Bomans en Teisterbant

In januari 1950 verscheen een oproepblaadje om zich aan te sluiten bij de Haarlemse Sociëteit Teisterbant. Het animo was groot. Op 8 februari drukte het Haarlems Dagblad ‘Honderdtachtig Haarlemmers gaan naar de kelder’ af. Dat stuk was geschreven door Godfried Bomans die zichzelf interviewde, als voorzitter van de stichting Teisterbant. Voor de sociëteit hadden zich al 180 leden aangemeld die elkaar zouden gaan ontmoeten in de verbouwde wijnkelders van de N.V. Brinkmann op de Grote Markt. De naam van de sociëteit had historisch gezien zwakke wortels.
part.coll. foto Spies
Sociëteit 'Teisterbant', sousterrain, Grote Markt 9, Haarlem. B. Bijvoet, G.H.M. Holt, 1949-1950.
Bekende bezoekers waren o.a. Lodewijk van Deyssel, M. Andriessen, Harry Mulisch en Godfried Bomans.

De naam was ontleend aan de schrijver Bilderdijk die in het bewuste pand was overleden en zichzelf graaf van Teisterbant had genoemd. (Teisterbant was een gewest dat ondermeer het Land van Heusden en Altena omvatte. In de elfde eeuw raakte het versnipperd.
Daarmee verdween de naam. (GWP, VII))

Het dagelijks bestuur van Teisterbant bestond uit voorzitter dan wel president Bomans, secretaris Otto B. de Kat (schilder, hoogleraar, kunstrecensent) en penningmeester J. Brants (notaris). “De bevoegdheden van dit driemanschap zijn bijna dictatoriaal te noemen”, schreef Bomans (Werken VII, p.134). Verder was de schrijver Lodewijk van Deyssel (Dr. K.J.L. Albertingk Thijm) erevoorzitter en telde de stichting op het gebied van bestuur en toezicht nog een groot aantal klinkende namen als beeldhouwer Mari Andriessen en dichter A. Roland Holst. Hoewel een Haarlemse sociëteit, werden ook mensen van buiten de stad lid zoals Ed. Hoornik, Wouter Paap, Gabriël Smit en Toon Hermans.
Het doel van de sociëteit was het geestelijk leven dat over individuen in de stad versnipperd was en vaak verloren ging, bijeen te brengen en vorm te geven. “En verder verwacht ik er gezelligheid van”, vervolgde Bomans. “Ik geloof niet erg in federaties en congressen. Maar ik geloof wel in een goed café, waar onder gelijkgezinden plotseling op een avond een idee geboren wordt” (p. 134).
Op 11 maart was het zover: de sociëteit werd door Bomans geopend met een rede. Al spoedig sprak hij in de voormalige wijnkelder de woorden ‘in vino veritas’ uit. In wijn lag waarheid, geest, gezelligheid en broederschap. In zijn rede bedankte Bomans de velen die een bijdrage hadden geleverd aan de totstandkoming van de sociëteit. Hij benadrukte dat het niet om commercie ging maar om kunstzinnige ontwikkeling. Over het beoogde resultaat zei hij: “Wij staan op het punt een weg te betreden, waarvan wij richting noch eindpunt kennen. Zij kan ons tot niets voeren, zij kan ook onvermoede perspectieven en verrassende landschappen openen. Wij weten het niet” (Werken III, p. 735).

Haarlem ging bruisen. In haar sympathieke boek ‘Het verzonken leven’ (1952-1959) brengt Erna Kramer, de tweede echtgenote van Anton Heyboer, dat in 2007 onder de aandacht. Erna en Ton “gingen regelmatig naar Teisterbant.” Daar ontmoetten ze “kunstenaars en kunstminnenden, schilders, musici, schrijvers en journalisten (..)” (p. 34). Er waren literaire avonden die verzorgd werden door Harry Mulisch, Ed. Hoornik, Hella Haasse en Karel Jonckheere, Franse chansonavonden met Juliette Gréco, filmavonden met alle Chaplinfilms, muziekavonden en, tot groot genoegen van Godfried, schaakavonden. Als er ‘niets’ was, voerden de aanwezigen eindeloze gesprekken. Kramer vervolgt met: “Teisterbant, zoveel talent kwam er samen, zoveel inspiratie kwam eruit voort” (p. 37). In dat klimaat kwam Heyboer thuis, hij ontplooide zich goed, maakte vrienden, en vijanden.

