
Bomans en Wim Kan
De wereld van twee ‘Haagse’ broers
Edward Krabbendam
Begin jaren ’60. Ik zat net op de Mulo. Daar was een leraar
die wel van een grapje hield. Hij zei eens: “Wat
Kan kan kan Kan alleen.” Dat vond ik subliem omdat de hoofdletters niet te
horen waren.
Van Wim Kan wist ik alleen dat hij een grappenmaker was. Ik
wist dus niet dat Kan een cabaretgezelschap runde waarmee hij al vele jaren
langs de theaters van ons land trok. Ook wist ik niet dat hij voor de radio
werkte, zoals in 1954, toen hij zijn eerste oudejaarsconference hield.
Later leerde ik Kan beter kennen, veel beter. Dat was ook
niet moeilijk. In de jaren zeventig groeide zijn populariteit tot ongekende
hoogte, dankzij televisie. In 1973 kwam zijn eerste oudejaarsconference op tv
met als titel Zuinig over de drempel. Met fijnzinnigheid en vlijmscherpe
grappen, speelde hij in op
de actuele politiek waarbij vooral de premier in die tijd, Joop den Uyl (PvdA), het moest ontgelden. Bij ons
thuis tranen van plezier. We waren de enigen niet. Tijdens de voorstelling, die later op televisie werd vertoond,
barstte de zaal gemiddeld om de vijftien en een halve seconde in lachen uit. De
lachdichtheid was dus zeer hoog,
nog nooit was de kijkdichtheid zo hoog geweest en het waarderingscijfer van 8,8
was niet eerder gemeten.
Drie
jaar later was het weer raak met ‘Waar gaan we in het nieuwe jaar naar toe?’
Dit keer was de latere premier Dries van Agt (CDA) het mikpunt nadat hij
zichzelf een taai reptiel had genoemd. Ruim 7 miljoen mensen hadden op de
laatste avond van 1976 zich 70 minuten een ongeluk gelachen. Het waren er meer
dan in 1973. Heel Nederland, met uitzondering van zuigelingen, dementerende
bejaarden en televisieloze streng-protestanten, had gekeken. De waardering viel
iets lager uit (8,5), volgens Kan doordat hij duidelijke politieke standpunten
had ingenomen. Mocht de waardering iets gedaald zijn, Kan had geen klagen, want door zijn optreden tuimelde
van Agt in de opiniepeiling omlaag.
De laatste echte oudejaarsconference voor tv was wederom drie jaar later met ‘Wankelend over de drempel’. Weer een daverend succes hoewel een tikje minder dan in 1976.
Wim Kan heb ik een keer in levende lijve gezien, niet in het theater maar aan het strand van Scheveningen. Dat was niet zo bijzonder. Kan was een geducht wandelaar. Maar wandelen op het strand was meer dan lopen: hij wilde herkend worden. “IJdel?”, schreef hij in 1975. “Ja, wie niet? Daarom loop ik zo graag op het strand. Van de tien mensen die ik passeer, groet, wuift , lacht zeker één. (…) Het is gewoon heerlijk dat te mogen meemaken in dit soms toch wel erg sombere, slopende leven” (De dagboeken van Wim Kan, 1968-1983, De televisietijd, p. 147).
In 1978 kocht Kan aan de boulevard een appartement zodat hij
vaker aan de rand van het land een frisse neus kon gaan halen. In die tijd
daalden mijn toenmalige vrouw en ik op een lente-achtige dag - nog wel jasjes
aan - af naar het strand voor een wandeling. We zagen een man op ons afkomen
die net het zand ontsteeg. We keken elkaar aan. Hij wás het! Kan zag dat we hem
herkenden. We waren te verbouwereerd om iets te zeggen maar we groetten hem
vriendelijk. Met een stralende lach en een licht knikje van het hoofd passeerde
hij ons.
***
Wim Kan werd in 1911 in een gegoed links-liberaal Haags milieu geboren. Wim had moeite met de middelbare school; hij werd overal afgeschopt. Na de Toneelschool, die hij ook niet afmaakte, richtte hij samen met zijn vrouw Corry Vonk in 1936 het ABC-cabaret op dat langdurig bleef bestaan en een kweekvijver voor talent werd. Rijk de Gooyer, Wieteke van Dort, Frits Lambrechts, Frans Halsema, Jenny Arean en diverse anderen volgden Kan’s leerschool.
In 1939 vetrok dit gezelschap voor een tournee naar onze voormalige kolonie, die toen nog Nederlands-Indië heette. Ze zouden een paar maanden weg blijven maar dat werden verscheidene jaren. In 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Duitsland bezette Nederland. Terugkeer was niet mogelijk. In 1942 werd Indonesië door Japan bezet. Kan werd net als alle andere Europeanen in een kamp ondergebracht. Daar probeerde hij te overleven in afwachting van het eind van de Tweede Wereldoorlog (1945), dat zich in het Verre Oosten enige maanden later voltrok dan in Europa. De vrede werd door Amerika afgedwongen door het gebruik van enkele atoombommen op Japanse steden.
Terug
in Nederland vatte Kan de draad weer op en ging met zijn groep langs de
theaters. Op eigen verzoek hield hij zijn eerste oudejaarsconference in 1954
voor de VARA-radio. Dat was ongehoord. Nederland was in die tijd verdeeld in
hokjes. Afhankelijk van het stempel dat je bij geboorte kreeg, werd je ergens
in gestopt. Daar hoorde je. Die hokjes werden zuilen genoemd. In feite waren het reservaten
dan wel thuislanden voor eigen geloofsgenoten of (politieke) geestverwanten.
Naar de rigide indeling van mensen in die tijd hoorde de liberaal Kan bij de
algemene omroepvereniging AVRO. Niets daarvan; hij ging naar de socialisten van
de VARA. Nu was er nog iets wat in die tijd als wet gold: je mocht wel kritiek
leveren op andere zuilen maar niet op de zuil waartoe je behoorde. Dat was
nestbevuiling. Niets daarvan; Kan leverde zowel kritiek op de socialisten van
de VARA als op die van de daarmee verbonden Partij van de Arbeid (PvdA). Dat
was eigenlijk zijn tweede doodzonde. Wegens groot succes werd dit door de
vingers gezien. Het vroeg zelfs om herhaling. Wim Kan werd de vader van de
oudejaarsconference. Om de twee of drie jaar was hij op oudjaar te horen. In
1973 verruilde hij radio voor televisie. Op 31 december van dat jaar was hij
niet alleen te horen maar ook nog eens te zien. Het werd een daverend succes.
***
Godfried Bomans was van huis uit katholiek. In die periode
van apartheid en stammenstrijd, hoorde hij in het roomse hokje van de
katholieke radio-omroep, de KRO. Niets daarvan; hij ging een langdurige reeks
radio-uitzendingen voor de algemene en ongebonden AVRO verzorgen, toevallig ook
in 1954. Televisie was er toen nog niet of nauwelijks. Net als iedereen, luisterde Bomans naar de radio,
zoals op 31 december 1960. Op 5 januari 1961 stond daarover een beschouwing in
‘de Volkskrant’ met de titel ‘Kan dit nu wel?’. Dat begint als volgt:
“De vijf kwartier, die
Wim Kan de laatste avond van het jaar heeft volgepraat, zal bij vele
luisteraars de vraag hebben opgeroepen: kan dit nu wel? Ja, dit kan. Maar het
kan alleen in Nederland. Ik geloof niet, dat het elders ter wereld mogelijk is
om gezaghebbende figuren, zoals ministers en Kamerleden, in het openbaar en
voor miljoenen luisteraars bij hun voornamen aan te duiden en vervolgens in hun
hemd te zetten” (Werken IV, p. 407).
Bomans schreef verder: “Het
is typerend voor de Nederlander, dat hij het jaar wenst af te sluiten met het
relativeren van personen, die hij zelf gekozen heeft. Het zich een ongeluk
lachen om deze mensen wordt als een bevrijding ervaren. Men is er eens uit.
Waaruit? Uit een keurslijf, dat ons niet past: respect voor hoger geplaatsten.
Wij zitten bekneld en snakken naar adem” (Idem, p. 409).
Kennelijk waren er mensen geweest die gevonden hadden dat Kan te ver was gegaan. Bomans nam het voor hem op want hij had waardering voor Kan. Bovendien deed Bomans precies hetzelfde: hoogwaardigheidsbekleders in hun hemd zetten. Ook deelde hij de hekel aan het keurslijf dat de jaren ‘50 kenmerkte, en ieder de adem benam. Kan gaf lucht, al was het voor even. Bomans vond dit zeer gezond en achtte het een zegen “dat dit geneesmiddel in handen ligt van een man, die weet hoe ver hij te ver kan gaan” (Idem, p. 409).
Wim Kan is tot aan zijn dood in 1983 trouw gebleven aan de
werkwijze die Bomans in 1960 beschreef. Hij bleef hoogwaardigheidsbekleders bij
hun voornaam noemen en op scherpzinnige wijze ontdeed hij hen van colbert,
stropdas en overhemd. Als het even kon ontdeed hij hen ook nog van hun hemd. Ik
herinner me de geraffineerde wijze waarop hij dat tijdens een van zijn
oudejaarsconferences op tv deed. Hij ging ministers prijzen, zeer prijzen,
regelrecht het graf in. “En wie ook
bekwaam is”, zei hij,
als hij net een minister had afgebrand. Na die woorden liet hij de naam van het
volgende slachtoffer vallen. Door de herhaling - de ministers die hij noemde
waren allemaal even bekwaam - en door de lijzige uitspraak, bekwaaaaaam, lag de zaal al
plat. Dan moest het feest nog beginnen.
