Bomans en Rottumerplaat

 

of

 

De hongerkunstenaar

 

 

Edward Krabbendam

 

 Het radioprogramma ‘Alleen op een eiland – Dagboek van een eilandbewoner’ was een initiatief van AVRO en VARA. Hiervoor verbleven twee schrijvers een week lang op het onbewoonde eiland Rottumerplaat. Dagelijks gaven ze om 12.00 uur hun ervaringen door in een gesprek met presentator Willem Ruis. Godfried Bomans was als eerste aan de beurt, Jan Wolkers volgde, ofwel, eerst een heer, daarna een kwajongen. Gé Gouwswaard was de producer. De uitzendingen sloegen in als een bom.   

 

* 

 

Op zaterdag 10 juli 1971 voer een stoombootje de haven van Noordpolderzijl uit met aan boord Godfried Bomans. Na anderhalf uur varen moest hij overstappen op een roeiboot. Vervolgens trok hij lieslaarzen aan, maat 48. Wadend door het zoute water, zette hij tenslotte voet aan wal, op Rottumerplaat, een onbewoond Waddeneiland, niet meer dan een zandplaat. Daar stond een tent met genoeg spullen voor de tijd die hij daar zou gaan doorbrengen. Erg luxueus was het niet: geen radio, geen tv, geen telefoon. Wel was er op een kilometer afstand een mobilofoon, een soort praatpaal, waarmee hij contact kon opnemen met Willem Ruis die in Warffum een studiootje had ingericht.

Om half een stond hij daar, een stip op een eiland. Het gekrijs van de meeuwen was oorverdovend. Hij bespeurde geen enkel gevoel van onrust of verlatenheid, zo blijkt uit zijn dagboek, lateruitgebracht als ‘Dagboek van Rottumerplaat’ (1988), waaruit hier geciteerd wordt.
Op die eerste avond schreef Bomans:

“Ik kan maar niet besluiten om binnen in de tent iets klaar te maken voor het eten, je mist dan buiten te veel. (..) Ik voel mij vredig en gelukkig.”

Toch was er op die warme zomerdag iets gebeurd wat hem verstoord had. Hij was nog geen uur op het eiland, of hij zag vier stippen aan de horizon, drie mannen en een vrouw, die naderbij kwamen. Uit de op 13 januari 2011 uitgezonden RKK-documentaire ‘De eenzaamheid van Godfried Bomans’, bleek dat het ging om leden van een biljartclub die een dagje uit waren. Ze hadden een tent zien staan die hun nieuwsgierigheid had gewekt. Ze gingen er heen. Bomans werd bang en zocht bescherming in zijn tent. Na een praatje verdween dit viertal weer. Een van de biljarters vertelde, veertig jaar na dato, dat er om het tentje wc-rollen waren geplaatst, wel 30 stuks. Het werd nog sterker.
Je kon overal zien waar Bomans had ‘gezeten’. Bomans kon veel maar niet zó veel: hij was net een uur op dat eiland. En zo waren er meer zaken in deze documentaire die vreemd waren of niet klopten, waaronder de titel.

 

’s Avonds was het eb waardoor alles tot aan de horizon groen was gekleurd. Bomans schreef daarover: “Prachtig – maar het bezoek heeft toch veel verstoord”.

Eerlijk gezegd denk ik dat Bomans zich een ongeluk is geschrokken. Al in 1966 ontving hij doodsbedreigingen. In de roerige jaren zestig had de Amsterdamse marxistisch-leninistische groepering ‘Rode Jeugd’ in een pamflet opgeroepen om Amerikaanse instellingen zoals banken en het consulaat in brand te steken of op te blazen. Bomans keerde zich tegen deze oproep tot geweld in ‘De raddraaiers’ dat in ‘de Volkskrant’ van 18 juni 1966 werd afgedrukt. De dreiging die daarop volgde was zo groot dat het gezin Bomans onder politiebescherming kwam te staan en onderdook.

Toen die vier figuren hem op dat onbewoonde eiland naderden, zal hij vast hebben gedacht dat het met hem gebeurd was.