In de jaren vijftig was Bomans ook als schrijver al zeer populair, na ‘Pa Pinkelman’ en boeken als Pieter Bas, Erik en Wandelingen door Rome, die ook in Duitsland bestsellers waren geworden. Uit zijn dagboek over een deel van 1957 (opgenomen in Werken I, p. 719-769), blijkt dat hij het razend druk had met lezingen. Op 30 april schreef hij dat dat moest verminderen, hoewel dat niet makkelijk zou zijn: hij weigerde al 80% van de aanvragen en sommige kon hij niet weigeren.
Na een vijftal jaren voorzitter te zijn geweest, legde Bomans die functie neer en werd ere-president van Teisterbant. Hoewel hij de sociëteit en zelfs bestuursvergaderingen bleef bezoeken, maakte hij zich los van het Haarlemse, wat ook een gevolg was van de vele contacten met belangrijke personen uit de culturele wereld in het land, en in Vlaanderen. Op 8 februari 1957 schreef Bomans dat hij “niet meer in het spinnenweb van Haarlem” zat.
Vanaf 1 januari tot 7 juni gaat het in het dagboek ongeveer twintig keer over Teisterbant. Bomans zal er vaker geweest zijn, voor een goed gesprek met onder anderen Harry Mulisch, die in 1952 lid was geworden. Of voor een schaak- of biljartpartij. Hij bezocht ook de speciale avonden. Op 9 januari hield mr. H. Rooy, hoofdredacteur van De Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC), daar een rede over Kunst en Krant, dat volgens Bomans “Een rustige stroom van platitudes” was.


coll. van de architect
Sociëteit 'Teisterbant', sousterrain, Grote Markt 9, Haarlem. B. Bijvoet, G.H.M. Holt, 1949-1950.
Plattegrond gemaakt door Bijvoet.

Op 16 maart werd gevierd dat de sociëteit zeven jaar bestond. Bomans schreef: “Het feest, als geheel, mislukt. ’s Nachts om vier uur werd Ton Heyboer er door agenten uitgegooid. Pietsie (echtgenote van Bomans) en ik toen al verdwenen.” Twee dagen later had Bomans een gesprek met Jobs Landré, waarschijnlijk toen de nieuwe voorzitter van Teisterbant, en Ton Heyboer, over het incident met agenten.

Op zaterdag 7 april was er een diner met 36 leden van Teisterbant. Bomans en zijn vrouw waren aanwezig. Bomans: “Incident: toen Van Bruggen om half 1 wilde spreken, stond ik op en opperde bezwaar hiertegen, omdat hij zich tegen Lizzy May en Ton Heyboer misdragen had. Allen stonden op van tafel en begonnen zich luidkeels voor en tegen uit te spreken. Ik met Van Bruggen naar de Bestuurskamer, afschuwelijke toestand. Dit was, naar ik meen, de eerste keer dat ik in Teisterbant een geschil veroorzaakte, in plaats van het bij te leggen.”
Vijf dagen later (12-4) was het in Teisterbant wederom raak, nu met andere oorzaak. Bomans kon die dag wegens een lezing in Lunteren niet aanwezig zijn bij de opening van de Karel Appel-expositie. Om half 1 betrad hij de sociëteit waar hij “een allerdolste toestand aantrof. Appel was daar met zijn Parijse en Amsterdamse aanhang, er werd op de piano gebeukt, onder begeleiding van asbakken en bellen, het lawaai was oorverdovend, op de grond niets dan scherven, het was een losgebarsten gekkenhuis.”


Foto: uit het boek De keldergang der heren van Louis Ferron, p.37
Op de eerste dag van mei werden er in de kelders van Brinkmann vier Chaplinfilms vertoond die Bomans ‘verrukkelijk’ vond. Een dag later begon het biljarttoernooi. Bomans won zijn partijtjes tegen Heyboer (50-27) en Boubie Brugsma (50-31). Op 6 mei verloor hij van Jobs Landré met 72 tegen 100, ‘”wat niet slecht is tegen zo’n crack.” (Jobs Landré is beter bekend als Joop Landré, jurist en de grote man achter de TROS, e.k.)

Er was meer te doen op de Grote Markt, zoals een componistenavond (15-5) waarop onder anderen Jan Mul en Wouter Paap hun eigen composities speelden en een quiz-avond (6-6). Het was echter niet altijd feest. Enige dagen eerder (2-6) beleefde Bomans een “afschuwelijke avond op Teisterbant.” Hij was tafelheer bij het jubileum-diner ter ere van bestuurslid Otto de Kat die vijftig jaar was geworden. Bomans “faalde in die functie volkomen” en schreef: “Er wàs niets en ik kon er ook niets van maken. Een tafelpraeses is een schaakspeler, hij ordent de aanwezige krachtlijnen en maakt er een aardige stand van. Maar als er geen stukken op het bord staan, is hij machteloos. Ik kon niet verhinderen, dat die 45 mensen diep rampzalig bij elkaar zaten. Ten eerste hoorden ze niet bij elkaar en ten tweede was Otto, in de toestand waarin hij zich momenteel bevindt, eenvoudig niet vierbaar. Mevrouw Wiegers liep kwaad van tafel, omdat ze ‘te laag’ zat en Jan Wiegers moest mee, we zagen ze niet meer terug. Charles Roelofs gedroeg zich onbeschoft, Nico Vroom was een onuitstaanbare pedant en Otto zelf eindigde de avond met een slaande ruzie. Hij had dit diner nooit moeten toestaan. (..) Overigens jammer, dat Jobs Landré geen tafelpraeses was, hij had dit beter behandeld.”

