![]() GODFRIED BOMANS, JAREN VIJFTIG |
...en de vriendschap à trois |
Bomans hield over de eerste helft van 1957 een dagboek bij dat opgenomen is in de verzamelbundel Werken, deel I, p. 719-769. Dat werpt meer licht op de vriendschap uit die tijd. De woorden tussen haakjes, dienen ter toelichting.
Maandag 11 februari: ’s Middags Harry Mulisch op bezoek met Hooykaas. Plan besproken om een filmpje te maken van de gelaatsexpressies, gebaren en stembuigingen, waarmee arbeiders hun tekort aan vocabulaire suppleren. (..) Met Harry Mulisch naar café ‘Het Groene Woud’, alwaar gebiljart. Vertelde over bezoek aan Ton Heyboer op diens verjaardag en hoe hij daar twaalf uur aan één stuk had zitten praten. Een der onderwerpen: de ‘dubbele bodem’ van de kunst. Men heeft te kiezen: òf de volkomen integriteit òf het kunstenaarschap. Het allebei nastreven (Heyboer) kan niet. Meende dat de luciditeit (helderheid van geest) van Heyboer met denken niets te maken had, maar beschouwde dit als het fosforiseren van een zieke geest. (Ik) word nu door Heyboer als een genie beschouwd, na de volstrekte verwerping van daarvóór. Het is alles of niets. (..) Ik kan mij dit gesprek wel voorstellen. Heyboer, schoongebrand van alle parti-pris (vooroordelen) en Mulisch, die door zijn opvoeding, of liever de afwezigheid daarvan, die hinderpalen nooit gekend heeft, samen op zwerftocht door de kosmos.
14 maart: ’s Avonds bij Ton en Erna Heyboer, zeer laat even langsgekomen, om af te spreken over de tocht naar Antwerpen. (..) Het is een drama, dit huwelijk, en toch horen die twee bij elkaar.
19 maart: ‘s Middags met Pietsie (vrouw van Bomans) naar Polly en Jules Chapon, waar wij etsen zagen van Ton Heyboer, die ze expliceerden (toelichtten), hetgeen helaas nodig bleek. Opmerkelijk van smaak en raffinement, maar ik weet er niets mee te doen. Gebiljart met Harry Mulisch.
20 maart: Over de etsen van Ton, die ik vandaag nog eens bekeek, het volgende. Er valt zuiverheid en smaak te constateren, maar beide eigenschappen in een beperkte materie. Men kan van dit werk niet zeggen, dat het mislukt is. Want ‘lukken’ is een uitdrukking, die alleen toepasbaar is op het terrein van de figuratieve kunst. Het wil echter niets betekenen en is daardoor onaantastbaar. Nog dit: wie zozeer als Ton in het nu wil zijn, snijdt de wortels van het verleden door. Ik sta in de traditie (..) Ik liet echter dit keer van mijn bezwaren niets merken, niet uit politiek, maar om te proberen werkelijk onbevangen te zijn. Men moet t.a.v. het werk van iemand, die het inderdaad meent, alle wapenrusting afleggen, de reflectie komt later. Bij Jan Duk (van biljart-café ‘Het Groene Woud’) met Harry uitvoerig over dit werk gesproken. Ik denk wel eens dit: Harry leeft slordig en schuift alles, wat hij aan gebondenheid heeft, in zijn werk, Ton maakt van zijn leven een compositie, hij leeft ‘artistiek’ en heeft daarna niets meer over.
21 maart: Na afloop op Teisterbant en daar geluisterd naar een dispuut tussen Ton Heyboer en een paar leden, over moderne kunst. Hij wint zoiets op alle fronten, omdat hij zijn ongelijk veel verder heeft doorgedacht dan de anderen hun gelijk. Het boeiende is de volstrekte onbevangenheid, waarmee hij praat, het totaal vrij zijn van allerlei gevestigde meningen en vooroordelen. Alles, wat hij zegt, is zelf gevonden en omgespit, het glinstert nog en is nat van frisheid. Als ik dan de ander iets hoor zeggen, wat ik zelf vind, klinkt het dof en toonloos. Hield me erbuiten.