‘De
dagboeken van Wim Kan,
1968-1983, De televisietijd’
begint met het volgende citaat: “Je kunt
in zo’n conference op negen van de tien gevoelige tenen gaan staan, maar de
meeste mensen hebben één gevoelige teen, daar mag alleen niet op worden
getrapt. Die staat in directe verbinding met het zere been en in dat zere been
woont het vorstenhuis of het geloof of de Paus of de Evangelische Omroep of…”
Kan nam dus niet alleen hoog geplaatsten op de hak maar ook de hokjesgeest zo niet benepenheid van het Nederlandse volk.
Op 13 maart 1978 wierp Kan meer licht op zijn werk. Hij schreef
dat hij als politiek cabaretier goed op de hoogte moest zijn van de
actualiteit. Daar reageerde hij in de theaters onmiddellijk op. Dagelijks
beulde hij zich af door verschillende kranten te lezen. Dat was het halve werk.
De rest was “altijd weer koortsachtig
zoeken naar die ene grap of die samenvattende zin over de situatie of de
gebeurtenis die de doorstane ellende vleugels geeft, zodat we met ons allen
hoog boven het gebeuren uit vliegen” (Televisietijd, p. 183-184).
De bevrijdende lach kwam voort uit kennis en gebundeld inzicht. Zo zette Kan het absolute op een schitterende manier in zijn hemd. Dat gaf vleugels, dwars door alle zuilen heen. Om de paar jaar was ons land even één. Die bundelende kracht bezat Bomans op radio en televisie ook. Deze ontzuilde ‘humoristen’ toverden met een lach voor even de dogmatische zuilen weg die ons land zo sterk verdeelden. De liberaal Kan deed dat bij de socialisten van de VARA, de katholieke Bomans veelal bij de liberalen van de AVRO. Later ging hij ook nog eens voor de protestanten van de NCRV werken. Aan deze grensoverschrijdende werkzaamheden lagen grote kwaliteiten ten grondslag. Om iets te noemen: Bomans zag Kan als een zeer kundig geneesheer van het ganse Nederlandse volk. En beroepsconferencier Kan noemde Bomans, na het zien van ‘Bomans in Triplo’, dat op 1 januari 1972 werd herhaald, “De beste presentator van Nederland” (Idem, p. 83).
***
De jongens Wim en Godfried werden in respectievelijk 1911 en 1913 op korte afstand van elkaar geboren: Scheveningen en Den Haag. Ze groeiden op in een milieu dat tot de elite behoorde. Hun vaders waren jurist. Dat zijn mensen die dol zijn op regeltjes. Zou daar de afkeer van de zoons van regeltjes en keurslijf vandaan zijn gekomen?
De vaders van Wim en Godfried zaten beiden in de politiek. Zou daaruit de afkeer dan wel fascinatie voor de politiek zijn voortgekomen? De vader van Wim, Johannes Benedictus Kan, was vanaf 1908 een hoge ambtenaar in Den Haag terwijl hij van 1926 tot 1929 minister is geweest. Johannes Bernardus Bomans werd in 1916 lid van de Tweede Kamer voor de Rooms Katholieke Staatspartij (voorloper van de KVP) en bleef dat tot in 1929. Beide Johannesen moeten elkaar van het Binnenhof gekend hebben.
Nee, politiek was niet het kopje thee van de zoons. Daar
gingen ze juist flink tegenaan. Gezag was voor hen niet heilig, er moest inhoud
achter zitten en geen leegte. Met humor en ironie namen ze overheid en politiek
op de korrel en ze prikten luchtballonnen door. Soms was het bittere ernst.
Bomans ontketende eind jaren ’40 enorme beroering met een pennenstrijd tegen
het ministerie van onderwijs, waarmee hij leerlingen van de middelbare school
probeerde te bevrijden van de slavernij, waarvan zij weinig baat en veel last
hadden. (Zie ‘Supplement op Werken deel V’ en ‘Bomans als provo’).
Kan schoot veel later dan Bomans in politieke actie. In 1971
werd bekend dat Hirohito, de keizer van Japan, naar Nederland zou komen. Dat
was dezelfde keizer in wiens naam Japan de oorlog in het Verre Oosten was
begonnen, waardoor Kan en talloze anderen in Indonesië in een ‘Jappenkamp’
waren terecht gekomen. Ruim dertig jaar na dato had Kan er nog nachtmerries
van. Hij schreef in 1975: “Was weer in
krijgsgevangenschap. Weer stond een Jap recht tegenover me. Schopte me in mijn
buik. We moesten inpakken en naar Djakarta. Alles wat ik nog bezat was nergens
meer te vinden” (Idem, p. 136).
Kan wilde het bezoek van de keizer aan ons land uit alle
macht tegenhouden. Per telefoon dicteerde hij aan Henk van der Meyden ‘Welkom
Hirohito’. Dat dictaat met ironische titel,
was bestemd voor de voorpagina van ‘de Telegraaf’. Dat was het startschot van
een heuse campagne de keizer buiten de deur te houden. Op 13 augustus 1971 wist
Kan dat Hirohito echt zou komen. Hij schreef: “Hele dag zitten piekeren wat daar nog tegen gedaan zou kunnen worden”
(Idem, p. 71). Hij overwoog zijn verzetsster aan de koningin terug te geven en
schreef haar een brief de keizer niet te ontvangen. Ook schreef hij de regering
aan. De actie van Kan kreeg veel aandacht in kranten en op televisie. Hirohito
kwam
en bleef drie dagen. Kan was op 10 oktober op Schiphol, hopend op een gesprek
van 1 minuut met de vertrekkende keizer. Ook dat zat er niet in. Hij schreef: “Een waanzinnige finale van een door mij
verloren wedstrijd” (Idem, p. 76). Zijn verzetsster kwam op de bodem van de
Westeinderplassen te rusten.
Toen de rust weer een beetje was teruggekeerd, bleek Kan behoefte te hebben aan een nabeschouwing van deze hectische tijd. Hij zocht iemand aan wie hij dat kon toevertrouwen. Op 26 oktober 1971 schreef hij: “Overweeg een televisiegesprek met Godfried Bomans in bij voorbeeld maart 1972 om beschouwend nog eens op de afgelopen weken terug te komen” (Idem, p. 78).
Twee bladzijden verder - op 25 december 1971 - schreef hij: “Godfried Bomans, 58, gisteren begraven.
Vannacht kon ik niet zo best slapen, stond op en las een half uurtje in
Godfried Bomans’ boek ‘De man met de witte das’ (…) en genoot weer van elke
bladzijde. (…)
Spijt, spijt, spijt
dat ik op zijn brief die ongetwijfeld een uitnodiging inhield voor een
televisie-interview (ik loop al een tijdje met een plan, schreef hij) niet ben
ingegaan destijds. Had graag eens met hem samen over die hele Hirohito-toestand
willen praten en dat eventueel over enige tijd laten uitzenden op tv. Maar het
hoeft niet meer. Hij is dood.”
Ik heb een overdruk van een brief uit Kan’s Brievenboek met als aanhef: “Zeer geachte Heer Bomans!” Hij staat op bladzijde 42 en 43 en is van 25 juli 1968. Kan reageerde hierin op een brief van Bomans. Door het ontbreken van een bundel met brieven van Bomans, wat ik een ernstig gemis vind, weet ik niet wat hij geschreven had, waardoor de reactie van Kan hier en daar halfduister blijft. Kan was zeer ingenomen met die brief en hij zou het prachtig vinden als Bomans een voorstelling zou komen bijwonen. “Nog prachtiger als U iets voor ons cabaret schreef”, voegde Kan er aan toe.
Veelzeggend omtrent de onderlinge waardering zijn de volgende
woorden: “U vindt mij goed - ik vind U
goed, wat vinden wij die Volkskrantcriticus samen slecht.” Mogelijk wordt hiermee Jan Blokker bedoeld.
Want op 30 december 1973 schreef Kan, nadat Blokker in ‘de Volkskrant’ de
komende oudejaarsconference ‘mies’ had
gemaakt: “’t Wordt tijd hem nu eens een
flinke opdonder te geven” (Idem, p. 117).
Wat er ook in de krant stond, de oudejaarsconference van 1973 bleek van historische waarde. Zij kwam spoedig op een langspeelplaat uit. Al op 18 januari 1974 werd het tweehonderdduizendste exemplaar voor het NOS-Journaal aan Kan uitgereikt.
***
Voor
zover me bekend, hadden Kan
en Bomans in 1962 voor het eerst schriftelijk contact met elkaar. Mogelijk is
dat al eerder gebeurd en hebben ze elkaar ook eerder ontmoet. Later is dat met
zekerheid het geval geweest, nou ja, bijna dan. Op dinsdag 5 maart 1968 keek
Kan om 10 voor 10 in de ochtend vanuit zijn woning in Kudelstaart naar buiten.
