
Bomans als cultuurfilosoof
Edward Krabbendam
Simon Carmiggelt (1913-1987) liet er tijdens zijn leven geen
misverstand over bestaan: Bomans was een groot schrijver en een wijsgerig
mijmeraar. Ook schrijver/dichter Bertus Aafjes (1914-1993) toonde bewondering.
Het humoristische werk van Bomans was in feite een satire “even scherp als die van onze grootste satiricus uit de Middeleeuwen:
Erasmus.” Dichter/essayist Willem Brandt vond de humor van Bomans ironie
waarmee hij in de buurt kwam van Socrates, de vader van de filosofie. En
passend in dit rijtje, verleende dichter Roland Holst Bomans de eretitel van
Fluwelen Duivel.
Binnen de literaire wereld is men verder karig geweest met waarderende woorden voor Bomans en zijn werk, in de ruime wereld daarbuiten is het anders gesteld. Rik Torfs, professor kerkelijk recht, verklaarde op taalkundig gebied vrijwel alles van Bomans te hebben geleerd. Hij is een Bomans-fan, net als oud-premier mr. Dries van Agt, terwijl ook prins Claus grote waardering voor Bomans had. Wouter van Dieren (1941, sociaal-psycholoog, journalist, milieudeskundige) verklaarde dat Bomans hem had leren schrijven, toen hij al journalist was. Verder noemde hij Bomans een geestverwant en filosoof.
Bioloog Midas Dekkers (1946) ontdekte op latere leeftijd de
schoonheid van ‘Erik of het klein insectenboek’ waaraan hij inspiratie
ontleende voor zijn boek De Larf uit 2002. Hij achtte ‘Erik’ van wereldklasse.
De vorig jaar overleden grote socioloog/historicus J.A.A. van Doorn (1925-2008)
vond ‘Erik’ zeer de moeite waard terwijl ‘Pieter Bas’ een van zijn
lievelingsboeken was gebleven, waar hij bij de zoveelste herlezing nog
hartelijk om moest lachen. En dr. mr. drs. Marjolijn Februari (1963) verklaarde
onlangs dat zij vroeger een fervent lezer van Bomans is geweest.
Vanaf 1996 is met tussenpozen de zevendelige verzamelbundel Werken op de markt verschenen die boven verwachting werd verkocht. Recensies verschenen. Paul Steenhuis gaf in ‘NRC Handelsblad’ van 30 augustus 1996 de meest gedegen beschouwing over het werk van Bomans. Net als twee andere recensenten, Jos Palm in ‘de Volkskrant’ en Wim Slagter in ‘Trouw’, zag hij het verzet tegen de gevestigde orde als een wezenstrek van het werk van Bomans. Dat vond hij opvallend omdat Bomans bekend stond (en staat) als een “oppervlakkige lolbroek.”
Steenhuis schreef verder: “In de Pinkelman-strips vloeien de twee voornaamste genres samen die
Bomans beoefende: de satire en het sprookje. (..) Wat voor Pinkelman geldt,
geldt voor het hele oeuvre van Godfried Bomans (1913-1971): er zijn stukken in
aan te wijzen die gedateerd en flauw zijn, maar over het geheel genomen heeft
Bomans’ gedempt-hilarische toon nog altijd de overhand en weinig of niets aan
kracht ingeboet.”
Aan de waarderende woorden van bovenstaande personen – allen niet-neerlandici - kunnen nog de volgende worden toegevoegd. In 1971 verscheen ‘In de kou’. Bomans had dat dikke boek geschreven naar aanleiding van een langdurig gesprek met Michel van der Plas over de kerk en het geloof van katholieken. Prof. dr. H. van der Linde (theoloog) gaf een bespreking in het weekblad Hervormd Nederland van 18 april 1970. Hij typeerde ‘In de kou’ als een “cultuurspiegel (..) die er mag wezen en die ons lang zal heugen.” Voorts schreef Van der Linde: “Vooral Bomans die van de twee de meest erudiete is, geeft losjesweg doorlopend cultuurhistorische doorzichten die er mogen zijn, meestal voltreffers.”
