De krant kon onvoldoende ruimte bieden aan de stukken van Prenen waardoor hij was aangewezen op het weekblad ‘De Linie’. Zo werd op 19 november 1948 ‘Het een en ander over Godfried Bomans’ afgedrukt, een zeer lang artikel van de hand van H. L. Prenen, evenals drie illustraties, waarvan er een hier is afgebeeld. Op zekere dag zat een stel jonge literatoren in de tuin van hun sociëteit. Prenen mocht als gast en vreemdeling aanschuiven. Hij schreef verder:

“Ze spraken over litteratuur, en achter mijn koffie gezeten sloeg ik het dispuut met een huivering van eerbied gade. Het waren studenten, poëten of essayisten, abonnées op ‘Podium’, vlijmscherpe critici die hun mes zo lang op de wetsteen van hun vernuft geslepen hadden, dat er nauwelijks iets mee te snijden viel. De scheppende talenten onder hen dronken zich dagelijks tot aan de nok toe vol met gedichten van Slauerhoff en essays van Vestdijk (..)

Het gesprek ging erover wie nu eigenlijk op het ogenblik onze beste prosateur mocht heten. Om mijn verlegenheid te verbergen en mijn pover zelfvertrouwen bij elkaar te schrapen, bestelde ik een taartje en keek wat naar buiten. En daar passeerde (..) mijn oude speelgenoot Bomans. Hij reed bedachtzaam op een motorfietsje en hield een karbiesje in de hand. Ik wenkte hem toe om naderbij te komen en aan de koffie met discussie deel te nemen. Doch hij had geen tijd en snelde verder om de trein te halen. Moest een lezing houden, vanavond. Blijkbaar deed hij weer ’n tocht naar de binnenlanden om hun de wereld te laten zien door het oog van een meikever.(..)

Toen ik mij weer omkeerde en mijn plaats zocht was de grootste prozaschrijver nog steeds niet gevonden. Vestdijk, die pas vijftig jaar was geworden, maakte echter een mooie kans. Tijdens het wikken en wegen begon er eentje:

 - ‘Tja, als ik het zeggen moet, de beste prozaïst in Holland is ….’

 - ‘Bomans!’  - Het was mijn stem die de twijfelende stilte brak. Ik had het gezegd voor ik het wist. De uitwerking was verrassend. Ze zetten alle twintig tegelijk hun glaasje neer en spalkten hun ogen open om te zien of ik in ernst sprak, - een van hen begon alvast te proesten -, maar toen de gloed der overtuiging mijn wangen kleurde barstte het ganse gezelschap in een bevrijdende schater los. Een springvloed van vrolijkheid stootte alle sluizen open, zoals zelfs de beste grap van Bomans zelf nooit te beurt was gevallen. Toen de vreugde wat bedaard was vroeg een ganse deputatie tegelijk: ‘Maar Vestdijk dan? En Slauerhoff, en du Perron en …..??’ ‘Bomans…. Nu ja, het moet dan maar: Bomans schrijft beter!’

Dat sloeg de deur dicht. De aanvoerder van het gezelschap hield nog genoeg adem over om mij naar de redenen van deze opinie te vragen. Ik moet bekennen: mijn antwoord geleek op het eerste gezicht wel wat op een Delphische orakelspreuk: ‘Daar heb ik zeven redenen voor. Zeven grote en honderd kleine.”

 – “Wat? Zeven? En honderd?” – “Zijn zeven boeken: Pieter Bas, Erik, Wonderlijke nachten, Sprookjes, Kopstukken, Bill Clifford en Pa Pinkelman.”

 – “En die honderd andere redenen?” – “Zijn artikelen in Elsevier, zijn recensies en feuilletons in de Volkskrant, zijn verspreide verhalen als ‘Het Doosje’ en ‘Hoebe’, zijn toneelstukjes in het fonds van de heer Anton Zweers, zoals het kleine éénactertje ‘Driekoningen’, zijn circulaires voor feesten en gelegenheden, zijn brieven aan mij persoonlijk (maar daar hebt ge verder uw neus niet in te steken) en zo al verder. Mij dunkt dat beloopt nog meer dan honderd. En nu ik toch bezig ben wil ik meteen maar zeggen dat het bij al uw veneratie( verering) voor Slau en Vestdijk en dergelijke (wat ik u niet betwisten wil, al kan ik het niet van harte delen) en bij al uw schampere waardering voor Bomans als louter amuseur (dit zienlijk deel is ’t minst van hem, zou vader Vondel zeggen) het toch geen kwaad kan eerst eens tot overeenstemming te komen wat eigenlijk goed proza is alvorens op pad te gaan om de beste prozaïst te zoeken.”