Hij zag zijn werkhuisje (zie bijlage) dat inmiddels een bezienswaardigheid was
geworden. Bij dat houten huisje stonden twee “vreemde heren” alsof zij daar woonden. “Die ene man was … Godfried Bomans!”, schreef Kan. “Niet te geloven. Ze zijn zeker tien minuten
doodrustig op ons land gebleven, slenterden wat rond, doodbedaard, bekeken
alles, hebben niet aangebeld en zijn tenslotte om tien uur weer weggereden”
(Idem, p. 5).
Onder deze practical joke staat zeker de handtekening van Bomans. Toch vind ik Kan ook een hoofdrol spelen, door niets te doen. Hij rende niet naar buiten en riep hun niet in Haagse tongval toe: ‘Jongens, lekker bakkie pleur?’. Dat had het hele toneelstukje bedorven.
Op 14 juli 1971 schreef Kan in zijn dagboek: “Luister elke dag om 12 uur naar Godfried
Bomans op Rottumerplaat. Hij was gisteren ziek en vertelde daar erg
egocentrisch van (ik ben zo warm en heb 37.6)” (Idem, p. 70).
Kan kon dus niet altijd waardering voor Bomans opbrengen maar elke dag naar de radio luisteren, betekende wel grote belangstelling. Kan kon toen niet weten dat Bomans tijdens zijn week kamperen op Rottumerplaat, ernstig ziek was geworden. Gedacht wordt aan een hartaanval.
Een andere keer dat Kan zich kritisch over Bomans uitliet
was bijna 10 jaar eerder, gelet op ‘De dagboeken van Wim Kan, 1957-1968, De
radiojaren’. Op 10 december 1962 schreef hij: “Het sneeuwt. Gedachten zomaar. Godfried Bomans is een groot man. Hij
is zeker een van de leukste mensen in Nederland, maar het vervelende is dat hij
zich aan niet één afspraak houdt en dat je hem nergens voor kunt krijgen. Zou
katholieke scène schrijven (…) en kwam tot driemaal toe niet op de afspraak.”
Ondanks kritische noten, was de wederzijdse waardering groot
en stonden ze met elkaar in contact. Die waardering zal zijn voortgekomen uit
hun grandioze gevoel voor humor, de kleinkunst die ze bedreven en hun kritische
geest, waardoor ze in staat waren zowel links als rechts tikken uit te delen.
Hoewel Bomans vanaf de jaren ’40 kritisch tegenover overheid en politiek stond
en in die zin links genoemd zou kunnen worden, kon hij in de jaren zestig bij
jong links geen goed meer doen, hoewel hij razend populair was, ook bij een
groot deel van de jeugd. Miljoenen mensen keken als hij op tv was terwijl zijn
boeken over de toonbank vlogen. Ze landden overal in het land, zelfs in
Soestdijk.
Een
dergelijke verloop maakte Kan ook mee. Op 16 juli 1968 schreef hij het volgende
over recensies in kranten na de première van ‘Hop! Hop! Hop!’, een voorstelling
waarmee hij iets goeds in handen meende te hebben:
“Dit zijn geen
recensies. Dit is valsheid in geschrifte” (Televisietijd, p. 9). Hoewel de
nieuwe voorstelling er vrijwel overal slecht vanaf kwam, sprong een krant er
toch bovenuit: “Volkskrant zeer slecht
(grof!)”, schreef Kan. Zijn vrienden zaten dus niet bij ‘de Volkskrant’,
een krant die midden jaren zestig de roomse kleren uitdeed, links werd en als
een ware bekeerling zich fel ging afzetten tegen de oude omgeving, waartoe ook
Bomans behoorde. Bomans werd er in 1969 uitgewerkt, na 24 jaar trouwe dienst.
Twee dagen later schreef Kan: “Door het liedje ‘Mevrouw van Dam’ heb ik het eindelijk zo ver gebracht dat ‘links’ gekwetst is. Ontwikkeling: tijdens de eerste twintig jaar van ons ABC-cabaret protesteerde rechts tegen mijn linkse stoten. Ongeveer tien jaar lang protesteerde niemand meer, de laatste paar jaar begint links zich te beklagen” (Idem, p. 9).
Weer drie dagen later meldde Kan “een daverende voorstelling met juichend publiek” (p. 10). En
hoewel de theaters soms matig bezet waren, kende Kan langdurig grote successen.
En niet alleen bij het gewone volk, waartoe ook veel jongeren behoorde. Onder
de bezoekers van zijn cabaret zaten heel wat grote namen, ondermeer uit het
bestuurlijke deel der natie zoals Wim Duisenberg, Ruud Lubbers, Piet de Jong,
Joop den Uyl en in 1978 koningin Juliana.
Kan kon bij de pers geen goed meer doen. De hele kleinkunst werd door jeugdige critici neergehaald. In het voorwoord van het dagboek over 1969 schreef Frans Rühl, de samensteller van ‘Televisietijd’: “Annie Schmidt, Toon Hermans, Wim Sonneveld en Wim Kan kunnen in deze samenleving van bezettingen en vernieuwingen geen goed meer doen bij de pers. Zij zijn volgens het nieuwste modewoord ‘uit’” (Idem, p. 18).
Desondanks bleef Kan belangstelling houden voor het talent dat zich in die dagen op het gebied van kleinkunst aandiende, zoals het cabaretduo ‘Neerlands Hoop’. Met een hoop kabaal deden ze alles anders. Zij waren dan ook hartstikke ‘in’. In september 1969 nam Kan een kijkje bij Bram (Vermeulen) en Freek (de Jonge) die in het Shaffy-theater optraden. Als vakman schreef hij er dit over: “Hele avond mij steeds afgevraagd: doen ze (doet Freek) expres zo slecht of per ongeluk? Persoonlijkheid hebben ze zeker, maar daarnaast staat een huiveringwekkend amateurisme. Slechte plastiek of liever gezegd geen plastiek. Slechte, slordige stem. Verwondering over de unaniem mooie pers. (…) Doodmoe word ik van die Freek met die zwaaiende, malende armen en benen. Toch was ik zeker vier- tot zesmaal zeer geboeid, ook door de mimische gaven van de pianist-organist Bram. Bijzonder boeiend af en toe. Maar Freek (vind ik) een drukdoenerige dikdoenige dilettant” (Idem, p. 34).
Ondanks stevige bezwaren tegen dat moderne
cabaret, had Kan toch waardering voor die twee. Hij zag er wel wat in
maar er moest veel verbeterd worden. Dat gebeurde, maar nog niet in
1974. Toen schreef Kan: “Op televisie
‘Neerlands Hoop in Bange Dagen’, Bram en Freek. Dat is dan modern, nieuw
(?), iets anders, maar … ik vond het helemaal niets” (Idem, p. 129).
Begin 1978 zag hij Neerlands Hoop weer op televisie. Kan schreef: “Tegen alle verwachtingen in vond ik het uitzonderlijk
goed. Freek, die ik niet uit kan staan, zelfs een goed acteur! Wel wat
bedenkingen, maar toch in grote trekken een boeiend programma” (Idem,
p. 182). In 1971 verklaarde Bomans in ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ dat hij een verwoed tegenstander was van de term ‘kleinkunst’. “Ik beschouw”, schreef hij, “mensen als Wim Sonneveld, Toon Hermans en Wim Kan als grote artiesten en ook wat ze brengen als grote kunst. Om dit allemaal met een kleine k te schrijven is een misvatting, die voortkomt uit wantrouwen tegen de lach. Holland heeft als excuus zijn calvinistisch verleden. Vlaanderen niet” (Werken VI, p. 698). Bomans schreef dit voordat Kan grote successen ging boeken op televisie. De overgrote meerderheid van de Nederlanders zal het grif met Bomans eens zijn geweest. Zo niet de culturele elite, een kleine minderheid van jonge critici die het voor het zeggen kreeg. Het gelijk van Bomans - die net als Kan helemaal ‘uit’ was - schuilt hierin, dat 35 jaar later, de namen van bovenstaande kleinkunstenaars nog fier overeind staan bij de oudere generatie. En van al het revolutionaire talent uit de jaren zestig kan dat alleen gezegd worden van Freek de Jonge en de inmiddels overleden Bram Vermeulen. |
|
De jaren zestig van de vorige eeuw waren in veel opzichten revolutionair. De grootste veranderingen voltrokken zich echter niet in de politiek, cultuur of op universiteiten, maar in huiskamers en op straat. Begin jaren zestig gingen de inkomens er met zo’n tien procent per jaar op vooruit. Na de karige jaren ’50 kregen grote groepen mensen veel meer geld te besteden. Dat ging ondermeer op aan brommers, scooters, auto’s en vakanties. De wegen raakten snel voller met Opel Kadetten, Kevers en Lelijke Eenden. Binnenshuis veranderde het leven drastisch door de komst van wasmachine, telefoon en televisie. Bovendien konden door de vondst van aardgas in Slochteren, de kolenkachels de deur uit en dankzij de geiser kregen mensen massaal de luxe van een douche.