Van der Linde zag Bomans’ eruditie op cultuurhistorisch
gebied. Dat heb ik vier jaar geleden geprobeerd aan te tonen in ‘Bomans als
cultuurfilosoof’, in het
septembernummer van ‘Godfried’, het halfjaarlijkse tijdschrift van het Godfried
Bomans Genootschap. Het stuk is hieronder in de oorspronkelijke vorm
weergegeven, op de toevoeging van een naam en het schrappen van een alinea over
de vader van Bomans na.
De belangstelling van Bomans blijkt te zijn uitgegaan naar
schrijvers, kunstenaars, componisten, kleinkunstenaars, sporters, politici,
keizers, koningen, Jezus, pauzen, heiligen en ketters, die tijdgenoten waren of
reeds lang overleden, uit
binnen- maar vooral uit het buitenland.
Bomans als cultuurfilosoof (2005)
Als kind las ik nauwelijks. Het liefst liep ik samen met de
jongens uit de buurt over het grasveld achter een voetbal aan te rennen, ook
als de modder ons om de oren vloog. Ik had wel boekjes zoals Arendsoog en
Biggles, maar daarvoor kon ik niet veel belangstelling opbrengen. Er was slechts
een boekje waarin ik weleens keek. Het was een geïllustreerd sprookje over
een melkboer te Gouda. Op zekere dag vroeg hij de hand van zijn geliefde.
Zij wilde wel met hem trouwen, als hij maar iets bijzonders had. Om haar te
behagen, verving hij zijn
oude paard en spande een zebra voor zijn melkkar. Toen trouwden ze. Na enige
tijd was de vrouw uitgekeken op de zebra en ook op die kar.
Zowel
de melkboer als zebra Jan kwijnde weg. In een nachtelijk gesprek bleek dat Jan,
die in het circus had leren praten, toe was aan een vrouw. De melkboer bood hem
direct een paard aan maar daar had Jan niets aan. Het moest een vrouw zijn met
een streepje erdoor. ‘Ook dit begreep de melkboer volkomen. Want hij had zelf
zo’n vrouw.’
De melkboer liet zijn zebra vertrekken met een kar vol melk, boter en eieren, voor onderweg. Jan draafde door Europa en kwam in Spanje een vrouw met streepjes tegen. Toch twijfelde hij. Terwijl ze samen door de regen liepen bleek die vrouw een opgeschilderd paard te zijn. Dat was niets voor Jan. Voort ging zijn tocht. Pas in Afrika vond hij zijn geliefde. Jan had helaas niets bijzonders meer te bieden want de melk was zuur geworden, de boter was op en de eieren waren bedorven. Bovendien moest hij de melkkar terugsturen. Dat vond de aanstaande bruid helemaal niet erg. Ze hoefde niets bijzonders te hebben ’Want als ik met jou trouw, dan heb ik iets wat niemand heeft.’
De melkkar werd later door een postbode franco thuisbezorgd.
De melkboer nam weer een door-de-weeks-paardje dat hij voor zijn kar spande
en ging op pad. Zijn vrouw had zich daar inmiddels mee verzoend.
Het boekje was geschreven door Godfried Bomans en het heette
‘De verliefde Zebra’. Dat sprookje kon ik onmogelijk begrijpen, ik was nog geen
tien jaar oud toen ik het las, maar juist daarom boeide
het
me zodanig dat ik het diverse keren herlas, zonder veel wijzer te worden. Dat
gebeurde me ruim tien jaar later weer. In het sterfjaar van Bomans, 1971, kocht
ik het boekje Buitelingen. Weer bekroop me af en toe het gevoel van
bevreemding. Er was wat met die tekst. Maar wat? Dat gevoel kan ik nu
begrijpen. Ik was nog een jonge jongen en ik las het werk van een intelligente
oudere man die over veel kennis, inzicht en ervaring beschikte. Die bagage had
ik niet waardoor ik het werk van Bomans slechts ten dele kon begrijpen. In de
loop der tijd kocht ik nog weleens een boekje zoals Capriolen. Alles wat Bomans
schreef stond kraakhelder op papier. Toch bleef bij mij vaak een zeker onbegrip
hangen.