 

Met het bovenstaande als achtergrond, zei Gé Vaartjes in de documentaire, dat Bomans zich op dat eiland realiseerde, dat hij daar een makkelijke prooi zou zijn. Deze concrete angst, gevoegd bij de structurele angst uit zijn kindertijd, leidde er toe dat het verblijf van Bomans op Rottumerplaat “ongelooflijk moeizaam” was geweest.

Uit de woorden van de aangestelde Bomansbiograaf zou men kunnen afleiden dat Bomans een structureel bange man is geweest. Dat is niet zo. Bomans ondernam van alles en nog wat. Hierover zei Michel van der Plas in 1977 tegen interviewer Tony van Verre: “Hij had een vreemde voorkeur voor hachelijke ondernemingen, dat is heel merkwaardig, hij moest altijd op het scherp van de snede lopen” (Bomans was de naam, p. 91). In dit kader noemde Van der Plas een ballonvaart die in de Noordzee eindigde met bijna fatale afloop, met slechte ogen 100 kilometer per uur rijden in een gammel autootje en het avontuur op Rottumerplaat. Daar kan aan worden toegevoegd het laten onderduiken van joden in zijn huis ten tijde van de Duitse bezetting en zijn contacten met het verzet.

Verder trad hij allerlei personen onverschrokken tegemoet onder wie hoogwaardigheidsbekleders terwijl hij op papier het ministerie van onderwijs over de knie legde, de katholieke kerk en soms vrijwel de gehele Nederlandse bevolking. En in de roerige jaren zestig durfde hij iets te zeggen tegen extreem links.

 

*

 

Angst zou de week van Bomans op Rottumerplaat verpest hebben. Om dat na te gaan, richt ik me nu op de feitelijke omstandigheden zoals die zijn vastgelegd in ‘Dagboek van Rottumerplaat’.

Op de eerste avond zat Bomans nog vredig en gelukkig voor zijn tent. Hij rookte een pijpje met heerlijke Schotse tabak en genoot van de afwezigheid van muggen. Toen begon een Hitchcock-achtig avontuur. De volgende dag, zondag 11 juli, schreef Bomans:

 

“Vannacht bijna geen oog dichtgedaan vanwege het enorme gekrijs van de meeuwen. De tent staat midden in een broedplaats, de eieren liggen er vlak omheen, maar dat is over het hele eiland het geval. (..) Vanochtend klam en lusteloos. Vermoedelijk koorts. Niet de geringste eetlust. Wel een voortdurende dorst. Binnen gebleven van zes tot half negen en toen moeizaam naar de mobilofoon gesloft. (..) De hele dag is de hitte verstikkend geweest. Ik weet niet of dit warmte van buiten of koorts van binnen is. (..) Zojuist, om tien uur het luchtbed met de voetpomp opgeblazen. Van deze kleinigheid ben ik weer doornat. Dit is zorgwekkend. (..) Hoop innig dat mij dit keer wat slaap beschoren is.

 

 

Maandag 12 juli

Vanmorgen om zeven uur wakker geworden na een voortdurend door gekrijs onderbroken slaap. Was erg bezweet en dronk drie colaflesjes leeg. Daarna als een blok geslapen tot half twaalf. Voelde mij beter, maar nog steeds zwak op de benen toen ik naar de mobilofoon liep. (..) Geprobeerd wat kalfsvlees te eten - nog steeds uit het eerste pakket - maar dat bleef er niet in. Gelukkig kon ik een eind van de tent weglopen. Ik voelde me opeens diep neerslachtig. Ik ben nooit ziek en dat moest nou net nu gebeuren. Blijf maar wat zitten voor de tent, buiten de wind. De zon werd om drie uur zo heet dat ik alles uittrok. (..) Ik heb nu moeite met schrijven. Mijn hand beeft en alleen door vast te drukken kan ik dit tegengaan.

(..)

Ik blijf nog maar wat buiten zitten met veel kleren aan. Op zulke momenten, meer dan overdag, besef ik werkelijk dat ik alleen ben. Er is daarbij geen moment van ongerustheid.

(..)