Doordat de media beeldbepalend zijn en vooral de
(sensationele) uitzonderingen laten zien, ging de aandacht niet uit naar de
enorme veranderingen in het gewone leven maar naar veranderingen op het gebied
van kunst en cultuur, wetenschap, bestuur en politiek. In die jaren moest alles
anders. Ons land bleek haar calvinistische wortel, die van de Beeldenstorm in
de zestiende eeuw, waarin alles wat rooms was kort en klein werd geslagen of
werd ingepikt door protestantse opstandelingen, niet te verloochenen. Het ging
er fanatiek aan toe, het was bittere ernst, er kon geen lachje af. Het
voorgaande was niets, alles moest weg, alles moest nieuw, hoe ondoordacht en
onvolkomen dat ook was. In de praktijk kwam het hier op neer: oude lullen
moesten weg om plaats te maken voor de aanstormende jeugd. Zo werden Bomans,
Kan en anderen neergehaald. Kan schreef op 10 september 1969: “Tendens van deze tijd. Al het bestaande
moet weg. Sinterklaas is de enige die geen gevaar loopt” (Idem, p.33).
De
verbeelding kwam aan de macht. Kunst moest expressie, zelf-expressie en
experiment zijn. Zo werden er schilderijen gemaakt van fruitafval, lompen en
oude metalen. Bomans heeft daar nog met smaak over geschreven. Van die
kunstuitingen is vrijwel niets overgebleven.
In 1969 roerden niet alleen kranten en studenten zich, ook
de nieuwe generatie theatermakers en beeldend kunstenaars begon daarmee. Kan
had daar last van. Hij werd voortdurend voor de voeten gelopen “door wel zeer desinspirerende jongeren”,
schreef hij op 27 oktober. “Dezelfden die
met tomaten gooien naar de Nederlandse Comedie en het Rotterdams Toneel. De
Toneelschoolleerlingen…!” (p.37).
Jeugdige lieden, die nog alles moesten leren, gooiden tomaten naar mensen die het vak al lang verstonden.
Hoe moest het dan wel? De belangrijkste uiting daarvan lijkt me de opera ‘Reconstructie’, waarin kunst en politiek samenvielen. Dat was niet zomaar kunst, het was Kunst die de wereld zou veranderen. De opera was gemaakt door een collectief van musici en twee schrijvers te weten Hugo Claus en Harry Mulisch. Mulisch was in die jaren het opperhoofd van opstandig links en verheerlijkte de Cubaanse revolutie, waaruit een ferme dictatuur was voortgekomen. Op zondag 6 juli 1969 was Kan naar Amsterdam gegaan om eens een kijkje te nemen. Op maandagochtend, 3.30 uur, noteerde hij het volgende:
“Gisteravond de opera ‘Reconstructie’ in een uitverkocht Carré gezien. Prachtig publiek om te bekijken. ‘Hippe vogels’. Voorstelling boeide toch niet enorm. Erg mededelingenachtig. Een werkstuk van velen te zamen met af en toe wel mooie oeroude theatervondsten: meisje kleedt zich spiernaakt uit, oermensaap zweeft aan touw door half Carré. Twintig majoretten in badpak. Groot operakoor en vijf orkesten. Spreekkoren. Het ABC nogal primitief berijmd. Lange onverstaanbare opera-liederen. Dit alles bedacht door twee fanatieke schrijvers; maar fanatiekelingen hebben zelden veel humor. Voor humor heb je afstand nodig” (p. 28).
Ik geloof niet dat deze opera de jaren zeventig heeft
overleefd. Vermoedelijk een vroege dood gestorven. Ben wel benieuwd naar de
recensies in die dagen.
***
Bomans debuteerde in 1937 met ‘Memoires of gedenkschriften
van minister Pieter Bas’.
Over
de inhoud staat op het omslag van de negenentwintigste druk (1983): “De handel en wandel van politici, wier
gedragingen Godfried in het milieu van zijn vader - indertijd een bekend
Kamerlid en overdonderend redenaar - had leren kennen, worden in dit werk met
verfijnde spot aan de kaak gesteld”.
Spot en aan de kaak stellen komen ook voor in de succesvolle
boekjes van Pa Pinkelman. Daarnaast uitte Bomans zich ook geregeld direct over
politieke toestanden en het beleid van de overheid. Zijn uitspraak, dat grote
staatslieden - gelet op de wereldgeschiedenis - beter in bed konden blijven
liggen dan daadkracht te vertonen, omdat ze een beetje goed deden en heel veel
kwaad, mag er nog steeds zijn, nu de Verenigde Staten en de rest van de wereld
bijkomen van het bewind van voormalig president George Bush.
Bomans uitte zich ook krachtig in zijn ‘schoolstrijd’ eind
jaren ‘40. In het midden van de jaren ’50 schreef Bomans kritische stukjes over
de actualiteit onder de naam ‘Parlevink’. Niet iedereen vond die stukjes (en
latere) leuk. Bomans ontving vaak een stroom weinig milde dan wel boze reacties
van lezers van ‘de Volkskrant’.
In het voorwoord van de verzamelbundel ‘Werken IV’ staat, dat Bomans doodmoe werd van die korte stukjes. Hij moest er te veel offers voor brengen, zoals de noodzaak bij te blijven, door veel kranten te lezen. Eind 1956 stopte hij met ‘Parlevink’.
Wim Kan bleef kranten lezen. Dat sloopte hem behoorlijk maar
zijn voorstellingen gingen over de actuele politiek die steeds veranderde, dus
hij moest wel. Voor hem was het “altijd
weer de grote vraag: hoe kan ik dit vertalen in cabaret?” (Idem, p. 147).
Eind 1979 had hij een “daverende
voorstelling gespeeld” met alle ingrediënten voor de televisie-uitzending.
Simon Carmiggelt zei na afloop enthousiast: ‘‘Je
bent al klaar voor ouwejaar!!’’. “Ja”,
zei Kan, “maar…het kabinet staat op vallen” (Idem, p. 206). Kan zat hierdoor
zwaar in de zenuwen. Het kabinet-Van Agt dreigde te vallen over de
kernwapenkwestie. Op 12 december schreef Kan: “Geen touw meer aan vast te knopen en daardoor valt er voor 27 december
weinig te werken, want over een uur kan alles anders zijn” (Idem p. 206).
Het kabinet viel niet. Kan hoefde zijn oudejaarsvoorstelling niet koortsachtig
te wijzigen.
Kan vond het heerlijk om met fijne spot door leeg gepraat en opgeblazen gedoe heen te prikken. Een heuse collega van Bomans. Op papier kon Kan grover uit de hoek komen. Uit zijn dagboek heb ik een aantal uitspraken over politiek of politici gehaald.
17 augustus 1972 (p. 91): Van 11.00 uur af naar Biesheuvels regeringsverklaring op televisie zitten kijken… vijftig minuten gelul.
30 augustus 1977 (p. 173): Journaal van 21.35 uur. Kabinetsformatie Van Agt op flink. Een kwal vind ik hem nu weer. Een kwal die speelt dat hij kan relativeren maar… een zeer middelmatig, driftig, lustig baasje dat we zo vlug mogelijk kwijt moeten zien te raken.
23 april 1980 (p. 215): Vanmorgen een driekolomsfoto van Van
Agt gezellig dinerend bij de Japanse keizer op de voorpagina (van De Telegraaf, e.k.). (…) Mevrouw van Agt zit
gezellig naast de oorlogsmisdadiger aan tafel.
Hieronder citaten over de Verenigde Staten, die met zware bombardementen intens oorlog voerden in Vietnam, over twee van hun presidenten en de eerste minister van het Verenigd Koninkrijk:
9 maart 1968 (p. 5): Om half drie vannacht klaarwakker en
alleen maar aan ‘Johnson la la la’ liggen denken (…). Je mag niet zeggen
Johnson moordenaar, dat is beledigen van een bevriend oorlogsmisdadiger.
(Demonstranten maakten daarvan: Johnson molenaar,
e.k.)
24 december 1972 (p. 97): De Apollo 17 is weer veilig op aarde terug. Dit was de laatste maanreis. Amerika gaat nu met hetzelfde geld in Vietnam een maanlandschap aanleggen.
3 november 1976 (p. 164): Jimmy Carter is president van Amerika geworden. Nou gaan we lachen!!!’
13 juni 1982 (p. 253): Oorlog om de Falklandeilanden gaat door in alle hevigheid en onzinnigheid. Engelsen lijden zware verliezen, maar Margaret Thatcher leeft nog. En dat is jammer, vind ik.
***
Op 25 december 1971 kon Kan niet best in slaap komen, zo
bleek eerder. Bomans was een dag eerder begraven. Kan had ‘De man met de witte
das’ uit de boekenkast getrokken om er met groot plezier in te gaan lezen. Dat
boek van Bomans is een drieluik. Het eerste en laatste deel gaan over zijn
vader, een welsprekend politicus die geruime tijd Kamerlid is geweest. Het
middendeel bestaat uit verslagen van bijeenkomsten van politieke partijen aan
de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen in april 1971. Van dat deel is
‘Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek’ de weinig vleiende titel.
Het beeld dat Bomans hiermee opriep is dat van kleuters die met schepjes en
emmertjes in de weer zijn, mekaar een pets verkopen, vormpjes afpikken en
zandkastelen omverschoppen, dan hard weghollen met de ander krijsend achter
zich aan.