Pas begin vorig jaar (2004) maakte ik kennis met de verzamelbundel
van Bomans. Van mijn dochter kreeg ik ‘Werken IV’, waarin bijdragen van Bomans
aan ‘de Volkskrant’ staan. Ik heb het vrij vlot uitgelezen hoewel het 843
bladzijden telt. Ik stond verbaasd over de weldenkendheid, de vele verrassende
inzichten, de historische kennis en de grote bekendheid met de groten der
aarde, en dat allemaal in prachtig proza. Daarbij was het opvallend tegendraads.
Bomans weerlegde veelvuldig algemeen aanvaarde meningen. Dat werd hem niet in dank afgenomen. In de inleiding van ‘Noten kraken’ schreef Bomans in 1961, dat hij voor dat boek een stuk of veertig in ‘de Volkskrant’ verschenen beschouwingen had weggelaten om niet nog meer mensen kwaad te maken (Werken VII, p. 323). Dat Bomans mensen duchtig tegen de haren instreek, wellicht is provoceren een beter woord, blijkt ook uit de inleiding die Bomans voor het boek Op de keper beschouwd uit 1963 schreef: “De hier volgende beschouwingen, grotendeels afzonderlijk gepubliceerd in ‘de Volkskrant’, hebben mij weer eens de prikkelbaarheid doen kennen, waarin een verrassend groot gedeelte der Nederlandse bevolking blijkbaar vertoeft. Bijna elk daarvan was een steen des aanstoots en werd mij als zodanig naar het hoofd geworpen” (Werken VII, p. 363).
Ik vroeg me af hoe ik zo’n kritisch en veelzijdig man zou
kunnen typeren. Cultuurfilosoof leek me het beste. Want daar pasten ook zijn
verhalen over de belangrijke dingen uit het gewone leven bij zoals voetbal,
schaken, Tour de France, Olympische Spelen en onderwerpen als toerisme,
carnaval, Sinterklaas, het Kerstmannetje en Oudjaar.

Vervolgens las ik ‘Werken V’ met bijdragen aan ‘Elsevier’, waarin diepgaande beschouwingen over geloof en kerk zijn opgenomen. Ten slotte las ik ‘Mengelwerk’’ (deel VII).
In genoemde delen, die ongeveer de helft van het verzamelde werk beslaan, trof ik vooral de ernstige Bomans aan. Een wereld ging voor me open omdat ik veel beschouwingen voor het eerst las, of voor het eerst goed las. Niet alleen de breedte van het werk viel mij op, ook de diepgang. En de bedrieglijke eenvoud van zijn werk zag ik nu duidelijk in. Mijn ogen snelden vroeger – aangemoedigd door Bomans’ soepele schrijfstijl – over het papier, op weg naar het volgende hoogtepunt, terwijl ik het vorige slechts voor de helft had gezien.
