Bomans en Wim Vogel
Edward Krabbendam
Op de eerste dag van het nieuwe jaar 2008, deed Jan Henry een envelop op de bus. Daar had de oud-redactiesecretaris van het Godfried Bomans Genootschap een artikel ingestopt en een begeleidend kaartje met de tekst: “Zal je uit het hart gegrepen zijn.” Ik begon ‘Een leven in verwondering’ te lezen en ik was het direct met Jan eens. Vooral de volgende woorden frappeerden me: “Als een provo die zijn tijd ver vooruit is, morrelt hij aan structuren (..)” Daar ging mijn ‘Bomans als provo’ over. De schrijver van het stuk was Wim Vogel. Die naam kwam me bekend voor. Ik pakte de ‘Godfried’ van maart 2003 en bladerde door het halfjaarlijkse boekje van het Genootschap. Daar had je hem! De kantlijn zag zwart van de potloodstrepen. Ik wist het weer. Daarmee had ik de inzichten van Vogel onderstreept. Maar waarom had ik die waardevolle informatie niet gebruikt? Helemaal vergeten. Toen ik ‘Bomans als provo’ bij elkaar schreef, zat ik tot over mijn oren in de officiële boeken, kranten en tijdschriften. ‘Godfried’ ontsnapte aan mijn aandacht.
Wim Vogel is leraar Nederlands en recensent. Hij behoort
tot de paar neerlandici die zich op schrift over Bomans hebben uitgelaten. Nog
uitzonderlijker is, dat Vogel dat in lovende zin gedaan heeft. Dat blijkt al
uit zijn eerste stuk in ‘Godfried’ van september 1997, waarvan de titel luidde:
‘De onderwaardering van Godfried Bomans’. Het begint zo: “Zelden zal
een Nederlandse auteur geliefder zijn geweest
dan Godfried Bomans. ‘Erik of het klein insectenboek’ werd alleen al in het
sombere oorlogsjaar 1941 tienmaal herdrukt. In 1982, tien jaar na zijn dood,
waren er meer dan
een half miljoen exemplaren van
verkocht.”
Vogel geeft hierna meer informatie over de verkoopcijfers. Tot 1970 werden er in Nederland meer dan 2,2 miljoen boeken van Bomans verkocht terwijl in dat jaar zelf, ruim 100 herdrukken verschenen.
Wim Vogel. Foto: Jan Henry
Daarnaast waren er bestsellers in het buitenland. Vogel
schreef: “In schril contrast hiermee staat Bomans’ onderwaardering door de officiële
literaire wereld. Een letterkundige prijs heeft hij nooit gekregen. En bepaald
ontluisterend is het vast te moeten stellen dat hij in de meeste
handboeken niet eens genoemd wordt.”
Vogel liep vervolgens enige handboeken na voor de literatuur uit de jaren ’60 en ’70, waarin schrijvers als P.J.A.M. Bungsters, Winnie Pendel en F. Olivier wél werden vermeld. Schoolboeken gaven hetzelfde beeld. Daardoor is te verklaren dat de zeer populaire schrijver, voor de jeugd snel een onbekende werd.
Vogel vroeg zich af waar het gebrek aan waardering van officiële zijde vandaan kwam. Als eerste reden noemde hij humor. Bomans schreef humoristische stukjes in een tijd waarin men vond dat literatuur ernstig moest zijn. Wat geestig was, kon geen literatuur zijn. Daarnaast schreef Bomans columns, die over het algemeen ernstig waren. Zij behoorden ook niet tot de literatuur. Later zijn er voor beide genres literaire prijzen gekomen. Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, Piet Grijs en Renate Rubinstein ontvingen prijzen, maar wel (ver) na Bomans’ dood in 1971. Bomans was 58 jaar toen hij overleed. Hij ging te vroeg dood om literaire erkenning te krijgen voor genres, die hij zelf begonnen was. Zó ver was hij zijn tijd vooruit.
Het lijkt me dat er nog een andere reden is geweest. Carmiggelt en anderen vielen terecht in de literaire prijzen. Maar hoe verdienstelijk ze ook zijn, Bomans was veel veelzijdiger. Zijn oeuvre ging van sprookjes tot diepzinnige essays, die naar inhoud ver buiten het domein van de neerlandistiek vielen. Bomans wordt door neerlandici geroemd als stilist. Het probleem was echter, dat op zijn prachtig proza geen etiketje viel te plakken. In hoge literaire kringen wist men geen raad met hem. Bomans kreeg niets.
Bomans en Mulisch in gesprek (1956). Foto: D. Planteijdt
Vogel beaamde dat wat Bomans deed niet altijd even sterk was. Soms was er sprake van herhaling
en effectbejag. Desondanks is hij het
met de woorden van Simon Carmiggelt uit 1971 eens: “Bomans is een groot schrijver maar je mag
het alleen niet zeggen.” In 1996
was dat nog steeds zo maar Vogel zag een lichtpuntje. In dat jaar verschenen
de eerste twee boeken van de verzamelbundel ‘Werken’. Hiermee werd een kans
geboden voor officiële waardering. De reacties waren evenwel niet bemoedigend.
