarin Bomans hoofdredacteur Lücker en andere redacteuren van ‘de Volkskrant’ bedankte voor hun medewerking. Zij hadden gezorgd voor een ‘tiental onderwerpen’ van ‘Parlevink’.

Hoe scherp de pen van Bomans kon zijn, blijkt ook uit een Ten Geleide bij het boek Noten kraken. Rond het jaar 1960 waren in ‘de Volkskrant’ ruim honderd columns verschenen. Daarvan kwamen er zestig in een boekje. Maar liefst veertig stuks had Bomans geschrapt, hoewel hij ook die uitstekend vond. De reden? ‘Zij hebben (..) teveel mensen kwaad gemaakt’ (Werken VII, p. 323). Wederom bedankte Bomans hoofdredacteur Lücker voor zijn steun.

Zelf heb ik twee stukjes uitgekozen waarvan ik vermoed dat zij heel wat katholieke Volkskrant-lezers kwaad hebben gemaakt. De eerste is een ‘Parlevink’ uit november 1956. Katholieke kinderen leerden tientallen jaren terug lezen met behulp van ‘Nederlands Taalboek voor de R.K. Lagere school’. Daarin kwam het volgende verhaal voor. Per vergissing loopt een joods jongetje een katholieke kerk in en gaat zelfs te communie. Thuisgekomen, vertelt hij dat aan zijn vader, die glasblazer is. De vader smijt zijn zoon uit woede in de smeltoven. De moeder vindt haar zoon in de oven. De vlammen hadden geen greep op hem gekregen. Daar had de heilige maagd Maria voor gezorgd. De wrede joodse vader wordt ter dood gebracht terwijl moeder en zoon katholiek worden.

Dat boekje, waarin een joodse jongen in de smeltoven werd geworpen, was nog in de jaren ’50 in gebruik, nadat miljoenen dode joodse lichamen in verbrandingsovens waren geworpen. Het boekje bleef niettemin in gebruik. Sinds 1935 waren er bij uitgeverij Malmberg 34 drukken verschenen. Tienduizenden kinderen hadden dat gelezen en het ging na de oorlog gewoon door. ‘Men onderschatte de invloed van zo’n verhaaltje niet’, schreef Bomans. Het heeft bij scholieren ‘de mening (..) gewekt, dat een jood niet deugt, een mening, die velen van hen hun ganse leven zal bijblijven. (..) Daarom achten wij dit boekje in hoge mate verderfelijk.’ Bomans vond zelfs dat dat boekje verboden moest worden. Hij schreef ‘De wet van de pornografie is hier van kracht. Pornografie is niet slechts, wat met bloot te maken heeft, het is ook wat haat kweekt (..). Tenslotte: waarom hebben de katholieke instanties dit boekje tot dusver in bescherming genomen? Omdat het katholiek is? Neen, mijne heren, het is niet katholiek. Het is roomse prullenboel en gij had als één man moeten oprijzen om het uit te bannen. Dat gij zijt blijven zitten is een schande, die elk katholiek zich dient aan te trekken, zo hem zijn geloof ter harte gaat’ (Werken IV, p. 320).

Bomans hield over 1957 een dagboek bij. Op 29 januari had hij de heer Hagers ontmoet en schreef: ‘Heftig gesprek over anti-semitisme naar aanleiding van het door mij in de Volkskrant geattaqueerde stuk Het jodenjongetje. Hagers, die de secretaris van de uitgeverij (Malmberg) bleek te zijn, had de treurige moed deze publicatie te verdedigen. Ik werd driftig, maar hij bleef overeind met de kracht der geborneerdheid’ (kortzichtigheid, e.k.) (Werken I, p. 724).

In het ‘Het jodenjongetje’ gingen katholieke autoriteiten over de knie. Het had spoedig effect, maar niet in kerkelijke kring. Minister van Justitie Samkalden maakte op 3 januari 1957 bekend dat het boekje uit de verkoop werd genomen.