(..)

Deze avond gaf mij de bevestiging van iets dat ik al lang vermoedde. Gezien zijn succes kan men kwalijk zeggen dat Bomans miskend zou zijn, maar desondanks geniet hij vaak een verkeerde bekendheid. Dat hij een van onze eerste humoristen is wordt wel algemeen aanvaard (..) dat hij echter een van onze beste prozaïsten is, daar wil de officiële litteratuur en fijnproeverij nog maar moeilijk aan geloven. En toch is dat zo. Wie werkelijk iets weet van wat proza en wat schrijven is kan in zijn boeken en in zijn journalistiek te kust en te keur passages vinden om in een lijstje te zetten. De fijnproeverij verzekert ons echter dat hij een voortreffelijk auteur voor Jan, Piet en Klaas is, een genie van de middenstand, maar niet voldoende voor de happy few. Het tegendeel is waar, want terwijl hij de duizenden op de galerij in hun twee handen laat klappen blijft hij tegelijkertijd iemand van de kleine keurbende.

Dit misverstand heeft niettemin vele aanhangers. (..) Het volk te vermaken schijnt bij het edeler deel der natie op de index te staan (verboden, e.k.). En toch doet Bomans hiermede op eigen manier in onze litteratuur niet anders en niets minders dan Dickens het in de zijne deed. (..) Vervolgens ben ik van mening dat er in het eerste het beste goede stuk van Bomans’ Elsevierjournalistiek meer echte schrijfkunst en aangeboren talent steekt dan in menig poëem op hoge stelten.

Bij de happy few van de litteraire café’s kan men ondertussen nog meer bedenkingen vernemen. Bijvoorbeeld: dat hij in Elsevier schrijft!!  Een burgerlijk blad, naar ik verneem. Ook dat schijnt bij de exclusieven een ontzettend bezwaar te zijn, een encanaillering van heb ik jou daar. Ik kan het als ge wilt nog erger maken: hij heeft zelfs in ‘Asta’ geschreven, een treinlectuur-magazine met Amerikaanse moppen, breipatronen en plaatjes van schalkse juffrouwen. Inmiddels bewaar ik dat nummer nog steeds, niet om die breipatronen (en maar halvelings om die hupse dames), maar alleen in zijn verhaal ‘Is de vrouw nieuwsgierig?‘ Een prachtstuk. 

Eerlijk gezegd, wat doet het er eigenlijk toe waar iemand in schrijft? (..) Is het dan beslist noodzakelijk dat alles wat waarde heeft door Stols in de Lutetia-letter gepresenteerd moet worden op extra gesteven keizerlijk Chinees papier, in een genummerde oplage van 300 exemplaren waarvan de eerste veertig door de auteur gesigneerd? Dit zijn de genoegens der bibliophielen, waarmede men echter als zodanig aan de inhoud van het geschrift geen vrijbrief verleent. Want even goed als het mogelijk is dat een nul met statie in een patriciërshuis woont, even goed is het denkbaar dat men een prul in een luxe-uitgave ter markt brengt. En dit is niet alleen denkbaar, dit is ook meermalen gebeurd.

Nee, het gaat niet aan om de kunstenaar binnen de litteraire salon te houden. Wil hij zijn stem laten horen in een patronaatsgebouw of zijn lezers vermaken door bemiddeling van de Vincentiusbibliotheek, laat hij dan gerust zijn gang gaan.”        

Het unieke van Bomans positie is dat hij farceur en kunstenaar tegelijk is. Dat is de happy few in het kwadraat, en wel in zijn eentje.”Vele van Bomans’ beste bladzijden hebben tot eerste gevolg, dat ge, al lezende, plotseling over de tafel buigt van het lachen. Maar daar blijft het niet bij, want als we dan, de eerste pret voorbij, eens naspeuren waarin dit effect nu eigenlijk steekt, dan ontdekken we gaandeweg dat we hier met een meesterlijk stylist te doen hebben. Hoe prachtig is alles gezegd, met welk een lichte toets en feilloos evenwicht werd dit proza geschreven.”

 

In 1978 kwam ‘Bomans was de naam’ uit. Dat boek was een gevolg van gesprekken van Tony van Verre met vier schrijvers die met Bomans bevriend waren geweest, te weten Harry Prenen, Bertus Aafjes, Michel van der Plas en Simon Carmiggelt. Op bladzijde 22 en 23 staan 2 van de 5 kantjes die Bomans op 22 november 1948 met de hand had geschreven. De gehele brief, bestemd voor Harry Prenen, is uitgetikt en in het boek van Van Verre afgedrukt.

