|
© ING - Den Haag. Bronvermelding: W.A. Ornée,
'Bomans, Godfried Jan Arnold (1913-1971)', in Biografisch
Woordenboek van Nederland.
URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn3/bomangja
[06-02-2007]
BOMANS, Godfried Jan Arnold (1913-1971)
Bomans, Godfried Jan Arnold,
letterkundige ('s-Gravenhage 2-3-1913 - Bloemendaal 22-12-1971).
Zoon van Johannes Bernardus Bomans, advocaat en politicus, en
Arnoldina Josephina Oswalda Reijnart. Gehuwd op 14-4-1944 met
Gertrude Maria Verscheure. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.
Godfried Bomans is opgegroeid in en om Haarlem, waarheen het
gezin Bomans een half jaar na Godfrieds geboorte verhuisde. Vader
J.B. Bomans verwierf in hetzelfde jaar de meesterstitel te Leiden en
begon in Haarlem een advocatenpraktijk. Het gezin bestond behalve
Godfried uit een oudere zuster, Wally, de latere zuster Borromée, en
drie jongere broers; twee kinderen waren jong gestorven.
De vader was in het gezin een dominante figuur, die naam kreeg
als ijveraar voor de toenmalige Roomsch-Katholieke Staatspartij en
als zodanig ook politieke carrière maakte: lid van de Tweede Kamer
(1916-1929), wethouder van Financiën (1917-1923), lid van
Gedeputeerde Staten (1923 - 1941) en in de periode 1940/1941
waarnemend commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Zijn
optreden als politicus en zakenman was stralender dan als auteur:
zijn onder pseudoniem van J.B. van Rode uitgegeven
Donald-cyclus (Amsterdam, 1933 - 1934. 3 dl.) was geen
succes. Goed bespraakt in zijn politieke redevoeringen was hij wél.
Godfried bleek niet zo gebrand op het maken van maatschappelijke
carrière als zijn vader wel gewild had. Zijn voorkeuren gingen -
tijdens zijn middelbare schooltijd - steeds duidelijker uit naar
verenigingsleven, toneel, muziek, literatuur, kortom alles wat met
gezelligheid en creativiteit op artistiek gebied te maken had
(redacteur schoolkrant, voorzitter schoolclub e.d.). Wat zijn
rapporten betreft, toonde hij zich geen wonderkind, maar hij schreef
wel in 1931 het toneelstuk 'Bloed en liefde', dat hij met zijn klas
(van het RK Lyceum Sanctissimae Trinitatis te Overveen) op een
schoolavond speelde en dat in 1937 uitgegeven en daarna talloze
malen door scholieren gespeeld is.
In 1933 behaalt Bomans het eindexamen gymnasium (A) aan het RK
Lyceum te Haarlem en begint hij als spoorstudent de rechtenstudie te
Amsterdam. Hij heeft dan zijn 'literair debuut' al gemaakt, nl. in
1932 in het tijdschrift Het Venster met poëzie en proza.
Hij wordt medewerker van De Dijk, een tijdschrift voor
katholieke studenten en schrijft de muziek bij een revue op een
feest van de RK Studentenvereeniging 'S. Thomas van Aquino'. In 1935
neemt hij - mede onder de indruk van een verblijf in het klooster
'Monte Olivete' in de Apennijnen, tijdens een reis naar Italië - het
besluit in dat klooster te treden. Nog voor hij uit huis in die
richting vertrekt, wordt hij ziek, en na opnieuw overwegingen vóór
en tégen op zijn ziekbed, besluit hij te blijven en zijn studie
voort te zetten, die hem overigens niet boeide. Wel doet hij in 1936
zijn kandidaatsexamen, maar daarna begint hij zich steeds meer te
wijden aan letterkundige arbeid; het resultaat van deze instelling
wordt o.a. de publikatie van zijn eerste omvangrijker werk:
Memoires of gedenkschriften van mr. P. Bas (1937). Dit
boek, dat goed ontvangen werd, is vele malen herdrukt, al is het
opvallend dat de herdrukken elkaar na 1950 sneller opvolgen.
Pieter Bas vertoont veel eigenschappen die we ook in later
werk van Bomans aantreffen: een parodiërende stijl, verrassende
wendingen in de dialogen, ironiserende verteltrant en weinig
karaktertekening, maar bijzonder aardige typeringen. Het voorbeeld
van Dickens' David Copperfield is overigens vrij duidelijk.
Bomans heeft zich met dit werk een plaats verworven in de
Nederlandse literatuur, de plaats van een geboren verteller.