Soms ging vrijwel het gehele volk over de knie, zoals in de column ‘Ik laat mij elders knippen’ uit 1960. Daarin kaartte Bomans onze grote aversie tegen Duitsers aan. Aanleiding was een Duitse schipper die Nederland wilde binnenvaren met een verboden vlag aan de mast en een groot doek met een hakenkruis op het dek. Die man werd door de Duitse politie ongenadig afgerost. Met veel voldoening was daarvan in ons land kennis genomen. Dat bleek ook uit het gesprek van wachtende klanten in de kapperszaak die Bomans bezocht. Maar Bomans voelde wel wat voor deze Duitser. Want alleen die vlaggen maakte die man nog geen nationaal-socialist (nazi). En zijn gedrag toonde juist het tegenovergestelde. Hij voldeed immers niet aan de belangrijkste kenmerken van die duistere groepering te weten: heimelijkheid, bedrog en overmacht. Hij was een buitenbeentje, een mensensoort waaraan Hitler een hartgrondige hekel had gehad. Hitler had het aftuigen van die man door de politie dan ook toegejuicht. En dat was nu net wat veel Nederlanders ook deden. Bomans besloot met: ‘Ik laat mij elders knippen’ (Werken IV, p. 344).

Scannen0004.jpgBomans durfde dus heel wat te zeggen, hoewel velen tegenwoordig een geheel andere mening zijn toegedaan. Michel van der Plas schreef een boek over de jonge Bomans. In ‘Godfried’ overheerst het beeld dat Bomans een jochie was dat lief gevonden wilde worden. Van der Plas schreef echter nooit het tweede deel, een boek over de ‘oude’ Bomans, noch iemand anders. Daardoor is hij in de beeldvorming dat jochie gebleven, altijd maar dat Godfriedje, die nooit volwassen is geworden, die nooit de grote meneer van ‘de Volkskrant’ is geworden. Toch is dat gebeurd.

Bomans had een eigen mening die hij in prachtig proza krachtig durfde te uiten, of hij nou lief gevonden werd of niet. Geregeld maakte hij mensen kwaad - vooral in de conservatieve hoek - en hij wist zelfs de volkswoede op te wekken. Dat bleek uit de reacties op ‘Pa Pinkelman’, ‘Op het vinkentouw’ en ‘Noten kraken’. En het boekje met columns dat daarop volgde, ‘Op de keper beschouwd’ (1963), laat hetzelfde beeld zien. In het voorwoord schreef Bomans: ‘De hier volgende beschouwingen, grotendeels afzonderlijk gepubliceerd in de Volkskrant, hebben mij weer eens de prikkelbaarheid doen kennen, waarin een verrassend groot gedeelte der Nederlandse bevolking blijkbaar vertoeft’ (Werken VII, p. 363).

Bomans schreef dit aan het begin van de jaren zestig en hij voelde de tijdgeest, gelijkend op die van de afgelopen jaren, goed aan. Naarmate dat decennium vorderde, stegen prikkelbaarheid en onverdraagzaamheid tot grote hoogte. Bomans liet zich niet meeslepen, hij nam juist afstand. Hij had genoeg van tegendraadse columns te schrijven. Dat had vermoedelijk met zijn leeftijd te maken - in de vijftig - maar het kostte hem ook te veel tijd en energie. Bovendien had hij voldoende stof doen opwaaien. Zijn columns in de latere jaren zestig zijn vooral beschouwingen over het Nederlandse volkskarakter, de katholieke kerk, literatuur, de maanlanding en allerlei belangrijke dingen uit het gewone leven zoals carnaval, voetbal, Olympische Spelen en Tour de France.