22 maart: Ton en Erna hier. Wij gaan het wiegje halen, dat ik hun ten geschenke geef. Erna is in de zesde maand. (..) ’s Avonds geschaakt met Harry Mulisch. Wij hadden een gesprek en hij kwam toen helemaal los van zichzelf, d.w.z. van de gedachte: ik zit hier en zeg dat. Wij spraken over vrouwen en daardoor werd hij meegesleept. Zijn erotomanie: hij haalt aan vrouwen in, wat hij als kind tekort is gekomen. Toch geeft de totale afwezigheid van een christelijke achtergrond mij het gevoel te praten met iemand van een andere planeet. Overigens een zeldzaam intellect.
30 maart: Gebiljart met Harry Mulisch, het was prettig. (..) Na afloop Teisterbant. Toen naar Ton Neelissen die jarig was(..) Ton Heyboer kwam met Otto en Hans ook nog opdagen (..).
2 april: Met Ton en Erna (voor een paar dagen)naar Antwerpen. Pietsie kon helaas niet mee. (..) Om 7 uur aankomst bij Lisbeth en Edgar Boonen. Glorieus souper en na afloop met alle Antwerpse vrienden naar de ‘Gard Sivik’. Uitbundige toestanden.
5 april: ’s Middags bij Ton en Erna in de tuin gegeten. Heerlijk weer.
10 april: Vond in Arnhem 1600 mensen in ‘Musis Sacrum’ en had even het idee: hier begin ik niet aan. (..) Haarlem nog gehaald en geschaakt met Harry Mulisch, die volstrekt niet over het paard getild bleek door zijn Bijenkorf-prijs van f. 2000,- en de publiciteit daar omheen. Ik vermoed dat hij de boeken, die hij geschreven heeft, slechts beschouwt als de krullen van de plank, die hij gaat schaven. Nous verrons (We zullen zien). Intussen is deze gesteldheid de juiste.
17 april: Openbaar debat in Teisterbant tussen Harry Mulisch en David Koning over de figuur van (Bertolt) Brecht. Dit leek nergens op.
11 mei: Ton en Erna Heyboer opgezocht en Ton in bed aangetroffen. Haar geknipt, baard geschoren, we zullen vermoedelijk een nieuw tijdperk beleven. Hij evolueert maar door van de ene incarnatie naar de andere (visser, en afwisselend, zwerver en dandy).
21 mei: Met Ton en Erna naar het 25-jarig priesterjubileum van Fons Diepenbrock in ‘Alverna’. (Diepenbrock zorgde ervoor dat Heyboer met spoed katholiek kon worden in verband met zijn huwelijk met Erna.)
1 juni: Met Ton en Erna Heyboer gegeten op Teisterbant. Later ook Harry Mulisch daar en met ons drieën gespeeld op het nieuwe biljart, dat daar sinds gisteren staat. Harry een van de weinige mensen, die de indruk maakt in een toestand van geluk te leven.
6 juni: ’s Avonds ‘quiz-avond’ in Teisterbant. Mijn scooter, waarmee ik van Rome [onvoltooid]
Dit zijn de laatste woorden van het dagboek over 1957. Het breekt plotseling af, nog niet eens op de helft van het jaar. Dat het door Bomans onvoltooid is gelaten, is niet aannemelijk. Hij was geen man van half werk en hield zeker niet midden in een zin op. Die zin laat zich makkelijk raden, na de woorden van Erna Heyboer (eerder Postma geheten, later Kramer): “In oktober 1954 kwamen Godfried en Pietsie terug uit Rome en brachten een scooter mee.” Bomans is in het late najaar op de scooter van Italië naar huis gereden, mogelijk met zijn vrouw achterop. Later bracht hij Erna Postma daarmee soms naar school.