In het laatste deel (VII) staat achterin een personenregister met de namen en de plaatsbepaling van alle in het werk van Bomans voorkomende personen. Het beslaat maar liefst 37 bladzijden en bevat naar schatting 2500 namen. Ongeveer 500 daarvan zijn verbonden aan grote personen. Met vrijwel allen had Bomans lezend kennis gemaakt. Eigenlijk had ik al die grote historische namen uit binnen- en buitenland moeten opschrijven om te laten zien wie Bomans was. Het gevaar is groot dat de lezer in die zee zou verdrinken. Ik besloot het wat luchtiger op te dienen. Ik schrapte ongeveer de helft en maakte een lijst van veel voorkomende namen. Dat bleken er 20 te zijn. Jezus en Charles Dickens staan op de eerste plaats met 11 regels vermeldingen in het register. Ze worden op de voet gevolgd door Goethe en keizer Napoleon (9 regels). Dan volgen Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel, red) en Nicolaas Beets (7), iets lager moeder Maria (6) en Anton van Duinkerken (5). Helemaal onderaan, maar met toch nog aanzienlijk wat vermeldingen (4 regels), staan Hans Christiaan Andersen, Mari Andriessen, Beethoven, Mozart, Schubert, Einstein, Sir Winston Churchill, Hitler en Carl Romme. Jozef (van Maria) en de apostelen Petrus en Paulus behoren ook tot deze categorie. (..)
![]() |
De ongeveer 250 overgebleven belangrijke namen heb ik vervolgens gerubriceerd. Het probleem dat zich ook ten aanzien van Bomans voordoet, deed zich direct bij mij voor: in welk hokje moet ik de personen stoppen? Was Karl Marx een revolutionair doordat hij in 1848 een dun maar invloedrijk boekje met de titel Het communistisch manifest had geschreven of was hij veel meer een wetenschapper, die drie Bijbel-dikke boeken had geschreven over de werking van het kapitalisme (Das Kapital)? Was Erasmus vooral priester/theoloog of filosoof/schrijver? Wat moest ik met Huygens aan? En was Dr. Max Euwe meer wereldkampioen schaken dan professor in Tilburg? Zo goed en zo kwaad als het ging heb ik een indeling gemaakt. Van de 250 namen behoren er maar liefst 78 toe aan schrijvers. De reeds vervlogen namen, mannen die in hun tijd groot waren zoals Alberdingk Thijm maar nu niemand meer iets zeggen, laat ik weg. Van de rest noem ik alleen een aantal nu nog bekende (oude) namen: Simon Carmiggelt, Cats, Hugo Claus, Willem Elsschot, P.C. Hooft, Harry Mulisch, Multatuli, Cees Nooteboom, Michel van der Plas, Simon van het Reve (Gerard Reve), Annie M.G. Schmidt, Vasalis, Simon Vinkenoog en Jan Wolkers. |
![]() |
Het aantal Nederlandstalige schrijvers bedraagt 32 op een totaal van 78. Zo’n 40 procent is dus Nederlandstalig, de rest is bijna geheel Engels-, Frans- of Duitstalig. Hieruit blijkt Bomans’ grote belangstelling voor buitenlandse literatuur die ik on-Hollands wil noemen. Daar horen de volgende namen bij: Hans Christiaan Andersen, Lewis Carroll, Cervantes, Cicero, Dante, Dickens, Dostojevski, Graham Green, de gebroeders Grimm, Heinrich Heine, Kafka, Kierkegaard, Levinas, Karl May, Molière, Novalis, George Orwell, Rilke, Rousseau, Shakespeare, Tolkien, Tolstoï, Jules Verne en Zola.
Nu is het niet zo dat Bomans altijd lange beschouwingen aan deze schrijvers wijdde. Geregeld komt de naam slechts een enkele keer voor in het werk van Bomans, meer als illustratie van zijn betoog. Desalniettemin is het aantal grote schrijvers dat tot de geestelijke vrienden- en kennissenkring van Bomans behoorde, ongewoon groot.
De belangstelling van Bomans voor kunstenaars was geringer
maar mocht er toch zijn. Ik heb er 23 geteld waarvan 12 Nederlandse. De oude
meesters zijn present met Breughel, Frans Hals, Rembrandt, Rubens, Vermeer en
recentere meesters als Van Gogh, Breitner, Jan Toorop, Anton Heyboer en Mari
Andriessen. Enkele grote buitenlandse namen zijn: Michel Angelo, Leonardo da
Vinci, Monet, Picasso en Rodin.
