
Bomans en Midas Dekkers
Edward Krabbendam
Wandert Dekkers werd in 1946 te Haarlem geboren. Tijdens
zijn studiejaren veranderde hij zijn voornaam in Midas (van de beroemde wolf)
en studeerde in 1973 af als bioloog. Van 1980 tot 2007 verzorgde hij een
wekelijkse column voor het radioprogramma Vroege Vogels, schrijft tussentijds
vele boeken zoals Lief Dier en De Larf, en verschijnt regelmatig op televisie.
In ‘de Volkskrant’ van 10 maart 2009 schetste Caspar Janssen
het profiel van Dekkers. Midas bleek geen ontzag te hebben voor de heilige
status van wie dan ook. Janssen schreef verder: “Die combinatie van voorkomendheid en vrolijke recalcitrantie maakt
Midas Dekkers tot een graag geziene gast. (..) Hij vertelt ons (vaak) de harde
waarheid (..) maar altijd met een kwinkslag, dus doet het nauwelijks pijn.”
Midas wordt in het artikel nog een oude brombeer genoemd: cynisch en toch aardig, en humoristisch. Menigeen vindt, volgens Janssen, “dat de werkelijke waarde van zijn werk aan het zicht onttrokken wordt door de hoge grapdichtheid.”
In
‘Piep – Een kleine biologie der letteren’, het Boekenweekessay van 2009 -
afgekraakt in ‘de Volkskrant’ terwijl ik het juist een alleraardigst boekje
vind - onderzoekt Dekkers de positie van het dier in gedrukte teksten. In de
literatuur komen ze nauwelijks voor, wel in kinderboeken, waarin ze als idioten
worden neergezet. Dekkers schrijft:
“Al komen dieren er in
de volwassen letterkunde bekaaid af, toch vliegen de grotemensenboeken over
dieren de winkel uit. Dat zijn kookboeken (p. 11).
(..) Er zijn nóg twee hoekjes in de boekhandel waar het letterkundig dier gedijt als zilvervisjes in een gootsteenkastje: humor en poëzie. Hiervan is het humorhoekje het meest verdomd. Lezen om te lachen is verdacht. De meeste humor is te vinden bij de cadeauboekjes, zodat je er niet al te besmuikt mee naar de kassa hoeft; ze zijn immers om zo snel mogelijk weg te geven aan geestelijk minder ontwikkelde familieleden. Zo zijn we toch nog een vrijgevig volk, want humoristen behoren tijdens hun leven tot de kaskrakers: Godfried Bomans, Simon Carmiggelt, Youp van ’t Hek. Maar in literaire kringen worden ze alleen onder de dekens gelezen. Bomans heeft nooit een literaire prijs gekregen, Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt konden lang wachten” (p. 12).
“Het valt niet mee om
het natuurschoon in woorden te vangen”, stelt Dekkers op pagina 23. “De meeste schrijvers beginnen er niet aan.”
Andere schrijvers worden juist door de natuur gewekt, zoals
Maarten ‘t Hart. In zijn boek ‘De aansprekers’ komen maar liefst 26
vogelsoorten voor. Dekkers bekent dit: “Het
voortdurend opstijgen en dalen van vogels geeft het boek (..) iets
Schipholachtigs.”
Indien er een keuze gemaakt moet worden tussen natuur en cultuur, kiest men veelal voor het laatste. Dekkers schrijft zelfs: “Natuur is datgene waaraan we ons proberen te ontworstelen door er cultuur van te maken” (p. 26)
Zij die de natuur afwijzen, de ‘natuurbarbaren’, doen zichzelf tekort, want “Cultuur- en natuurgenot sluiten elkaar allerminst uit” (p. 27). Charles Darwin was zelfs van mening dat culturele vorming een voorwaarde was voor het kunnen bewonderen van een landschap of sterrenhemel. Dekkers bevestigt dat. Het lezen van een natuurboek van Heimans & Thijsse dreef hem als jongen het bos in.
Over de tegenstelling tussen cultuur- en natuurliefhebbers
schrijft Dekkers:
“Tot een hoogtepunt kwam de virtuele botsing
tussen natuur en cultuur in 1971, toen Jan Wolkers en Godfried Bomans op
verzoek van de radio een eenzame week op Rottumerplaat doorbrachten. Wolkers
bravoureerde er zich met behulp van een dode zeehond en een zielige meeuw er
gemakkelijk doorheen. ‘Ik denk dat Jan Wolkers beter tegen dit soort leven
bestand is,’ erkende Bomans ruiterlijk. ‘Hij staat dichter bij de “natuur” en
zal niet, als ik, de wat ridicule aanblik opleveren van een meneer die langs
het strand wandelt.’