ELLEN STOOP, TIJDENS HAAR LEZING VOOR HET GODFRIED
BOMANS GENOOTSCHAP IN RESTAURANT BRINKMANN (27 APRIL 1991).
DE ILLUSTRATIE IS VAN DE HEER A.Ch.H. SLOT.
Ellen Stoop is een uitzonderlijke vrouw. Als Neerlandica verdiepte ze zich in de vriendschap van Mulisch, Bomans en Heyboer. In april 1991 gaf zij een lezing voor het Godfried Bomans Genootschap met de titel Vriendschap à trois, zoals Mulisch de vriendschap genoemd had. In datzelfde jaar werd die lezing afgedrukt in ‘Godfried’ nr. 2, het tijdschrift van het Genootschap, en in het tijdschrift Literatuur.
Stoop constateerde dat er zeker vriendschap was geweest. De volgende factoren hadden daartoe bijgedragen: Bomans, Mulisch en Heyboer woonden in de jaren ‘50 alle drie in Haarlem, daar bezochten ze de kunstenaarssociëteit Teisterbant, ze hadden vervelende vaders (gehad) op wie ze boos waren, ieder had op zijn eigen manier de Duitse bezetting meegemaakt, en ze deelden gevoel voor humor. Met Mulisch had Bomans nog iets aparts: de ‘Eckermann Gesellschaft’. In de sfeer van de biograaf van Goethe spraken en schreven ze met elkaar. Sporen daarvan zijn in beider werk terug te vinden.
Mulisch had zich in zijn bijdrage aan ‘Herinnering aan Godfried Bomans´ tot spil van de vriendschap uitgeroepen. Zonder hem was die vriendschap onmogelijk. Stoop vroeg zich af, of de rol die Mulisch zichzelf toebedeeld had, “slechts deel uitmaakt van de mythologie die hij rond de Haarlemse vriendschap opgebouwd heeft (..)” (p.53). Voor het antwoord volgde ze de scheiding der werelden, zoals Mulisch had aangebracht. Bomans leefde in de canonieke wereld, de wereld van machthebbers en gezagsdragers. Heyboer kwam uit de apocriefe wereld die bevolkt werd door gekken en paupers, de wereld van de Haarlemse schilder H.F. Boot (1887-1963). Doordat Mulisch tot geen van beide werelden behoorde, kon hij de spil van de vriendschap zijn. Zonder zijn neutrale terrein, was vriendschap tussen Bomans en Heyboer onmogelijk, omdat ze uit werelden kwamen, waartussen geen contact mogelijk was.
| Ook Bomans zag in Mulisch en Heyboer twee geniaal gestoorde jonge kunstenaars ” (p.56), die beiden op zoek waren naar een systeem, naar een structuur, waarin hun verstoorde leven, ja zelfs hét leven, ondergebracht kon worden. Heyboer uitte dat in composities in zink, Mulisch op papier. Stoop stelde: “Het plan om een boek te schrijven over de compositie van de wereld bestond al in 1949.” (..) Toen werkte Mulisch al aan zijn denkprincipe, dat naar eigen zeggen “aan àlle waarheden plaats inruimde en zo mijn persoon volledig recht zou doen” (p.58). |
| Mulisch en Heyboer behoorden tot dezelfde wereld, constateerde Stoop. Daardoor verviel de basis onder Mulisch´ uitspraak, dat hij de voorwaarde van de vriendschap was. Daar kan nog dit aan toegevoegd worden. Mulisch deelde Bomans in bij de wereld van machthebbers en gezagsdragers. Ook daar klopt weinig van. Bomans nam het liefst zulk soort personen op de hak en hij ging juist graag om met mensen buiten die wereld, zoals schrijvers en kunstenaars, gelijk zijn vriendschap met Mulisch en Heyboer aantoont. Het rijden in een Lelijke Eend wijst ook in die richting. Mulisch lijkt hier deze vergissing te hebben gemaakt: Bomans was afkomstig van de canonieke wereld maar hij behoorde er niet toe. | ![]() HARRY MULISCH, JAREN VIJFTIG foto: Edith Vermeer |