Waarom
bezocht Bomans die verkiezingsbijeenkomsten? Joeg een grote belangstelling voor
de politiek hem de zaaltjes in? Nee, politiek boezemde hem eerder weerzin in en
hij was van haar geringe macht overtuigd. Hij schreef: “Het zal u misschien zijn opgevallen, dat het uitgekookte spel van de
parlementaire democratie in het algemeen en van de Nederlandse politiek in het
bijzonder niet tot mijn speciale hartstochten behoort. Dit is dan zacht
uitgedrukt. Beide laten me koud. Ik betreur dit, maar het is niet anders”
(p. 115-116).
De politiek liet hem koud, schreef Bomans aan het eind van
zijn leven. Dat is iets anders dan afkeer en weerzin hebben, zoals ik eerder
schreef. Toch blijf ik daar bij. Bomans was zoon van een Tweede Kamerlid.
Politiek en politici vormden voor hem de bron van weinig vleiende geschriften.
Daar spreekt fascinatie en weerzin uit. Gaandeweg nam hij van die zandbak
afstand. Een half jaar voor zijn dood schreef hij tijdens zijn eenzame week op
Rottumerplaat, dat hij veranderd was. “De
verandering zit hierin: dat ik vrede heb met mezelf. (...) Ik heb geen wrevel,
geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden” (Dagboek van
Rottumerplaat, p. 28).
Bomans was ver gekomen: wrevel en wrok had hij overwonnen.
Dat de politiek hem koud liet, zie ik als overwonnen weerzin. Maar waarom toch
die belangstelling voor verkiezingsbijeenkomsten? Hij wilde de warboel zelf
eens bekijken, als waarnemer, waarbij hij “de
lijsttrekkers vrijwel los van hun staatkundige beginselen als mensen” (De
man met, p. 117) bekeek. Bomans lette vooral op hun kwaliteiten als spreker,
omdat hij zelf een goed spreker was en een liefhebber van retoriek, maar dan
wel van de echte, die men volgens Bomans, in zijn edelste vorm op de markt
aantrof. Iedereen stond stil bij het kraampje van de scheermesjesverkoper. De
verkoper wist dat die mesjes niet deugden, de toehoorders ook, maar ze kochten
toch van deze begenadigde redenaar. De verkoper hoefde er dus zelf niet in te
geloven, als hij het product maar aan de man wist te brengen. “Nu meende ik”, vervolgde Bomans, “dat politieke redenaars zich op deze ijle
hoogte bevonden. Die opvatting lijkt mij ook gerechtvaardigd. Men kan toch
moeilijk aannemen, dat lijsttrekkers werkelijk gelóven dat hun programma de
redding van het land betekent. Niettemin bleek dit het geval. Dat was een grote
teleurstelling. In plaats van het prachtige vuurwerk van mensen, die zelf wel
beter weten, kreeg ik de doffe knal te horen van een vuurvaste overtuiging. Op
deze bewustzijnsvernauwing had ik niet gerekend” (Idem, p. 57-58).
Bomans reisde in korte tijd naar negen zaaltjes in het land,
nam achterin plaats en noteerde. Politiek kon hem geen lor schelen maar er viel
genoeg te genieten. Zijn verwondering richtte zich ondermeer op het
verschijnsel verkiezingsbijeenkomst, dat het duidelijkst tot wasdom kwam bij
een bezoek aan Weert. Daar was de KVP (Katholieke Volkspartij, later opgegaan
in het CDA) bijeen met een forum van Kamerleden, staatssecretarissen en de
voorzitter van die partij, Mr. F. van der Stee. Gelet op de paar kruideniers
die er in de zaal zaten, vroeg Bomans zich af waarvoor die verspilling van
mankracht, tijd en energie nodig was. “Hierbij
komt nog”, schreef hij, “dat zo’n
handjevol mensen allang voor de KVP gewonnen is, anders zaten ze daar niet.
Zonderling. Het moet blijkbaar gebeuren, maar vreemd blijft het” (Idem,
p.103).
Ondanks het hoogst twijfelachtige nut van die bijeenkomsten,
bleef buitenstaander Bomans gaan en tekende mooie portretten op, waarvan ik
alleen de bekendste personen opvoer. Maar ik begin met de beste spreker, Marcus
Bakker, leider van de kleine Nederlandse communistische partij (CPN):
“De heer Bakker is een
voortreffelijk redenaar”, schreef Bomans.
“Hij behoort tot die sprekers, wier teksten bitter tegenvallen als je ze leest,
maar naar wie je ademloos luistert als je ze hoort. De
oorzaak hiervan is, dat zij het geheim van
de dosering bezitten. (…) Hij (Bakker, e.k.) voelt bijvoorbeeld
instinctief, wanneer het een zaal te veel wordt en veegt met één zwaai de
aandacht weer schoon. Zijn bezem is de humor. (…) Hij is bovendien gevat. (…)
Voorts heeft hij de beschikking over het vermogen om pathetische passages, die
hij allerminst schuwt, af te wisselen met parlando’s, die de toehoorders
gelegenheid geven wat uit te blazen. Dit alles heeft de heer Bakker. Hij heeft
alleen niets te zeggen” (Idem, p. 110-113).
Bakker was dus de beste scheermesjesverkoper van het hele land.
De inmiddels overleden Joop den Uyl, lijsttrekker van de
PvdA en later minister-president, sprak in Bergen op Zoom. Bomans gaf een
treffende typering, net als van de andere sprekers.
Den Uyl begon zijn toespraak sterk, toen ging het mis.
Bomans schreef:
“De heer Den Uyl gaat gebukt onder het
misverstand, dat je de dingen die je belangrijk vindt ook zeer nadrukkelijk
moet zeggen. Dit is oratorisch een vergissing van de eerste orde. Het kan
voorkomen, dat die nadruk gewenst en zelfs noodzakelijk is, maar men zij
daarmee spaarzaam. Ook een paukenslag ontleent zijn betekenis aan een
pianissimo vooraf of een afnemend volume daarna. Men kan niet blijven roffelen.
De heer Den Uyl sprak alsof hij voortdurend aan het slot van zijn rede bezig
was, in een constante opgewondenheid, die zijn toehoorders al spoedig
ondermijnde. Het foutieve van deze werkwijze bleek o.a. hieruit, dat de spreker
somtijds een spits meende beklommen te hebben en even hoopvol wachtte op een
instemmend applaus. Dit bleef echter uit, niet uit onwil, maar omdat de
toehoorders in dit slopend landschap van louter toppen niet in de gaten hadden
dat hier iets extra hoogs beklommen was” (Idem, p. 78-79).
In Amersfoort zag Bomans Hans van Mierlo (later minister) van de jonge partij D’66 aan het werk, op een woensdagavond. Bomans nam het de opperste leiding van die partij nogal kwalijk juist die avond te hebben gekozen, met drie uur lang voetbal op televisie, “ongeveer het heerlijkste, wat er bestaat” (Idem, p. 97). Hij tekende het volgende op:
| “In
zijn manier van spreken zit iets sympathieks, dat vooral in het begin
zeer voor hem inneemt. De heer Van Mierlo wil namelijk tot elke prijs
de indruk vermijden, dat hij het weet. Zodra hij een begin van stelligheid
bespeurt houdt hij even in om zich op de mogelijkheid van zijn ongelijk
te bezinnen. (…) Wat zulke mensen echter vergeten is het feit, dat wij
naar dit zaaltje gekomen zijn in de mening dat hij het beter weet, want
anders waren we thuis gebleven. (…) Overigens zei hij een paar dingen,
die mij juist leken”
(Idem, p. 98-100). Hans Wiegel, aanvoerder van de VVD, later minister en in 2009 nog steeds schaduwkoning van die partij, sprak in Zandvoort: “De heer Wiegel is de beste spreker van de vier, die ik tot dusver beluisteren mocht”, schreef Bomans. “Ik heb mij wel duchtig verveeld, maar dat komt omdat dit soort politieke uiteenzettingen mij nu eenmaal niet interesseert en dat kan de heer Wiegel niet helpen. Hij deed het goed. Met goed bedoel ik niet, dat hij een echt spreker is, want die zijn er in Nederland niet. Hij meende alleen wat hij zei. (…) Hij zag de betrekkelijke redelijkheid van andere standpunten in, maar vond die van de VVD toch de beste” (Idem, p. 82). |
![]() |
De vraag waar Bomans in politieke zin stond, is na het voorgaande
vrij zinloos. Zelfs Wiegel - de redelijkste
spreker - vond hij geheimtaal uitslaan. Als een geneesheer constateerde Bomans
dat Wiegels taalgebruik een “milde vorm van krankzinnigheid” (p. 84) was waar ons politieke bestel aan leed. Met de analyse van dat ziektebeeld
bood Bomans geen therapie aan maar toch “een eerste stap tot genezing”.
Bomans hoorde liever andere taal, over andere dingen, waarmee hij de politiek ontsteeg. Dat blijkt uit het volgende citaat:
“Terwijl de heer Wiegel ons deze waarheden
voorhield, ruiste door de muren van het zaaltje heen het geluid van de zee,
want hij sprak vlak bij de boulevard. Ik heb ervan genoten. Dit gaat door, wat
er ook gebeurt. Oneindig, als het diepe ademhalen van God zelf. Af en toe klonk
zacht het geklaag van een boei, die dwars door de woorden van de heer Wiegel
blies. Een keer scheerde zelfs een meeuw met een schelle kreet vlak langs de
ramen de donkere nacht weer in. De gedachte, dat daarbuiten die tijdeloze
dingen gebeurden verschrompelde de spreker tot een kabouter, die tussen reuzen
staat en vergeefs het woord verlangt” (Idem, p. 84).
