Over Bomans is inmiddels heel wat
afgeschreven en naar blijkt is zijn
figuur daar geen spat helderder door geworden. Mocht de literator Bomans nog
eens echt serieus worden genomen, dan lijkt het onvermijdelijk in de studie
daarover de figuur van Prenen mede te betrekken.
Louis Ferron,
1981
![]() |
Bomans en Harry Prenen
Edward Krabbendam
Godfried Bomans (1913-1971) ging in 1926 naar het R.K. Lyceum – Haarlem. Hij was een goede leerling maar met wiskunde had hij de grootste moeite. In de vierde klas van het gymnasium bleef hij zitten. Dwarsliggen thuis en rebelsheid op school waren volgens Michel van der Plas de oorzaken. |
![]() |
Over
de schooljaren, schreef Van der Plas, “ontwikkelt
hij daar een hele reeks van sociale activiteiten, die hem tezamen tot een
unieke figuur tussen de leerlingen maakt” (Godfried, p. 80). Een van de
activiteiten is het schrijven voor ‘Tolle Lege’, de schoolkrant, waarvan de
jonge Bomans in 1931 redacteur werd. Hij liet direct weten dat de schoolkrant
voortaan niet meer gebruikt zou worden als w.c.-papier. Godfried rekende op
een goed blad met frisse medewerkers. Dat viel bitter tegen. Zelf schreef
hij het blad vol, met ondermeer gedichten. Eerder verscheen al ‘De gymnasiast’,
waarin een gekwelde scholier zich van het leven beneemt door in de gracht
te springen. Later schreef hij ‘Opstandig gebed’, een prachtige gedicht waarin
Bomans dondert en tiert tegen de Goede God.
Al
na een jaar stapte Godfried als redacteur op. Hij nam afscheid met een scherp
stuk waarin hij de grote gezapigheid onder redactieleden en scholieren hekelde.
Hij droeg zijn taak over aan Harry Prenen en ene Meulenbroek en gaf deze raad;
“Maak je vooral in ’t begin niet druk, kalmpies
aan, vat het als een persoonlijk amusement op (..)” (Werken VII, p. 17).
En als de nieuwe redacteuren “helemáál
beroerd” zijn geworden van dat blaadje, kunnen ze altijd opstappen.
‘Vermaan
aan een veelzijdig begaafde’ is een toespraak van Bomans uit 1949 ter gelegenheid
van een expositie van tekeningen en aquarellen van Prenen, die in de verzamelbundel
‘Werken V’ is opgenomen. Daarin staan persoonsgegevens. Harry Prenen werd
op 24 maart 1915 in Schoten geboren, een buurtschap van Haarlem. Bij zijn
geboorte was hij een ‘min mannetje’. Hij werd een maand te vroeg geboren en
woog slechts twee en een half kilo. Verder zat er weinig schot in omdat de
heer Prenen in 1949 niet meer dan 1 meter 70 mat met een gewicht van 50 kilo.
“Het was de 19de april van het jaar 1929, des morgens om kwart voor elf. Het regende. De heer Prenen stond, op de kale boomloze vlakte die wij ‘de cour’ noemden, tegen de muur van het scheikundelokaal geleund, de uiterst dunne beentjes schuin naar voren in het grind geplant. De exposant was toen gekleed in een kaneelkleurig pakje (..) en las door zijn bril, waarvan het linkerglas gebarsten was, in een sterk beduimeld bundeltje met verzen van (Guido) Gezelle, een dichter die hij tot op heden is trouw gebleven.
Er
ontstond een Er was veel overeenkomst. Met name deelden wij dezelfde genegenheid voor dingen die buiten het lesrooster vielen”(..). We namen “al spoedig onze toevlucht tot een uitgebreide correspondentie, die op het ogenblik de duizend brieven verre te boven gaat, en voorts tot samenkomsten in bescheiden Haarlemse tapperijen, als daar waren: ‘Het Vissertje’, De Zwarte Hond’ en ‘Schippersvreugde’. |
![]() |
Ook
maakten wij lange, nachtelijke wandelingen
Michel van der Plas is echter met een geheel andere lezing gekomen.