In 1933 verlaat hij Amsterdam, na daar twee jaar gewoond te
hebben, en trekt hij naar Nijmegen, waar hij zich meer thuis zou
voelen; hij laat zich inschrijven als student wijsbegeerte en begint
aan het schrijven van Erik of het klein insektenboek. Dit
boek, dat in 1941 verscheen, is het meest gelezen en herdrukte werk
van Bomans geworden, reeds in het jaar van verschijnen waren er tien
drukken. Het werk heeft een parodiërend karakter, maar in mindere
mate dan Pieter Bas; het is wat reëler, ondanks het
sprookjesachtige element: de dieren die Erik ontmoet zijn herkenbaar
als mensen, met menselijke eigenschappen.
Het jaar 1941 was niet alleen door het verschijnen van
Erik... belangrijk voor Godfried, het was ook het jaar
waarin zijn vader op 20 maart plotseling overleed, het jaar waarin
hij als Sinterklaas zijn intocht in Nijmegen deed (een rol die hij
vaker in zijn leven zou spelen) én het jaar waarin hij zich op
Tweede Kerstdag verloofde met de Nijmeegse Gertrude Maria (Pietsie)
Verscheure. In de laatste oorlogsjaren, toen er door de
loyaliteitsverklaring niet meer te studeren en er door degenen die
niet tot de Kultuurkamer wilden toetreden weinig meer te publiceren
viel, woonde hij weer in Haarlem, waar hij een aantal kleine
'lekenspelen' schreef, werk van Dickens ging vertalen en besloot van
verder studeren af te zien. In deze tijd maakte hij zich
verdienstelijk door het helpen van joodse onderduikers, waarvoor hij
in 1987 postuum onderscheiden zou worden met de Israëlische Yad
Vashem-onderscheiding; nadat hij zelf ook ondergedoken geweest was,
was er na de bevrijding volop werk voor Bomans: hij wordt
kunstredacteur voor de Volkskrant (tot 1946) en redacteur
bij Elseviers Weekblad (tot 1949). In de eerstgenoemde
verschijnen de eerste afleveringen van het stripverhaal 'Pa
Pinkelman' (aanvankelijk 'Pa Knetterteen'), in Elseviers
Weekblad publiceerde hij o.m. een aantal fictieve interviews,
die later gebundeld verschenen onder titel Kopstukken
(1947). Een jaar daarvoor waren zijn Sprookjes verschenen,
die vele malen herdrukt zijn en worden, en die minder geforceerd
grappig zijn dan Kopstukken.
Hij is in 1949 oprichter en voorzitter van de Haarlemse
kunstenaarssociëteit Teisterbant, houdt vaak lezingen, want hij
blijkt een graag beluisterd spreker, die met zijn ironiserende toon
al spoedig de (glim-) lachers op zijn hand had. In de jaren vijftig
en zestig gaat hij dan ook steeds vaker zijn medewerking verlenen
aan allerlei soorten (doorgaans niet zwaarwichtige) radio- en later
tv-programma's. Zijn gemakkelijke schrijftrant trekt een groot
lezerspubliek en versterkt zijn populariteit, door o.a. De
avonturen van Bill Clifford, een parodie op het
detective-stripverhaal, Avonturen van Tante Pollewop, eerst
als veel gelezen stripverhaal in de Volkskrant verschenen
(beide 1948) en de aardige (kinder?-)verhalen in Wonderlijke
nachten (1949). Zijn vele columns in de Volkskrant en
Elseviers Weekblad werden regelmatig verzameld uitgegeven
in bundels als Buitelingen (1948), Capriolen
(1953), Op het vinkentouw (1957) of Noten kraken
(1961). Hij wordt president van de nieuw opgerichte Haarlem-branch
van de 'Dickens Fellowship' in 1956; er komt zelfs een
fanclub-Bomans in Hengelo (1960). Hij doet verslag in krant of boek,
of voor de televisie, van zijn reizen naar Rome en Israël, maakt
voor de NCRV-tv een wereldreis (1968), laat zich gebruiken voor
allerlei representatieve activiteiten, kortom, zijn bezigheden zijn
vele; hij kon bovendien moeilijk 'nee' zeggen.
