
Bomans en Herman van Run
Edward Krabbendam
Herman van Run is geruime tijd bevriend geweest met Bomans. Hij werd in 1918 geboren, studeerde rechten in Nijmegen waar hij rond 1940 Bomans voor het eerst ontmoette. In 1949 verhuisde hij naar Haarlem waar Bomans in 1943 was teruggekeerd, na in Amsterdam en Nijmegen te hebben gewoond. Van Run is later hoofdredacteur van ‘de Tijd’ geworden. Kortgeleden kwam hij nog in beeld, tijdens een aflevering van de gewaardeerde NPS-serie ‘De oorlog’ die door Rob Trip, de huidige nieuwslezer van het achtuurjournaal, werd gepresenteerd. Een van de regisseurs is Godfried van Run, de jongste zoon van Herman.
In die aflevering bleek Van Run een van de honderden vooraanstaande Nederlanders die in mei 1942 werden opgepakt. Ze werden in Haaren en St. Michelsgestel in kampen gestopt. Bestuurders en intellectuelen, onder wie Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken en Johan Huizinga, hadden het er aangenaam, maar ieder ogenblik kon er iemand geëxecuteerd worden. Zij vormden de voorraad gijzelaars waaruit de Duitsers konden putten indien geweld tegen hen zou worden gepleegd. Het verzet werd hierdoor aan banden gelegd.
Van Run kwam in het gijzelaarskamp in Haaren terecht. Hij vertelde dat de sfeer aldaar vriendelijk en hoffelijk was door het cultuurpeil van de kampbewoners en doordat iedereen door hetzelfde lot getroffen kon worden. Hij bedoelde de kogel.
Bomans en Van Run raakten rond 1950 bevriend, kwamen bij elkaar over de vloer en zagen elkaar in de Haarlemse sociëteit Teisterbant. Meer informatie is er niet, hooguit dat ze in maart 1965 aanwezig zijn geweest bij een voorstelling, waarbij ze al improviserend 20 vragen moesten beantwoorden. Wel is er de bijdrage van Van Run aan het boek ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ (1972), onder de veelzeggende titel Van dichtbij gezien. Door zijn typering, blijkt Van Run Bomans goed gekend te hebben. Het forse artikel over Bomans begint met:
“Hij
lag op de antieke zitbank en was dood. Zijn hoofd op de armleuning met een paar
kussens eronder om het te steunen, zijn grote mooie handen over elkaar
geslagen. Hij had de kleren van die dag nog aan, zijn borst was voor een deel
ontbloot.
Onbegrijpelijk.
En geen gedachte, geen woord dat kon helpen.
Zijn
vrouw, Pietsie, zei inverdrietig de enige juiste dingen: ‘lieve jongen, arme
jongen’.
Boven sliep Eva, hun dochtertje. In de huiskamer zaten Godfrieds broer Jan, een huisvriendin, de parochiekapelaan en de koster-uitvaartverzorger. Het was in de nanacht. Godfried was nauwelijks een uur dood, maar zijn gezicht had al een voorschot genomen op de eeuwige onbeweeglijkheid” (Herinneringen, p. 200).
Uit deze woorden blijkt dat Van Run tot de intimi van het gezin Bomans behoorde, anders was hij daar niet aanwezig geweest. Hoe het die nacht precies is gegaan, beschrijft Van Run niet, maar het is aannemelijk dat hij door mevrouw Bomans, midden in de nacht is opgebeld, waarna hij direct naar Bloemendaal is gegaan, waar Bomans sinds 1961 woonde. Van Run schreef verder:
“Hij
had die avond geschaakt in de Bloemendaalse schaakclub. Zo goed als hersteld
van een zware griep had hij die dorpse, hem dierbare, bezigheid willen benutten
als een oefening voor de volgende meer inspannende avond: een lezing voor een Nederlands-Belgisch
gezelschap. De laatste schaakpartij was hem zwaar gevallen. Tot twee keer
toe bood hij vergeefs remise aan. Hij
had de boord van zijn overhemd losgemaakt, zijn das afgedaan. En ineens was hij
weg, naar huis.