Een enkele keer mengde hij zich nog in de heksenketel die inmiddels was ontstaan, die alles weg had van een generatieconflict. Jongeren waren in opstand gekomen tegen hun vaders, die de macht en de banen nog in handen hadden. Bomans kon het nodige begrip opbrengen maar zag lang niet altijd de redelijkheid van de eisen in. Zo waren linkse jongeren ondermeer voor vrije expressie op het gebied van kunst en literatuur, en eisten subsidie van de overheid. Subsidie vond Bomans best, als het maar niet te lang duurde, want daarmee waren de kunsten noch de kunstenaar gediend. Over de vrije expressie liet Bomans zich in ‘de Volkskrant’ uit in het stuk ‘De vertwijfelden’ (1962). Hij had een expositie bezocht. Allerlei vruchten van vrije expressie waren er te zien, zoals ingelijste autobanden en tandraderen. Ook waren er composities van afval en fruit. Dat was kùnst maar Bomans vond het niks.

Op 18 juni 1966 schopte Bomans in ‘de Volkskrant’ helemaal tegen het linkse been. In Amsterdam had hij een pamflet van de marxistisch-leninistische groepering ‘Rode Jeugd’ in handen gekregen. Het was een oproep om gebouwen van Amerikaanse instellingen in brand te steken of op te blazen. Het dagblad ‘De Telegraaf’ werd in een adem genoemd met deze imperialistische vijanden van links. Een paar dagen na deze oproep - die in onze tijd niet geduld zou worden - werd de boel bij ‘De Telegraaf’ door linkse bouwvakkers kort en klein geslagen. Bomans vond die geweldplegers niet de hoofdschuldigen maar zij die daartoe hadden opgeroepen. Door zijn stuk ‘De raddraaiers’ kreeg hij heel links over zich heen, ook intellectueel links, waaronder Harry Mulisch, zijn goede vriend uit de jaren vijftig. Voorts ontving hij dertig lelijke brieven waaronder doodsbedreigingen. Bomans en zijn gezinsleden kwamen enige tijd onder politiebescherming te staan.

Ondertussen ging ‘de Volkskrant’ op een ware bekeerling lijken. In 1965 werd de ondertitel ‘Katholiek dagblad voor Nederland’ geschrapt. Het geloof in de kerk was verloren maar het geloof in de politiek gewonnen. Nieuwe bekeerlingen - ook politieke - zetten zich meestal fel af tegen hun verleden, dat altijd zeer fout blijkt te zijn geweest. Dat was bij ‘de Volkskrant’ ook zo en de deur werd opengezet voor jonge, progressieve redacteuren, minimaal PvdA-stemmers. Daardoor ging deze krant een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de opstandige linkse jeugd. Bomans zal in de tijd van ‘De raddraaiers’ nog maar weinig steun van mederedacteuren hebben gekregen en helemaal geen steun meer van hoofdredacteur Lücker, want die was na allerlei fricties in 1964 ontslagen. Eruit gewerkt is een juistere aanduiding.

Ondanks alle woelingen, schreef Bomans in de jaren zestig met welhaast ijzeren regelmaat zijn wekelijkse stukjes voor ‘de Volkskrant’. In april 1969 haperde de machine de gehele maand, de reden ken ik niet. Op 10 mei ging hij verder, in dezelfde cadans. Op 16 augustus 1969 stond een stuk over Napoleon Bonaparte in de krant. Het ging over de onmenselijkheid van de grote keizer, die een dag eerder tweehonderd jaar terug op Corsica geboren was. Met dit stuk vond Bomans zijn Waterloo: het was zijn laatste bijdrage aan ‘de Volkskrant’. De laatste man van het eerste uur had afgedaan. De ware toedracht ken ik niet omdat het voorwoord van de verzamelbundel ‘Werken IV’ - met bijdragen aan ‘de Volkskrant’ - geen enkele aandacht schenkt aan de beëindiging van de journalistieke loopbaan van Bomans bij de krant. Het zal dit geweest zijn: Bomans werd ‘uit’ verklaard omdat hij niet links (genoeg) was én omdat hij met ‘De raddraaiers’ een doodzonde had begaan. Zijn leeftijd speelde daarbij zeker een rol. De aanstormende jeugd vond dat alles nieuw moest worden. Alle oude lullen moesten weg want dat waren de vijanden van vernieuwing. Boven de vijftig was men in jonge ogen oud, stokoud.