 

Half tien. In de tent. De lamp weigert. Dan maar een kaars aan. (..) Ik voel me beter dan gisteravond, maar het blijft vreemd dat ik nog steeds geen honger heb, terwijl ik toch drie dagen lang niets anders gegeten heb dan drie eieren, twee sinaasappels, wat perziken en een blikje erwten. Daarentegen staan er buiten veertien lege flessen! Rook mijn pijpje met Schotse tabak en voel mij zeer tevreden. (..) Laatste flesje cola. Ik mag vaststellen dat ik deze eenzaamheid uitstekend verdragen kan. (..) Het begint te waaien en het wordt opeens veel killer.

 

Dinsdag 13 juli

Vijf uur. Wakker van gekrijs. Daarna nog wat gedommeld. (..)

Half een. Ik ben erg opgelucht dat Willem gewoon vroeg hoe het me lichamelijk ging. Nu ik de situatie kalm heb toegegeven en er niet meer omheen gepraat hoeft te worden, voel ik me met dit ziek-zijn niet meer alleen. (..) Het is een slecht teken dat zelfs een pijp mij niet meer smaakt. De thermometer wijst 37.6 aan. Dit is geen koorts.”

 

Als blijk van medeleven mag Bomans buiten het reguliere contact nog driemaal contact opnemen met de mensen aan de wal. Hierover schreef Bomans:

 

“Dit, gevoegd bij die thermometer, maakt me veel opgewekter dan ik gisteren was. Ik loop namelijk al een tijd rond met de mogelijkheid in mijn hoofd dat ik het niet zou halen. Niemand zou toch geloven dat ik precies in die ene week ziek was en het als een alibi beschouwen voor een geheel andere reden. Ik zou dat tenminste denken, als ik zoiets hoorde van een ander. Nog steeds niet de minste zin om iets te eten en buiten die paar dingen uit het eerste pak (..) is alles onaangetast gebleven. Tegen zeven uur zal ik het ‘depressiepak’ eens openmaken, misschien is daar iets bij dat over alle hindernissen heen springt.

 

Half acht. Het depressiepak opengemaakt en een verzameling delicatessen aangetroffen. Gegeten: asperges, paté, vruchten op stroop en gember. Daarbij fles zeer goede wijn gedronken. Driekwart is nog over en bewaar ik voor morgen. Hoewel ik het ook had kunnen laten en dit bepaald wilde doen, voel ik mij nu weer wat beter. De niet te stillen dorst blijft echter. De hemel is bedekt en het waait, maar dat doet het hier altijd.

 

 

Woensdag 14 juli 1971 / Quatorze Juillet

Half zeven ’s morgens. Het stormt en de tent gonst als een cello. Trübes Wetter. Tot vijf uur goed geslapen, daarna nog een uur liggen suffen. Ik ben niet meer bezweet wakker geworden. Thee gezet en een busje kaascrackers opgegeten. Pijpje Schotse tabak. (..)

De zee schuimt tot aan de horizon, een pan melk die overkookt. De tent siddert en brult, maar houdt het nog steeds. Midden in al dat geweld zit een meneer aan een tafeltje, die schrijft. (..) Ik word moe van al dat gebrul om me heen. Dit is iets waar ik helemaal niet op gerekend heb: het uitputtende van voortdurend in de wind te leven. In de tent is het erger dan daarbuiten. Ik moet er even uit om uit die Turkse trom te komen.

(..)

Voor het eerst sinds vijf dagen wist ik niet goed wat ik doen moest en tekende zich een begin van verveling af. Toen bedacht ik dat een heleboel mensen denken: houdt die gek het uit? en die gedachte gaf mij al mijn spanning weer meteen terug. (..)

Over die ene kilometer naar het radiohokje doe ik altijd 20 minuten. Ik beweeg me over het puin als iemand in een langzaam draaiende film. (..) Eén gebroken been of zelfs maar een verzwikte enkel en het is uit met de pret. Gevaarlijk zijn ook de roestige spijkers in het wrakhout. (..)

Gewetensvraag: zal ik blij zijn als ik zaterdagmorgen, dat is dus over drie dagen en drie nachten, de boot zie die me hier komt weghalen? Ja, dolblij.

En niet alleen omdat een mens een sociaal dier is, want dat valt me nogal mee, maar vooral door het zitten in zo’n kleine ruimte, waar ik over alles struikel en waar elke beweging een probleem is. Daarbij dat aanhoudende lawaai om je heen van het flappende tentzeil.