In het najaar van 1936 werd bekend dat het Hoogheemraadschap geen bezwaar
had tegen demping van de Bakenessergracht. Van der Plas liet weten dat Harry
Prenen wél bezwaren had. Prenen maakte dat duidelijk in een lange brief die
werd afgedrukt in het ‘Haarlems Dagblad’. Om “zijn stem (die van een 21-jarige) kracht bij te zetten,” schreef
Van der Plas, ”ondertekent hij (Prenen)
de inzending met ‘De Rijnlandsche Academie’. Dat maakt indruk. (..) Het landelijke
dagblad ‘Het Volk’ besteedt nu ook aandacht aan het geval en weet ook enkele
bijzonderheden te geven over die Academie: het is een gezelschap van enkele
honderden leden.
| Dit is meteen een kolfje naar Godfrieds hand: een fictief genootschap de schijn geven van een indrukwekkend bestaan (..). Binnen de kortste keren bestaat er nu ook een echte Rijnlandsche Academie, zij het dan dat deze twee personen telt. Maar Godfried schraapt zijn laatste geld bij elkaar om eigen briefpapier te laten drukken met de snorkende titel in het hoofd” (Godfried, p. 160-161). | ![]() |
‘Godfried’, het gezaghebbende biografische boek van Van der Plas over de jonge Bomans uit 1982, is niet-wetenschappelijk van opzet. De noten ontbreken. Daardoor zijn allerlei beweringen niet of nauwelijks na te gaan waardoor de juistheid of onjuistheid van Van der Plas’ lezing vaak niet valt aan te tonen. Evenwel, voor bovenstaand citaat heeft hij naar alle waarschijnlijkheid gebruik gemaakt van het boek ‘Bomans was de naam’ (1978) van Tony van Verre, pagina 10. Prenen zei in een gesprek met Van Verre dat hij de schrijver van de brief was, waarmee de ‘Rijnlandsche Academie’ werd gevestigd, wat voor Bomans aanleiding was om zijn geld bij elkaar te schrapen voor briefpapier van de Academie.
| Maar er zijn nog twee bronnen, waarin nadenkend werd gesproken, namelijk geschreven. Prenen schreef over de ‘Rijnlandsche Academie’ in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ (1972): “Een paar dagen na de begrafenis (van Bomans), heb ik een grote doos met brieven van zolder gehaald, uit de tijd van de ‘Rijnlandsche Academie’ – een schertsgenootschap dat wij beiden hadden opgericht en altijd volhielden in onze ‘missiven’, tot het einde toe. Er waren maar twee leden, hij en ik, die elkaar eindeloze brieven schreven, om de paar dagen, ofschoon het dagblad ‘Het Volk’, waarin de Academie toenmaals een lang ingezonden stuk over de een of andere kwestie publiceerde, zijn lezers door een voetnoot inlichtte dat het genootschap uit een paar honderd ‘intellectuelen’ bestond en geregeld bijeenkomsten hield – een fictie, die ons zo maar in de schoot werd geworpen en waarvan wij grondig gebruik maakten, want Godfried was er de man niet naar om zo’n buitenkansje onbenut te laten. Wij schraapten ons laatste geld bij elkaar en bestelden onmiddellijk een briefhoofd in gotische letters – ‘aldus schrik en eerbied verspreidend onder de burgers’” (p. 182). | ![]() |
Het
wij-gehalte in bovenstaand citaat is hoog, wat gewoon is voor een genootschap.
Beiden schreven elkaar voortdurend dikke brieven, samen hadden ze de Academie
opgericht, die al een tijdje draaide toen de bewuste brief gepubliceerd werd.
En de heren schraapten hun geld bijeen voor eigen briefpapier. Prenen zit
op dezelfde lijn als Bomans. Maar wie had/hadden die ingezonden brief geschreven?
Daarover verschafte Prenen helderheid in ‘Haarlem Jaarboek 1971’. Hij schreef
daarin een stuk over zijn pas overleden vriend. Er staat: aangaande de Bakenessergracht
“schreven wij een groot ingezonden stuk
in Haarlems Dagblad” (p. 51).
De
brief blijkt een gezamenlijk product te zijn geweest. Gelet op de aard van
de vriendschap is dat niet meer dan logisch. Dat wordt bevestigd door het
‘Haarlems Dagblad’ van 20 augustus 2007. Over de Academiebrief uit 1937 staat
geschreven: “Het epistel werd ondertekend
door Bomans als president van de Rijnlandsche Academie en Prenen als secretaris.”