Stoop deconstrueerde de opgebouwde mythologie van Mulisch verder door Louis Ferron nogmaals op te voeren. Ferron was van mening dat “Heyboer de intermediair in hun vriendschap was” (p.62). Dat is consistent met wat Mulisch in `Herinneringen aan Godfried Bomans´ heeft geschreven. Mulisch gaf aan dat hij Bomans in 1948 had leren kennen. Dat leidde begin jaren ’50 tot vriendschap. Mulisch schreef: “De reden van dit uitstel was denkelijk, dat pas toen Anton Heyboer, de etser, er bij kwam” (Herinneringen, p.137). De betekenis van deze geheimzinnigheid is als volgt: de kennismaking in 1948 was een vriendschap die nog een jaar of drie werd uitgesteld. Pas toen Heyboer op ‘Teisterbant’ verscheen, begon de vriendschap. Dan moet Heyboer de spil zijn geweest. Mulisch schreef een bladzijde verder ook dit: “ik was de voorwaarde, dat zij elkaar konden ontmoeten” (p.138). Daaruit blijkt dat Mulisch de spil van de vriendschap was. Toch kan er maar een de spil zijn geweest.
Stoop sloopte de constructie van Mulisch verder door Heyboer er verder bij te betrekken. Hij had verklaard dat Mulisch net als hij naar liefde had gezocht, naar een vader, die ze gemist hadden. Bomans - veel ouder dan beide jonge vrienden - was die aardige vader. Stoop gaf aan dat Mulisch “niets geschreven (heeft) over de vaderrol die Bomans binnen de vriendschap vervuld zou hebben”. Dit zou “niet passen binnen het consistente mythologische beeld dat Mulisch zelf rond de vriendschap heeft opgebouwd” (p.69).
Van het beeld dat Mulisch de spil van de vriendschap à trois is geweest, laat Stoop weinig heel. Bomans als ´vader´ van Mulisch en Heyboer lijkt me overigens een uitstekende reden Bomans de spil van die vriendschap te noemen. Dan was Bomans twee keer vader van Mulisch, want ook al de literaire.
Marita Mathijsen is hoogleraar in de Nederlandse Letteren en was begin 2007 de promotor van Mulisch, voor het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Het eredoctoraat was hem toegekend wegens “zijn verdiensten voor de Nederlandse letterkunde en zijn bijdrage aan het intellectuele debat.” Met het oog op ‘De Compositie van de Wereld’ en ‘De Ontdekking van de Hemel’, zei Mathijsen verder: “Zijn oeuvre is uniek door de complexiteit en veelzijdigheid ervan.” (..) Iedere wetenschapper heeft baat bij het werk van Mulisch” (NRC Handelsblad, 9-1-2007).
Aan de verdiensten van Mulisch voor de Nederlandse letterkunde, hoeft niet getwijfeld te worden. Zijn verdiensten voor het intellectuele debat zijn echter niet voor een ieder duidelijk. Toen premier Jan Peter Balkenende Mulisch in oktober 2006 aanschreef als het huisadres van de Nederlandse intelligentsia, werd dat hier en daar als een vileine actie gezien. En hebben werkelijk álle wetenschappers baat van Mulisch’ werk?