Het regent al twee uur lang, maar dat vind ik minder erg dan de wind, die me doodmoe maakt. Ik ben in mijn regenjas om zes uur eens gaan horen en Willem vertelde me dat dit tot morgen zal aanhouden, de regen bedoel ik. (..) Ik heb geprobeerd iets te eten, maar het lukte me weer niet. (..) Toch voel ik me nu heel goed. Gaat dat zien, de hongerkunstenaar, entree f. 2,50. 

 

 

Donderdag 15 juli

Half vijf. Voel me zeer moe en lusteloos. Bij vlagen geslapen en dan weer wakker. Zag niets op mijn horloge, want het was stikdonker. (..) Ik ben ontzettend blij dat deze nacht achter de rug is, want ik heb nogal liggen tobben. Wat mij vooral verontrust is dat niet-eten. (..)

Ik heb dikwijls ’s nachts angsten gehad. Dit komt door dat bezoek van die vier mensen kort nadat ik hier aan land was gezet. Dat is later wel nooit meer voorgekomen, ik ben gelukkig werkelijk vijf dagen alleen geweest, maar daardoor wist ik: het eiland is bereikbaar. Dit gaf me ’s nachts een gevoel van kwetsbaarheid. Daar komt nog dit bij: meeuwen kunnen soms, als ze rustig zijn, een laag mompelend geluid maken, en dat is net of een paar mannen met elkaar staan te beraadslagen. Die gelijkenis is zó bedrieglijk dat ik me telkens moet voorhouden: het zijn maar meeuwen. Ik geloof eigenlijk dat hier een oude kinderangst: ‘er ligt een man onder mijn bed’ naar boven komt.

(..)

Nog even over die angsten ’s nachts. Het laatste jaar heb ik dreigbrieven ontvangen uit Amsterdam, ondertekend met ‘De Rode Jeugd’. De tekst luidde telkens: ‘Wij hebben besloten u te doden. Die gelegenheid komt.’ Ik heb me daar nooit wat van aangetrokken, maar toen dat eiland naderde ging het door me heen: dit is een unieke gelegenheid. Het is kinderachtig om dat te denken, tenminste overdag, maar ’s nachts kan ik die gedachte niet altijd van me afzetten.

(..)

Ik merkte aan de stem van Willem dat hij iets van mijn minder goede toestand voelt. Het is merkwaardig wat een verlichting dat geeft. Ik kan hem niet alles zeggen en dit om twee redenen:

1. uit schaamte;

2. uit vrees dat ze me komen halen.

Die schaamte komt hieruit voort dat ik niet zeker weet of aan mijn toestand griep of verkoudheid ten grondslag ligt óf dat die veroorzaakt wordt door het feit dat ik van iedereen verlaten ben. Ik dénk wel het eerste en alle symptomen wijzen ook op een flinke griep, maar de tweede mogelijkheid blijft denkbaar. In dat geval blijk ik op mijn dooie eentje niet veel waard te zijn en dit is een vernederende gedachte, die ik toch onder ogen moet zien. Moeder zei hiervoor: Slappe Tinus. Het enige wat ik wél zeker weet is dat ik dit tot het laatste einde wil volhouden en dat ze me hier van dit eiland moeten afdragen wil ik hier eerder weggaan.


Overigens moet ik ook met die mogelijkheid rekening houden, want ik voel me slap en begin weer te beven. Wat heb ik verdomme ook gegeten in al die tijd? Even gelopen. Slap op de benen.

(..)

Een uur. De zon schijnt. Wat een verschil is dat. (..) Om half drie is het me gelukt een blikje uiensoep naar binnen te krijgen. (..) Voor het eerst na een poging tot eten niet overgegeven.

(..)

Het is over achten en de avond begint al weer te vallen. Ik kan wéér niet buiten zitten (..). Het is hier een verschrikkelijke rotzooi, maar ik laat het maar zo. Alleen als overmorgen om half zes Jan Wolkers hier komt zal alles er als een winkeltje uitzien. (..) Er staan wel tien dozen om me heen, die ik nooit opengemaakt heb en waarvan ik geen idee heb wat erin zit. 

