Bomans en ![]()
Edward Krabbendam
Harry Mulisch vierde
op 27 juli 2007 zijn tachtigste verjaardag. Ter gelegenheid daarvan was er voor
hem veel aandacht in de pers. Dat is terecht, want Mulisch is een beroemd
schrijver en een markant persoon. Het breedst pakte weekblad HP/De Tijd uit,
met ruim zestig bladzijden. Dat is niet verwonderlijk want Mulisch was kind aan
huis bij het eerder nog zelfstandige weekblad Haagse Post. De Mulisch-editie
van ‘HP/De Tijd’, waarin ‘Het bijzondere leven van een fenomeen’ werd
weergegeven, was interessant, met mooie (oude) interviews die meestal niet
onkritisch waren, en een zeer kritische bijdrage van dichter Rutger Kopland
(psychiater R.H. van Den Hoofdakker) die in zijn recensie van Mulisch’ boek
‘Het seksuele bolwerk’ op 13 oktober 1973 vertwijfeld uitriep: “Ik begrijp er
geen fluit van” (p. 61).
In de interviews viel
op, dat Mulisch af en toe antwoorden gaf waarmee hij hopeloos vastliep. Erg
bont maakte hij het in een interview van Ad Fransen dat op 20-12-1996 in ‘HP/De
Tijd’ verscheen. Mulisch verklaarde dat Gerard Reve alleen maar slechter was
gaan schrijven (..): “‘De avonden’”, zei hij, “is beter dan ‘Het Boek Van
Violet En Dood’”. Franssen vroeg: “Hebt u dat boek dan gelezen?” Mulisch
antwoordde: “Nee, natuurlijk niet. Ik wil graag objectief kunnen blijven oordelen,
en als ik het zou lezen, word ik subjectief” (p. 80).
Mulisch had ook wel
door dat zijn antwoord de hoogste graad van subjectiviteit inhield en
verklaarde snel, dat hij het boek van Reve – zo ongeveer zijn aartsvijand - had
doorgebladerd.
In een recent
interview van Roelof Bouwman en Ad Fransen, kreeg Mulisch deze vraag
voorgelegd: “Naar aanleiding van de dood van Godfried Bomans schrijft u in
januari 1972 voor de ‘Haagse Post’ een omslagverhaal. Was dat op uw eigen
initiatief?”
Mulisch: “Ja, maar het
is mijn eer te na om de krant te gaan bellen als er iets bijzonders over mezelf
te melden zou zijn” (p. 28).
Dit is nauwelijks een
antwoord en om welk stuk het ging, werd niet gezegd. Het betrof een fors
artikel dat Mulisch later nogmaals gebruikte onder de titel ‘Hij minder en
minder’. Dat was zijn bijdrage aan het boek ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’
dat in 1972, een jaar na Bomans’ dood, verscheen.
In 1960 plaatste de
‘Haagse Post’ een interview van haar redacteur Simon Vinkenoog onder de titel: ‘Ik
ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan!’. Mulisch bleek al
naam te hebben gemaakt in Haarlem, “waar hij een trouw, werkend lid is (met
Godfried Bomans, Harry Prenen, Kees Verwey en Anton Heyboer) van de sociëteit
Teisterbant” (p. 33).
Meer is er niet. In de
hele Mulisch-editie van het weekblad worden Heyboer en Bomans in totaal drie
keer genoemd. Net als in ‘NRC Handelsblad’, ’de Volkskrant’ en ‘Trouw’, komt
Mulisch in ‘HP/De Tijd’ pas in de jaren zestig tot leven, een periode waarin
zijn faam groeide en hij links-activistisch werd. Het is alsof hij in de jaren
vijftig, waarin de vriendschap met Bomans en Heyboer centraal stond, niet
geleefd heeft. Maar hij lééfde. Met zijn vrienden maakte hij veel lol, meestal
in de culturele sociëteit Teisterbant. Daar bleef het niet bij. Bomans en
Mulisch waren getuigen bij het tweede huwelijk van Anton Heyboer met Erna
Postma (Kramer). De vrienden woonden ook de begrafenis bij van de vader van
Harry en die van Erna’s vader. Ze voerden veel lange gesprekken die tot felle
discussies konden uitlopen, vaak over het schrijverschap. Van die vriendschap
ging een vormende werking uit op de jonge schrijver die Mulisch toen was.
Jeroen Brouwers noemde Mulisch niet voor niets de zoon van Bomans. Brouwers bedoelde
dit in stilistische zin. Maar de invloed van de gevestigde schrijver op de
beginnende, is groter geweest. In het boek van Brouwers over Bomans, komt een
citaat voor van Kees Fens uit ‘de Volkskrant’ van 16 juli 1977, naar aanleiding
van Mulisch’ verhalenbundel ‘Oude lucht’: “Het zou, geloof ik, aardig zijn,”
schreef Fens, “eens de invloed van Bomans op delen van Mulisch’ werk te
onderzoeken: met hetzelfde materiaal waarmee de een speelt, bedrijft de ander
ironische ernst, op haast identieke wijze (..)” (De wereld van Godfried Bomans,
p. 81). Hierna gaf Brouwers vrijwel identieke fragmenten uit het werk van beide
schrijvers.
Geconstateerd mag
worden dat Bomans in de jaren vijftig een belangrijke rol gespeeld heeft in het
leven van de jonge Mulisch. Dat lijkt iedereen vergeten te zijn waardoor er een
leemte is ontstaan in de literatuurgeschiedenis.
Met dank aan Frank van
der Voordt
Zomer 2007
Deze herziene versie
is van 12 november 2009
Naschrift
De Mulisch-editie van
‘HP/De Tijd’ komt verder aan de orde in ‘Bomans als onbekende’ dat in 2007 in
drukvorm verscheen in het septembernummer van ‘Godfried’, het tijdschrift van
het Godfried Bomans Genootschap. In november 2007 werd ‘Bomans als onbekende’
op deze site geplaatst, enigszins gewijzigd.
Drie weken na de
Mulisch-editie werd ondermeer deze ingezonden brief in ‘HP/De Tijd’ geplaatst: