Bomans en Wouter van Dieren

Edward Krabbendam
s

Wouter van Dieren (1941, sociaal psycholoog, journalist) is een grote naam op het gebied van milieumanagement en duurzaamheid. Al in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen de nadelen van economische groei duidelijk merkbaar werden door vervuilde lucht, water en grond, was Van Dieren voor het milieu in de weer. Als journalist en voorzitter van ‘Milieudefensie’ lanceerde hij in september 1971 ‘The Limits To Growth’. Het boek verscheen in 1972, na een enorme publiciteitsgolf.

 

Een jaar later verscheen de Nederlandse vertaling met als titel Rapport van de Club van Rome, voorzien van de subtitel: De grenzen aan de groei.

De Club van Rome bestond uit een groep denkers die met hun rapport de mensen de stuipen op het lijf joeg. Ik heb het boekje nog eens uit de kast gehaald. Als de economische groei niet begrensd zou worden, zouden we spoedig omkomen in ons eigen vuil, terwijl bodemschatten als aardolie en gas – gegeven de kennis van toen – in onze dagen op zouden zijn.

Van Dieren was een van de oprichters van ‘Milieudefensie’, werkte eind jaren zestig bij ‘Elseviers Weekblad’ en voor enkele omroeporganisaties, lanceerde ‘The Limits To Growth’, richtte in 1985 het Instituut voor Milieu en Systeem Analyse (IMSA) op, is verbonden aan tientallen organisaties en werd in 1992 lid van de Club van Rome, waarvan de koningin en oud-premier Ruud Lubbers ook lid zijn.

 

Om duidelijk te maken wie Van Dieren verder is, volgt hier een citaat uit een interview van journalist Yoeri Albrecht uit 2007, dat op Internet is verschenen: “Van Dieren is dé milieugoeroe van ons land. Gevreesd en geliefd, bewierookt en verguisd. Een vrijdenker, een kont tegen de kribber, een onafhankelijk denker.”

 

In dat interview kwam veel aan de orde. Zo vertelde Van Dieren dat hij Bomans bij de televisie tegen het lijf was gelopen en zei:

“Bomans was een inspirerende leermeester. Hij heeft mij geleerd te schrijven. Om direct te zijn. Bomans was een boeman, zeer arrogant, maar hij heeft mij zeer geholpen met zijn strenge kritiek. Ik was zesentwintig en werd aan de stal van zijn tv-programma toegevoegd. Ik keek heel erg tegen hem op. Hij heeft veel voor mijn zelfvertrouwen betekend. Ik dacht niet dat ik veel te melden had. Hij was niet zo complimenteus maar op een dag zei hij: “Als je niets te melden had dan zat je hier niet. Dat heb ik kennelijk goed onthouden. Als ik in latere jaren een lezing hield dan zat hij soms achterin en maakte met zijn kroontjespen aantekeningen. Met dezelfde pen werden mijn teksten doorgenomen. ‘Het was weer knudde’, snerpte hij dan.”

 

Van Dieren heeft vanaf begin 1968 tot eind 1971 voor de NCRV met Bomans samengewerkt. Dat is geheel onbekend geraakt. Ze maakten enkele tientallen tv-uitzendingen waaronder de serie ‘Gevraagd’ en de befaamd geworden ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’. Productie en redactie waren in handen van Van Dieren, Han Baartmans voerde de regie.

 

Bomans overleed tegen de Kerst van 1971. In het najaar van 1972 verscheen ‘Godfried Bomans – Gesprekken met bekende Nederlanders’. Voor dat boek had Van Dieren de eerder uitgezonden tv-gesprekken geredigeerd. Hij gaf tevens een blik achter de schermen en reconstrueerde een gesprek van Bomans met zichzelf. Het echte tweegesprek met zichzelf zou op 1 januari 1972 worden uitgezonden, maar de dood kwam er tussen.

In de inleiding schreef Van Dieren:

“Toen ik in de winter van 1968 Godfried Bomans leerde kennen wist ik niet dat bijna vier jaar van intense samenwerking het boeiende gevolg zouden zijn.” Daar leek het in het begin niet op. Bomans toonde ”een volslagen gebrek aan interesse voor de jonge televisiemaker, die als honderden anderen zijn deur in- en uitgingen” (Gesprekken, p. 7).

Humor bracht beiden nader tot elkaar en Van Dieren werd een goed klankbord. Hij schreef:

ten geleide bij verontruste notities van b. in de vk,.jpg“Zo werd ik zijn grootvizier, de ghostwriter achter het doek. Mijn taak was een gecompliceerde en discrete. Veel van het waas over onze werkzaamheden zal ik niet kunnen wegblazen omdat een nooit gemaakte maar toch geldende afspraak dat verbiedt. ‘De meester zelf’, moest ik altijd weer zeggen als ik zijn werkkamer binnenviel. ‘Nee maar, de Meesterknecht!’ riep hij dan quasi verrast uit. Hij was verzot op dit soort tradities, rituele begroetingen en het soort vriendschap dat er de absolute voorwaarde voor was.” (Idem, p. 7-8).