Mathijsen is vol lof over de schrijver Mulisch, kritisch is ze evenwel aangaande zijn persoon. Dat blijkt uit haar Soeterbeecklezing uit 2006, die op Internet voor iedereen beschikbaar is. Zij hield daarin Haarlemse schrijvers tegen het licht. Bomans deelde ze in bij de bluffers, Mulisch bij de blaaskaken. Zij bracht ook een praatje van Mulisch voor de radio in herinnering waarin hij onderscheid maakte tussen leeghoofden die het gemaakt hadden en halfgekke systeembouwers. De denigrerende tweedeling van Mulisch gold ook voor de leden van ‘Teisterbant’. Daar kwam een rel van en Mulisch werd de toegang tot de sociëteit ontzegd. Mulisch had geen cultureel centrum meer, of, hij kon zich niet meer laten zien op het erf van de vriendschap, onder café-restaurant Brinkmann. Hij vertrok in 1958 naar Amsterdam. Mulisch huurde bij Lyda Polak een kamer, ”driehoog achter in een groot pand aan de Leidsekade” (Zijn getijdenboek, p.134).
INTERIEUR
CULTURELE SOCIETEIT TEISTERBANT part.coll. foto: Spies |
xx | Het dagboek van Bomans laat zien dat er vriendschap geweest is, hoewel de vrienden in de eerste helft van 1957 niet met z’n drieën zijn optrokken, maar elkaar soms op ‘Teisterbant’ troffen. In voorgaande jaren zullen ze wel veel met z’n allen zijn opgetrokken. Beide vrienden van Bomans waren interessante gesprekspartners. Daarnaast ging hij met Mulisch nogal eens biljarten en schaken, en met Heyboer had hij socialer verkeer, zoals huisbezoek en een gezellig uitstapje. Dat laatste deden ze vaker, gegeven het boek van Erna Kramer uit 2007 met de titel Anton Heijboer 1952-1959. |
De vriendschap à trois begon zo rond 1952. Over het eind schreef Mulisch: “De ontmoeting van de ‘werelden’ (canoniek en apocrief) (..) spatte rond 1958 plotseling uit elkaar. Bomans, Heyboer en ik, wij alle drie trokken weg uit Haarlem en lieten elkaar los” (Herinnering, p.145).
De vriendschap spatte uit elkaar. Dat is fors taalgebruik. Wat was de reden van die explosie? Dat laat Mulisch onbeantwoord. Onno Blom geeft slechts enkele bezwaren die Mulisch tegen de stad Haarlem had. Zijn ouders waren er gescheiden en Haarlem was niet meer dan “de negerwijk van Amsterdam”. En ‘Teisterbant’? “Dat was een leuke, provinciale boel” (Zijn getijdenboek, p.128).
Over zijn vertrek uit Haarlem heeft Mulisch nog dit tegen Onno Blom gezegd: “Ik ben naar Amsterdam gekomen omdat ik in Haarlem een notabel werd. Toen had ik het wel gezien” (p.134). Nergens is te vinden dat Mulisch in 1958 door het bestuur van ‘Teisterbant’ tot persona non grata werd verklaard.
In Amsterdam vond Mulisch snel zijn draai, onder notabelen.
Net als Mulisch, vertrok Heyboer in 1958 naar Amsterdam, per boot. In het najaar verbrak Erna haar relatie met Anton en ze keerde met haar een jaar oude dochter naar Haarlem terug. Heyboer zal in Amsterdam zijn gebleven en zich ook niet meer in ‘Teisterbant’ hebben vertoond. In 1961 vertrok hij naar ongeveer het einde der aarde, Den Ilp genaamd. Bomans, die al in 1957 had geschreven dat hij zich losgemaakt had van de Haarlemse wereld, verhuisde in 1961 naar Bloemendaal en plantte in zijn tuin een Sequoia. Amsterdam, Bloemendaal en Den Ilp bleken ver uit elkaar te liggen. De vrienden hebben elkaar na 1958 nog maar weinig gezien.
Heyboer sneed alle banden met de wereld door en sloot zich op in Den Ilp. Mevrouw Bomans verklaarde dat zij en haar man daar niet welkom waren. Dat is meer dan aannemelijk.
