Wonderlijke nachten 
Het is het verhaal over het jongetje Simon en een naamloze kabouter. Simon lijkt een beetje op Erik (van het insectenboek), het zou zijn broertje kunnen zijn. Ook Simon komt in een sprookjesachtige wereld. Hij is ineens veel kleiner en verkeren daardoor op voet van gelijkheid met allerlei dieren. Simon maakt veel mee met muizen en ratten, terwijl er ook nog een tinnen soldaat door het verhaal hinkt.
Simon heeft tien dromen. Opeens verschijnt aan het eind van het boek ineens de figuur van de schrijver!

In de tiende nacht reizen Simon en de kabouter naar de toekomst.
De kabouter heeft wel dertig kalenders bij zich, en scheurt daar alle blaadjes af: opeens liepen zij buiten, hand in hand, door de straten. Simon zag wel dat het zijn eigen stad was, maar toch scheen alles veranderd te zijn.
De magere boompjes op het Verwulft waren groot en zwaar geworden en in plaats van de keisteentjes in de Barteljorisstraat was er asfalt gekomen. Sommige huizen waren afgebroken, andere in hun plaats verrezen. Op de plek, waar de drogisterij van Steurs gestaan had, was zelfs een gapende leegte.
"'Afgebrand,' zei de kabouter, 'in 1938.' 'Maar we leven nu toch in 1919!' riep Simon. 'Nee, m'n jongen,' zei de kabouter, 'dit is het jaar 1949. We zijn dertig jaar verder.
Kijk, hier woon jij.' Ze stonden voor een oud huis. Het had een blauwe, hardstenen stoep en op de deur zag Simon zijn eigen naam. Hij greep de hand van de kabouter. 'Ik ben bang,' zei hij, 'is er iets van me terecht gekomen?' 'Dat is zoals je 't bekijkt,' zei de kabouter, 'je bent een schrijver geworden.'
terug
naar boven |