                                                          (..)

De vraag die zojuist in me opkwam, namelijk of ik een schijtlaars ben, daarop meen ik in alle rust nee te mogen zeggen (..) omdat 1. ik hier anders helemaal niet zou zitten, 2. het had opgegeven, 3. mijn moeilijkheden hier niet uit vrees voortkomen, maar uit de omstandigheden en uit mijn gezondheid. Een uitzondering is het telkens schrikken ’s nachts.”

 

*

 

Dit lijkt me het geschikte moment iets te zeggen over de week op een kaal en onbewoond eiland die afschuwelijk verliep. Dat is algemeen toegeschreven aan de psychische staat van Bomans: hij had de eenzaamheid niet aangekund. Gé Vaartjes houdt het op een dubbele angst. Hij lijkt daarbij te doelen op de bovenstaande dagboekaantekeningen van 15 juli.

Dat Bomans ’s nachts bang kon zijn is voor iedereen goed voorstelbaar. Immers, Bomans waande zich veilig voor boosdoeners maar dat bleek al direct onjuist. En het gemompel van meeuwen, dat inderdaad lijkt op de gedempte toon waarop mannen kunnen spreken, deed een oude kinderangst boven komen. Ook dat is begrijpelijk. Vaartjes spreekt van een ‘structurele’ kinderangst. Zijn zevenmijlslaarzen zijn mij te groot.

 

Mijn tweede bezwaar is van meer gewicht. Door de dubbele angst van Bomans zou de week “ongelooflijk moeizaam” zijn geweest. Evenwel, die angsten speelden die week een ondergeschikte rol, slechts ’s nachts. Voor de rest had Bomans het zeer naar zijn zin, die eerste dag en ook later nog wel. Verder verveelde hij zich vrijwel nooit en hij voelde zich niet eenzaam, ondanks de afschuwelijke omstandigheden: vrijwel direct ernstig ziek, niet in staat te eten, nauwelijks in staat te slapen, een verschroeiende hitte met later een halve week regen en storm, op woensdag kracht 8, twee dagen later kracht 10, zo blijkt uit het radiocontact met Willem Ruis, voorts getergd door meeuwen, en dit allemaal alleen dragend. Deze barre omstandigheden lijken me voldoende om bootwerkers, in de kracht van hun leven en voorzien van een gezonde eetlust, zich jankend in de woeste branding te laten storten met als doel nooit meer boven te komen. Bomans echter bleef zitten. Enfin, hij was geen schijtlaars, zoals hij hierboven met drie overtuigende argumenten heeft aangetoond, hoewel dat volop over hem beweerd is.

 

Bomans leefde min of meer als een woestijnvader, met al dat zand om hem heen, de aanvankelijke hitte en het (gedwongen) vasten in zijn cel van canvas. Hij kwam immers weinig buiten zijn tent, want hij werd direct omvergeblazen en gezandstraald. En juist dat lijkt me de reden voor de grote geestelijke winst tijdens die week: hij kwam bij zichzelf thuis. Op 13 juli schreef hij over dit onbekend gebleven aspect:

 

“Van ‘diepe gedachten’ geen spoor en ik doe er ook niet de minste moeite voor. Toch zal ik na afloop hiervan een ander iemand zijn, dat voel ik, nu ik halverwege ben. De verandering zit hierin: dat ik vrede heb met mezelf. Ik heb veel aan vroeger gedacht, vooral aan mijn jeugd, en vele gebeurtenissen die ik dacht vergeten te zijn, kwamen langzamerhand boven, zoals hier het gras boven het water, als het eb is. Ik zie nu beter dan eerst en nú eigenlijk pas goed, dat ik ben wie ik ben en dat het zo heeft moeten zijn. Ik heb geen wrevel, geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden. Zo is het allemaal gelopen en ik genees van mijn wonden. Dit oude verzet was een rest van onvolwassenheid.”

 

Bomans was alleen maar niet eenzaam, hij verveelde zich niet, kwam bij zichzelf thuis en met die angst viel het wel mee. Daarom geloof ik niet dat zijn slechte lichamelijke conditie een geestelijke oorzaak had. Hij leed aan een zware griep. Binnen de kring rond Bomans werd zelfs gesproken van een hartaanval. Dat zou de eerste zijn geweest. Ruim een half jaar later volgde dan de tweede, met de dood als gevolg.