In het werk van Bomans zijn ook nog 15 componisten te
vinden, allen van buiten ons taalgebied. Het zijn de grote namen als Beethoven,
Mozart en Schubert. Dit drietal behoort zelfs tot de lijst van 20 meest
aangehaalde personen. Andere namen zijn: Bach (net niet in de top-20), Brahms,
Chopin, Händel, Haydn, Listzt, Strauss en Vivaldi e.a..
In de hoek van de kleinkunst staan 10 namen waaronder Rijk de Gooyer, Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonneveld. Tot de tien verdienstelijkste sportlieden behoren Fanny Blankers-Koen, Abe Lenstra, Fausto Coppi, Johann Cruyff en de denksporter Max Euwe.
De volgende categorie is die van politici, heersers en tirannen. Een moeilijke categorie omdat daar machtsgebuikers en –misbruikers broederlijk naast elkaar staan. Carl Romme behoort tot de 20 uitverkorenen van Bomans. Hij was Nederlands staatsman in de jaren dertig en veertig.
Twee andere uitverkorenen zijn tegenvoeters uit diezelfde
periode: Churchill en Hitler. Minder in tel waren Van Oldenbarneveldt,
Thorbecke, Troelstra, Mussert, Willem Drees, Lubbers, Den Uyl, van Mierlo en
Wiegel. Onder de buitenlanders bevinden zich Mussolini, Goebbels, Goering,
Himmler, Seys Inquart, Stalin, Mao Tse Tung, De Gaulle, Eva Perón, Roosevelt en
Soekarno.
Ook heel wat keizers, koningen en wat daar tegenaan zit mochten zich verheugen in de belangstelling van Bomans, ongeacht of zij even grote boeven waren als Hitler en Stalin. Keizer Napoleon staat (met Goethe) zelfs op de derde plaats van de Bomans top-20. Willem de Zwijger en Willem II, III en V komen in het werk van Bomans voor, evenals de koninginnen Wilhelmina en Juliana. Verder Marcus Aurelius, Hadrianus, Nero, Karel de Grote, koning Lodewijk (Louis) Napoleon, Lodewijk XIV, en omdat Bomans toch bezig was, ook nog Lodewijk XV, XVI, XVII en XVIII en Peter de Grote. Hier blijkt wel uit dat Bomans een grote belangstelling had voor geschiedenis. Die studie ging echter niet door omdat de jonge Godfried net als zijn vader jurist moest worden. Gelukkig werd hij dat niet. De jonge Bomans gaf halverwege zijn studie de brui aan Rechten,
De
laatste categorie is die van geloof en kerk. Jezus staat (met Dickens) op de
eerste plaats van de top-20. Daar komen moeder Maria, Jozef en de apostelen
Petrus en Paulus bij. Hoewel velen Bomans zeer rooms achten, staat niets van
Rome en de katholieke kerk in zijn top-20. Wel deze vijf personen die de kern
van het christendom vormen.
In het kader van kerk en geloof komen verder de volgende personen aan de orde: Uiteraard Augustinus en Titus Brandsma, Bernardus van Clairvaux, Calvijn, Erasmus, Franciscus van Assisi, pater van Kilsdonk, Harry Kuitert, Luther, Mohammed, Huub Oosterhuis, paus Pius V, en omdat Bomans toch bezig was ook Pius VII, VIII, IX, X, XI en XII, Ruusbrouc, Teilhard de Chardin, Theresia van Avilla, Thomas a Kempis en Meister Eckhardt.
Het palet is ook hier weer erg breed en bont. Verklaarde
heiligen staan tegenover heuse mystici en geduchte ketters. Kritische
katholieken en protestanten meed Bomans ook niet, nee, hij zocht ze juist op,
zoals in 1971 pater van Kilsdonk en Harry Kuitert. Beide mannen zijn nog in
leven en zijn in ruim dertig jaar tijd weinig veranderd. Die oude interviews
zijn nog verrassend actueel.
