
Bomans en Titus Brandsma
Edward Krabbendam
In de jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkelde Godfried Bomans zich als schrijver, wat in 1937 resulteerde in ‘Pieter Bas’, een nepbiografie van een nooit bestaand hebbende minister. Ondertussen studeerde hij in Amsterdam waar hij kandidaats rechten behaalde. Het zinde hem daar niet. Eind 1938 of begin 1939 ging hij naar Nijmegen om er wijsbegeerte en psychologie te gaan studeren tot in 1943, toen de universiteit haar poorten sloot, ten gevolge van de Duitse bezetting (1940-1945).
In Nijmegen heeft Bomans een mooie tijd gehad waarin hij feest vierde maar ook schreef. ‘Erik of het klein insectenboek’ kwam daar tot stand. Het werd een bestseller die in binnen- en buitenland nog steeds verkocht wordt. Studeren deed hij met mate. Wel was hij een vast bezoeker van de colleges van Titus Brandsma die de geschiedenis van de Nederlandse mystiek doceerde. Met de belangstelling voor dat vak, volgde Bomans zijn eigen mystieke inslag.
In 1957 schreef hij ‘Nijmeegse herinnering’ dat is afgedrukt in de verzamelbundel Werken, deel VII, pagina 241- 252. Daarin schreef Bomans:
“Titus Brandsma heb
ik ook zeer goed gekend. Hij gaf drie colleges achter elkaar op Woensdagmiddag
en ik was een van de weinige studenten, die ze alle drie uitzat. Tussen de
colleges door wandelde hij tien minuten in de tuin en rookte er een sigaartje.
Ik liep dan vaak met hem mee maar men had daar niet zoveel aan, want hij was
zeer verstrooid. ‘Ja, ja,’ zei hij vriendelijk, ‘zo kun je ’t ook zien.’ Eens
kwam hij op de inval mij te vragen wat ik eigenlijk studeerde. ‘Volstrekt
niets,’ zei ik, en dat was ook zo. ‘Een mooie richting,’ meende Brandsma
goedkeurend, ‘maar dan moeten we ook aanpakken, nietwaar?’ De oorzaak van zijn
verstrooidheid was een innige omgang met God en enkele heiligen, die zijn
speciale voorkeur hadden, zoals de heilige Theresia van Avila, Johannes van het
Kruis en Franciscus van Sales. Iedereen respecteerde dit alibi. Het was zo
gemakkelijk om Brandsma erin te laten lopen, dat niemand daar aardigheid in
had. Zulke naturen worden door hun argeloosheid beschermd.
Titus Brandsma was, zoals gewoonlijk heiligen zijn, een slechte neen-zegger. Zo was hij, in de loop van zijn vriendelijke leven, geestelijk adviseur geworden van de ontelbare bonden en verenigingen, waaraan het roomse leven zo rijk is. Hij woonde de vergaderingen bij van katholieke wasbazen, banketbakkers, turners en van het roomse rioleringswezen, voortdurend bedacht op de onderneming hun belangen in het licht van de eeuwigheid te zien en voortdurend de enige in de zaal, die het gezellige samenzijn vanuit die verrassende gezichtshoek bezag. Hij was ook de enige mysticus op het vasteland van Europa, die een algemeen-spoorweg-abonnement bezat en in treincoupés is zalig geworden. Zijn colleges leden daar natuurlijk onder. Het waren de splinters van de plank, die hij elders zaagde, maar ik ging er toch heen, omdat hij zo oprecht meende wat hij zei. Je voelde, als hij over de geschiedenis van de mystiek sprak, dat veel daarvan aan den lijve ondervonden was.”
De in 1881 in Friesland geboren Titus Brandsma zat tijdens de Duitse bezetting zes maanden gevangen. In die periode schreef hij enkele artikelen waarvan het laatste onvoltooid bleef. Het is later aangevuld en als ‘De grote heilige Theresia van Jezus’ op de markt verschenen. Bomans schreef daarover op 26 september 1946 een recensie in ‘de Volkskrant’, die is opgenomen in Werken IV, pagina 100-102. Hier volgen enige citaten:
“Overigens leefde
hij (Brandsma) op uiterst bescheiden voet in het Carmelieten-klooster aan de
Doddendaal te Nijmegen. Hij woonde in deze stad sinds 1923, in welk jaar hij
benoemd werd tot professor in de Geschiedenis der Wijsbegeerte en die der
Nederlandse mystiek aan de Universiteit aldaar. Als een zijner leerlingen heb
ik hem, op zijn Woensdagmiddagcolleges, goed leren kennen. Hij stond bekend als
een man, die nooit ‘neen’ kon zeggen. Hij heeft dit nochtans één keer gedaan en
is voor deze ontkenning als martelaar gestorven. Op 19 Januari 1942 arresteerde
de Sicherheitsdienst hem, omdat hij, als adviseur der R.K. Journalistenvereniging,
aan mgr. De Jong, aartsbisschop van Utrecht, de dringende raad gegeven had géén
gevolg te geven aan het Duitse bevel om N.S.B.-berichten in de pers op te
nemen. De 21ste Januari in Den Haag urenlang verhoord, verdedigde
hij dit standpunt tegenover zijn rechters met grote moed, en werd, via de
gevangenissen van Scheveningen, Amersfoort en Kleef naar het concentratiekamp
van Dachau gevoerd, waar hij zes maanden later, op 26 Juli 1942 de dood door
uitputting stierf.