Eind jaren ‘60 kwam Jan Blokker (1927) bij ‘de Volkskrant’. Hij is te zien als de opvolger van Bomans. René Zwaap schreef in ‘De Groene Amsterdammer’ (16-10-’96) over Blokker het volgende: ‘Sinds 1968 fungeerde hij als het dagelijks contragewicht van de Sturm und Drang die ten burele van de revolutionaire Volkskrant was opgestoken (..).’

In 1975 was ik student en nam een abonnement op ‘de Volkskrant’. Ik vond het een prima krant, voelde me thuis bij dat progressieve gedoe maar de column van Blokker las ik wel het eerst. Hij was altijd bereid de vinger op de zere plek te leggen, schreef helder en vaak hilarisch. Ik heb nog twee boekjes met zijn verzamelde columns. De titels luiden ‘Ben ik (eigenlijk) wel links genoeg?’ uit 1974 en ‘Mag het ook zwart?’ uit 1984. Van beide titels druipt de tijdgeest af en ze laten de positie van Blokker fraai zien. In die dogmatisch-progressieve krant, waarbij vernieuwen geen middel maar doel op zich werd, durfde hij vraagtekens te zetten. Twintig jaar lang heb ik Blokker gelezen maar dat hield op omdat de zuurgraad van zijn krant me te bar werd. Sinds enige maanden lees ik tot mijn plezier weer zijn columns en recensies maar niet meer in ‘de Volkskrant’. Bij dat dagblad werd hij in 2006 op een lager pitje gezet. Daar nam hij geen genoegen mee en stapte op. Bij ‘nrc.next’ en haar grote zus ‘NRC Handelsblad’ was hij welkom.

In januari 2007 ontving Blokker de Machiavelliprijs 2006. De jury noemde hem ‘De koning der columnisten’ en zag hem als een ‘luis in de pels van politiek en media, waarbij hij rake klappen uitdeelde onder journalisten, politici, onderwijzers, psychologen en anderen.’ Zij schreef verder: ‘Keer op keer toont Jan Blokker het belang om gebeurtenissen in hun historische context te plaatsen. Een reflex die weldadig aandoet in een tijd waarin historisch besef een steeds schaarser goed dreigt te worden.’

'werken'.jpgHet werk van Bomans is verzameld in zeven vuistdikke bundels onder de titel Werken. In 1997 verscheen deel IV met Bomans’ bijdragen aan ‘de Volkskrant’. Ondanks klein lettertype en 843 grote bladzijden, is lang niet alles opgenomen.

Op 14 november 1997 schreef Jan Blokker een recensie over ‘Werken IV’ dat meer licht werpt op het vertrek van Bomans bij ‘de Volkskrant’. Blokker wees erop dat Bomans zowel voor ‘de Volkskrant’ als ‘Elseviers Weekblad’ had geschreven. Dat waren in de jaren zestig ‘verklaarde bolwerken tegen de vernieuwing.’ Ook schreef hij dat Bomans zich nooit ‘expliciet als een 'conservatief' heeft laten kennen - het begrip zal hem vermoedelijk geheel vreemd zijn geweest. Maar hij bevond zich in het verkeerde kamp.’

Heel opmerkelijk. Blokker noemde Bomans geen conservatief terwijl vrijwel iedereen ‘weet’ dat hij zo was, zeer conservatief zelfs, ja, ‘zo rechts als de pest’. Maar Bomans zat gewoon in het verkeerd geachte kamp. Daardoor deugde hij niet. Het lag dus niet aan wát hij schreef maar wáár hij schreef. Dogmatischer is nauwelijks denkbaar.