Tijdens die verkiezingsbijeenkomsten viel er voor Bomans
veel te genieten maar niet wegens de taal van politici. En partijprogramma’s
maakten het er niet beter op: “Als ik
zo’n programma gelezen heb, denk ik:
dat is het. (…) Je leest bijvoorbeeld, ik doe maar een greep, dat de PVDA voor
meer huizen is, beter onderwijs en een grotere welvaart, maar weer tegen
inflatie, luchtbederf en watervervuiling. Goed. Nu wil het toeval, dat dit ook
mijn standpunt is” (Idem, p. 73-74).
Het probleem voor Bomans was dat alle partijen ergens voor dan wel tegen waren. Hij had danig behoefte aan partijen die juist het tegendeel beweerden. Die kon hij schrappen. “Helaas”, schreef Bomans, “die partijen zijn er niet en ik moet ze allemaal gelijk geven” (Idem, p. 74).
Op drieëntwintig partijen stemmen was er niet bij dus ik vermoed dat Bomans geen keus had. Ik denk zelfs dat hij een bezoek aan het stemlokaal al net zo lang vermeden had als een bezoek aan de biechtstoel. En dat was lang.
***
Waar stond Kan? Hij ging stemmen, ik vermoed PvdA, totdat
daar een eind aan kwam. In een notitie van 25 mei 1977 staat: “Besloten in nauw overleg met Ol
(koosnaam voor zijn vrouw, e.k.) niet te
gaan stemmen” (Televisietijd, p.
170). Meer duidelijkheid verschaffen zijn aantekeningen van 26 mei 1981: “Vandaag stemt Nederland. Ol en ik niet. Ter
elfder ure stuurde Wiegel ons nog een kaartje: u gaat toch ook stemmen?, maar
beiden hadden we er ten slotte toch geen zin in. Stemmen op van Agt of Wiegel
zie ik als verraad tegenover mijn diepste overtuiging: geen kernwapens en geen
kerncentrales. (…) Ik had wel mijn stem willen geven aan een sympathieke Den
Uyl of Terlouw (D’66) wegens hun anti-kernopstelling, maar de manier waarop zij
zich in de verkiezingscampagne gedroegen is mij tegen gaan staan. En omdat mijn
voorkeur, mijn sympathie nergens in één persoon wordt verenigd, ben ik heel
bewust niet gaan stemmen en heb daar tot nu toe nog geen spijt van” (Idem,
p. 236).
Kan ging niet stemmen omdat hij zich nergens meer thuis
voelde, Bomans kon niet kiezen omdat hij zich bij alle partijen thuis voelde.
Ondanks frappant verschil, vermoedelijk een overeenkomstig resultaat.
In 1971 voerde Kan een flinke politieke strijd om keizer
Hirohito van Japan buiten de deur te houden. Door een brief aan koningin
Juliana wilde hij in ieder geval voorkomen dat de keizer met de koningin een
vorkje zou gaan prikken op Soestdijk. Afgezien van de beroering die Kan in het
land teweegbracht, vroeg hij zich na het versturen van die brief het volgende
af: “Ben benieuwd (…) of er nog enige
invloed van uit zal gaan” (Idem, p. 72). Anderhalve week later ontving hij
een ambtelijke reactie. Het was internationaal gebruikelijk de keizer te
ontvangen en dat was niet aan de koningin maar viel onder de
verantwoordelijkheid van de regering.
Bomans
voerde in 1947-1948 een forse pennenstrijd tegen het ministerie van onderwijs.
Hij veroorzaakte veel beroering. Ook hij was benieuwd of zijn ‘schoolstrijd’
iets in Den Haag zou uithalen. Hij maakte zich geen enkele illusie want hij
schreef: “Men zal een sub-commissie vormen.
En dan zal blijken, dat de invloed van den heer Bomans op het Binnenhof
uitermate gering, zo niet totaal nul is” (Supplement op Werken, deel V, p. 29-30).
Bomans kwam ruim twintig jaar eerder dan Kan er achter, wat zijn plaats in Den Haag was.
Door die ervaring en doordat Bomans bij zijn vader in de politieke keuken had
gekeken, kan zijn weerzin van de politiek zo groot zijn geworden dat hij er
zich vanaf keerde. Door in het midden van de jaren vijftig de column
‘Parlevink’ voor ‘de Volkskrant’ te verzorgen, werd hij weer gedwongen de
actualiteit en dus ook de politiek te gaan volgen. Bomans was weer even de
(politieke) actualiteit ingestapt, werd er bijna door meegesleurd en stapte er
na twee jaar uit. Hij had er genoeg van.
Bomans had Kan als geneesheer van Nederland opgevoerd. Kan gaf de bevolking af en toe lucht. Bovendien hield hij niet twee jaar maar levenslang de hand op de pols van de tijd. Een slopende bezigheid waarvan hij niet vrolijk werd. Altijd maar met zijn neus op de actualiteit. Naar aanleiding van de treinkaping door Molukkers in Beilen waarbij doden vielen, schreef Kan eind 1975: “Toe maar jongens. Vooruit maar weer. Wij zijn er nu al weer meer dan vierentwintig uur mee bezig. Maakt me angstig, moedeloos, machteloos en woedend” (Televisietijd, p. 147).
Met de toestand in de wereld en die in Nederland in het
bijzonder, schreef hij een jaar eerder: “En
intussen valt de wereld ongeveer ineen en leven we welgemoed naar de
eindcatastrofe toe” (Idem, p. 131). In 1981 had Kan het gevoel dat de
wereld zo’n beetje bezig was te vergaan en schreef met instemming de
verzuchting van Gerard Reve: ‘O Heer dat
koninkrijk van U, komt daar nog iets van?’ (Idem, p. 231). (Deze woorden
zijn ontleend aan de slotregel van Reve’s gedicht Graf te Blauwhuis (1965): “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat
nog wat?”)
Het volgen van het nieuws was één, het koortsachtig zoeken naar die paar kwinkslagen waarin alles gevat werd en de lach in theaters kon opklinken, was twee. Wat een baan. Waarom bleef Kan zich verdiepen in maatschappelijke en politieke ellende? Waarom bleef politiek zijn brood? Hij zal het zeker interessant gevonden hebben. En waarschijnlijk was zijn weerzin tegen de politiek een stuk minder dan bij Bomans. Want ondanks overeenkomsten, waren de verschillen tussen hun vaders groot. Kans’ vader was een ongebonden liberaal. Hij hoefde zich dus niet ondergeschikt te maken aan de partijlijn en hoefde dus ook niet met één mond te praten, waardoor ook nu nog zoveel ongeloofwaardige wartaal ontstaat. Doordat die vader langdurig een hoge ambtenaar in Den Haag is geweest en drie jaar minister - een van de populairste van zijn tijd - is hij moeilijk een echte politicus te noemen. Vader Bomans was dat wel. In 1913 trad hij toe tot de Katholieke Propagandaclub als politiek redenaar. Hij zette zich in voor de Roomse zaak wat tot doel had de onderdrukte en achtergestelde katholieke bevolkingsgroep van ons land te emanciperen. Hij is zeer rechts te noemen en was van mening dat de socialisten de vijand waren die fel bestreden moesten worden. Die goddeloze horde bestreed hij “niet met practische politieke argumenten, maar met een appèl op godsdienstige sentimenten” (Godfried, Het leven van de jonge Bomans, 1913-1945, p.18). Gelovig rechts moest winnen. Dat is ook wel enigszins te begrijpen want het waren de roerige tijden van de eerste wereldoorlog met de dreiging van revolutie. In 1917 was het in Rusland zo ver en een jaar later in Nederland bijna zo ver, onder Troelstra, de leider van het socialistische SDAP.
Ten
gunste van de Rooms Katholieke Staatspartij, hield mr. J. B. Bomans overal
lezingen die geroemd werden. Michel van der Plas, schrijver van bovengenoemde
‘Godfried’, merkte daarover op: “Ze zijn
nu nauwelijks leesbaar; ze schijnen eindeloos, herhalen zich tot vervelens toe,
staan bol van clichés” (p. 20).
Zo te zien was vader Bomans in die jaren de beste scheermesjesverkoper van Nederland en werd hij in 1916 gekozen als lid van de Tweede Kamer. Dat bleef hij dertien jaar. De jonge Godfried had dus veel meer tijd en reden om zijn aversie tegen zijn vader en het politieke leven op te bouwen, dan de jonge Wim.
De geestelijke wereld waarin de jongens Wim en Godfried
opgroeiden verschilde enorm: vrijdenkend liberaal tegenover streng katholiek.
In hun jonge jaren kregen ze dus heel wat anders te horen en te zien.
Desondanks hadden die twee wel broers van elkaar kunnen wezen, alleen al door
dezelfde zilte lucht die zij in de eerste maanden van hun leven hadden
opgesnoven, niet ver van het Binnenhof, waar hun vaders invloed wisten uit te
oefenen, zij niet of nauwelijks.