 

*

 

Hoe verging het Bomans verder?

 

“Vrijdag 16 juli

 

Tien uur. Vannacht weer slecht geslapen. Door lawaai van de tent, want er stond harde wind. Tegen de ochtend sliep ik vast in, maar werd om acht uur opgeschrikt door twee straaljagers, die in een rechte lijn een duikvlucht maakten naar mijn tent en dat toen nog twee keer herhaalden. Het lawaai was oorverdovend. (..) Voor het eerst heb ik ontbeten, d.w.z. drie crackers met jam gegeten. (..)

De tent heeft het in deze storm, die nu al drie (of vier?) dagen duurt, uitstekend gehouden.

(..)

Half een. De laatste tien minuten voor de radio zijn gesproken. Ik stond in een wolk van stuifzand te praten, maar Willem zei na afloop dat het een goede uitzending is geweest.

(..)

Drie uur lang opgeruimd, geveegd, gepoetst en afgewassen. Jan Wolkers vindt de tent in dezelfde staat als waarin ik hem gevonden heb. Nú pas heb ik ontdekt  wát er allemaal is: een overvloed! Van de aanwezige proviand heb ik één, hoogstens twee procent gegeten. De vaatdoeken heb ik nimmer gebruikt. Idem de handdoeken. Ik ben behalve een middeleeuwse anachoreet en boeteling ook een viezerik geweest.

(..)

Ik heb de wekker gezet op vier uur, dat is niet veel vroeger dan ik anders wakker word. Ik pak dan dekens en luchtbed in (..) en dan ga ik naar de plek waar de roeiboot van het schip aan land komt. Ja, lieslaarzen ook mee. Daar wacht ik dan rustig op mijn stoeltje tot half zes, want de boot, die om vier uur uit Noordpolderzijl vertrekt, doet er ongeveer anderhalf uur over. Verlang naar morgen.

Ik heb aan dit dagboek, al bevat het in hoofdzaak feitelijkheden, veel steun gehad. Er valt nu niets meer te beredderen. Slapen.

 

 

Zaterdag 17 juli

(..) Het is nu half zes en ik zie geen boot. De zee is woelig, er staat een harde wind. Kijker gehaald. Geen spoor.

Kwart voor zes. Niets.


Weer later. Ik moet mij voorbereiden op de mogelijkheid dat de schipper het niet verantwoord vindt. Zo’n beslissing is natuurlijk juist, maar het kost me erg veel moeite die rustig te aanvaarden. Goed, het wordt dan morgenochtend.(..)

Ik zie een streepje wit aan de horizon. Het is de boot.

 

Hotel de Breedenburg, Warffum.

Elf uur. De eerste, die uit de roeiboot naar me toe waadde, was Willem. Hij was erg ontroerd. Toen Gé Gouwswaard. Toen Pietsie (mevrouw Bomans) en Eva (zijn dochter). (..) Televisie, radio en journalisten. Jan Wolkers had een fles champagne en twee glazen bij zich. Hij deed het allemaal erg leuk en dat is een hele ontspanning in een situatie die duidelijk om een vluchtheuvel vraagt.”

 

*

 

’s Avonds is Bomans te gast in een praatprogramma voor tv. Hij vond dat hij er die avond weinig van gemaakt had. Hij ontving een fles wijn die hij aan Willem Ruis en Gé Gouwswaard zou geven, als dank voor hun steun. Zijn dagboek eindigt met:

“Ik ben nu thuis, zaterdag 17 juli. Het is moeilijk te geloven dat ik een week geleden vertrokken ben. Ik kon nog net even in de tuin lopen en alles stond er nog, goedig en trouw. Binnen de boeken, buiten de wind. Ik voelde mij als een deserteur die weer genadig ontvangen wordt. Honger heb ik nog steeds niet. Wel een groot verlangen om morgen, als het licht is, de bloemen en de planten, maar vooral de bomen om me heen te zien. Einde en over.