Al deze feiten hebben mijn beeld van Bomans als
cultuurfilosoof bevestigd. Hij schonk aandacht aan talrijke onderwerpen, groot
en klein en verengde zijn blik niet tot het Nederlandse taalgebied. Hij richtte
zijn blik juist over de grens. Hij schouwde in de grote geestelijke wereld. En
hij stapte ook feitelijk de wijde wereld in. Diverse keren verbleef hij een
langere tijd in het buitenland zoals in Engeland en Italië. Hij bleef zijn blik
verruimen en kwam regelmatig tot de conclusie dat alles in Nederland overwegend
klein was, ook de kunst en literatuur van zijn tijd.
Met veel aandacht en plezier heb ik van ‘Werken’ tot nu toe
de bundels IV, V, VI en VII doorgenomen. Voor mij zijn deze bundels een
goudmijn vanwege de vele diepgaande beschouwingen van historische, literaire,
culturele, religieuze en spirituele aard. Bovendien komen vaak filosofische en
psychologische aspecten aan het licht. Bomans studeerde in Nijmegen enkele
jaren wijsbegeerte en psychologie. Dat wierp vrucht af. Toch wordt Bomans sinds
de jaren zestig van de vorige eeuw in academische kring voor een oppervlakkige
lolbroek gehouden. Dat was te merken. Toen ik in de tweede helft van de jaren
zestig op de Hogere Burgerschool (HBS-A) zat, moesten we voor het examen in het
vak Nederlands, een lijst van zo’n twintig boeken lezen. Die boeken moesten
verdeeld worden over diverse tijdvakken. Zo heb ik ‘De Spaanschen Brabander’
van Bredero gelezen. Er moesten ook vijf boeken uit de moderne tijd bij staan.
Bomans mocht, nou ja, alleen ‘Erik of het klein insectenboek’. Bij Gods gratie
mocht dat boekje – dat veel te moeilijk is om door tieners begrepen te worden –
gelezen worden, o ja, alleen door meisjes. Dat probleem diende zich bij mij
niet aan mede omdat mijn keuzeschrijver Willem Frederik Hermans was.
Als op de middelbare school Bomans al werd afgeraden, hoe zal het dan op de Universiteit zijn geweest? Bomans was daar helemaal not done. En als je leermeester een schrijver afraadt, welke student gaat die boeken dan nog lezen, naast de berg verplichte stof? Vrijwel niet een. Daar komt bij dat het lang geduurd heeft eer er een verzamelbundel (niet het complete werk) van Bomans op de markt kwam. ‘Werken I’ kwam in 1996 uit, 25 jaren na zijn dood, het laatste deel (VII) in 2000. Pas in het jaar 2000 was het mogelijk een vrijwel compleet beeld van Bomans te krijgen. Annemarie Feilzer en Peter van Zonneveld hebben dat gelukkig als redactie voor iedereen mogelijk gemaakt.
Bomans werd vooral in de jaren zestig door het volk op
handen gedragen. Men hield van zijn leuke stukkies, die in die tijd vooral over
onderwerpen uit het gewone leven gingen,
en zijn boeken werden bij de vleet verkocht. Van officiële zijde werd dit met
wantrouwen aangezien want een echte
schrijver kon niet populair zijn bij het gewone volk. Bomans kreeg zelfs de
naam van lolbroek. Dat beeld, vooral gevormd door zijn succesvolle
televisie-optredens begin jaren zestig, is bepalend geweest voor zijn imago als
schrijver. Belangstelling van de academische en culturele elite kon hij wel
vergeten. Men deed hem af als stilist en humorist, verder niet de moeite waard.
Men keek dus nauwelijks om naar de rest van zijn werk, veelal ernstige en
diepgaande beschouwingen, die ongeveer de helft van zijn oeuvre beslaan.
Daardoor is de beroemde Bomans een van de meest onbekende schrijvers van ons
land gebleven.