In zijn bijdrage aan ‘Herinneringen” blijkt dat Mulisch nog een enkele keer bij Bomans op bezoek is geweest. Hij schreef: “Bomans ging wonen in Bloemendaal, in het reusachtige huis, waarin hij is gestorven. Dit markeerde zijn terugtocht in de wereld van het establishment (..). Steeds overviel mij een zekere beklemming, de weinige keren dat ik daar kwam in die groene stilte. De laatste keer liet hij mij een nieuwe boom zien die hij in zijn ontzaglijke tuin had geplant: een Sequoia” (p.145).
Over de verdere verwijdering tussen Mulisch en Bomans, schreef Mulisch in ‘Herinneringen’: (..) omstreeks 1965, was ook de polarisatie van Nederland eindelijk begonnen (..). Dit leidde tot een verwijdering tussen ons. (..) Ten slotte kwam het tot een regelrechte clash tussen ons beiden. In zijn prachtige werkkamer met uitzicht op het dicht begroeide duindal, dat zijn tuin vormde, had hij een stuk geschreven over een opstandig pamflet, dat jongens van de Rode Jeugd hem ergens in de hand hadden gedrukt. De officier van justitie, die dat pamflet natuurlijk allang kende maar het daarbij liet, moest toen wel ingrijpen en de jongens laten arresteren. Bomans’ bedachtzame zorgvuldigheid had hem plotseling in de steek gelaten. Met een paar vrienden, die hem ook persoonlijk kenden, ondertekende ik toen een telegram, waarin hij van ‘denunciatie’ (aangeven, verklikken, verraden) werd beschuldigd. Mijn naam zal hem daarbij het felst hebben getroffen, – en nog steeds vind ik dat ik gelijk had (..)” (p.146-147).
Hoewel de huidige tijd naar toon, onverdraagzaamheid en het grote eigen gelijk, doet denken aan de jaren zestig, toen links, nu rechts, is er verschil. Oproepen tot geweld is in onze tijd streng verboden, zelfs denken aan geweld kan je de vrijheid kosten. In dat licht bezien, is het toch interessant wat er in dat ‘opstandig pamflet’ had gestaan. Ik heb alleen Bomans’ weergave daarvan, uit ‘De raddraaiers’ (de Volkskrant, 18 juni 1966).
In het pamflet worden zes Amerikaanse gebouwen genoemd die voor vernieling in aanmerking komen: het consulaat, het Hilton Hotel, de bibliotheek en drie banken. Bomans schreef: “’Dit is’, aldus het bulletin, ‘een klein en zeer onvolledig lijstje van Amerikaanse ondernemingen en instellingen, waar wij de volgende dingen kunnen doen: ruiten ingooien, muren volkalken, in brand steken en opblazen.’’’ Bomans schreef verder: “Met de diepste verachting behandelt vervolgens de schrijver de opvatting, dat dit ongeoorloofd zou zijn. Deze bekrompen mening wordt, aldus het bulletin, verdedigd door ‘De Telegraaf’ en ‘Elseviers Weekblad’. Speciaal ‘De Telegraaf’ krijgt er van langs. Het bulletin eindigt met de vaststelling, dat iedereen nu wel weet wat hem te doen staat, daar het vernielen van kapitalistisch eigendom een verdienstelijke daad genoemd moet worden, die geenszins onder ‘straatschuimerij’ valt.” Een paar dagen later werd de boel bij ‘De Telegraaf’ kort en klein geslagen.
Wie die opruiende tekst geschreven heeft, is me niet bekend. Harry Mulisch zal het pamflet in ieder geval met groot plezier hebben gelezen. In de jaren vijftig was hij al een onstuimige twintiger die uitzag naar de polarisatie die komen ging. In de jaren zestig kwam zijn links activisme los. Bij relletjes in Amsterdam werd hij een graag geziene gast en de provocaties bij het huwelijk van prinses Beatrix met prins Claus steunde hij actief. Even later bezong hij de linkse dictatuur op Cuba. Niet verwonderlijk dat Mulisch het in een telegram voor de ‘Raddraaiers’ opnam, met als gevolg, dat aan de verwaterde vriendschap met Bomans, die een hekel had aan zowel links als rechts extremisme, definitief een einde kwam.