Daar overviel hem een ongekende beklemdheid. Hij raakte panisch verontrust. Medische hulp bleek vergeefs” (Idem, p. 200).
Bomans overleed op 22 december 1971 om kwart voor een in de nacht ten gevolge van een hartaanval. De schaker, beter gezegd, deze homo ludens, was uitgespeeld.
Uit bovenstaand citaat blijkt Bomans vrijwel hersteld te zijn geweest van een zware griep. Wouter van Dieren zag Bomans nog op 21 december, een aantal uren voor zijn overlijden. Ze hadden gewerkt aan een tv-programma. Ten slotte wilde Bomans Van Dieren uitgeleide doen. Van Dieren schreef: “’Doe dat nou niet”, zeg ik. Hij ziet er bepaald te slecht uit, bleek, geel, zo heb ik hem nog nooit gezien” (Gesprekken met bekende Nederlanders, p. 159).

In 1972 verscheen ‘Herinneringen aan
Godfried Bomans’. Dat boek stond onder redactie van Michel van der Plas. Mensen
werden uitgenodigd hun herinneringen op papier te zetten. Tegen de veertig
personen deden dat, onder wie Van der Plas, Harry Mulisch, Kees Fens en andere
kopstukken. Het is vrijwel zeker de schrijver en tv-recensent Nico Scheepmaker
geweest die in de Leeuwarder Courant van 20 mei 1972 over de bijdragen in dat
boek het volgende schreef: “er (is) in
feite niet meer dan één waarin een werkelijke poging is ondernomen om greep op
het fenomeen Bomans te krijgen.”
Inderdaad, na lezing van dik 200 bladzijden, zit men met de handen in het haar: wie wŕs die Bomans nou? En wie had werkelijk enige greep op hem gekregen? Scheepmaker noemde geen namen.
Aanvankelijk dacht ik dat hij Harry Mulisch bedoelde, want Mulisch kwam met enige zaken die hout sneden. Nu ik meer van Bomans afweet, en de bijdrage van Van Run nog eens grondig heb doorgenomen, moet ik mijn mening herzien. Van Run geeft een vrij goed beeld van Bomans. Hij behoort daarmee tot een driemanschap dat kijk heeft op Bomans. De anderen zijn Wouter van Dieren en Bertus Aafjes. Opvallend is dat juist zij ontbreken in ‘Herinneringen’. Daarom hebben ze volop de ruimte gekregen in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans – Supplement’ op deze site.
Hieronder staan citaten uit de bijdrage van Van Run aan ‘Herinneringen’ uit 1972 waaruit bovenstaande mag blijken:
“(Er) komt telkens een andere herinnering in mij boven. Godfried komt uit de voordeur, zijn ogen half dichtgeknepen tegen het daglicht. Hij roept iets groetends en begint onmiddellijk te praten over dingen om hem heen. ‘Kijk eens hoe die rododendrons gegroeid zijn, en kijk die dennenhaag eens.’
Maar de rododendrons zijn geen rododendrons, en de dennen zijn taxussen. Godfried gaf vaak met kracht verkeerde namen aan specifieke dingen. Hij hield van de schijn van indrukwekkende deskundigheid. Dat was zijn spel, het was ook zijn ernst. Hij hoefde niet af te wachten hoe de dingen heetten; de dingen hadden te wachten op de naam die hij eraan zou geven, en eigenlijk kregen ze voor hem pas daarna hun bestaan. Godfried ging als een schepper rond (p. 201).
Nederland kent Godfried Bomans als schrijver, spreker en, zoals het heet, televisiepersoonlijkheid. Een aantal mensen heeft hem gekend als binnenhuiswezen. Tamelijk onberekenbaar doolde hij in zijn grote huis rond. Hij lag een tijd te lezen op een bank, kwam even praten bij de haard in de huiskamer, zoog de ene sigaret na de andere en zette de televisie aan in de hoop dat er een schietfilm in plaats van een actualiteitenprogramma voorhanden was. Alleen als er mensen kwamen met wie hij verwantschap voelde, bleef hij langere tijd stoelvast, nestelde zich lustvol in de warme sfeer die mede door zijn vrouw werd bepaald, en beoefende met behagen een ordelijk gesprek (p. 202).