“Wat een verrassing was het, je stuk te lezen in ‘De Linie’ … Ik las het in … Groenlo. Ik sprak daar in een onguur café, tot aan de nok met barsche boeren gevuld, die mij met diep wantrouwen aanhoorden. In de pauze kwam er een bejaarde dame op mij af, die me je stuk overhandigde. (..) ’s Avonds in bed heb ik het stuk nog eens overgelezen, bij sommige passages met wellust toevende (..) af en toe een passage over de tong latende rollen, ‘alsof het bijzondere lekkernijen waren.’

Des ochtends had ik het geluk te ontbijten met 2 handelsreizigers, een veearts en den zoon des eigenaars, die mij – o Zaligheid! – ‘De Linie’ een ogenblik ter inzage vroegen. Heerlijk was het zich te zonnen in de steeds eerbiediger blikken, die deze eenvoudige lieden op den beroemden schrijver wierpen, intusschen een eitje met onverschilligheid pellend. Eindelijk verstoutte zich de veearts tot de vraag: ’Weet U, meneer, dat er een heele pagina over U instaat? ‘De schrijver: ‘Ik zag er zoojuist een glimp van. Is het gunstig?’ ‘Maar meneer,’ riep de veearts, ‘léést U het toch!’ ‘Later misschien,’ zei ik peinzend, ‘ik kan het niet allemaal bijhouden, wat er over mij geschreven wordt. Maar U zoudt mij een genoegen doen met mij de hoofdzaken mee te deelen.’

En toen hoorde ik het stuk nog eens, want de brave man kon zich onmogelijk tot de hoofdzaken beperken en las het in extenso voor, alsof ik zijn eigen zoon was, bij de bijzonder prijzende gedeelten over zijn bril heen de omstanders aanziende met een blik, waarin triomf vermengd was met een stille uitdaging het tegendeel te bewijzen (waartoe niemand aanstalte maakte). Beste Secretaris, wat moet ik nu met het stuk doen? Het in te lijsten ware mijn liefste wensch, doch de te openlijke ingenomenheid, uit deze wandversiering sprekende, zou de uitwerking ervan op den bezoeker schade doen. Een bescheiden verbergen is een ander uiterste, waartoe ik bovendien de zedelijke kracht mis. Voorlopig volsta ik met het stuk op een achtelooze wijze door mijn huis te laten rondslingeren, in de hoop er den bezoeker mede in heilzame verstijving te brengen, in afwachting van een meer blijvende oplossing. Wat nu de inhoud van Uwe beschouwing betreft: met rondborstig toe te geven dat ik het er woord voor woord mee eens ben, doe ik meer Uw scherpzinnigheid dan mijn ootmoed uitkomen. Doch moeten wij niet meer acht geven op het heil van anderen, dan op ons eigen voordeel bedacht zijn? En eischt derhalve de edelmoedigheid niet, dat ik Uw zienswijze van harte onderschrijve?

Laten wij derhalve over deze zelfzuchtige beperkingen heenstappen en ons vastberaden opstellen in het koor der Bassisten, insectologen en Cliffordianen, luidkeels den lof van hun aller schepper bezingende en ons in de dubbele voldoening van zanger en bezongene verheugend.

En hebt gij, geliefde Secretaris, dank voor de meesterlijke, afdoende en onnavolgbare wijze, waarop gij het, toch reeds slinkende, koor der afgunstigen en van spijtigen nijd verteerden definitief den mond gesnoerd hebt.

Valé et Ama valde-

In unitate eiusdem gloricifationis

Godfried Bomans

President R.A.         

 

In 1948 zag Bomans de toekomst zonnig in. Na het gedegen stuk van Prenen zou de kritiek op Bomans als literair figuur verstommen. 60 Jaar later is hij nog niet verder gekomen dan ‘schampere waardering ‘. Daardoor zijn de woorden van Prenen tot op de dag van vandaag actueel.

 

Prenen gaf in zijn artikel in ‘De Linie’ uit 1948 ook nog inzicht in de gang van zaken bij het roemruchte studentenblad waar Bomans kortstondig verbleef:

“Het was de gewoonte dat de redacteuren van ‘Propria Cures’, bij het aanvaarden hunner functie, zich in een Verantwoording aan de abonné’s voorstelden en hun toekomstplannen ontvouwden. De meesten deden dat met een ernst alsof zij een wereldsysteem onthulden. De troonrede van Bomans was echter een beetje anders, zoals het meeste wat hij schrijft ‘een beetje anders’ is.”