 

De ‘nieuwjaarstoespraak’ van Bomans stond onder invloed van Van Dieren want het zou ondermeer over het milieu gaan. Zijn invloed was al eerder te merken geweest. Bomans had een bijdrage geleverd aan het ‘Handboek voor vervuild Nederland’ dat in 1972 onder redactie van Van Dieren uitkwam, met bijdragen van meer dan 20 auteurs.

Het artikel van Bomans werd ook in ‘de Volkskrant’ van 22 januari 1972 afgedrukt, paginagroot en in kleine letter, onder de titel De laatste verontruste notities van Godfried Bomans. Over die notities schreef de redactie een ten geleide met ondermeer deze woorden: “Ze werden genoteerd op verzoek van Wouter van Dieren, een vriend van de schrijver en tv-producer van de NCRV.”

 

Bomans stelde dat de mensen van zijn tijd (rond 1970) door radio en televisie doof werden getoeterd met jobstijdingen. En wat kan je doen? Bij een reportage over honger in Afrika kan je wat lekkernijen voor de beeldbuis zetten maar er komt geen bruine arm uit het toestel om het op te pakken. Mensen zijn individueel onmachtig daar iets aan te doen. Dat geldt ook voor de milieuvervuiling. “Grimmige mannen verschijnen op het scherm, die ons vertellen dat Nederland regelrecht naar de kelder gaat. Luchtvervuiling, waterverontreiniging, enfin, we stinken erin.”

Het blijkt vijf voor twaalf te zijn en de klok tikt door. De analyses zijn er maar waar blijft de therapie? Zonder mentaliteitsverandering zal het niet beter worden, volgens Bomans. We zouden minder kunnen willen maar we willen méér. De economie móét groeien. Het zou gewenst zijn als knappe koppen de consequenties van nieuwe producten die op de markt verschenen, beter zouden gaan overzien. Dat zou kunnen schelen. Bomans schreef verder:

“Zijn die denkers er dan niet? Jawel, die zijn er, maar ze staan buiten het proces. Als voorbeeld noem ik de volgende vraag: is het nodig om met verdubbeling van de produktiekosten een enorme vermeerdering van geluidshinder en een ontstellende toename van verbrandingsgassen zodanige toestellen te construeren dat de vliegduur van Amsterdam naar New York met twintig minuten wordt ingekort? Het is terstond duidelijk dat deze vraag niet onder het technisch denken valt. Zij moet worden voorgelegd aan iemand die hiertoe wél bevoegd is: een wijs man.”

Voor Bomans keek een wijs man niet alleen naar de winst ten bate van de aandeelhouders maar veel verder. Je zou kunnen zeggen dat Bomans ervoor pleitte investeringen vooraf te toetsen op maatschappelijke wenselijkheid. Toekomstige investeringen zouden verboden kunnen worden in verband met te grote schade op verschillende terreinen.

 

In december 1971 waren Van Dieren en Bomans bezig met de voorbereidingen van een nieuwe serie gesprekken met bekende Nederlanders. Door eerdere tv-uitzendingen had prins Claus belangstelling gekregen en nodigde Bomans uit. Bomans trok zijn beste pak aan en schoof ten paleize aan voor een officieel diner. Hem werd gevraagd of hij een gesprek met de prins zou willen voeren over ontwikkelingshulp en de problemen daarbij. Dat onderwerp lag de prins na aan het hart en hij zette zich daar ook voor in.

Tijdens die bijeenkomst overhandigde Bomans losjes een overdruk van het nog niet gepubliceerdeScannen0006.jpg ‘The Limits To Growth’ dat hem door Van Dieren was toegestopt. Hieruit bleek dat Bomans zo zijn relaties had en het had effect. De kerstboodschap van de koningin werd erdoor geïnspireerd.

Over het aanstaande gesprek van Bomans met de prins schreef Van Dieren:

“Op maandagavond 20 december belt hij mij op. ‘Ik heb net een brief aan Claus geschreven’, roept hij. ‘Ontwikkelingshulp is wel een aardig onderwerp, maar we moeten oppassen dat we er zelf niet onderdoor gaan! (..) We doen Claus alleen als ik ook enkele persoonlijke zaken mag aanroeren, dat heb ik hem ook geschreven’, zegt hij nog voor we afhaken” (Gesprekken, p. 148-149).

 

Op 21 december zit Van Dieren in de werkkamer van Bomans. Bomans is net erg ziek geweest. Van Dieren schreef “Hij ziet er vaal uit, ingevallen wangen, slap.” Ze proberen die dag lijn te krijgen in de komende ‘nieuwjaarsrede’. Als Van Dieren uren later opstapt, wil Bomans hem uitgeleide doen.