Geconcludeerd
moet worden, dat de ‘Rijnlandsche Academie’ al in 1936 bestond. In de zomer
van 1937 verscheen de ingezonden brief met bezwaren tegen de demping van de
gracht, geschreven en ondertekend door Bomans en Prenen. De lezing van Bomans
is hierdoor volkomen correct gebleken. Van der Plas gaf een omgekeerd beeld,
met Prenen als unieke durfal, waarvan Bomans gretig gebruik gemaakt heeft.
Dat is historisch onjuist.
x
De
afbeeldingen aan weerszijden tonen aan dat de ‘Rijnlandsche Academie’ al in
1936 functioneerde. Links een fragment van de statuten uit 1936, geschreven
door Bomans, in die tijd al schrijver en student Rechten, vandaar dat hij
veel werk kon maken van de statuten. Bron: ‘Bomans was de naam’, p. 78.
Rechts een tekening van Harry Prenen uit ‘Godfried’
(p. 140.b). Het onderschrift luidde: “Tekening door Harry Prenen van het ‘Bestuur
der Rijnlandsche Academie, wandelend door Haarlems straten’, najaar 1936.”
De
‘Rijnlandsche Academie’ wist demping van de gracht te voorkomen, wat een groot
succes genoemd mag worden. Het officiële doel van de ‘Rijnlandsche Academie’
was echter de “verspreiding van de letterkundige, orfische, grafische en historisch-wetenschappelijke
volkscultuur.” Voor deze hoogstaande zaak zagen Bomans en Prenen elkaar bijna
dagelijks en ze schreven elkaar voortdurend dikke brieven. Al
converserend maakten ze ook lange wandelingen. Moet een fraai gezicht
geweest zijn: een reus van 1.92 meter en een schriel mannetje van 1.70 meter.
Prenen schreef: “Er zijn nachten geweest
dat ik hem
uitgeleide
deed en dan met hem opliep, dwars door de stille straten, tot wij ongemerkt
bij zijn huisdeur waren aangeland, aan het andere eind van de stad. Daar bleven
wij staan en het gesprek ging verder, en dan liepen wij weer terug naar mijn
huisdeur, vanwaar wij gekomen waren, en zo maar door, vice versa, in het holle
van de nacht tot het morgenkrieken. En de volgende dag lag er alweer en brief,
die bij het gesprek aanknoopte” (Herinneringen, p. 186).
Over de enorme briefwisseling, die de schrijfvaardigheid van Bomans en Prenen zeer heeft bevorderd, schreef Louis Ferron in ‘De keldergang der heren‘ (1981): “Fraaie brieven moeten het zijn geweest, uitmuntend in taalbeheersing naar negentiende-eeuwse trant, vol vertoon van eruditie en ook van kennis die haar waarde niet zelden ontleend zal hebben aan het feit dat ze slechts gedeeld werd door de academiegenoten” (p. 31).
Helaas is hiervan nooit een selectie gemaakt maar de brieven zijn nog in te zien in het Letterkundig Museum.
![]() |
Naast het Academie-werk werd er gelezen, geschreven en getekend. Begin 1937 kwam Bomans’ eerste boek uit: Pieter Bas. In de tweede druk van dat jaar, kwamen 22 prenten van Prenen te staan, zoals een portret van deze oud-minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, oud-lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, oud-burgemeester van Gouda, oud-wethouder van Dordrecht (..), houder der Siamese Ere-pantalon, enzovoort, enzovoort. In dat boekje komt ook een tekening voor van een jongeman die gelijkenis vertoont met de jonge Bomans. |
![]() |
Pas in het najaar verdween Godfried uit ‘Berkenrode’. Van der Plas schreef dit: “Hij besluit zijn ouders voor een voldongen feit te plaatsen. Op een avond, nadat hij met zijn Rijnlandsche vriend lang heeft zitten bomen in een tapperij (..) zegt hij opeens: ‘Ik ga weg.’ Hij heeft op zijn spaarbankboekje bij de Boerenleenbank een tegoed van zo’n f. 200,-. (..) Maar op het middernachtelijk uur beseft Godfried dat hij zijn spaarbankboekje in de la van zijn bureau heeft laten liggen. Harry moet dat voor hem gaan halen; hij zelf wil geen stap meer in dat huis zetten” (Godfried, p. 186). Harry belt aan. Het dienstmeisje doet open. Of Godfried thuis is? Nee, hij is er niet. Dat is erg vervelend want Harry, die geschiedenis studeert, moet morgen tentamen doen terwijl zijn dictaten op de kamer van Godfried liggen. Of hij ze even mag gaan pakken? Van der Plas schreef verder: “Het meisje wijkt voor dit ‘kind aan huis’. In de vestibule ziet Prenen Ma op de trap verschijnen: ‘Wie is daar?’ Hij moet het verhaal nog eens vertellen. Maar hij redt het boekje uit het huis. (..) De volgende dag trekken de twee naar Amsterdam. Op het Spui zien ze een raamadvertentie. Mevrouw Kling in de Huidenstraat heeft een kamer te huur. Kost en inwoning samen komen op f. 7.50 per week. Daar trekt Godfried in” (p. 187).