Bomans maakte bekend dat hij student is aan de Stedelijke Universiteit, 1.92 meter lang is met schoenmaat 46. In zijn literaire verantwoording wees hij op zijn toneelstukken en op ‘Pieter Bas’, waarover niet Bomans maar de uitgever schreef, dat elk mens met een beetje smaak en ontwikkeling dat boek in huis moest hebben. Voorts bekent hij vele fouten te hebben maar zijn hoofdfout is zijn onvermogen ernstig te blijven. Dat is voor hem iets verschrikkelijks. Na het lezen van Oswald Sprengler’s ‘Untergang des Abendlandes’, moest hij zo hard lachen dat hij van de bovenste verdieping op de stoep van de Looiersgracht viel. Door een straatveger werd hij de volgende morgen gevonden, in twee stukken. Het kostte twee maanden voordat hij gelapt en genaaid weer colleges kon gaan volgen. Bomans besloot met:

“Wat ik hier nu eigenlijk allemaal mee zeggen wil (..) is dit: dat ge van mij niet iets moet verwachten wat ik niet heb. (..) Ik zal dus niet in bezwerende artikelen de richting aangeven waarheen gij de bedding uwer gedachten te leiden hebt. Wat ik geven wil is een weinig vreugde, voor zover de nijpende tijden (1939, e.k.) het toelaten.”

 

De ‘troonredes’ van nieuwe redacteuren waren naar goed calvinistisch gebruik ernstig en bezwerend.

Bomans doorbrak die traditie met humor en absurditeit. Hij maakte zich daarmee niet populair. Nu waagde hij het ook nog de redactie na een paar maanden te verlaten. En de reden was een klap in het gezicht van de Culturele hoofdstad: de schrijver Bomans ging in een katholieke provinciestad studeren.

Rond 1939 kon Bomans in Amsterdam niet rekenen op veel krediet in hogere kringen. Uit de woorden van Prenen bleek dat dat in 1947 nog zo was, bij jonge liefhebbers van de Letteren, de ‘kleine keurbende’. Toegegeven werd dat Bomans humorist was. Maar een schrijver die populair was bij Jan, Piet en Klaas, kon in de literatuur niet serieus genomen worden. Veel kennis leken de fijnproevers niet te hebben van de stukken van Bomans in ‘Elseviers Weekblad’ (voorheen maandblad) en ‘de Volkskrant’. Dat maakte in hun volstrekte dogmatiek niets uit. Bomans schreef voor een burgerlijk blad dus zijn stukken waren niks.

Jan Blokker, bekroond columnist en als opvolger van Bomans langdurig werkzaam geweest bij ‘de Volkskrant’, schreef op 14 november 1997, dat ‘de Volkskrant’ en ‘Elseviers Weekblad’ in de jaren zestig door ‘links’ gezien werden als bolwerken tegen de vernieuwing. Bomans, die zich volgens Blokker nooit als een conservatief heeft laten kennen, zat in het verkeerde kamp. Ongeacht wat hij schreef, Bomans deugde niet, want hij schreef bij de vijanden van vernieuwing. Twintig jaar eerder werd net zo gedacht, net als nu, veertig jaar later.

Vestdijk, Slauerhoff, en du Perron, worden ze nog gelezen? Nauwelijks. ‘Erik of het klein insectenboek’ van Bomans wordt bijna zeventig jaar na verschijning nog steeds gelezen en wordt zelfs nog herdrukt, in binnen- en buitenland. En het boek is enige jaren terug verfilmd. Dat is hoogst uitzonderlijk maar de officiële literatuur hoor je er niet over.

 

In 1981 kwam ‘De keldergang der heren‘ van Louis Ferron uit. Het boek bevat de geschiedenis van de Haarlemse sociëteit Teisterbant. Kort na de beëindiging van de Duitse bezetting (1945) kwam een groepje Haarlemse kunstenaars en kunstminnaars met enige regelmaat bijeen in de Frans Halsbar aan het Houtplein. Ferron schreef:

In dat café kwamen dan ondermeer bijeen de schilders Han Bijvoet, Kees Verwey, Wim Steyn, Jules Chapon, Poppe Damave en Otto B. de Kat; de letterkundigen Godfried Bomans en Harry Prenen, de advocaat mr. Lodi Ali Cohen, die ook wel eens een uitstapje in het land der letteren waagde; de kunsthandelaar, later museumdirecteur Piet Leffelaar, de componist Jan Mul, de beeldhouwer Mari Andriessen en de journalist David Koning. Het was gezellig, maar de sluitingstijden van de toen nog spaarzame cafés werden nauwlettend nageleefd. De sociëteitsidee was gauw geboren en moet heel zeker beantwoord hebben aan de genootschapsbehoefte van de leden van de Rijnlandsche Academie (..)” ( p. 33).

De ‘Rijnlandsche Academie’, met Bomans, Prenen en Mul, werd in uitgebreide vorm in de ‘Frans Halsbar’ voortgezet. En het kon nog groter: een sociëteit. Op 16 augustus 1949 werd de oprichtingsvergadering van ‘Teisterbant’ gehouden in de Bilderdijkzaal van restaurant Brinkmann op de Grote Markt te Haarlem. De notulen, door David Koning opgesteld en door Bomans bewerkt tot een toneelstukje, waren zo fraai, dat Ferron ze volledig weergaf.

Het was een ‘zware’ vergadering, met maar liefst 5 meesters in de Rechten, 2 professoren, 2 doctors, en een doctorandus, H.L. Prenen. Hoewel zonder titel, net als Bomans, moet W. L. Brugsma (1922-1997) genoemd worden. ‘Boebi’, eerst journalist voor ondermeer ‘Elsevier’, later de ‘Haagse Post’, kreeg landelijke bekendheid door presentatie van onder meer ‘Het Capitool’ voor televisie. Hij is jarenlang lid gebleven van ‘Teisterbant’.

 

Het dagelijks bestuur bestond uit drie personen: initiatiefnemer Godfried Bomans werd voorzitter dan wel president, schilder en hoogleraar Otto B. de Kat werd de secretaris en notaris J. Brants werd penningmeester. Stichting Teisterbant had 8 commissarissen. Een van hen was drs. H. L. Prenen.

De statutaire doelstellingen van ‘Teisterbant’ waren in het kort: het doen samenbrengen van kunstenaars en kunstlievenden en het bevorderen van de kunst en de kunstzin en het daadwerkelijk ondersteunen van ernstige plannen op ieder gebied van kunst en cultuur.

Hiernaast een foto van het eerste bestuur, inclusief portier Spoor.

 

Op 8 februari 1950 stond een stuk van Bomans in het ‘Haarlems Dagblad’. In een interview met zichzelf gaf hij op een aantal vragen antwoord, zoals de wijze waarop men lid kon worden, de hoogte van de contributie, de openingstijden (van 10.00 tot 01.00 uur, zaterdag 02.00 uur) en de doelstellingen.

Op 11 maart was het zover. De wijnkelder van Brinkmann was veranderd in een sociëteitsruimte en ‘Teisterbant’ werd die middag geopend met een rede van Bomans. Het aantal notabelen onder de aanwezigen was hoog. Bomans bedankte iedereen die had meegewerkt aan de totstandkoming van de sociëteit en sprak tot slot deze woorden:

“En thans, mijne dames en heren, acht ik het beslissende ogenblik daar. Wij staan op het punt een weg te betreden, waarvan wij richting noch eindpunt kennen. Zij kan ons tot niets voeren, zij kan ook onvermoede perspectieven en verrassende landschappen openen. Wij weten het niet. Maar (..) laten we vrolijk en vol vertrouwen voorwaarts gaan. Ik, voor mij, heb geloof. Geloof, niet in de bar, niet in de leestafel, noch in de consumptie, maar geloof in U. En hiermede, dames en heren, verklaar ik de Haarlemse Sociëteit Teisterbant voor geopend!” (Werken III, p. 735)

Louis Ferron (1942-2005) schreef in ‘De keldergang der heren’ dat de avond keurig was verlopen, zonder incidenten, die zich later wel zouden voordoen. Ferron schreef verder: “Simon Carmiggelt besloot het officiële gedeelte van de avond met er zijn vreugde over uit te spreken eindelijk een bijeenkomst van een kunstenaarsvereniging mee te maken, waarop nu eens geen moties werden ingediend zoals dat in het ‘vijandelijke Amsterdam’ placht te geschieden” (p. 67).

 

Een half jaar later hield Bomans een rede waarin hij activiteiten van het jonge ‘Teisterbant’ behandelde. Er waren feestelijke bijeenkomsten geweest om de verjaardagen van schrijvers en ereleden J. B. Schuil en Emile Erens te eren, er waren lezingen geweest, in ‘Commune Libre de Teisterbant’ was le Quatorze Juillet gevierd, enzovoorts. Bomans maakte bekend dat voor het komende winterseizoen elke veertien dagen op woensdag een lezing of opvoering zou worden gehouden. Op 4 oktober zou Dr. Tjebbo Franken, schrijver van een biografie over Frans Hals, de eerste spreker zijn. Op 18 oktober zou Drs. H. Prenen aan de beurt zijn. Het onderwerp van de lezing was nog niet bepaald.

 

‘Teisterbant’ bundelde schrijvers, kunstenaars, intellectuelen en kunstminnenden, kreeg structuur en ging bloeien. Ook niet-Haarlemmers werden lid zoals dichter Ed. Hoornik en kleinkunstenaar Toon Hermans. De Haarlemmers Harry Mulisch en Anton Heyboer voegden zich ook spoedig bij de sociëteitsgangers.

Erna Kramer, de tweede echtgenote van etser/schilder Anton Heyboer gaf van de bloei van de sociëteit in haar boek ‘Anton Heyboer 1952 – 1959’ een treffend beeld. Naast de speciale avonden waarop lezingen werden gehouden door literaire figuren zoals Harry Mulisch, Ed. Hoornik en Hella Haasse, noemde Kramer de avonden met Franse chansons, met film (Charley Chaplin), muziek en schaak. Kramer memoreerde ook de opvoering van de Roverssymfonie met het Noord-Hollands Philharmonisch Orkest in het Haarlems Concertgebouw en een modeavond.

Er was meer te doen. In 1952 werd de overleden schrijver en erevoorzitter dr. Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel) waardig herdacht. Verder kwamen er componistenavonden en proza- en poëziewedstrijden.

En dan Thorn, nog uit het prille begin van de sociëteit. Daarvoor is historische uitleg noodzakelijk. Mr. Willem Bilderdijk (1756-1831) was een Nederlands schrijver, dichter en geleerde. Zijn invloed op geestelijk en letterkundig gebied was aanzienlijk. Bilderdijk sleet de laatste jaren van zijn leven in het pand waarin later restaurant Brinkmann werd gevestigd.

Om de 200ste geboortedag van mr. Willem Bilderdijk te herdenken, hield Bomans op 5 september 1956 een rede in de kelder van het sterfhuis van Bilderdijk, waarin sociëteit Teisterbant was gevestigd. Bomans vermoedde dat Bilderdijk, die wel een glaasje lustte, de kelder gekend had. Over de genealogie van Bilderdijk sprak Bomans de volgende woorden, die op 15 september in ‘Elseviers Weekblad’ werden afgedrukt:

“Bilderdijk meende af te stammen van het geslacht der graven van Teisterbant en duldde op dit punt geen spot. Hoezeer het hem ernst was, blijkt uit verschillende van zijn brieven. Zo schrijft hij in het jaar 1801 aan zijn dochter Louise: ‘Waarom teekent ge uw brieven niet met Louise de Teisterbant? Dit heb ik U zoo strict bevolen. Ik wil niet, dat gij een anderen naam dan dezen gebruikt” (Werken V, p. 638-639).

(..) Er schijnt dus toen reeds, en wel in het gezin van Bilderdijk zelf, enige twijfel gerezen te zijn aan de historische betrouwbaarheid van deze afstamming. Bilderdijk zelf twijfelde niet. Hij voerde de lijn zijner voorouders met enorme inspanning terug tot Elius de Zwanenridder, een dubieuze figuur uit de vroege middeleeuwen en staafde zijn zonderlinge zienswijze met tal van passages uit oude kronieken, die echter niemand te zien kreeg. Wat is hiervan nu waar? Niets. (..)

Ten bewijze, hoezeer zijn heraldische huisvlijt hem ter harte ging, moge ik u wijzen op zijn wapenschild, hier in de Sociëteit voorhanden, voorstellende het schild van Kleef, met dat van

Heusden als surtout, voorts een open helm met vrijherenkroon, daarboven een stierenkop tussen twee ezelsoren (duidende op koning Ethelius van Engeland). Wapenkreet: ‘Teisterbant’!’ Devies: ‘Semper idem’, hetgeen betekent: Altijd eender (p. 639).

 (..) Deze feiten waren mij zeven jaar geleden, toen ik op het denkbeeld kwam onze Sociëteit de naam ‘Teisterbant’ te geven, even volledig bekend als thans. Ik meende echter, dat de verdienste van deze naam juist in de fictie gelegen was. Wij allen, of althans een deel van ons, leven immers van de fictie en moeten het van de fictie hebben. Niet de werkelijkheid is belangrijk, maar datgene wat wij van de werkelijkheid denken en waarin wij haar omtoveren” (p. 640).

Van het wapenschild heeft Harry Prenen een tekening gemaakt.

 

In het jaar 951 verleende de echte graaf van Teisterbant aan het Limburgse stadje Thorn stadsrechten. Wegens de ‘bloedband’ vertrok een deputatie van de sociëteit in 10 auto’s naar Thorn om het duizendjarig bestaan luister bij te zetten. Dat kwam geheel in handen te liggen van de ‘Rijnlandsche Academie’. Harry Prenen schreef in Haarlem Jaarboek 1971: “De Secretaris (schrijver dezes) had een groot alexandrijns gedicht van minstens dertig strophen gemaakt, op de toeter der rhetorica geblazen, over Bilderdijk en Torn en natuurlijk de Verbondenheid van Noord en Zuid. Dit hadden wij tenminste (op schrift). Verder hadden wij niets. Ja toch: wij hadden Godfried! (..) Uitgezonderd de zuigelingen en een paar stokoude grijsaards, was de gehele bevolking (op de feestwei, e.k.) present. “Let op,” fluisterde Godfried mij in het oor, toen wij het erepodium betraden, “nu gaan we met jouw gedicht de wonderbare broodvermenigvuldiging maken. De avond moet vol.”

En de avond kwàm vol. Boordevol. In een schitterende boog van oratorisch vuurwerk werkte hij naar een climax toe, waar ik de top van die Parnassus kon bestijgen en mijn gedicht luidkeels voordragen. Daarna nam hij de draad weer over naar de apotheose, waarop de bevolking in gejuich en de fanfare in een feestmars losbarstte.

Dàt was Teisterbant. Dank zij Bomans” (p. 53).         

     

Louis Ferron heeft in ‘De keldergang der heren’ het gedicht van Prenen opgenomen. De eerste strofe van ‘Teisterbant en Thorn’ luidt:

Ik hef mijn kleine lier, met drie gebarsten snaren / En zing met Bilderdijk, de Heer van Teisterbant / Ontgloeid door heilig vuur en overoude klare / Op Thorn, de witte stad in ’t groene vaderland. (p. 70)

De laatste strofe gaat als volgt:

Zie ik die regenboog van Noord naar Zuiden blinken / Dan wordt mijn klanktrompet Des Knaben Wunderhorn / En laat in het azuur ons aller heilwens klinken: / Op ’t duizendjarig rijk van Teisterbant en Thorn! (p. 72) 

    

Bomans hield over het jaar 1957 een dagboek bij waarvan naar het schijnt slechts een deel in de verzamelbundel ‘Werken I‘ is terechtgekomen. Daarin komen Harry Mulisch en Anton Heyboer veelvuldig voor wat een gevolg was van de vriendschap die Bomans al een jaar of vijf met hen onderhield. De vriendschap met Prenen stond op een laag pitje. Zijn naam komt op vier plaatsen voor. Op 6 februari 1957 waren Bomans, Prenen, Mulisch en Ton en Harriët Neelissen de hele dag bij elkaar om te poseren voor het ‘schutterstuk’ dat Lily van Cleeff aan het schilderen was. Barend Rijdes, de man met pijp, ontbrak die dag kennelijk.

Op 10 maart waren Prenen en zijn vrouw Gisela bij Bomans op bezoek. Bomans kreeg een prachtig boek over ‘Balloons’ met voorin een gedicht van Prenen over de ballontocht van Bomans op 30 april 1951, waarbij hij bijna in zee verdronk. Op 24 maart was Prenen jarig. Bomans schreef: “Wij gingen met een grammofoonplaat naar hem toe, vonden alles in de war, behalve Harry, want Gisela moest naar het ziekenhuis, gal. Ambulance-wagen voor, Pietsie (vrouw van Bomans, e.k.) ging mee, ik bleef met Harry achter, die rustig praatte over de Duitse rococo, of er niets aan de hand was. De getrouwde vrijgezel” (Werken I, p. 740). En op 23 april spraken ze elkaar over de katholieke Mis. Prenen bad de Mis mee. Bomans vond dat indrukwekkend, door de pure echtheid van Prenen.

 

Prenen en Bomans zijn levenslang vrienden geweest. Ze hebben veel met elkaar meegemaakt, veelal leuke dingen. De grootste bloei van hun vriendschap lijkt in de jaren dertig te liggen, waarin ook de ‘Rijnlandsche Academie’ groots bloeide.

Zoals eerder aangegeven, ontmoette Tony van Verre in 1977 vier vrienden van de overleden Bomans. De interviews werden op de radio uitgezonden en in 1978 kwam daaruit het boek ‘Bomans was de naam’ voort. Over de vriendschap tekende Tony van Verre het volgende op uit de mond van Prenen:

“Godfried Bomans heb ik tweeënveertig jaar gekend – ik was erg op hem gesteld, ondanks alles, heb ik eens gezegd; dat moet je natuurlijk niet te strikt nemen. Ik heb wel eens moeilijkheden met Godfried gehad en wel eens ruzie ook, maar dat kwam omdat onze vriendschap tweeënveertig jaar geduurd heeft; die begon toen we jongens waren, ik was veertien, hij ongeveer 16 en eindigde bij zijn dood… of eigenlijk niet – het is nog zo, maar tussen twee levende mensen is het toen tot een einde gekomen. Als vriendschap echt is en goed, is het natuurlijk niet altijd rozegeur en maneschijn; dan is dat een menselijke verhouding en Godfried heeft wel eens de pest aan mij gehad, en vice versa…