Toen ik voor het eerst de gedachte kreeg dat Bomans een cultuurfilosoof was, meende ik me te vergissen. Want ‘niemand’ zei dat, ook niet in het boek ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, dat een jaar na zijn dood in 1971 uitkwam. Aan dat boek leverden een kleine veertig mensen hun bijdrage.
De grote gezaghebbende mannen uit de literatuur lieten zich kritisch uit en kwamen in hun waardering voor Bomans niet veel verder dan de bekende kwalificaties. Toch trof ik in ‘Herinneringen’ enige steun aan voor mijn mening. Het betreft hier mensen van veel geringer gezag en maatschappelijk aanzien dan de grote namen die in het boek voorkwamen, maar zouden ze zich alleen om die reden moeten vergissen?
De
eerste die ik wil noemen is Jac Haring. Als eerbetoon componeerde hij in 1968
een gecompliceerde schaakstelling in de vorm van de initialen van Bomans.
Bomans, zelf een verdienstelijk schaker, had hiervoor veel waardering en
bedankte de ‘Zeer geachte Meester’ per brief. Haring schreef later: “Het plotseling overlijden van onze grote
schrijver en cultuurfilosoof heeft mij diep geschokt” (p. 232).
Alleen bij Haring ben ik het woord cultuurfilosoof tegengekomen. Volgens mij sloeg hij als enige de spijker op de kop. De bekende columnist Simon Carmiggelt zat daar wel dicht bij. Hij schreef; “Godfried Bomans werd in de laatste jaren steeds meer een wijsgerig mijmeraar, die toch nooit zijn humor verloor” (p. 71).
Ten slotte zag de dichter en essayist Willem Brandt de humor van Bomans meer als ironie en zei daarover: “Dit is een soort humor die meer met filosofie dan met het opzettelijk nastreven van een komisch effect te maken heeft, en Bomans staat in dit opzicht dichter bij Socrates, wanneer deze zijn bedenkingen tegen de schijnwijsheid opperde, dan bij Dickens” (p. 62-63).
Brandt noemde de vader van de filosofie en Bomans in een adem. Het is niet niks wat Brandt daar stelde.
Het boek ‘Herinneringen’ kwam in 1972 uit. Bijna veertig mensen gaven daarin hun visie op de persoon Bomans en zijn werk. Slechts drie daarvan noemden het filosofische aspect. De overgrote meerderheid blijkt dat nooit gezien te hebben. Die blinde vlek komt voort uit onbekendheid met het werk van Bomans. Dus goed te verklaren. Toch blijft dat een beetje vreemd, als ik er de wetenschappelijke en doorgaans gezaghebbende ‘Grote Winkler Prins’ ( zevende druk, deel 4, bladzijde 247) bij haal. Daarin staat over Bomans het volgende:
“Hoewel de kwaliteit
van zijn werk soms door een zekere hang naar effect bedreigd wordt, getuigt de
wijze waarop hij allerlei zaken van sociale, culturele en godsdienstige aard
benaderde, veelal van grote scherpzinnigheid en van origineel denken.”
Daar staat met andere woorden: Bomans was een cultuurfilosoof.
21 april 2009
Gerelateerde aan te klikken artikelen op deze site:
-
Herinneringen
aan Godfried Bomans - Supplement
Verantwoording illustraties
1 Bomans voor zijn boekenkast. Bron: Fred Berendse
2
Voorkant ‘De verliefde Zebra’. Bron: tijdschrift
Godfried van september 2005
3 Voorkant ‘Buitelingen’. Bron: idem
4 ‘Werken’, het zevendelige verzamelde werk van Bomans. Bron: idem
5 Voorkant ‘Het communistisch manifest’ van Karl Marx. Privéscan
6 Voorkant ‘Lof der zotheid’ van Erasmus. Privéscan
7 Bomans met pijp. Bron: ‘Godfried’ van september 2005
8 Schaakstelling van Jac Haring in de initialen van Bomans (G.B.). Bron: idem