Het is niet zo, dat Bomans en Mulisch elkaar na dit incident helemaal niet meer zagen. In de zomer van 1971, een half jaar voor Bomans’ overlijden, hebben ze elkaar nog gesproken en een half jaar eerder had Mulisch post van Bomans gekregen, in het kader van de ‘Eckermann Gesellschaft’. Mulisch schreef: “Nog in februari 1971 stuurde hij mij de jaargang 1885 van (het tijdschrift) De Gids, die hij ergens op de kop had getikt, met de opdracht:
Lieber Johann Peter!
Ich glaube dass diese 4 Bände manches erquickliches für Sie umfassen könnten. Ich schenke sie Ihnen.
Boisserée”
(Herinneringen, p.141)
|
Bomans, Heyboer en Mulisch, dat moet een
mooi stel geweest zijn. Het leven bestond uit lachen, feesten, poetsen
bakken, schaken, biljarten, en ze namen deel aan kunst en cultuur in ‘Teisterbant’.
|
![]() BOMANS EN HEYBOER TIJDENS SCHRIJVERSAVOND OP TEISTERBANT (1955) |
Zijn vrienden waren geen lezers maar kabbalistische mythebouwers. Bomans zag ze “samen op zwerftocht door de kosmos”. De hemel moest ontdekt worden. Voor de etsen van Heyboer, waarin elk streepje een betekenis had, had Bomans waardering, maar hij kon er geen enkele betekenis uithalen. In de boeken van Mulisch wemelt het van betekenis, maar niet waarnaar Bomans op zoek was. Zijn oordeel over het vroege werk van Mulisch is overigens juist gebleken. Dat waren de krullen van de plank die Mulisch aan het schaven was: De Compositie van de Wereld en De Ontdekking van de Hemel. Of Bomans die boeken zou hebben uitgelezen, is de vraag.
“Ook Bomans zag in Mulisch en Heyboer twee geniaal gestoorde jonge kunstenaars”, schreef Ellen Stoop. Was dat zo? Bomans dacht in eerste instantie dat de sprankelende geest van Heyboer niet uit denken maar uit geestesziekte voortkwam. Daar kwam hij op terug. Wat Heyboer zei, was zeer doordacht en zeer origineel, want vrij van gevestigde meningen en vooroordelen. Maar Bomans vond wel dat Heyboer er grandioos naast zat.
Bomans vond Mulisch een zeldzaam intellect maar wel van een andere planeet, zwervend door de kosmos. Van ‘De ontdekking van de hemel’ zou Bomans niet hebben opgekeken. Ook niet, toen er een planetoïde naar Mulisch vernoemd werd. En ook niet van diens reactie daarop: “Nu ben ik in de hemel” (de Volkskrant, 29-6-2007).
| Over het leven en de levenshouding van beide vrienden maakte Bomans ook aantekeningen. Bomans stond in een traditie. Zijn leven was een resultante van het verleden, evenals de samenleving waarin hij leefde. Dat is geen schokkend inzicht: dat geldt voor iedere bewoner van onze aarde. Bomans merkte op, dat Heyboer in het nu wilde leven waarbij hij de wortels van het verleden (telkens) doorsneed. Die visie is juist gebleken. In Den Ilp begon Heyboer aan weer een nieuw leven. Dáár wilde hij het met journalist Aad van der Mijn in eerste instantie uitsluitend over hebben, niet over zijn verleden met Bomans, want daar zaten “ook altijd weer vervelende dingen aan.” Zelfs met zijn kinderen uit eerdere huwelijken, sneed hij de band door. Telkens begon Heyboer helemaal opnieuw waarmee hij de werkelijkheid ontvluchtte. | ![]() ANTON HEYBOER, JAREN VIJFTIG |
Mulisch was in de ogen van Bomans niet erg opgevoed en erotomaan. Mulisch gaf in ‘Herinneringen’ toe dat hij door zijn jeugdige leeftijd onstuimig was geweest (p.139), en zijn erotomanie is geen geheim, Mulisch is daar juist trots op. Daarnaast leefde Mulisch slordig. Bomans bracht hem grotere bedachtzaamheid bij, met dank van Mulisch. In de artistieke levensbeschouwing van Mulisch zag de realist Bomans niet veel. Voor Mulisch tellen de feiten niet. Zij zijn slechts dragers van de betekenis die hij eraan hecht, om zijn persoon volledig recht te doen. Mulisch zet de werkelijkheid naar zijn hand, ofwel: Mulisch ontvlucht de werkelijkheid, net als Heyboer deed, maar anders.