Onbewust van wat de gevolgen zouden zijn, publiceert hij als
column in de Volkskrant op 18 juni 1966 een stukje,
getiteld 'De raddraaiers', n.a.v. een pamflet dat leden van De Rode
Jeugd hadden uitgereikt. Drie dagen later werden vier jongeren, die
het pamflet hadden verspreid, gearresteerd. Enige collega-schrijvers
sturen hem dan een afkeurend telegram, waarin ze hem van 'aanbrengen
bij de politie' beschuldigen. Dit gebeuren heeft in die tijd bij
sommigen de opvatting versterkt dat Bomans een behoudend en rooms
schrijver was, een grapjas die geen oog had voor maatschappelijke
ontwikkelingen. Inderdaad zijn Bomans' stukjes in de
Volkskrant bijv. zelden maatschappijkritisch: hij was nu
eenmaal niet een politiek geëngageerd schrijver, al heeft hij 'de
politicus' satirisch weergegeven in De man met de witte das
(1971). Van andere, literaire, kant - o.a. Jeroen Brouwers - is
Bomans wel verweten dat hij door zijn vele bezigheden tot
oppervlakkigheid en herhaling verviel en zijn talenten door
versnippering en overhaasting verspilde. Dit verwijt is misschien
begrijpelijk, maar daartegenover staat dat Bomans bijzonder
veelzijdig was: kinderboeken, schoolboekjes (Pim, Frits en
Ida - vanaf 1966), toneel, de opera Bill Clifford
(1964), reisverslagen, interviews, óók als ondervraagde, en óók de
beschrijving van zijn katholieke jeugd in Beminde gelovigen
(1970).
Er zit een milde ironie in dit werk, waarin ook opgenomen een
aantal fragmenten uit In de kou (1969), een bundel van
gelijke strekking door Michel van der Plas en Bomans. Die milde
ironie konden de tv-kijkers ook beleven - bij herhaling - in de
NCRV-televisiefilm Bomans in triplo [1970], een ontmoeting
met Godfrieds broer Arnold en zuster Wally, beiden kloosterlingen,
terwijl we van zelfbezinning kunnen spreken in het laatste deel van
zijn Op reis rond de wereld en op Rottumerplaat (1972), dat
het dagboek van Rottumerplaat bevat. Op Rottumerplaat, het
onbewoonde waddeneiland, verblijft Bomans van 10 tot 17 juli 1971;
hij geeft dagelijks verslag van zijn belevenissen voor de radio. Dit
'project' was opgezet door een paar omroepverenigingen, die Jan
Wolkers en Godfried Bomans bereid hadden gevonden hun medewerking te
verlenen. De eerste bleek echter geschikter voor dit karwei dan de
laatste.
Bomans' zelf ontleding, zoals we die lezen in het 'Dagboek van
Rottumerplaat', heeft voor de lezer van nu, die weet dat hij een
halfjaar later zou sterven, iets van een testament, maar dan wel een
zeer boeiend geschreven testament van een geboren verteller, die op
22 december van 1971 - na een hartaanval - thuis in Bloemendaal
overleed.
A:
Zie voor privé-archieven etc. Michel van der Plas, Godfried.
Het leven van de jonge Bomans 1913-1945 (Bussum, 1982) 333-338.
Registratie van geluidsbanden van omroeporganisaties met Bomans in
het historisch archief van de NOS.
P:
Bibliografie samengest. door A.M. Feilzerde Meijer in onder L
genoemde Herinneringen..., 281-303.
L:
Herinneringen aan Godfried Bomans. Onder red. van
Michel van der Plas (Amsterdam [etc.], 1972; 7e herz. en aangev. dr.
1979); Godfried achteraf bekeken [verz. en uitg. door] Jan
Bomans (Bussum, 1978); Ed Popelier, Godfried Bomans
(Nijmegen, 1981). Grote ontmoetingen: literaire monografieën 53;
Michel van der Plas, Godfried. Het leven van de jonge Bomans
1913 - 1945 (Bussum, 1982); Jeroen Brouwers, De spoken van
Godfried Bomans (Amsterdam, 1982). Discografie: o.a. Bomans
in triplo naar gelijknamige tv-produktie van de NCRV onder
leiding van Jan van Hillo (uitgebr. door Philips in 1970);
Bomans met een glimlach I (uitgebr. door BASF in 1975) en
Bomans met een glimlach 11 (uitgebr. door Negram in 1976)
n.a.v. KRO-radioamusementsprogramma 'Problemen verdwijnen waar
kopstukken verschijnen'; Carol Voges, 'Pa Pinkelman's succes was
verbazingwekkend', in Literatoren en strips. Speciaal nr.
van Stripschrift 20 (1986); Brieven van Godfried
[ingel. en van comm. voorz. door] Jan Bomans (Amsterdam, 1988).
W.A. Ornée Oorspronkelijke versie opgenomen in:
Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag
1989) Laatst gewijzigd op 06-02-2007
|