Ook al hing hij aan zijn huis, toch was hij veel weg. Weg voor zijn werk, lezingen, besprekingen, weg naar vrienden, naar wat voor mensen dan ook of naar een café om er vrij slecht te biljarten in de vurige hoop dat zijn partner het nog slechter zou doen. Hij zocht elders wat hij thuis uit ongedurigheid net had prijsgegeven: warmte en behaaglijkheid. Hij zocht bij voorkeur veilige tehuizen, vroeg melk of chocolade, praatte wat, trok zijn schoenen uit, ging op een bank liggen en sliep in. Maar ineens stond hij op, trok zijn jas aan, onhandig verstrooid alsof hij een lap om zich heen trok waaraan mouwen bleken te zitten, en ging weg. Hij deed wat hij wilde (p. 203).
Hij was dol op tradities, zowel om er baldadig mee te spelen als om ze te koesteren. Liefst allebei, in grillige afwisseling. En wanneer hij daarbij de hoofdrol kreeg, was dat meegenomen. Als president van de sociëteit Teisterbant droeg hij aanvankelijk een onderscheidingsteken dat van een carnavalsvereniging afkomstig was (p. 203).
Soms zocht de man die van zoveel kneuterigheid hield het gevaar. Maar hij verwachtte nooit dat het hem echt zou deren. Hij deed er zijn ogen voor dicht. En wat hij niet zag, bestond niet.
Met name voor lezingen en besprekingen was hij dikwijls gevaarlijk onvoorbereid. Op het laatste moment, soms onderweg even met de auto stilstaand onder het licht van een straatlantaarn, keek hij na wat die avond van hem verwacht werd. Voor de gebruikelijke lezingen had hij meestal wat eerder verschenen stukken bij zich, die hij na een briljante inleiding voorlas als speciaal voor die avond geschapen. En als hij iets onverwachts moest doen, een tafelrede of zo maar een toespraak, werkten de spanning en de dreiging van te zullen falen zo aanjagend, dat hij schitterende toppen van formuleerkunst bereikte. Angst kende hij daarbij, geloof ik, niet. In plaats van zich beklemd te voelen, genoot hij van de spanning, en na een bedachtzaam begin schoot hij snel in bloei (p. 204).
Wanneer hij, bijvoorbeeld thuis, ervoor was gaan zitten om aan een gesprek mee te doen, probeerde hij, met behoud van dolle zijsprongen, heldere lijnen te trekken naar een uitkomst of naar nieuwe verbindingen. Hij kon geweldig geďrriteerd raken als iemand inhoudloos, maar emfatisch (met ophef), doorzeurde. Zijn eigen methode was: vragen stellen en antwoorden zoeken, waarbij hij van de veronderstelling uitging dat de antwoorden van anderen van geringere kwaliteit waren dan ze zijne. Meestal bleek die veronderstelling juist (p. 204-205).
In het beschrijven van verschijnselen was hij een meester, in het verklaren ervan een magiër, in het belijden van zijn eigen innerlijk een geschoold goochelaar. Bang voor de droesem in zichzelf schonk hij uitsluitend de klare wijn van mooie woorden. En als hij het met woorden niet kon redden, vluchtte hij in zwijgen of vluchtte hij letterlijk.
Hij was en bleef een getekende. Getekend door een jeugd met onuitwisbare invloeden van thuis, kerk en kruis. En de resultante was een samenstel van gemis, eenzaamheid en onvolgroeidheid (p. 205). Een leven lang heeft hij geprobeerd tekorten in te halen en zich te verwarmen aan menselijke betrekkingen. (..) Hij had veel vrienden onder wie een paar meer intieme. Zijn voorkeur ging daarbij uit naar singuliere mensen. Met hen voelde hij bijzondere verwantschap, met hen verkende hij duistere gebieden van het bestaan, hun bleef hij aandoenlijk trouw (p. 206).