“’Doe dat nou niet”’, zegt Van Dieren. “Hij ziet er bepaald te slecht uit, bleek, geel, zo heb ik hem nog nooit gezien. (..) ‘Ik zie je vrijdag weer’, wuift hij mij opgewekt toe. Dat zal de dag van zijn begrafenis zijn” (Idem, p. 159).

 

De dood van Bomans was volgens Van Dieren een “verschrikkelijk verlies”, ook voor hem persoonlijk. Hij verloor een vriend, een geestverwant en zijn leermeester in de kunst van het schrijven. Hij zag Bomans niet alleen als schrijver maar ook als filosoof en, zoals ‘Vrij Nederland’ van 3 juni 1972 raak

 weergaf, als de ‘laatste echte Sinterklaas’. Door zijn schrijfstijl, die je bij anderen terugzag, was Bomans een reus. Van Dieren schreef: “Wij stonden allemaal in zijn schaduw (..). Hij koesterde zich niet aan ons, wij scholen wel achter hem” (Idem, p. 8).

 

nico scheepmaker, google.jpgVier jaar lang produceerden Van Dieren en Bomans zeer aparte televisieprogramma’s. Het weekblad Vrij Nederland vatte dat op 31 december 1971 met de volgende woorden samen: “Godfried Bomans schreef zijn boeken op de televisie.” Dat was juist gekarakteriseerd want de gesprekken voor tv “waren van het begin af bedoeld voor publikatie”, schreef Van Dieren (Idem, p. 10). Op pagina 107 van ‘De wereld van Godfried Bomans’ (1998) van Jeroen Brouwers blijkt, dat televisiecriticus Nico Scheepmaker het artikel voor ‘Vrij Nederland’ had geschreven. Hij zag Bomans als “de modernste auteur van Nederland” die “een zeer futuristische manier van boekenschrijven” bedreef. Bomans zat niet aan een bureau te werken, nee, de reportages en gesprekken waren “schrijven op het scherm.” Ofwel: ze konden zo uitgetikt en naar de drukkerij worden gebracht.  

 

De eerste gesprekspartner voor tv was pater Jan van Kilsdonk. Dat was voor Bomans een belevenis die hem lang zou bijblijven, zo meende hij vlak voor zijn dood, omdat hij gewend was geraakt aan priesters die zieltjes wilden winnen, desnoods met dreiging van hel of ander onheil. Over de pater zei Bomans: “(Hij) voldoet geheel aan het beeld van de priester zoals ik mij dat niet had gevormd, en die ontdekking was een hele opluchting” (Idem, p. 12).



van kilsdonk en bomans in 'gesprekken.jpg

Opluchting of niet, Bomans had een geheel ander persoon voor zich dan hij verwacht had, waardoor het gesprek van zijn kant haperde.harry kuitert in 'gesprekken'.jpg Het tweede tv-gesprek was met professor doctor Harry Kuitert, protestants theoloog. Doordat hij de Bijbel minder letterlijk interpreteerde dan zijn geloofsgenoten had hij het in die tijd, en ook later, zwaar te verduren. Van Dieren belde hem op en zei dat de professor het tv-gesprek kon gebruiken om zijn standpunten te verduidelijken, terwijl een beter podium dan naast Bomans nauwelijks denkbaar was. “Gelooft u dat dit nuttig kan zijn, professor?” vroeg Van Dieren. ‘Jawel, maar ik geloof niet in Godfried,’ zei de heer Kuitert door de telefoon, desgevraagd. Dat gaf ik weer door aan Bomans en dat was de blunder van de maand, want als er iets was dat deze niet verdroeg was het kritiek, een aanval op zijn bastion, dat vaak met lappen en planken bij elkaar werd gehouden. Want Godfried deed nooit zijn huiswerk, las de benodigde stukken en brieven niet, pretendeerde een grote belezenheid door midden in een boek een citaat open te slaan, terwijl dat de enige alinea was die hem uit het hele boek bekend was en kwam vaak totaal onvoorbereid of op het verkeerde uur op de plaats waar een prestatie van hem werd verlangd. De manier waarop hij geregeld door zijn omgeving door een zoveelste gang naar Canossa werd geloodst tart iedere beschrijving, en ook in de studio liep hij veelal op de krukken die wij, regie-, produktie- en redactieknechten, voor hem moesten zijn” (idem, p. 30).

 

Samenwerking met Bomans vereiste de nodige lenigheid. Ondanks Bomans’ gerommel kwam er een gesprek tot stand van verbazingwekkend hoog niveau dat serieus genomen werd.