Wim en Godfried waren nadenkend en zeer geestig. Beiden voerden een politieke strijd die ze verloren en politiek was een inspiratiebron, hoewel dit voor Bomans veel minder geldt. Ze veegden dikdoenerij en loze praatjes weg met de bezem van de humor. ‘Haagse’ broers lijkt me een aardige typering. En behalve hun voorkeur voor voetbal, hadden ze meer gemeen. Kan stond in het theater als cabaretier, Bomans in vele zaaltjes als spreker. Ze gaven voorstellingen. Ze speelden met de zaal en met woorden. Overdrijf ik niet? In de Provinciaal Zeeuwse Courant stond op 9 november 2005 een interview van Hans Visser met de man die samen met Annemarie Feilzer de kort daarvoor uitgekomen dvd’s had samengesteld. Men zou verwachten dat dit iemand zou zijn van middelbare leeftijd of ouder, een volle Hollander en een gekend Bomans-liefhebber. De samensteller was echter pas 26 jaar oud en is een nieuwe Nederlander. Hij werd geboren in India en is hier opgegroeid. Shishir Bestebreur is dus een onverdachte bron. Als redacteur van het televisieprogramma ‘Andermans veren’ kwam hij met Bomans in aanraking. Het resulteerde in 4 dvd’s die goed verkocht werden, met maar liefst 14 uur beeldmateriaal. Het televisiewerk van Bomans vindt Bestebreur tot het Nederlands cultureel erfgoed behoren. Over Bomans als entertainer gaf hij de volgende rake typering:
“Het is fascinerend zoals (hij) bij elk
optreden zijn publiek bespeelt. Zodra hij het woord krijgt haalt hij eerst een
hand door zijn haar, dat dan nog net zo verward zit. Dan zet hij zijn bril nog
eens goed, kijkt het publiek aan en begint dan vaak, een tikje verstrooid, voor
te lezen of te vertellen. Dat is altijd een trefzeker spel met een bijzonder
woordgebruik, in zinnen waarmee hij bouwt aan een climax. Uiteindelijk kijkt
hij dan verbaasd op als iedereen lacht. Dat was Bomans.”
Dit is cabaret, in ieder geval kleinkunst. Bomans en Kan
waren dus ook nog eens vakbroeders, die beiden in 1954 bij de radio begonnen en
bij de televisie eindigden. Eerst links dan wel kritisch, toen rechts bevonden
en door de jeugdige culturele elite van de jaren zestig ‘uit’ verklaard. Ze
hadden lak aan de hokjesgeest van hun tijd, gingen werken waar ze niet hoorden
en vlogen tijdens uitzendingen over en door alle zuilen heen. Beide geneesheren
van volk en politiek braken de schotten tussen bevolkingsgroepen even af en
sloopten de oude regentenmentaliteit met humor.
De waardering die deze broers voor elkaar hadden, kwam dus niet uit de lucht vallen. Ze deelden ook nog eens een zeker pacifisme wat zich uitte in hun stellingname tegen kernwapens, en een humanisme, omdat ze overtuigd waren van de knoeiboel die we er met zijn allen van maakten terwijl dat helemaal niet nodig was.
Kan, altijd met zijn neus op de narigheid, was daarover veel
somberder dan Bomans. Dat blijkt goed uit hun reactie op de maanlanding van de
Amerikanen in 1969. Op 22 juli van dat jaar schreef Kan:
“Historisch moment, onbegrijpelijk, grootse prestatie. Technisch kunnen we nu zowat alles en zijn we enorm geëvolueerd, maar in ons hart zijn we nog diezelfde lullige, kinderachtige, kleine vleesetende strebertjes van tienduizend jaar geleden. We staan nog geen uur op de maan of we beginnen aan precies dezelfde poppenkast die ons op aarde zo ongelukkig heeft gemaakt: we planten de nationale vlag in de internationale ruimte van het heelal” (Televisietijd, p. 30).
Bomans dacht dit van de maanlanding:
“Nu geloof ik dat een
van de belangrijkste winstpunten van de ruimtevaart hierin bestaat, dat in dit
gemis (van zichtbare eenheid onder de volkeren, e.k.) plotseling is voorzien.
Haarscherp staat opeens de aardbol in de ruimte afgetekend en die afbeelding is
fotografie, door een mens op een andere
bol gemaakt. De betekenis hiervan is deze, dat we voor het eerst onszelf kunnen
bekijken. Door deze collectieve
herkenning zijn we in een nieuwe fase van bewustwording gekomen. Visueel
waarneembaar staan we op een kluitje aan de ontzaglijke hemel bijeen gedrongen,
niet meer Amerika, Rusland of China, maar de wereld als geheel, de mensheid dus. Het psychologisch effect
van zo’n ‘groepsfoto’ is het plotseling absurd worden van de oude indelingen in
nationaliteiten en de daaruit volgende vorming van machtsblokken: heel die
onderlinge agressie wordt nu tot een kibbelpartij in een zandbak teruggebracht,
omdat we die bak verlaten hebben en er buiten staan” (Werken IV, p. 836).

Zowel Kan als Bomans zagen het kwaad van het nationalisme, dat de laatste jaren in ons land en elders flink is aangewakkerd door angstige reacties op mensen van elders met een ander geloof. Daar is altijd narigheid van gekomen. Voor Kan was de enorme menselijke prestatie van naar de maan gaan aanleiding een voorzetting te zien van de nationalistische, kinderachtige en afschuwelijke vertoning hier op aarde. Bomans zag het anders. Hij zag eindelijk het moment aangebroken waarop de mensheid volwassen kon gaan worden en de onbenulligheid van nationale staten kon gaan afschaffen. Dat spelen in de zandbak moest maar eens afgelopen zijn, niet alleen in Den Haag maar ook in Washington, Moskou en Peking.
De vraag die overblijft is wat deze mannen met hun kritische
houding bereikt hebben. In direct zin waarschijnlijk niets, zeker niet op het Binnenhof.
Maar ze deden bij het volk wél wat: ze boden plezier. Dat is al een grote
verdienste, temeer daar het plezier voortkwam uit inzicht. En ze deden meer. De
oude regentenmentaliteit, waarvan het calvinistische Nederland doordrongen was,
waarbij gezagsdragers min of meer een door God uitverkoren volkje was waar niet
aan te tornen viel, werd stukje bij beetje gesloopt. Kan en Bomans prikten door
waan en schijn heen en lieten zien dat hooggeplaatste figuren in de samenleving
feilbare mensen waren, die van tijd tot tijd niet alleen figuurlijk maar ook
letterlijk in hun hemd stonden. De afstand tussen volk en bestuurders maakten
ze een stuk kleiner en zij maakten, dat het uitoefenen van kritiek op hoog
geplaatsten, gewoon was. Zo bezien waren ze al heel vroeg de wegbereiders van
de opstandige en anti-autoritaire jeugd uit de jaren zestig, die hen zo weinig
goed gezind is geweest. Dit
baanbrekende werk is voor zover me bekend, nergens opgemerkt.
Bomans was een rijk man die bleef uitdelen. Miljoenen ontvangers deed hij telkens weer een plezier; lezers, kijkers en luisteraars. Kan deed hetzelfde. Ik acht hem even rijk maar hij was een gespecialiseerd vakman waardoor er geen boeken van z’n hand zijn verschenen. Kon ook niet anders. De man was voortdurend op reis naar theaters, repeteerde, trad op, verslond kranten en piekerde zich suf over die paar woorden die hij nodig had om de zaal aan het bulderen te krijgen. Dat prachtige hondenleven slokte al zijn tijd en energie op. Bomans was al snel bekaf van het schijven van ‘Parlevink’. Als hij als schrijver met (politieke) columns was begonnen en dat was blijven doen, had hij qua eenzijdigheid noodzakelijkerwijs meer op Kan geleken.

De namen Kan en Bomans hebben de tijd doorstaan. Die van
Bomans, in 1971 overleden, leeft zelfs krachtig voort. Eind vorige eeuw kwam de
verzamelbundel ‘Werken’ uit, later kwamen de verfilming van ‘Erik of het klein
insectenboek’ en de dvd’s met televisiebeelden op de markt. Ook anderszins
leeft Bomans voort. In 2004 werd bij het examen Latijn voor vwo’ers een citaat
van Bomans gelegd naast een van de grote filosoof en politiek redenaar Cicero,
over de pacifistische uitwerking van de ruimtevaart. En op 16 november 2005
stond in ‘Trouw’ een column van literair criticus Rob Schouten. Hij was op een
bijeenkomst geweest waar de inbreng van Marokkaanse schrijvers in de
Nederlandse letteren aan de orde kwam. Hij verwachtte dat die inbreng sterk zou
verschillen van het bestaande, meer exotisch, meer sprookjesachtig. Dat was
niet zo. Schouten keek verbaasd op toen ‘inktmarokkanen’ hem vertelden dat
Gossaert, Bordewijk en Bomans hen beïnvloed hadden.
In 2005 werd Bomans in dagblad Trouw tot drie keer toe fors geciteerd, tweemaal in de parlementaire rubriek ‘Zij van het Binnenhof’ (24-5 en 31-5) en eenmaal door oud-hoogleraar J.A.A. van Doorn, in een commentaar over de Nederlandse politiek (5-11). Bomans kwam in die stukken niet voor om zijn sublieme humor maar om zijn inzicht. Ten slotte leeft Bomans krachtig voort op deze site.