Persoonlijk heb ik van de twee de grootste bewondering voor Bomans. Hij was bang voor de natuur. Dichter bij respect kun je niet komen” (p. 28).
In ‘Piep’ staan nog veel meer behartigenswaardige zaken maar
ik beperk me nog tot een vraag: wat is de positie van de bioloog Dekkers in de
natuur? Daar geeft hij op pagina 55 en 56 antwoord op, dat aanvankelijk naar
strekking en stijl sterk doet denken aan ‘Wat wil de koe’ van Koos van Zomeren.
Dekkers schrijft:
“Land en koeien kunnen
het goed met elkaar vinden, maar ik voel me buitengesloten. Daar sta ik weer,
met al mijn wetenschap, alleen door prikkeldraad gescheiden van die grote
koeienkop, oog in oog, haar warme adem op mijn wang, zo dichtbij en toch zo
veraf, want hoe je ook kijkt, je komt geen stap verder met die ene vraag waar
heel de biologie om draait; hoe is het om een dier te zijn? Wat gaat er om in
die kop van die koe? Waaraan denkt zij? Weet een koe dat zij een koe is? Is zij
zich ervan bewust een staart te hebben? Neemt zij ons erg kwalijk wat wij haar
aandoen? Gelooft een koe in een god en zo ja, in welke? Bestaan er katholieke
koeien?”
Hier had Dekkers een link kunnen leggen naar het beroemde ‘De dichter is een koe’. Gerrit Achterberg heeft daarin de verwondering van de dichter op fraaie wijze in de huid van een verbaasde koe gestoken, zie bijlage.
“Wat is de zin van het
toneelstuk dat we kennen als ‘de natuur’?”, schrijft Dekkers verder. “Je kunt het de spelers vragen, maar weten
ze het zelf? En als ze het wisten, zouden ze het ons uit kunnen leggen? Volgens
Wittgenstein zouden we een leeuw ook als hij zou kunnen spreken niet verstaan.
(..) Ligt het aan ons?
Zijn wij contactgestoord? Wie heeft de deur tussen mens en dier dichtgeslagen?
Hij niet. Een hond weet beter wat er in de kop van zijn baas omgaat dan die
baas het van zijn hond z’n kop weet. Mijn katten voorspellen mij beter dan ik
hen. Ze weten hoe voorspelbaar ik ben. Lang voordat ik naar de keuken ga,
zitten zij al klaar. Voordat je weet wat je gaat doen, weet je poes het al.
Poezen zijn je altijd een stap voor. Zij maken uw aanstalten, zij leven uw
leven alvast voor u.”
***
| Gelet
op het thema van de Boekenweek, had makkelijk een herdruk van ‘Erik of
het klein insectenboek’ van Bomans op de markt hebben kunnen verschijnen,
want daarin wemelt het van kleine kruipers en vliegers. Dat zou dan, na de eerste druk in 1940, de 54ste druk
zijn geworden. Dat is niet gebeurd en ook in het Boekenweekessay van Dekkers
is ‘Erik’ afwezig. Dekkers schreef in 2002 het boek De Larf. Hieruit blijkt
dat de mens niet fundamenteel verschilt van geminachte insecten of andere
diersoorten. Kinderen zijn in wezen niet anders dan een larf, die gelijk
een rups, zich nog moet ontwikkelen tot vlinder. Dekkers zei dienaangaande:
“Je moet een kind niet als een mens behandelen. Het is geen mens, het
is een larf, en als zodanig functioneert hij volwaardig.” |
![]() |
Uit een interview
van Jeroen Aarten voor de voormalige Bomans Krant op Internet, later
gepubliceerd in het tijdschrift Godfried van maart 2005, bleek, dat ‘Erik’
studiemateriaal is geweest voor ‘De Larf’. Dekkers zei:
“Als kind moest ik ‘Erik’ verplicht lezen. Ik vond het een
vreselijk boek, die oude truc van een kindje dat in slaap valt. Voor mijn boek
De Larf begon ik het met de grootste tegenzin te herlezen. Pas toen werd ik
door het boek gegrepen.
(..) Ik vond ‘Erik’ destijds (als kind, e.k.) ook helemaal niks. Ik begreep er de lol niet van. Ik ben daar nu anders over gaan denken. Wat mij betreft kan ‘Erik’ de vergelijking met ‘Alice in Wonderland’ (een wereldklassieker, e.k.) glansrijk doorstaan. Hoewel ‘Alice in Wonderland’ technisch gezien beter geschreven is, is ‘Erik’ een oneindig veel charmanter boek.