Zowel de katholieke Bomans als de protestantse Kuitert waren nieuwlichters. Dat wekte in eigen kring (zuil) weerstand op. Bomans was al eerder in de katholieke krant de Stem van kwetsende provocatie beticht, op 3 oktober 1971 kwam het katholieke weekblad De Bazuin - in 2002 gefuseerd met het protestantse weekblad Hervormd Nederland, nu uitkomend als ‘Volzin’ -  in het geweer tegen de gesprekken van Bomans met onder anderen Kuitert en Pieter Jongeling. ‘De Bazuin’ sprak van “Het gevaar van de NCRV-tv-gesprekken van Godfried Bomans voor de geestelijke volksgezondheid.” (Idem, p. 131). Dat was niet gering. Daarom had ik de motivering hier graag willen weergeven maar die is van een zo hoge theologische orde, dat ik die moet overslaan, net als verdere bezwaren tegen de gesprekken van Bomans over geloof.

 

jongeling in 'gesprekken'.jpgPieter Jongeling was Kamerlid voor het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en hoofdredacteur van ‘Het Nederlands Dagblad’. Bomans sprak met hem. Naar aanleiding van de tv-uitzending, schreef Henk Broekhuis in ‘NRC Handelsblad’ “dat velen waarschijnlijk ademloos hadden gekeken, ook de niet-religieuze, die sympathie moesten hebben gevoeld omdat zij eindelijk oog in oog met een echte gelovige konden staan” (Idem, p. 134). Er bleken nog echte christenen te zijn die hun geloof zelfs in het concentratiekamp zuiver wisten te houden, en in het Nederlandse parlement. Broekhuis – achter deze naam gaat verrassend genoeg Karel van het Reve schuil - was ook onder de indruk door het antwoord van Jongeling op de vraag hoe het nu zat met die goede God en alle ellende die we hier op aarde meemaakten. Jongeling verdedigde Gods straf en verdoemenis niet, wat anderen christenen wel deden. Hij onthield zich van oordeel, want hij wist het niet.

 

Het voorwoord bij het interview met Jongeling begint met:

“Meestal wekken mensen die alles zeker weten en niet twijfelen mijn ongenoegen. (..) De heer Jongeling vormt op die regel een uitzondering. Ik bewonder zijn moed, dat moet hier maar eens hardop gezegd worden. (..) Ik signaleer bij veel mensen een enigszins geërgerde lichte geamuseerdheid bij het horen van de naam van Jongeling, en tegen die dogmatische muur van onbegrip schiet ik de kanonskogel af van mijn respect, in de hoop op een licht trillen van de fundamenten” (Idem, p. 79-80).

Bomans stelde wel dat Jongeling dogmatisch was, stijl in de leer en rechtschapen in het geloof. Jong progressief Nederland – hele hordes in die tijd - vond dat Jongeling in een rariteitenkabinet thuishoorde. Maar zij vergisten zich, volgens Bomans. Ze hadden niet door dat ze leden aan gebrekkige observatie en intolerantie.

Bomans had respect voor de gereformeerde leider, door zijn normen, waarmee Bomans het “op zeer veel punten volstrekt oneens” was. Jongeling bleek wel bereid te zijn die normen tegen het licht te houden, een houding die steeds vaker afwezig was.

 

In 1971 werden de leden van de Tweede Kamer gekozen. Bomans trok het land in en portretteerde de lijstaanvoerders van politieke partijen tijdens verkiezingsbijeenkomsten. De verslagen kwamen in ‘Elsevier’. Michel van der Plas schreef op 27 maart 1971 in zijn dagboek, dat het “dodelijke portretten” waren die opzien baarden. Bomans zei hierover:

“Ik heb de verkiezingsstrijd van april jl. nogal intensief meegemaakt. Ik wou eens kijken wat al die kerels te vertellen hadden en daarom heb ik niet minder dan tien propaganda-avonden van tien partijen bijgewoond. Ik ben daarvan diep teleurgesteld thuisgekomen. Het waren strooi-avonden. De lijsttrekkers wierpen allerlei pepernoten de zaal in, beloofden miljoenen guldens en andere zaken, terwijl ze wisten dat de zak leeg was, wat dan ook na de verkiezingen gebleken is. Ik acht dat unfair, onjuist en enigszins goedkoop.

Er waren evenwel twee uitzonderingen die ik met name wil noemen. De SGP, de Staatkundig Gereformeerde Partij van dominee Abma en het Gereformeerd Politiek Verbond, het GPV, met als lijsttrekker de heer Jongeling.

Deze twee mensen hadden althans de moed om een zekere impopulariteit te riskeren en gingen van beginselen uit. Die houding vind ik bijzonder dapper in deze tijd. Zij hadden een bepaalde overtuiging en weken daar niet van af. En dat bracht mij op de gedachte eens voor de televisie met zo’n man te spreken“ (Idem, p. 82).