Bomans kon afstand nemen. Kan was ook het zand ontstegen maar moest middenin het politieke nieuws blijven staan om zijn cabaret actueel te houden. De politiek was de ene dag zus, de andere dag zo. Daar kwamen geen grote beschouwingen uit voort want hij speelde er direct op in. Zijn grote succes kwam voort uit directheid, uit korte-termijn reacties. De prijs hiervan was dat zijn werk snel verouderde en aan belang inboette.
Hoeveel strenge regenten, politici, dominees, priesters, en schoolmeesters hebben in ons land talloze mensen aan het huilen gemaakt, of bang, boos, verward of radeloos? Heel wat. Gelukkig zijn er altijd wel een paar mensen geweest die ons hebben laten lachen. Zij die dat kunnen - fonkelende humor op basis van inzicht - vind ik een geschenk van de goden.
28 mei 2009
Dit niet eerder gepubliceerde stuk is in 2005 geschreven. Nu, vier jaar later, is het verbeterd en van illustraties voorzien. Inhoudelijk is er niet veel veranderd.
Bijlage
Het tuinhuisje van Kan, waarvoor Bomans veel belangstelling toonde, was een bezienswaardigheid, alleen al door de constructie. Het was een houten keet met openslaande deuren dat op een as stond. Het kon dus draaien. Kan richtte het af en toe op de zon. Daar las, dacht en schreef de meester in alle rust aan zijn beste stukken. Daarom noemde hij het zijn werkhuisje maar ook draaihuisje en toverhuisje. Als ik het goed begrepen heb was het ook zijn terugtrekhuisje, om van zijn veel om aandacht vragende vrouw af te zijn.
Na de dood van Kan in 1983 stond het laatste heilige huisje
van Nederland te verpieteren. NRC-columnist Frits Abrahams schonk daar ongeveer
10 jaar geleden aandacht aan en meldde dat het gesloopt zou gaan worden. Dat
maakte veel reacties los. Er kwam een raad van beheer met mensen
uit
de wereld van de kleinkunst: Youp van ‘t Hek, Herman van Veen, Paul van Vliet
en Frank Verhallen. Het huisje verhuisde op 16 oktober 2000 naar ‘s
Hertogenbosch en werd bij het Koningstheater neergezet, als monument bij een
waar cabaretmekka, want dit theater was gespecialiseerd in cabaret en het was
verbonden aan een kleinkunstacademie. In augustus 2004 kreeg het Koningstheater
een andere plek in de stad waar geen plaats was voor het huisje van Kan. Het is
gedemonteerd en opgeslagen, in afwachting van een definitieve bestemming.
Naschrift (2009)
Na de Tweede Wereldoorlog viel Nederland terug in zijn oude
plooi, van zuilen, starheid en hiërarchie. De ‘culturele revolutie’ van de
jaren zestig was een reactie. In 1969 typeerde Kan de tijdgeest treffend: “Al het bestaande moet weg.”
Hoewel Bomans, Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans grote
verdiensten hadden voor de Nederlandse samenleving, werden ze in die tijd ‘uit’
verklaard, ofwel bij het grof vuil gezet.
Allerlei vertrouwde
beelden werden neergehaald, niets deugde meer, alles moest anders, volgens de
jeugdige linkse elite die het heft in handen kreeg, de nieuwe machthebbers.
Historicus James Kennedy constateerde in ‘NRC Handelsblad’
van 4 maart 2004 “De collectieve
bereidheid om ineens afscheid te nemen van oude waarden en zich tot nieuwe te
bekeren.”
Kennedy wees erop dat dit niet louter een gevolg was van de opstandige
groepering in de jaren zestig maar dat daar voorbereidend werk aan vooraf was
gegaan.
Toch blijft de vraag waarom de oudere generatie, zonder slag of stoot, de
onervaren jongeren vrij spel gaf. De vorig jaar overleden socioloog J.A.A.
van Doorn geeft daarop in ‘Nederlandse democratie’ uit 2009 een antwoord.
Van Doorn was tussen 1963 en 1967 decaan van de Sociale Faculteit aan de latere
Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij schreefop pagina 13-14:
“Die periode is voor
mij wel een hele grote schok geweest. Voor die tijd was ik op een vage manier
progressief, op zich weer een reactie op mijn katholieke jeugd. Maar de jaren
zestig hebben mij daarvan genezen. Ik heb toen te veel karakterloosheid gezien.
Er waren collega’s die net als ik niet geloofden in dat hele overspannen
democratiseringsgedoe aan de universiteiten, die ook wel inzagen dat het peil
van het onderwijs enorm daalde naarmate de studenten het heft in handen
probeerden te krijgen. Ze zeiden dat alleen niet in het openbaar. In gesprekken
onder elkaar werd er gezegd: Luister eens, ik begrijp heel goed Jacques wat je
bedoelt, en het is natuurlijk ook wel waar, we kunnen dat one man one vote niet
toepassen….afijn, een heel verhaal, je hebt helemaal gelijk, maar je hoort het
mij niet zeggen dat het niet kan, want ik kom uit een links nest, en dit is
links!”
One man one vote betekende dat de stem van een beginnend
student net zo zwaar woog als die van de professor. En omdat er tijdens vergaderingen
minder professoren waren dan studenten, zou de macht van studenten
disproportioneel worden.
Democratisering moest in die tijd, niet alleen als middel, maar meer als doel op zich. Het was een links dogma geworden. Praktisch gezien betekende dit nivellering, waarbij niet het lagere peil omhoog werd gebracht maar het hogere peil omlaag. Van Doorn voorzag een enorme daling van het onderwijspeil.
Toen ik in de jaren zeventig algemene economie studeerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, was de democratisering op die faculteit, naar mijn idee, nog niet doorgevoerd. Zo was wiskunde voor mij een zware kluif. Na een middag blokken in de zomerhitte kwam een vriend langs die de Sociale Academie deed. Hij had net een tentamen afgelegd waarvan hij zelf het cijfer had mogen bepalen. Ik stond versteld.
Ik weet niet in hoeverre dit structureel was maar ik zie hierin een bevestiging van het vermoeden van Van Doorn, dat het onderwijspeil achteruit holde door de democratisering, nee, door de nivellering.
Al jaren wordt er in Nederland geklaagd over het lage peil
van schoolverlaters. Daarover kan ik meepraten. Mijn dochter haalde met een
aardige lijst in 2001 het Havo-diploma.
Hoewel dat nu verholpen is, wist ze zich toen geen raad met het vervoegen van
werkwoorden. Hij spelt, hij speld of hij speldt, ze gokte maar wat. Ze kende de
regels niet. Hoe dat kan, na zo veel jaar onderwijs, is me niet duidelijk.
De aandacht is verschoven naar de leerkrachten. Onderwijzers
en juffrouwen van de lagere school kon je vroeger een foutloze brief laten
schrijven. Huidige afgestudeerde Pabo-studenten
blijken veelal zwak in taal te zijn en juist zij moeten kinderen foutloos leren
schrijven. Dat kan niet. Bovendien blijken Pabo-studenten
veelal zwak in rekenen te zijn.
Op deze manier is zwak onderwijs op de basisschool gegarandeerd. Ik vermoed dat
dit een vrucht van de bejubelde revolutie uit de jaren zestig is.
Gerelateerde artikel
Bomans als provo (essay, 2005)
Gerelateerde aan te klikken artikelen
Verantwoording illustraties
1.
Bomans in tijdschrift Vrij Nederland van 5-12-1981,
detail.
2.
Wim Kan, afbeeldingen Google
3.
Knipsel uit privédagboek van Kan, afgedrukt in ‘De
dagboeken van Wim Kan, 1968-1983, De televisietijd’
4. Foto gemaakt tijdens een van Kan’s conferences uit ‘Televisietijd’
5. Omslag van ‘Televisietijd’
6. Wim Kan in gesprek met NOS-redacteur Hans van der Werf. Tussen beiden in de afbeelding van keizer Hirohito. Afbeeldingen Google
7.
Werkhuisje van Kan, Internet
8. Kan tijdens een van zijn conferences. Detail van foto uit ‘de Volkskrant’ van 31-12-2005 bij een interview van Wilma de Rek en Frans Rühl, samensteller van ‘Televisietijd’
9. Bomans op voorkant van tijdschrift Hollands Diep van 20-12-1975, detail
10. Bomans als Sinterklaas in Enkhuizen (1961) uit ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’.
11. Voorkant van de eerste druk van Bomans’ eerste boek Pieter Bas (1937)
12. Voorkant van Bomans’ ‘De man met de witte das’ (1971)
13. Marcus Bakker van de CPN uit ‘De man met de witte das’
14. Joop den Uyl van de PVDA, idem
15. Hans van Mierlo van D’66, idem
16. Hans Wiegel van de VVD, idem
17. Bomans tijdens een radio-uitzending uit Jeroen Brouwers’’De wereld van Godfried Bomans’
18.
Vader Bomans uit ‘De man met de witte das’
19. Bomans tijdens een lezing in een kerk in Spijkenisse
20.
De aarde vanaf
de maan bezien, website van Kees Floor
21. Zevendelige verzamelbundel ‘Werken’
22. Transport van Kan’s tuinhuisje
23.
Socioloog en historicus J.A.A. van Doorn (1925-2008).
Op deze wijze keek hij de laatste 7 jaar van zijn leven wekelijks de lezers van
zijn beschouwingen in dagblad Trouw aan. Bron: ‘Trouw’