Bomans zag nog het volgende: Heyboer lééfde artistiek, dát was zijn compositie. Voor de kunst hield hij niets over. Mulisch leefde in de jaren ’50 niet erg en wat hij daarin tegenkwam, schoof hij in zijn boeken. Mulisch dacht en schreef artistiek. Zijn boeken, zijn composities, dát was zijn leven. Ook Heyboer was die mening toegedaan.
Bomans kwam er bij Heyboer niet best van af, hoewel Heyboer toch veel aan hem te danken had gehad. Heyboer vertelde dat hij niet eens bij Bomans in huis mocht komen. Maar het eerste wat hij deed, toen hij een nieuw meisje had, was bij Bomans langsgaan. Wat hij van het werk van Bomans vond, is me niet bekend. Daar Heyboer van mening was dat Bomans zijn hele leven verknoeid had, door te schrijven wat de maatschappij accepteerde, zal hij Bomans’ werk niet veel soeps hebben gevonden.
Mulisch heeft hier en daar met mate zijn waardering voor Bomans uitgesproken, ook over zijn schrijfwerk. Incidenteel schoot dat door naar wereldklasse. Helaas vertelde Mulisch niet welke werken of werkjes hij op het oog had.
Vermoedelijk beleefde de vriendschap à trois, net als ‘Teisterbant’, rond 1955 haar grootste bloei, met in 1956 het huwelijk van Heyboer en Erna Postma, waarbij Bomans en Mulisch getuigen waren. Toen was Bomans al lang een gevierd schrijver en 42 jaar oud. Mulisch was een beginnend schrijver van 28 jaar die het niet breed had en Heyboer een berooid beginnend kunstenaar van 31 jaar. Het grote bezwaar dat Heyboer tegen de persoon Bomans had was zijn luxe leven in de burgerlijke wereld. Daar kwamen conflicten uit voort. Mulisch - linkse Harry - zal het met Heyboer geheel eens zijn geweest. In die tijd werd veelal gedacht, dat een kunstenaar zich niet moest compromitteren met de kapitalistische samenleving, want die deugde niet. Én kunstenaar zijn, én maatschappelijk geslaagd, dat kon niet samengaan. Zowel Mulisch als Heyboer hebben, toen zij wat ouder werden, bewezen dat dat wel kon. Beiden zijn rijk geworden. Mulisch trad zelfs toe tot het establishment met een eredoctoraat als bekroning.
De vriendschap à trois heeft de ontwikkeling van Heyboer en Mulisch goed gedaan. Begin jaren vijftig waren ze nog jonge onbekende beginnelingen, aan het eind van dat decade, na de Teisterbantjaren, waren ze al beroemd en in goeden doen. Vanaf dat moment gingen ze voor de kunst- en literatuurgeschiedenis leven.
Edward Krabbendam
Gerelateerde stukken: Bomans en Mulisch, Bomans, Heyboer en Kramer, Bomans en Brouwers en Bomans en Teisterbant. Bomans als onbekende zal vermoedelijk half oktober op deze site verschijnen.