 

B. en M. bij Ank en Dolf Planteijdt, 1956.jpgIn de inleiding onthulde Wouter van Dieren dat Bomans tijdens de uitzending zou zeggen dat hij op het GPV van de heer Jongeling zou gaan stemmen. Dat zou in verkiezingstijd al gauw een paar zetels opleveren. Een dag voor de uitzending werd dit ‘stemadvies’ eruit geknipt, onder druk van het “Amsterdamse wereldje”. Men preste Bomans “deze verkondiging in te trekken. Bovendien – en dit woog zwaarder – vond men dat hij zich belachelijk zou maken. Dit is typerend voor Bomans: zijn regelmatige knievallen voor een willekeurige groep, wier goedgunstigheid hij niet wilde verliezen.” (Idem, p. 80).

Bij navraag bleek waaruit dat ‘Amsterdamse wereldje’ bestond: “Mensen als Mulisch, Donner en anderen zaten hem altijd dwars.”

 

Hier is een toelichting op zijn plaats. Bomans en Mulisch waren in de jaren ’50 goede vrienden. Aan het eind van dat decade vertrok Mulisch van Haarlem naar Amsterdam. De vriendschap verwaterde en in 1966 ontstond een breuk, nadat linkse bouwvakkers de boel bij ‘De Telegraaf’ kort en klein hadden geslagen. Bomans achtte in ‘De raddraaiers’ (de Volkskrant, 18-6-1966) linkse jongeren, die kort daarvoor een opruiend pamflet hadden geschreven, de hoofdschuldigen. Nadat een paar van die jongeren waren opgepakt, kreeg Bomans een telegram van onder anderen Mulisch en Jan Hein Donner, waarin Bomans een verrader bleek te zijn. Bomans kreeg ook nog dertig lelijke brieven waaronder doodsbedreigingen. Sindsdien kon Bomans in Amsterdam geen goed meer doen, linkse Harry werd er een held.

d

De groep-Mulisch had in 1971 lucht gekregen van de opnamen van een gesprek met Jongeling, waarna  Bomans onder druk werd gezet. Waren links én rechts er niet best afgekomen in de stukken over de verkiezingsbijeenkomsten - door Bomans propaganda-avonden genoemd - zijn keuze voor het GPV zou als een provocatie gezien worden. In een tijd vol provoceren, was Bomans de enige die dat niet mocht doen, volgens jong links.

  x

Over het ‘stemadvies’ van Bomans schreef Van Dieren verder:

“Wie nu in deze stemming een daad van politiek bewustzijn ziet vergist zich. Jongeling had zich tijdens de verkiezingscampagne, die Bomans zo nauwgezet had gevolgd, doen kennen als een exceptie, doordat hij bleef staan, te midden van de velen die zakten toen Bomans hen testte, zowel door de grond als voor hun examen. Bomans vond de politieke winkel een beschamende vertoning en hij ergerde zich aan het gebrek aan inspiratie dat onze politieke leiders den volke voorhielden, zoals hij in ‘De man met de witte das’ heeft beschreven. Jongeling liep weliswaar mee in de stoet, maar dan toch als een primus inter pares, niet op grond van specifieke politieke kwaliteiten of inzichten, maar door het lef waarmee hij zich juist niet politiek opstelde, te midden van het schipperende, bewerende, het haalbaar-zoekende, kijvende volkje dat aan Godfrieds verveelde en geërgerde blik voorbijtrok. Zijn

 keus, Jongeling, was een daad van protest, die betekende: neem eens een voorbeeld  aan deze man, wie het minder om de knikkers dan om zijn overtuiging gaat” (Idem, p. 81).

De man met de witte das.jpg

De jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw waren links-dogmatisch en agressief. En daar kwam Bomans. Hij vroeg om beginselen, nuance en om een faire en juiste beoefening van de politiek.

In 1971 kwam ‘De man met de witte das uit’. Een deel van dat boek gaat over vader Bomans die geruime tijd politicus is geweest, zelfs lid van de Tweede Kamer. Het deel met de verslagen van de verkiezingsbijeenkomsten draagt als titel: Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek. Die titel zegt alles. Zo zag Bomans politici, als kinderen in een zandbak, elkaars zandkastelen stuktrappend en schepjes afpakkend, dan hard wegrennen met de gedupeerden krijsend achter zich aan.

Bomans kon zich ook niet voorstellen dat de lijsttrekkers van de politieke partijen werkelijk geloofden dat hun programma de redding van het land betekende, en toch was dat zo.

Bomans maakte zich met ‘Spelen in de zandbak van de politiek’ in politieke kring niet populair, zeker niet bij links, dat grote verwachtingen had van de maakbaarheid van de samenleving.