Bomans was geen
kenner van de natuur en daarom treft het dat hij in dit boek zo’n volstrekt
bijzonder inzicht in de insectenwereld tentoon weet te spreiden. Ik vraag me
af: kwam Bomans tot zulke originele gedachten over de natuur omdat hij er
helemaal niets van wist, zodat elke gedachte die hij erover had als het ware de
eerste gedachte was die ooit over de natuur was geformuleerd - ik kan me dat
nauwelijks voorstellen want daar was hij toch veel te belezen voor- of is hij
inderdaad iemand die geheel onbevangen naar iets kan kijken? De natuur is hét
voorbeeld waar alle schrijvers, dichter en denkers al eeuw in, eeuw uit naar
hebben gekeken, maar ze laten zichzelf vervolgens vaak met de meest afgekloven
gevoelens naar buiten komen. Bomans kijkt ernaar en verzint toch iets subliems.
Ik heb werkelijk in een rolberoerte gelegen toen ik las hoe een worm de kleine
Erik beschouwt. Als een wezen dat nog niet helemaal af is, want daar zitten nog
armpjes en beentjes aan. Dan moet je toch een geniale kijk op de natuur hebben.
Het mooie is dat het ook strookt met de gedachten over de
evolutie die er zijn geweest. Wij zijn opgevoed met de gedachte dat de evolutie
steeds naar iets hogers, beters en gecompliceerders gaat, terwijl er aan het
eind van de 19e eeuw ook evolutiegeleerden zijn geweest die dachten
dat evolutie werkte door degeneratie. Dat betekent dus dat wezens juist weer
simpeler werden. En wat Bomans in ‘Erik’ te berde brengt is natuurlijk typisch
zo’n degeneratiegedachte. Hoe kom je erop?
Al onze kinderen leren wij de evolutie alleen maar in de zin
van vooruitgang, inclusief alle misverstanden die daardoor ontstaan, en Bomans
komt als een onnozelaar langs wandelen, vindt ogenblikkelijk het gat, schrijft
daar twee of drie komische terzijdes over en wandelt weer verder.”
Jeroen Aarten bracht tijdens het gesprek het volgende onder de aandacht:
“Al die benepenheid in het boek, het superioriteitsgevoel, het standsverschil, maakt het ook tot een prachtig boek voor volwassenen. Het houdt volwassenen een spiegel voor. Aangezien ‘Erik’ in eerste instantie als sprookje was bedoeld, zit er een moraal in het verhaal die alleen door volwassenen wordt begrepen.”
Midas Dekkers:
“Dat is ook zo. Goed beschouwd is ‘Erik’ helemaal geen kinderboek. Dat geldt trouwens ook voor ‘Alice in Wonderland’, nog zo’n boek waar ik als kind niets aan vond. Misschien is dat trouwens wel Bomans’ ongeluk. ‘Alice in Wonderland’ is bij verschijnen niet als een sprookje gepresenteerd. Bovendien was de schrijver, Lewis Carroll, een wiskundige. Zo’n boek wordt van meet af aan serieuzer genomen dan een boek van Bomans, die als humorist en sprookjesschrijver bekend kwam te staan. Bovendien heeft Bomans een vrij onhandige, sprookjesachtige manier gekozen om zijn verhaal in te verpakken.”
Jeroen Aarten:
“U beschouwt ‘Erik’ ook als een bijzonder boek omdat Bomans volgens u “zo’n heldere kijk heeft op een aspect van de natuur dat door buitenbiologen vaak wordt verwaarloosd: de metamorfose.””
Midas
Dekkers:
“Ik heb de dingen die mij het meest zijn opgevallen al in ‘De Larf’ gebruikt, maar de sleutelscene is de rups die in een pensionnetje een kamer heeft gehuurd en steeds maar niet verschijnt tijdens het eten, zodat de gasten zich afvragen waar hij toch is. Vervolgens blijkt dat hij zich aan het verpoppen is.
De pensionhouder maakt zich daarna voornamelijk zorgen over
de vraag of hij zijn geld wel krijgt. Erik legt hem netjes uit dat de vlinder
die er straks uit komt hem geen geld schuldig is, omdat die vlinder nu eenmaal
heel iemand anders is dan de rups die ooit de kamer gehuurd heeft. Dit is het
wezen van de metamorfose ten diepste. (..) Na je puberteit, je eigen
verpopping, ben je iemand anders geworden. Bomans heeft dat inzicht heel
duidelijk verwoord. (..)”
Jeroen Aarten:
“Zou Bomans in die sprookjesachtige wereld gevlucht zijn
omdat hij zo’n problematisch relatie met zijn vader had? Of gaat dat te ver?”