 

*

 

Een week later

Gisteren nog op Breedenburg in Warffum geweest om die fles wijn aan te bieden aan Willem en Gé en om Jan Wolkers te begroeten. (..) Jan spoelde als een nog steeds niet geëxplodeerde zeemijn aan land. Ook onze gezamenlijke einduitzending beheerste hij volledig: alles wat er rondom hem was, niets over zichzelf. Ik vroeg hem als een laatste poging wat er ’s avonds door hem heenging als het donker werd, maar hij gooide er onmiddellijk een paar zeehonden tegenaan. Ik weet niet of die ontwijking van het kernprobleem, waar het hele experiment eigenlijk om begonnen is, bewust wordt toegepast óf dat het probleem (het alleen zijn) gewoon voor hem niet bestaat. Ik vind dit laatste wel heel onwaarschijnlijk en vermoed een afweermechanisme, dat hij echter briljant in werking stelt. Ik was veel minder boeiend, maar zei eigenlijk meer. Hoe dan ook, twee grotere contrasten waren niet denkbaar en daar zat iets aardigs in.”

 

 

*

 

 

27 januari 2011

 

 

Naschrift

 

In 2006 bracht uitgeverij Rubinstein ‘Alleen op een eiland’ als luisterboek op de markt met de radiogesprekken van Willem Ruis met Bomans en Wolkers en hun onderonsjes. De rustige manier van praten van Bomans is nog steeds plezierig om te horen, het drukke gedoe van Wolkers is goed om na 10 minuten de knop om te draaien wat ik na een half uur ook deed. Toef Jaeger schreef over dit luisterboek een recensie voor ‘NRC Handelsblad’ van 1 december 2006. Ze was van mening dat het tussen Ruis en Bomans boterde en het met Wolkers niet wilde klikken. Ruis probeerde door de activiteitenstroom van Wolkers heen te prikken maar dat lukte niet. Ze eindigde haar recensie met: “Maar mocht er in 1971 een programma zijn geweest : ‘Bomans zoekt vrouw’- ik had me onmiddellijk opgegeven.”

 

In 2008 werd tijdens het Oerol Festival op Terschelling de voorstelling ‘Bomans hoort u mij?’ opgevoerd, die geënt was op de gesprekken van Bomans en Ruis in 1971. 

 

Hier en daar is in de overgenomen tekst iets gewijzigd.

 

 

Verantwoording illustraties

 

1.      Detail van zie punt 6

2.      De Waddeneilanden. Bron: internet. Bijgesneden

3.      Bomans bij zijn tent. Foto is waarschijnlijk genomen net nadat hij op Rottumerplaat was aangekomen. Scan. Verkleind. Bron: ‘Bomans was de naam’, Tony van Verre, 1978

4.      Scan van voorkant van ‘Dagboek van Rottumerplaat’, verkleind. 1988

5.      De tent van afstand gefotografeerd. Scan van foto uit het luisterboek ‘Alleen op een eiland’ van uitgeverij Rubinstein uit 2006

6.      Scan van foto van Bomans na een week kamperen, verkleind. Bron: ‘Bomans was de naam’

7.      Bomans als heer in zijn tent. Scan van foto uit het luisterboek

8.      Zwerm meeuwen. Idem

9.      Willem Ruis en Gé Gouwswaard haalden Bomans op 17 juli met plezier op. Scan van foto uit ‘Bomans was de naam’, verkleind

10.   Voorkant van het luisterboek. Scan, verkleind

 

 

Bijlage

 

Nieuwsbericht op deze site van (ongeveer) bovenstaande datum.

 

Bomans beleefde in de zomer van 1971 een hachelijk avontuur. Hij zat moederziel alleen op een onbewoond eiland en werd direct herinnerd aan de dreiging te zullen worden vermoord. Verder werd hij geteisterd door meeuwen, ziekte, slapeloosheid en het weer: eerst verschroeiend heet, daarna twee stormen achter elkaar, tot windkracht 10 toe. Die week op Rottumerplaat werd geen succes. Iedereen kende de reden: Bomans kon niet tegen de eenzaamheid en hij was een angsthaas. De zaken lagen echter anders. Indien u belangstelling heeft voor ‘Bomans en Rottumerplaat of De hongerkunstenaar’, klik hier.