 

Een van de hoofdstukken in ‘Godfried Bomans, gesprekken met bekende Nederlanders’ draagt de titel Achter de televisieschermen. Van Dieren begon dat hoofdstuk aldus:

“In de vele verhandelingen die over Godfried Bomans sinds zijn dood zijn verschenen wordt steeds gerept over zijn televisie-optreden: de invloed die er van uitging, de intimiteit ervan, de indringendheid, het hoge niveau, enfin, de superlatieven zijn niet van de lucht. Dat is ook weleens anders geweest. Godfried was weliswaar een bewonderde, doch in veel kringen geen graag geziene gast. De reden daarvan is dat zijn presentie in hoge mate de orde verstoorde. Ieder bouwwerk begon te trillen als hij de voor- of achterdeur binnenliep, vaak zonder iets te zeggen. Ik heb het onuitsprekelijk genoegen gehad om hiervan getuige te zijn geweest. (..) Het had iets magisch, maar het werd in die magie het hevigst beleefd door anderen, en niet door Godfried, hoewel deze er op allerlei manieren gebruik van wist te maken. Maar er kwam reactie. Mensen vinden het niet leuk steeds weer gehypnotiseerd te worden, en dus poogde men tegenstoten uit te delen”, zoals ‘Hij is altijd beschonken (..)’. Deze image had Godfried te danken aan zijn champagnevisite in de kleedkamer van Marlène Dietrich, waarvan hij inderdaad aangeschoten en beladen met brutaliteiten het podium van een Grand Gala du Disque besteeg. Daarna evenwel - nooit” (Idem, p. 130).

cover van 'gesprekken' van van dieren.jpg

Er waren andere manieren om Bomans te onttronen. Eerder bleek al dat een katholiek weekblad haar lezers waarschuwde voor het gevaar voor de geestelijke gezondheid die van Bomans uitging, anderen beweerden juist dat Bomans een moralist was. Ook werd hij afgedaan als rechts en conservatief.

Vast staat dat de televisiepersoonlijkheid Bomans invloed had en regelmatig storm veroorzaakte. Zijn grote aantrekkingskracht – als hij op straat kwam werd hij direct omringd door enthousiaste mensen – kwam voort uit de eenvoudige conclusies die hij tijdens uiteenzettingen trok. Daarmee maakte hij het besproken onderwerp voor een breed publiek doorzichtig. Van Dieren schreef hierover:

“Het effect van deze vereenvoudiging was een opluchting bij de toehoorders, die in de niet aflatende woordenstroom van de dagelijkse nieuwsvoorzienig plotseling een reddingsvlot van overzichtelijkheid zagen om zich aan vast te klampen. Een simplificatie, die overigens vaak geheel ten onrechte als zodanig werd gezien, omdat het blootleggen van de enkelvoudigheid in wat als veelvoudig werd gepresenteerd nauwelijks een versimpeling , doch vaker meer een meedogenloze verheldering was. Dat was een fenomeen dat mij als getuige lang zal bijblijven” (idem, p. 137).

 

Bomans vertaalde ingewikkelde materie. Met een paar streken zette hij de boel neer die voor iedereen te begrijpen was. Dat lijkt me een grote verdienste. En passant stelde hij veel aan de kaak.

Dit beeld wordt door weinigen gedeeld. Kees Fens, de dit jaar (2008) overleden grote man van de literaire kritiek, leverde een bijdrage aan ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ (1972) met als titel Verdwijnen en laten verdwijnen. Fens schreef: “De persoonlijke confrontatie – Bomans versus wie of wat - ontbreekt in nagenoeg al zijn werk, als hij er zich al niet bewust aan onttrokken heeft. Hij koos zich geen tegenstanders, maar denkbeelden die hem tegenstonden en waarvan hij wist dat ze velen moesten tegenstaan” (Herinneringen, p. 84).

Volgens Fens speelde Bomans op veilig, ja, hij praatte de mensen naar de mond. Van Dieren meent juist, dat Bomans knalhard de waarheid kon zeggen, zonder aanzien des persoons.

 

Bomans kende de sprookjes van Hans Christian Andersen goed. Een ervan zal zijn voorkeur hebben gehad, want Bomans volgde de-nieuwe-kleren-van-de-keizer-tactiek. Tijdens een ontmoeting met een bekend politicus luisterden Bomans en Van Dieren naar een toespraak vol moeilijke termen. Na afloop vroeg Bomans aan de spreker: “’U bedoelde vermoedelijk dat die winkel slecht beklant is,” schreef Van Dieren, “en daarom geld moet hebben. Waarom zegt u dat dan niet? U heeft er een kwartier over gedaan, ik had dat in één minuut bevredigend afgewerkt.’

Bomans had het vanzelfsprekende recht om op iedere sport van de maatschappelijke ladder dit soort sprongen te maken, die vrijwel altijd een onmiddellijke vrije val van de aldus aangesprokene tot gevolg hadden: verlegenheid, sfeer van een betrapte schooljongen die zijn knoeiwerk moet goedpraten. 

 (..) Eigenlijk waren dit deprimerende lessen, omdat zij zo onbarmhartig de ballons van de overbodigheid naar beneden haalden. Want dat is de kern van de ‘invloed’ van Godfried Bomans.”

Belangrijke personen konden plotseling hun eigen zotheid inzien, door de (lach-)spiegel die hen geboden werd. “Dit effect bereikte Bomans door zichzelf te zijn en dat is magie, een heksenkring

waaraan weinigen konden ontsnappen, al poogden velen dat door hem algemeen verachte stempels op te drukken: conservatief, humorist (ja, ook!), rechts , moralist, lui, onbetrouwbaar en nog enkele andere ‘genuanceerde’ beschuldigingen” (Gesprekken, p. 138-139).

 

Kees Fens.jpgKees Fens was verder van mening dat Bomans voortdurend rollen speelde en diverse maskers droeg. Hij schreef zelfs: “Bomans heeft zijn lezers zoveel gedaanten van zichzelf opgedrongen, dat hij zelf verdwenen is. Hij is daarmee ook zijn naam kwijt; die is pseudoniem geworden voor de vele schijngestalten waarin hij zichzelf laat optreden.” (Herinneringen, p. 82).

Van Dieren schreef echter: “Zijn optreden was een volstrekt natuurlijke zaak, niet bestudeerd, niet gespeeld, doch een vanzelfsprekend gevolg van milieu en opvoeding en in die compositie door de anderen als ongerijmd, humoristisch, wijsgerig of invloedrijk ervaren” (Gesprekken, p. 139).

Ik sluit me aan bij de visie van de psycholoog.

 

Van Dieren ging in op de negatieve kwalificaties die Bomans zich moest laten welgevallen en liet er weinig van heel. Hier komt alleen de negatieve kwalificatie van humorist aan de orde. Een humorist wordt glimlachend getolereerd maar hij telt niet mee onder de verantwoordelijken. Heeft men genoeg van zijn grappen, dan schoppen ze de nar de deur uit. Volgens Van Dieren werd Bomans door de hogere kringen in het narrenpak gestoken “om hem buiten de bronzen deuren van de officiële literatuurerkenning te houden” (Idem, p. 139).

 

Bomans liep volgens van Dieren over een zijpad terwijl iedereen gedwongen was de hoofdbaan te volgen, als een superieure drop-out, die niet “was uitgestapt omdat hij nimmer instapte. Hij verscheen op deze wereld als een verbaasde wandelaar op een klinkerpad naast onze betonbaan en doordat hij dáár, op zijn manier, zíjn normen, definities, stellingen en observaties beleefde en verkondigde, waren wij in de gelegenheid om die af en toe als humor of wijsheid te ervaren, in ieder geval als anders en ongerijmd, want een klinker verschilt duidelijk van beton.

(..) Toch was dat zijpad eindeloos vereenzamend en ik geloof ook niet dat er zoveel echte vrienden waren als velen ons willen doen geloven. Iedereen beschrijft en analyseerde hem van buitenaf (..) zelden verdiepte de buitenwereld zich in zijn innerlijk leven, want de ladders waren te kort om hem in de ogen te kijken, en degenen die dat toch lukte, moesten dan ervaren hoe hij zelf die ladders weer omvergooide – verboden toegang.

Daarom stond hij zeer alleen op dit ondermaanse; zijn omgeving legde een claim op hem, eiste zonder veel te geven, ook al omdat hij nauwelijks in staat was te ontvangen. En hij liet niet veel van ons over. Ik maak me geen enkele illusie over de manier waarop hij over ons sprak, want gingen collega’s en vrienden de deur uit, met wie hij schreef, schaakte, sprak en een goed glas wijn dronk, dan volgde vaak een veroordeling waarvan de betrokkenen ondersteboven zouden zijn geweest. Dit geheel in tegenstelling tot de mededeling in je gezicht. (..) Een fors compliment, in gelijkluidende trant gedaan jegens schrijvers, journalisten, radio- en tv-collega’s, schilders en uitgevers, over wie je dan echter later hoort: ‘Hij kan er niets van. Met hem kan ik niet werken. Heeft niets te melden. Ik moet zijn hele bijdrage herschrijven, lijkt nergens op. Het is slecht georganiseerd. Hij heeft niets voorbereid.’ Enzovoorts. Een onophoudelijke tirade jegens de eerder gecomplimenteerden, bittere en vooral eenzame vaststellingen dat de anderen geen reuzen waren, ook al dachten ze dat omdat hij het nog niet over zijn hart kon verkrijgen de getrouwen na vele jaren nog eens te vertellen dat hij eigenlijk niets aan hen te beleven vond” (Idem, p. 140-141).