In
het najaar van 1938 komt Bomans in de redactie van het studentenblad Propria
Cures. Hij voelt zich het pispaaltje. De intellectualistische houding van
de erg anti-roomse redactie vindt hij kaal en getuigen van kortademig cynisme.
Door vertrek naar Nijmegen, begin 1939, is zijn verblijf aldaar kort. Hij
wordt opgevolgd door Harry Prenen, die vanaf 1935 geschiedenis studeert in
Amsterdam en net als Bomans spoorstudent is.
In
1950 bracht Propria Cures een Lustrumnummer uit met herinneringen van oud-redacteuren.
Bomans leverde een bijdrage onder de titel ‘Van donders lang geleden’. Over
de nauwe behuizing van de redactie schreef hij: “Nergens op de hele wereld (..) heb ik ooit
zo’n petieterig, hukkepukkerig kantoortje aangetroffen. Je kon er net met
z’n zessen in, als je je kalm hield en niet te veel praatjes maakte” (Werken
VII, p. 128).
Een
van de weinige bijdragen aan het blad was een recensie over een knol van een
boek dat hem in handen was gestopt. Bomans schreef:
“Ik dribbelde met het boek naar buiten en zag
aan de overkant mijn vriend Harry Prenen op mij wachten, zittend op de stoep
naast een héél klein jongetje. Doch laten wij Prenen zelf aan het woord, die
de gebeurtenis beschreven heeft in ‘De Linie’ van 19 november 1948. ‘Later,
in 1938, werd hij (Bomans) een blauwe Maandag redacteur van het roemruchte
studentenblad Propria Cures. In die kolommen heeft hij eens een stukje geschreven,
dat over de hoofden der lezers heen, louter en alleen voor mij bestemd was.
Een boekrecensie. De anecdote verdient de moeite om verteld te worden. De
redactie vergaderde in de oude Sint Janssteeg, waar destijds de drukkerij
van de heer Clausen gevestigd was. Op een regenachtige winteravond hadden
wij afgesproken, dat ik hem daar, bij het sluiten der vergadering, zou afhalen.
Ik ging derhalve op een stoep aan de overkant zitten wachten, naast een jongetje
van 3 of 4 jaar met een pikmutsje op. Eindelijk kwam de redacteur het gangetje
uitstommelen. Hij had een dik boek onder de arm, dat hem ter recensie was
toebedeeld. We waren van plan een haring te kopen en het boek hinderde hem.
Toen liep hij op het jongetje toe of hij een boek wilde hebben. “Ja,” zei
het ventje. “Hier is het,” sprak de kindervriend en gaf hem de roman Obsessie
door Philtine, zevenhonderd verse bladzijden, nog niet opengesneden. Het kind
kon zijn ogen niet geloven en drukte de obsessie stijf tegen zijn buikje,
schreeuwend: “Ik heb een boek! Ik heb een boek!” In het volgende nummer trof
ik Bomans’ recensie aan:
“Obsessie, door Philtine. Een lijvig
Amerikaanse roman. De kwaliteit ervan niet evenredig. Zwak van constructie,
zwak ook vanuit psychologisch oogpunt. Met de lezer, die de hoofdpersonen
zou beminnen, wordt niet de minste consideratie gebruikt. De meeste van hen
komen ellendig om het leven en wat resteert, versombert in een volstrekt pessimisme.
Met het oog op enkele passages zouden wij het boek niet gaarne in te jeugdige
handen zien” (p. 129-130).
‘Propria
Cures’ betekent ‘Zorg voor je eigen zaken’. Die spreuk nam Bomans ter harte.
Na een paar maanden stapt hij uit de redactie en in de bus naar Nijmegen,
om er Psychologie en Wijsbegeerte te gaan studeren. Hij gaat op kamers wonen.
Het brievenschrijven met Harry Prenen gaat gewoon door, nu vanuit de Pater
Brugmanstraat. Half mei 1939 laat Bomans hem dit weten: “Ik heb de laatste maand als ’n gek geleefd, volslagen als een gek. Zwemmen,
tennissen, zwierbollen door oud Nijmegen, ’s nachts. Wandelingen, met engelen
van meisjes, optochten overdag, tooneel spelen en Bloed en Liefde (toneelstuk
van Bomans, e.k.) regisseeren, nachtelijke
danspartijen en veel veel gelezen. (..) Haast altijd las ik ’s nachts, en
vóór drie uur lag ik zelden in bed (..). Doch nu ben ik weer op het rechte
pad en sta om 8 uur op, und führe ein beschauliches Dasein” (Godfried,
p. 221).
Op 29 oktober 1939 begint Bomans te schrijven, als in een roes.
Binnen drie maanden is het manuscript van ‘Erik of het klein insectenboek’
af. Dat zal Bomans’ succesvolste boek worden.
Uit
een brief van 7 februari 1940 blijkt Prenen de eerste te zijn geweest die
een deel van het manuscript ter beoordeling te lezen krijgt. “Het zou mij in den grond boren als je het niets vond, maar dat geloof
ik niet”, schrijft Bomans.
In
de brief staat de strekking van ‘Erik’ zoals alleen goede verstaanders die
zullen zien. Bomans vraagt Prenen of hij gelet op zijn belezenheid, een geschikt
citaat of motto weet. Daarover gaan brieven over en weer. Op 3 september 1940
reageert Bomans enthousiast op een voorstel van Prenen. Het is de spijker
op de kop en toch onbruikbaar. Prenen laat op 9 september weten dat de bezwaren
niet geheel ongegrond zijn en adviseert geen motto aan het boek toe te voegen.
Toch
komt er een, en wel in het Italiaans, waarvan Bomans kennis had: ‘Noi tutti
siamo esiliati, viventi ento le cornici di uon strano quadro. Chi da questo, viva da granda. Gli altri sono insetti.’ Daaronder prijkt de naam van Leonardo
da Vinci. Fred Berendse, voorzitter van het Godfried Bomans Genootschap, heeft
deze kwestie onderzocht en wist in ‘Godfried’ van maart 2004 overtuigend aan
te tonen dat het hier gaat om een vertaling van Bomans’ eigen woorden: ‘Wij
zijn alle ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie
dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten’ (Tijdschrift Godfried,
maart 2004, p. 16-19).
Het
manuscript van Bomans komt terecht bij uitgeverij Het Spectrum. Ze laat in
een brief van 24 april 1940 weten dat het boek nog in dat jaar op de markt
kan verschijnen. Maar ze heeft bedenkingen tegen de door Bomans voorgestelde
tekenaar. Henri Papou is daar onbekend en de voorkeur gaat uit naar de succesvolle
Karel Thole.
Vijf
dagen later stuurt Bomans een brief naar vriend en ‘vaste’ illustrator Harry
Prenen. Hij moet wat werk naar de uitgeverij opsturen. Bomans uit wel zijn
twijfels: het boek zal de tekenaar Prenen niet helemaal liggen.
Eind
december komt de eerste druk op de markt met tekeningen van Thole. Meesterdrukker
Charles Nypels heeft er een prachtig boekje van gemaakt. Het succes is groot:
in 1941 volgen maar liefst negen herdrukken.
Michel
van der Plas heeft Bomans 25 jaar gekend. Ze hebben door hun werkzaamheden
bij ‘Elsevier’ en elders veel met elkaar te maken gehad. Toch kon van der
Plas niet spreken van een vriendschap. Daarvoor hield Bomans te veel verborgen,
daarvoor was de vriendschap te oppervlakkig. Hoe anders was de vriendschap
met Harry Prenen. Uit een eerder citaat van Bomans bleek dat hij en Prenen
vanaf het begin een hechte vriendschap hadden waarin lief en leed gedeeld
werd. Dat mag blijken uit een lange brief van Bomans op 26 november 1942,
met heel wat persoonlijke zaken die deels met de Duitse bezetting te maken
hadden. Op universiteiten was het onrustig. Er werden razzia’s gehouden waarbij
studenten werden opgepakt en naar Duitsland werden gestuurd om er te gaan
werken. Het universitaire leven lag goeddeels plat.
Financieel
zat het Bomans ook niet mee, hoewel hij 15% ving van iedere ‘Erik’ die verkocht
werd. In 1941 leverde de bestseller flink geld op. Daarna was het over. Bomans
weigerde lid te worden van de Kultuurkamer, een organisatie voor nazi-propaganda
en censuur. Daardoor mocht zijn boek niet meer verkocht worden. Dan was er
nog zoiets als een aanstaande schoonmoeder. Ze wilde bewijzen zien dat Bomans
een vast inkomen had. Ze wilde ook dat hij haar dochter zekerheid verschafte
voor de toekomst. Bomans sloot een levensverzekering af. Als hij dood ging
kreeg zijn aanstaande bruid Pietsie f. 25.000.-. “Dat maakte eindelijk indruk op het verharde
gemoed van deze vrouw”, schreef
Bomans aan Prenen. “Hoe
ik de jaarlijksche premie bij elkaar moet grabbelen, weet ik niet. (..)
Als ik dan eindelijk de ogen sluit, wordt de
schat mijn sterfkamer binnengedragen: paragraaf 67: ‘de uitbetaling der verzekerings-som
geschiedt aan het huis van den verzekerde, op den dag van zijn verscheiden”.
En als gij dan, onafscheidelijke secretaris en eenige vriend, in een hoekje
van den sterfkamer uwen president beweent, en ge ziet de agenten van ‘Fiducia’
binnenstrompelen, schier geknakt onder de last van het goud, dan zult ge glimlachen
om de ironie van het lot, dat uwen leider in zoo
Zijn
vriend krijgt nog meer zorgen te lezen. In 1933 was Bomans in Amsterdam Rechten
gaan studeren. Na zijn kandidaats vertrok hij naar Nijmegen voor Psychologie
en Wijsbegeerte. Hoewel hij net twee tentamens gedaan had, criminologie en
critica, ziet Bomans van die studie ook weinig nut. Daar ligt zijn hart niet.
Al op het gymnasium had hij geschiedenis willen gaan studeren, iets wat Prenen
deed. Maar vader Bomans, meester in de rechten, bepaalde Rechten. Bijna tien
jaar later bloeit Bomans’ oude liefde nog immer. Waarom zou hij geen geschiedenis
gaan studeren? Van dat vak houdt hij en het kan wat worden, schrijft hij,
door de “nooit verflauwde belangstelling
waarmede ik geschiedenis gelezen heb – een belangstelling die ik van Vader,
een uitgesproken historicus, erfde (..)” (p. 287). Daarnaast lijkt hem les geven leuk, net
als lange vakanties, en met plezier zou hij historische stukken schrijven.
Zou hij nog vijf jaar gaan studeren? Prenen denkt van niet. Een paar maanden
later sluiten de universiteiten hun poorten als gevolg van de loyaliteitsverklaring
aan de Duitse bezetter, die de studenten massaal weigeren te ondertekenen.
Een derde studie is van de baan.
Na
de Duitse bezetting kwamen ‘de Volkskrant’ en ‘Elseviers Weekblad’ op de markt,
in die tijd een katholiek dagblad en een liberaal weekblad. Bomans was van
beide bladen mede-oprichter en werd van beide redacteur. Over zijn eerste
jaar bij ‘de Volkskrant’ als chef-redacteur kunst, schreef hij in 1965:
“Op 8 mei (..) ontving ik in Haarlem
een spoedboodschap, dat ik de volgende dag mijn chefzetel zou moeten innemen.
Er liepen toen geen treinen en ik fietste op een rijwiel met massieve banden
naar Amsterdam. De redactie bleek te zijn gevestigd in een kamer, die deel
uitmaakte van het gebouw waar ‘De Waarheid’ in gevestigd was. Een ogenblik
bekroop mij het vreselijke vermoeden, dat ik misschien in mijn verstrooidheid
de redacteur van een communistisch dagblad geworden was. Men stuurde mij evenwel
een bochtige trap op en op het eind daarvan vond ik wel degelijk een kamer,
bezet met rooms-katholieke hoofden. Als ik mij goed herinner behoorden deze
toe aan de heren: Vesters, Bevers, Overeem, Van Mastrigt en ik meen Jan de
Vries. Zij ontvingen mij welwillend, doch met nauwelijks verholen deernis,
want ik had niet aan de ‘steen’ gestaan. Wat dit betekent heb ik nooit precies
begrepen, maar het schijnt een enorm gemis te zijn.
Inderdaad had ik nog nimmer aan
een krant gewerkt. Twee boeken stonden op mijn naam: Pieter Bas en Erik. Mijn
voorstelling van een redactie bureau klopte niet met wat ik daar zag. Ik meende,
dat men daar onafgebroken schreef of met ’n verhitte gelaatsuitdrukking door
telefoons schreeuwde. De heren echter lagen met hun benen op tafel en vertelden
elkaar hartige anekdoten die kennelijk niet tevoren door het Vaticaan gecensureerd
waren. Af en toe slenterde er iemand naar het raam en begon daarop te trommelen.
Nu was het krantje ook klein. Als je even ondoordacht doorschreef zat je al
gauw tegen de advertenties aan. We waren net een paar dagen geleden bevrijd
en van enig kunstleven was natuurlijk geen sprake. Voor een chef-redacteur
kunst zijn dit ideale omstandigheden. In de loop van de volgende dagen benoemde
ik Jan Mul tot muziekrecensent en Harry Prenen tot medewerker voor beeldende
kunst” (Werken IV, p. 559-560).
Bomans
haalde Prenen er bij. De vrienden waren weer verenigd. Men zou kunnen zeggen
dat de ‘Rijnlandsche Academie’ werd voortgezet, want componist Jan Mul hoorde
er sinds 1944 ook bij, als corresponderend lid. Verschil is wel, dat het werk
nu betaald werd en ruim verspreid. Afhankelijk van appreciatie, werden deze
heren bij de krant ‘de luie Haarlemse drie’ of ‘de Haarlemse school’ genoemd.
De
eerste bijdrage van Bomans stond op 12 mei 1945 in de krant. ‘De jeugd jubelt
voor het paleis’ is een verslag van de viering van de bevrijding in Amsterdam.
Op 9 mei waren 20.000 mensen op de Dam samengestroomd. Er waren vier sprekers
die het allen goed deden. Alleen bij de woorden van burgemeester De Boer plaatste
Bomans kanttekeningen. Onder “elke beschrijving
tartend gejubel” deed De Boer het voorstel, de Duitse taal van het lesprogramma
te schrappen en een Scandinavische taal in te voeren. Bomans vroeg zich af
wat we met Deens of Noors aanmoesten. Was Spaans geen beter idee?
Bomans
pleitte voor het behoud van de Duitse taal met de woorden: “Wat hebben Goethe en Schiller ons misdaan? Wat
heeft Heine misdreven? Het komt ons voor dat burgemeester De Boer in loffelijke
ijver met het badwater ook het kind zou wegwerpen. Door de Duitse literatuur
te ignoreren, schaden wij niemand dan ons zelf ” (Werken IV, p. 12).
Bomans
was aan het werk bij een dag- en een weekblad en ook Prenen zat niet stil.
Hij gaf les, tekende en in 1948 kwam zijn eerste dichtbundel uit. Het voorwoord
in ‘Tafelrede en andere gedichten’ was van Bomans. Hij vond de gedichten van
Prenen echt, maar somber, wat in die tijd gebruikelijk was.
|
Een
jaar later werd de Prenenexpositie geopend door Bomans. Zijn toespraak
‘Vermaan aan een veelzijdig begaafde’ is al aan de orde geweest. Het
ging over de te vroeg geboren Harry, het begin van de vriendschap en
de ‘Rijnlandsche Academie’. Maar Bomans was nog lang niet uitgesproken: “Wanneer de algemeen secretaris niet met mij
wandelde of niet met mij correspondeerde, zat hij op de zolderkamer
van zijn ouderlijk huis, naast een reusachtige mangel, lezend, dichtend,
tekenend, schilderend of in gepeinzen verzonken. Door een schuin dakraampje
viel wat schaars licht op de een blauw geschilderde tafel, die bezaaid
was met boeken, potloden, vellen papier, schetsen, tijdschriften en
waarop een donkerbruin doodshoofd de bezitter aanstaarde: zwijgende
herinnering aan de vergankelijkheid van de tijd en de wenselijkheid,
hem goed te gebruiken. Het is op deze plek, dat alle hier hangende tekeningen
en aquarellen geboren zijn. Ze zijn de vruchten van een jarenlang volgehouden
eenzaamheid, een kluizenaarsbestaan, zeldzaam in deze tijd. (..)” Wat wij hier zien “is
niet de uiting van een kind van deze tijd. Wat wij zien is Daumier,
is Goya, is Gustav Doré, en (..) ontelbare anderen, allen gezien à travers
du temperament de Henri Prenen” (Werken V, p. 250-251). |
![]() |
“Prenen zou moeten reizen, andere steden bezoeken,
mensen spreken en vooral: kennismaken met dat geheimzinnige fenomeen, waaraan
de man zich eerst goed bewust wordt: de vrouw. Hij zou zijn dakvenstertje
moeten openstoten op de wijde wereld die daarbuiten ligt. Hij zou het veilige,
ouderlijke nest moeten verlaten en zijn vleugels beproeven in de ruime wind
die daarbuiten waait.(..) Er zijn gelukkig tekenen dat hij zijn lot in handen
neemt (..).” Het moet. “Eerst dàn
zal hij zijn pen, zo lang gewet op anderen, kunnen beproeven op iets wat onvervreembaar
van hem is. Eerst dan zal hij, hopelijk weer in deze zaal, een expositie ons
kunnen voorleggen, die niet alleen een verbluffende
curiositeit is, een staalkaart
van wat een enorm visueel geheugen bijeen bracht, doch een, die ons de kunstenaar
Prenen in het trotse bezit van eigen verworvenheid doet zien (p. 252).
En
zo treedt dan mijn vriend voor het eerst van zijn leven als zelfstandig tekenaar
voor het voetlicht van deze boze wereld. Voor het eerst hangen hier de vruchten
van zovele verdroomde dagen en doorwaakte nachten aan de boom der kennis.
(..) Hij mag blij zijn om de gaven die de Voorzienigheid hem schonk. Hij zij
tevens bezorgd om de veelzijdigheid van die gaven. Hij zij zich bewust dat
het hem als tekenaar, als dichter, als essayist, als historicus, als spreker,
op elk dezer gebieden, vrijstaat een opmerkelijke verschijning te zijn, doch
dat het zijn plicht is op één daarvan een meester te worden. En, mag ik een
gissing wagen, dan zal het als illustrator zijn. (..)
Met de hartelijke wens, dat hij
de tucht opbrenge zich onder het juk van dit métier te buigen, opdat ook de
laatste sporen van een beminnelijk dilettantisme verdwijnen, open ik deze
tentoonstelling”
(p. 254).
Prenen
was een zeer ontwikkeld en veelzijdig man. Hij was tekenaar, historicus, leraar,
letterkundige, journalist en dichter. Om werkelijk groot te worden, moest
hij kiezen. Het lijkt me niet dat hij het advies van Bomans heeft opgevolgd.
Bomans
en Prenen waren vrienden voor het leven. Geestelijk hebben ze elkaar moeiteloos
kunnen vinden. Het verschil in gedrag was echter enorm: Prenen zat thuis,
Bomans stond in de wereld.
Bomans
had Prenen in 1945 naar ‘de Volkskrant’ gehaald. Hij werd medewerker Beeldende
Kunsten. Ook daar sprak Bomans in 1949 over, tijdens zijn openingsrede van
de Prenen-expositie:
“Hij ontpopte zich in die functie
als een eminent babbelaar, die de moeilijke kunst verstond om een grote eruditie
en wijde belezenheid op voor anderen verstaanbare wijze te benutten. De heer
Prenen had daarbij vooral ruimte nodig, omdat hij, als alle echte improvisators,
pas al causerend pleegt warm te lopen. Het kon gebeuren dat men, een stuk
van de heer Prenen lezend, pas in de vijfde kolom stuitte op het onderwerp
dat de titel zo aanlokkelijk in het vooruitzicht stelde. Het kwam ook voor,
dat dit onderwerp in het geheel niet aan bod kwam” (Werken V, p. 253).