Maar ondanks alle wederwaardigheden is het toch op een constant niveau van vriendschap gebleven, en dat is, dacht ik, het bijzondere van onze verhouding geweest. Hij heeft natuurlijk een hele hoop vrienden gehad, die hij goed gekend heeft en waar hij zeer op gesteld was, met mij is het enige verschil geweest dat het ononderbroken zo lang geduurd heeft. Dat is geen verdienste, dat komt doodgewoon omdat ik Godfried zo vroeg ontmoet heb; maar het is wel een zekere verdienste van ons beiden dat die band ononderbroken tweeënveertig jaar is blijven bestaan” (p. 9-10). 

Het lijkt me dat Prenen zich hier te bescheiden heeft opgesteld. Prenen en Bomans raakten bevriend in hun jeugd, toen Bomans nog niet bekend of beroemd was. Prenen lijkt me niet alleen de oudste vriend van Bomans te zijn geweest, maar de beste, wellicht de enige.

Prenen vertelde Van Verre nog dit:

“De laatste keer dat Godfried en ik met z’n tweeën waren, was begin december ’71, zo’n echte winteravond, het was in zijn huis met die grote tuin waar je op uitkeek, met die prachtige bomen. Hij deed het licht niet aan, er stond een kaars en verder brandde de open haard, we hadden een glas wijn in de hand, je zag dat fonkelen en weerspiegelen, we spraken over van alles en nog wat. Hij heeft mij uitgeleide gedaan, het was al helemaal donker, het sneeuwde een heel klein beetje, zo’n vliesje, zo’n dunne doorzichtige contourwereld tegen de kim” (p. 38).

 

Op 24 december 1971 werd de uitvaartdienst voor Godfried Bomans gehouden in de kerk van de Allerheiligste Drieëenheid te Bloemendaal. Na de dienst hield Prenen als enige een afscheidsrede die opgenomen is in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’. Prenen begon zijn rede als volgt:

“Na het liturgisch woord van de priester, is het op verzoek van de nabestaanden, dat ik als enige spreker het laatste woord neem, als de tolk van allen die hier bijeen zijn, - eerstens om u namens zijn vrouw en de familie te danken voor de overweldigende belangstelling en medeleven, die alom in den lande bij de blikseminslag van zijn doodsbericht zijn losgekomen, en vervolgens om te spreken namens de talloze vrienden, bekend en onbekend, die hij zich in zijn rijke leven gemaakt heeft. Ik dank dit droeve voorrecht enkel aan het feit dat ik zijn oudste vriend ben. Ik zeg met opzet niet: was, want de liefde die vriendschap heet reikt over het graf heen en is sterker dan de dood” (p. 178).  

 

 

 
Bijna alle afbeeldingen zijn afkomstig van genoemde publicaties van en over Bomans. De ‘kop’ van Louis Ferron is een detail van een foto uit ‘Vrij Nederland’ van 20-7-2002 en de voorkant van Elsevier’s Maandschrift stond op 21-1-2008 in NRC Handelsblad.

Met dank aan Frank van der Voordt.

29 april 2008


 

Bijlage per 28 september 2010

Na de opening van de Bomanstentoonstelling in Haarlem, was er op 19 juni 2010 een diner voor genodigden. Onder hen was Paul Prenen, pianist en zoon van Harry Prenen, met wie Bomans levenslang bevriend is geweest. In een toespraak bracht Paul Prenen een onderbelicht aspect van Bomans onder de aandacht. Die toespraak is opgenomen in het septembernummer van ‘Godfried’.

Paul Prenen was 19 toen Bomans stierf. Voor hem als kind was Bomans ‘Oom Godfried’. Hij zag die ‘oom’ als een “uitzonderlijk aardig mens”, iets wat niemand behalve zijn vader ooit had gezegd. Bomans nam kinderen serieus, hij schonk ze aandacht, kon echt naar ze luisteren en vertelde sprookjes.

Thuis hadden ze nog geen tv, zodat de jonge Prenen vaak naar zijn ‘oom’ ging om bijvoorbeeld naar voetbal te kijken. Hij speelde met Bomans ook onder een hoedje. Op zondag moest Paul naar de mis van 5 uur. Hij fietste dan naar zijn oom en ging tafeltennissen. Hij schreef:

“Na een uur keek hij (Bomans) op zijn horloge en deelde mee dat de mis ten einde was. Ite missa est.”

Prenen besloot zijn toespraak met:

“Als je bij hem was werd je verrast door zijn inzicht, door zijn humor maar bovenal werd je verwarmd omdat daar iemand zat die echt in je geïnteresseerd was.”