 

Van Dieren ziet Bomans als een reus in het land van dwergen. Zo zie ik dat ook. Daarbij maak ik me geen enkele illusie: zelf had ik ook tot de dwergen behoord. Toen ik een paar jaar geleden een beetje zicht kreeg op de breedte en de diepte van het werk van Bomans, schreef ik eens, dat ik nauwelijks tot aan zijn knieën reikte, hoewel ik aardig school ben gegaan.

Over de gesprekspartners van Bomans schreef Van Dieren:

“Iedere keer was een tv-partner weer een gok, en op den duur kregen wij enige handigheid in het herkennen van mogelijke ‘reuzen’ of ‘dwergen’, hoewel je dat nooit zeker wist. Ik herinner mij duidelijk enige ‘reuzen’, zoals bijvoorbeeld Theo Olof (violist en concertmeester, e.k.), Dick Hillenius (bioloog, dichter, schrijver, e.k.) of Jaap Swart, de directeur van de Stichting Recreatie, van zeer klein postuur maar niettemin onverstoord door de aanwezigheid van de Meester zelf. Dat waren plezierige ontmoetingen, omdat Godfried iedere reus beleefde als een toevallig gelukje, dat gelijkstond aan de ontmoeting van één heel zeldzaam beest met een ander exemplaar van dezelfde soort.” (Idem, p. 146-147)

 

Michel van der Plas.jpgBomans werd op kerstavond 1971 begraven. In het voorjaar van 1972 verscheen ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’. In dat boek, onder redactie van Michel van der Plas, staan tientallen bijdragen van familie, vrienden, kennissen en collega’s, waaronder grote namen als Kees Fens, Harry Mulisch en Michel van der Plas, die niet veel waardering voor hem konden opbrengen.

In een recensie in de ‘Leeuwarder Courant’ van 20 mei 1972, naar alle waarschijnlijkheid van Nico Scheepmaker, stond het volgende te lezen: “Van de 39 ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ is er in feite niet meer dan één waarin een werkelijke poging is ondernomen om greep op het fenomeen Bomans te krijgen.”

Wie dat boek niet kent zou kunnen denken dat die ene bijdrage van de hand is van Wouter van Dieren. Maar dat is niet zo: Van Dieren ontbreekt. Hij liet me weten dat uitgeefster Angèle Manteau van ‘Elsevier’ het niet goed achtte indien hij een soortgelijk stuk tweemaal zou publiceren: eenmaal in ‘Herinneringen’ en eenmaal in ’Gesprekken’ dat een half jaar later zou verschijnen. Dit argument is nauwelijks te vatten. Van Dieren had twee verschillende stukken kunnen schrijven, stof genoeg. Belangrijker is het volgende. ‘Herinneringen’ was zo kort na de dood van Bomans veel belangrijker dan ‘Gesprekken’, door hoge verkoopcijfers en door recensies in kranten en tijdschriften. Hoewel het boek de lezer in hoge mate laat gissen wie en wat die Bomans nou eigenlijk was, is ‘Herinneringen’ wel beeldbepalend geweest. En Van Dieren mocht geen bijdrage leveren. Een artikel van iemand met werkelijk kijk op Bomans werd buiten het herdenkingsboek gehouden.

 

 

21 december 2008

 

 

Met dank aan Wouter van Dieren.

 

 

Aan te klikken gerelateerde stukken op deze site:

-         Bomans en de politiek, deel I

-         Bomans als onbekende

-         Bomans en Kees Fens

 

 

Verantwoording illustraties:

1.      Bomans tijdens een discussie met kunstenaars in Amsterdam. Afbeelding Alta Vista.

2.      Wouter van Dieren uit ‘de Volkskrant’ van 25-10-2008, bij een interview over de kredietcrisis.

3.      Voorkant ‘Rapport van de Club van Rome’, 1973.

4.      Redactioneel ten geleide in ‘de Volkskrant’ van 22-1-1972, bij ‘De laatste verontruste notities van Godfried Bomans.’

5.      Prins Claus uit de Grote Winkler Prins, zevende druk.

6.      Schrijver/columnist Nico Scheepmaker. Afbeelding Google.

7.      Pater Jan van Kilsdonk uit ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’, p. 13.

8.      Prof. dr. Harry Kuitert uit ‘Gesprekken’, p. 29.

9.      Pieter Jongeling, Tweede Kamerlid en hoofdredacteur, uit ‘Gesprekken’, p. 81.

10.   Bomans en Mulisch aan de praat tijdens een feest bij de familie Planteijdt, 1956.

11.   Voorkant van ‘De man met de witte das/Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek’, 1972.

12.   Voorkant van ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’ onder redactie van Wouter van Dieren, 1972.

13.   Literatuurcriticus Kees Fens. Achterkant van zijn boek De gevestigde chaos, 1966.

14.   Michel van der Plas. Achterkant van ‘Godfried’, het biografische boek over de jonge Bomans, 1982.

 

Bijna alle afbeeldingen zijn verkleind en bijgesneden.