In de eerstgenoemde gevangenis heeft
Brandsma anderhalve maand geleefd. Zijn wel zwaar geschokte, maar nog niet door
mishandeling ondermijnde gezondheid, liet hem toe zich die tijd ten nutte te
maken door het schrijven van een drietal geschriften. Het eerste, ‘Mijn Cel’ geheten,
gaf een beschrijving van de ruimte waarin hij leefde en de dag-indeling,
waardoor hij zijn uren productiviteit wist te geven. Het tweede, op last der
Gestapo geschreven, is getiteld: Waarom verzet zich het Nederlandse volk, en
met name het katholieke volksdeel, tegen de N.S.B.?, en vond, terstond na de
bevrijding van Zuid-Nederland, aldaar een verspreiding in 50.000 exemplaren.
Het derde was een werk van langere adem, en Brandsma heeft er dan ook slechts
zeven hoofdstukken van voltooid. De overige vijf werden na zijn dood door dr.
B. Meyer O.Carm. aangevuld en door dezen bij Het Spectrum alle twaalf
(hoofdstukken) uitgegeven onder de titel: De grote heilige Theresia van Jezus.
Brandsma heeft dit
boek onder de moeilijkst denkbare omstandigheden geschreven. Hij bezat geen
ander papier dan wat voor de gevangeniscorrespondentie verstrekt werd, en toen
deze voorraad was uitgeput scheurde hij de bladzijden uit een boek van Cyriel
Verschaeve en schreef tussen de gedrukte regels daarvan verder. Hij had geen
andere bronnen te zijner beschikking dan het gelijknamige werk van pastoor
Kwakman, dat hem bovendien niet voldeed. Dit alles in aanmerking genomen is het
resultaat bewonderenswaardig en kon alleen bereikt worden door een geest, die
al sinds tientallen jaren in innige vereniging met de werken der grote mystica
geleefd had, zodat het hulpmiddel der herinnering volstond om een biografie te
schrijven die aan de eisen der wetenschappelijke hagiografie beantwoordde. (..)
Wij maken kennis met
de bekende geschiedenis, die zich telkens weer herhaalt wanneer de religieuze
gedachten ener grote ziel in aanraking komen met de noodzakelijkheid deze
practisch onder de mensen te verwezenlijken: een relaas van intriges, misverstanden,
afgunst, wanbegrip en heilige volharding. (..)
Het boek is geschreven
in een devote toon, en weet de klippen dezer schrijfwijze over het algemeen te
omzeilen. De uitspraak van Dr. M. Smits van Waesberghe S.J. in ‘De
Gelderlander’ die van een ‘kunstvolle beheersing van vorm’ gewaagt, lijkt mij
echter meer ingegeven door gevoelens van piëteit jegens den vromen schrijver
dan door een critisch bezien van de tekst. De compositie van het werk is
uitgesproken zwak, de stijl vertoont, vooral tegen het eind, bedenkelijke
inzinkingen. Hoezeer de omstandigheden, waaronder de auteur moest arbeiden, dit
verschoonbaar maken, het feit te ontkennen heeft geen nut. Ook de inhoud zelf
beantwoordt niet ten volle aan de verwachting, die deze kenner der mystiek heeft
opgewekt in geschriften elders, met name door zijn medearbeid aan de reeks
‘Nederlandse Mystieken’ (Paul Brand).”
Bomans droeg pater Titus Brandsma een warm hart toe. Desondanks is hij niet bereid geweest het nagelaten boek van zijn oude leermeester gunstig te beoordelen.
27 november 2008
Gerelateerd artikel: Bomans als mystieke soloreligieus. Indien gewenst, klik hier.
Verantwoording illustraties
1 Bomans op 23 september 1942 als student in de wijsbegeerte ingeschreven aan de R.K. Universiteit van Nijmegen. Bron: Herinneringen aan Godfried Bomans, pagina 21.
2 Titus Brandsma als rector magnificus van de universiteit Nijmegen. Bron: ‘Trouw’ van 27 november 2008.
3 Brandsma in kamp Amersfoort, getekend door een medegevangene. Bron: idem.