Voor de televisie en in zijn journalistieke werk heeft hij bewezen tot een unieke dienst aan het publiek in staat te zijn. Hij kon ingewikkelde dingen zozeer versimpelen door een trefzekere formulering, dat iedereen blij begreep waar hij het over had. Bovendien bezag hij de dingen vanuit onverwachte gezichtshoeken, waardoor hij boeide en verraste. Wanneer hij ook nog liet zien hoe dubbel vele bodems zijn, bezorgde hij vermaak door ontluistering. Al die begaafdheden hanteerde hij welbewust en kundig gedoseerd als een begenadigd vakman (p. 206).
Maar in het uitzeggen van de eigenlijke dingen, zijn jeugd, zijn wezen, zijn betrokkenheid bij maatschappelijke en godsdienstige problemen, liep de formuleerkunst vaak angstig op de eerlijke inhoud vooruit. Hij stileerde de historische waarheid zodanig dat zij voor zijn toehoorders en voor hemzelf aanvaardbaar werd. Dat leverde dan mooie verhalen op. Maar zijn tweeslachtigheid tegenover wereld en religie; een mengsel van echt en gespeeld engagement, maakte dat hij soms gevaarlijk balanceerde op de grens van de onwaarachtigheid. Tenminste zo leek het mij. Maar dat hij, ook in minder echt engagement, de dingen zo wist te zien en te zeggen als de meeste waarachtig geëngageerden niet kunnen, was tekenend voor zijn superieure vermogens” (p. 207).
***
Van Run gaf in zijn bijdrage nog een aforisme van Bomans dat ik maatgevend acht voor diens werk als schrijver en spreker: “De taal is een handschoen die strak om de huid van de inhoud getrokken is” (p. 204).
Journalist en vriend Herman van Run opende op 14 juni 2002 ‘Godfried Bomans, de fluwelen duivel’, de Bomans-expositie in het Letterkundig Museum.
1 februari 2010
Met dank aan Jan Henry.
Gerelateerd artikel:
Herinneringen aan Godfried Bomans – Supplement
Verantwoording illustraties:
1. Bomans wandelend in het bos, vermoedelijk in de winter van 1963. Bron: Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 28, detail.
2. Herman van Run. Vrij recente foto ontleend aan Google afbeeldingen.
3. Bomans en Herman van Run, 1971. Bron: Godfried achteraf bekeken, p. 129. De beknopte biografische kalender in ‘Herinneringen’ laat het volgende weten: “Wanneer in de zomer van 1971 het pand Houtweg 125 wordt gesloopt, verwerft hij (Bomans) de gevelsteen met de naam ‘Boshof’ en laat deze aanbrengen in de voorgevel van zijn huis aan de Parkweg (in Bloemendaal)” (p. 34). Het pand moest weg in verband met de bouw van het Mariaziekenhuis in Haarlem.
Bijlage:
Nieuwsbericht op deze site van 1 februari 2010
In de derde aflevering van de onlangs uitgezonden serie De Oorlog, gepresenteerd door Rob Trip, kwam Herman van Run aan het woord. Tijdens de Duitse bezetting werd hij met honderden belangrijke Nederlanders in een kamp opgesloten. Zij zaten daar om de volgende reden. Als tegen Duitsers geweld werd gepleegd, hadden de Duitsers een voorraad kampbewoners waarvan er een aantal als represaille kon worden doodgeschoten.
Herman van Run is rond 1950 bevriend geraakt met Bomans. Van hun vriendschap is weinig bekend, wčl was Van Run midden in de nacht aanwezig bij de zojuist gestorven Bomans. Van Run moet hem goed gekend hebben, blijkens zijn typering van Bomans, die in het nieuwe 1000-pootje ‘Bomans en Herman van Run’ is weergegeven. Indien belangstelling, klik hier.