Op 17 juni 2006 hield Marita Mathijsen een Soeterbeecklezing over Haarlem en haar schrijvende inwoners, dat op Internet is na te lezen (klik hier). In ’Haarlemse Herrie’ gaf deze hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan, dat het aantal schrijvers dat die stad had voortbracht, opvallend hoog was. En er was échte literatuur geschreven. Mathijsen schreef ook: “Poseurs en mythebouwers, pochers en blaaskaken, bluffers en opscheppers, ze hangen als een feestelijke slinger aan de geschiedenis van de Haarlemse literatuur.” Onder de bluffers rekende zij Geerten Meysing, Louis Ferron (schrijver van ‘De keldergang der heren’) en Bomans. De grootste blaaskaken waren Willem Bilderdijk en Harry Mulisch. Toen Mulisch werd geboren, was het immers geen toeval dat de Vesuvius uitbarstte. Mathijsen houdt haar hart een beetje vast wat er zal gaan gebeuren als Mulisch komt te overlijden, zo Mulisch werkelijk dood kán gaan.
Mathijsen brengt ook een radiopraatje van Mulisch in herinnering waarin hij zich zeer laagdunkend uitliet over Haarlem en haar bewoners. Haarlem bleek een negerwijk van Amsterdam te zijn met een bevolking die in twee soorten uiteenviel: zij die leeg waren maar het gemaakt hadden en halfgekke systeembouwers. Deze types ontmoetten elkaar in de sociëteit Teisterbant en voor beide kwam het ogenblik, “waarop zij naar het gekkenhuis moeten worden gebracht.” Santpoort en Vogelenzang lagen niet voor niets aan de randen van Haarlem.
Mulisch maakte geen uitzondering voor zijn Teisterbantvrienden Bomans en Heyboer. Zij vielen ook onder zijn oordeel van kwaad en kwaad. Met die tweedeling bedoelde hij wellicht juist zijn vrienden, want Bomans werd (en wordt) in hogere kringen slechts gezien als een lolbroek, die het gemaakt had, en Heyboer, eerder psychiatrisch patiënt in Santpoort, als een geducht systeembouwer. Op grote vellen papier herleidde hij het leven, met “de cijfers 1 tot en met 9, de cijfers uit de kabbala” (Het verzonken leven, p. 22).
Hoe dan ook, het bestuur van Teisterbant was ‘not amused’ en verklaarde Mulisch persona non grata, ofwel, hij werd er uitgegooid, vermoedelijk in 1958. Hij vertrok naar Amsterdam.

Bron: Keldergang der heren, p. 44, Louis Ferron
In 1966 schreef erevoorzitter Bomans een stuk ter gelegenheid van het zestienjarig bestaan van de sociëteit dat te vinden is in Supplement Werken, deel VII, p. 94-95. Het was hem opgevallen dat telkens leden hem de verzekering gaven, dat het met Teisterbant was afgelopen. Daarover schreef Bomans: “Vooreerst is zij afkomstig van leden, wier persoonlijke inbreng gewoonlijk gering is (..) Hun instelling is deze: wat geeft Teisterbant mij? (..) Deze houding lijkt me onjuist. (..) Een sociëteitsgemeenschap (..) wordt opgebouwd uit de inspanning van alle leden. Geen hunner kan zich daarbij als louter ontvanger beschouwen. Integendeel, hij krijgt wat hij geeft.”

Bomans wees er tevens op dat de leveranciers van kritiek geheel voorbijgingen aan het volstrekt unieke karakter van Teisterbant. Al zestien jaar was er in een stad een plek waar kunstenaars elke dag tot ver na middernacht bijeenkwamen. Andere steden, veel groter dan Haarlem, hadden zoiets niet, ondanks talloze pogingen daartoe. Haarlem had iets waarvoor “een zekere verwondering zo niet respect geboden” was, want het kon eigenlijk niet.

De sociëteit heeft 23 jaar bestaan. Kort na het overlijden van Bomans, hield het op. Het is een parel uit de cultuurgeschiedenis van Haarlem. Zijn ze daar trots op? Ik geloof het niet. Op Internet is vrijwel niets van dat roemruchte verleden te vinden. Men kan wel naar de Jansstraat in Haarlem, waar het archief van Teisterbant ligt. Dat archief is niet geïnventariseerd. Mogelijk staat het al 35 jaar in dozen op een stoffige zolder, onaangeroerd. In die Jansstraat moet een goudmijn liggen, die hopelijk nog door iemand ontdekt zal gaan worden.

Edward Krabbendam


Jansstraat in Haarlem.