Blokker vervolgde met: ‘Jonge Volkskrant-redacteuren - cet âge est sans pitié - (op deze leeftijd is men genadeloos, e.k.) bestempelen hem in 1968 in een memo aan de hoofdredactie als 'een valse vlag op de zaterdagse lading van de krant' en zetten daarmee het einde in van een bijna 25-jarig medewerkerschap. De krant heeft zichzelf inmiddels ontzuild, en wil geen eer meer inleggen met het boegbeeld van een vorige generatie. (…) Op 16 augustus 1969 verschijnt Bomans voor de laatste keer op de voorpagina van de zaterdageditie. Het onderwerp is - toeval? - Napoleon. (..) Het afscheid heeft zich voltrokken met stille trom’, schreef Blokker. ‘Zonder aankondiging ontbreekt de ooit zo gevierde columnist wekenlang op zijn vaste plek. Pas in oktober staat daar een klein kadertje. 'Na vele jaren vrijwel wekelijks op deze pagina een column te hebben geschreven', meldt de hoofdredactie, 'heeft Godfried Bomans de wens te kennen gegeven zijn zo gewaardeerde reeks kronieken voorlopig te onderbreken.'

Zou het?’, besloot Blokker zijn recensie. ‘Was het zijn wens geweest? En geloofde iemand dat de afwezigheid van 'voorlopige' aard zou zijn?’

Bomans werd op 24 december 1971 begraven. Simon Carmiggelt en zijn vrouw Tiny waren daarbij aanwezig. Henk van Gelder schreef daarover in ‘Carmiggelt’ (p. 251): ‘Alle kranten (brachten) een foto en een verslagje van de druk bezochte bijeenkomst, behalve nu juist ‘de Volkskrant’, waarvan Bomans jarenlang een prominent medewerker was geweest. Voor het eerst van zijn leven, nog danig geschokt door de zo onverwachte dood, besloot Simon Carmiggelt een ingezonden stuk te schrijven: ‘Kunt u mij uitleggen waarom u niets over deze begrafenis meldde? Ik interesseer me voor journalistiek (..).

Het briefje werd niet geplaatst.’

28 januari 2009

In maart 2007 verscheen in ‘Godfried’ – het halfjaarlijkse tijdschrift van het Godfried Bomans Genootschap – ‘Bomans als journalist’. Deel 1 ging over zijn werkzaamheden bij ‘Elsevier’. Dat is later bekort op deze site verschenen. Deel 2 ging over ‘de Volkskrant’. Dat stuk is herzien en uitgebreid, en nu op de site van het Genootschap opgenomen.

Verantwoording illustraties

1.       Bomans tijdens een discussie met kunstenaars in Amsterdam. Afbeelding AltaVista.

2.       De Volkskrant van 22 maart 1946. Ontleend aan webportaal van de Poolse gemeenschap in Nederland.

3.       Joop Lücker. Afbeelding AltaVista.

4.       Voorkant Pa Pinkelman in de politiek, vierde druk, 1962. Scan.

5.       Kareltje en Flop bij de kiosk in de woestijn. Tekeningen van Carol Voges, uit ‘Werken III’, p. 364. Scan.

6.       Jeroen Brouwers, detail van foto, vermoedelijk uit ‘de Volkskrant’ van 25-4-2007. Scan.

7.       Tekening van De kluizenaar door Pluvier (Maria Güde), uit ‘Op het vinkentouw’, p. 92. Scan.

8.       Voorkant van ‘Op het vinkentouw’, derde druk, 1957. Tekening van Pluvier. Scan.

9.       Voorkant van biografische boek van Michel van der Plas over de jonge Bomans, 1982. Scan.

10.    Jan Blokker. Afbeelding Google.

11.    Zevendelige verzamelbundel en supplementen met werk van Bomans. Foto van Jac Aarts.