Midas Dekkers:
“Ik vind het psychologie van de koude grond om alles maar te verklaren uit
de relatie die je met je vader en je moeder had. (..) Er is altijd een wisselwerking
tussen je eigenschappen en je leefomstandigheden, maar om die leefomstandigheden
nu altijd weer tot de relatie met je vader terug te brengen, dat is toch wel
ernstig. Waarom kan men niet gewoon aannemen dat iemand die goed bij zijn
hoofd is en die met een open oog naar de wereld om zich heen kijkt, zoals
Godfried Bomans dat heeft gedaan, zijn hele leven lang van de ene verbazing
in de andere blijft vallen? Als je daar dan ook nog over kunt schrijven, dan
kom je de rest van je leven hoofden, handen, ogen en oren tekort. Bomans heeft
zich niet voor niets het apelazerus geschreven. Bomans dacht voortdurend:
wat gebeurt er nu toch allemaal om mij heen? Zijn de anderen nu gek geworden
of ben ik het? En daar is hij over gaan schrijven. Uiteindelijk kwam hij er
niet uit, met al zijn twijfels en onzekerheden, en het is dan ook betrekkelijk
slecht met hem afgelopen.”
***
Midas Dekkers is schrijver, radio- en televisieman, die humoristisch en tegendraads is. Hierdoor is er verwantschap met Bomans. En ze hebben in Haarlem gewoond. Dekkers zei hierover:
“Haarlem is nog steeds mijn stad, in mijn hart zal ik altijd
met die plaats verbonden blijven. Ik heb dus een dubbele reden om van Bomans te
houden. (..) Haarlem was destijds verdeeld in twee soorten mensen: zij die op
wat voor manier dan ook iets met Bomans te maken hebben gehad en zij die dit
genoegen niet hebben mogen smaken. Helaas behoor ik tot de tweede soort. Ik heb
hem nooit de hand mogen schudden.”
Dekkers zei in het gesprek met Jeroen Aarten ook nog dit:
“Aangezien ik zelf ook schrijver, spreker en in zekere zin een soort humorist ben, moet ik zeggen dat het zijn onvergelijkbare presentatie is geweest. Hij wist twee bruine, onbesmeerde boterhammen te verkopen als een bruidstaart. Wat hij schreef vond ik wisselend. Bomans was een redelijke kok, maar een briljante kelner. Hij kon serveren. Ook al was het gerecht ongaar, hij wist de mensen toch zover te krijgen dat ze braaf hun bordje leegaten. Ik zeg heel eerlijk dat ik zijn oubolligheid wel ergerlijk vond, maar omdat hij het zo meesterlijk wist te brengen kwam hij er mee weg. Ik moet nog steeds lachen als ik hem op de televisie zie. Zijn humor berust op alle oude trucs die er in het genre voorhanden zijn: overdrijving, versnelling, omkering en zo nog een paar. Het ambacht van humorist verstond hij tot in de puntjes. Dat is Bomans: een ouderwetse ambachtsman.”
22 maart 2009
Naschrift
Dekkers vroeg zich af hoe Bomans aan zijn bijzondere kijk op
insecten kwam. De jonge Godfried was zeer geboeid door de natuur en kon
insecten urenlang gadeslaan.
Bomans had psychologisch inzicht. Achter de worm, die vond dat Erik nog niet
helemaal af was, zijn armen en benen zaten er immers nog aan, kan iets anders
schuilgaan dan Dekkers schreef. De worm achtte zichzelf de standaard. Anderen
moesten zich daaraan aanpassen. Dan was het pas goed. Iets dergelijks zien we
in het klein en in het groot; in de politiek is de roep om aanpassing van een
bepaalde groep Nederlanders – integratie genoemd - de afgelopen jaren schering
en inslag geweest en wel op luide toon.
Gerelateerd aan te klikken artikel: Bomans en katten
Bijlage
De dichter is een koe
Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben - de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
's Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.
Gerrit Achterberg 1905 - 1962
Verantwoording illustraties
1.
Bomans op dubbel-dvd ‘Een Hollander ontdekt
Vlaanderen’, detail, gespiegeld.
2.
Midas Dekkers, bron Google.
3. Voorkant van ‘Piep’, het Boekenweekessay 2009 van Midas Dekkers.
4. Foto van Jan Wolkers en Godfried Bomans, waarschijnlijk genomen nadat ook Wolkers een week op Rottumerplaat had gekampeerd. Bron: ‘Vrij Nederland’, 5-12-1981.
5. Insect uit ‘Erik’. Tekening Karel Thole.
6. Omslag van ‘Erik of het klein insectenboek’, 11de druk, 1947. Tekening Karel Thole.
7.
Voorkant van ‘De Larf’ van Midas Dekkers uit 2002.
8. Insect uit ‘Erik’. Tekening Karel Thole.
9.
Idem.