Fred Lammers schreef in dagblad ‘Trouw’ van 22 augustus 1996: “Harry Mulisch noemt het verschijnen van de
verzamelde werken ‘een mooi gebaar’, maar helemaal begrijpen doet hij dat
niet. Als Bomans’ pennevruchten worden gebundeld verdient Simon Carmiggelt
hetzelfde eerbetoon.” Mulisch zette hiermee de toon. Dat was een sterk
staaltje. Van de zevendelige verzamelbundel moesten de eerste delen nog op
de markt komen. Mulisch had nog niets kunnen lezen, toch had hij al een mening.
Van officiële waardering is het ruim tien jaar later nog niet gekomen, zie ‘Bomans als onbekende’ (‘Godfried’, september 2007 en op Internet, www.godfriedbomans.nl). De vraag is gewettigd of neerlandici ooit nog aan het grote en uiteenlopende oeuvre van Bomans gaan beginnen.
In ‘De onderwaardering van Godfried Bomans’ bracht Wim Vogel nog een onderwerp onder de aandacht waarmee Bomans zich bepaald niet populair maakte onder de tamelijke jeugdige intelligentsia, die de toon aangaf. Bomans was van huis uit katholiek. Voor de camera’s sprak hij zijn twijfels uit over het christelijk geloof, dat de kerken ervan gemaakt hadden. Hij verwoordde wat talloze katholieken en protestanten dachten. Dat maakte hem geliefd bij zoekers en twijfelaars, die hem op de buis volgden. Maar de jaren zestig waren radicaal. Al het oude moest weg. Alles moest nieuw. Dus wég met het geloof, zoals Jan Wolkers toonde. En wég met Bomans.
Over de ontkerkelijking uit die periode, de jaren zestig,
schreef Henri Beunders, hoogleraar geschiedenis en maatschappij, in dagblad
Trouw (8-12-2007): “In geen ander
West-Europees land liepen de kerken met zo’n grote snelheid leeg als hier. Met
enorme gevolgen. Een ervan was dat er veel pseudoreligieuze dump op de
politieke markt belandde. Oudhollands calvinisme in een ander, politiek jasje.”
Vele gelovigen stroomden de kerk uit en de politiek in. Geen God meer, geen Jezus, maar een diep geloof in Marx, Lenin, Mao en Castro. Zoals altijd waren kersverse bekeerlingen het fanatiekst.
Historicus James Kennedy heeft ruim tien jaar geleden gewezen op de radicaliteit in ons land. Hij was de eerste die ons op dat calvinistisch trekje wees. We gooien graag het kind met het badwater weg, zoals in de jaren zestig.
Bomans was een bondgenoot van links want kerkafbraak juichte hij toe. Daarmee ontdeden gelovigen zich van de buitenkant van regels en rituelen, waardoor zij de binnenkant konden gaan ontdekken. Ook Bomans gooide het badwater weg, niet het kind. Hij deed juist erg zijn best om de woorden van Jezus te gaan begrijpen. Dat was niet de bedoeling. Bomans moest aangepakt worden. Harry Mulisch maakte van Bomans een welhaast orthodoxe katholiek. Hiermee werd Bomans voor weldenkend Nederland - links in die tijd - irrelevant verklaard.
het Godfried Bomans Genootschap bijeen in het stadhuis van Haarlem in verband met haar dertigste verjaardag. Er waren zes sprekers. Hun teksten zijn afgedrukt in de ‘Godfried’ van maart 2003.
Voorzitter Fred Berendse begon zijn rede met: “Ook wij namen met verslagenheid kennis van
het overlijden van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins
Prins Claus. Bron:
Hij citeerde letterlijk uit een brief van Prins Claus aan hem: “Ik houd van Godfried Bomans, van hem heb ik veel geleerd, en nog meer zelfs dan een verrijking van mijn Nederlandse taalschat.”
’
De oud-premier besloot met: “Bijna dertig
Wim Vogel wilde die dag aanvankelijk gaan spreken over het vermeende conservatisme van Bomans, maar het werd diens verwondering. Tot verbazing van de aanwezigen, verklaarde Vogel dat Bomans niet bestond, “nog sterker”, zei hij, “hij heeft zelfs nooit bestaan, althans als ik de handboeken opsla die onze literatuur van de jaren zestig en zeventig inventariseren. En dan te weten (..) dat Bomans in de jaren zestig tot niet minder dan ongeveer duizend publicaties kwam.” Vogel somde een aantal handboeken op met honderden namen, maar geen Bomans. Hij vervolgde met: “En ‘Het literaire klimaat 1970-1985’ bespreekt negenentachtig auteurs wier naam begint met een B maar geen enkele daarvan luistert naar de naam van de auteur voor wie wij vanmiddag hier bijeen zijn. Zijn wij niet goed snik?”
Dat bleek reuze mee te vallen. Anderen waren Bomans vergeten. Dat kwam omdat hij nergens bij hoorde. Niet bij generatiegenoten als Louis Paul Boon en Hella Haasse, niet bij de Vijftigers, een groep experimentele schrijvers als Lucebert en Campert, niet bij de auteurs die zich na de oorlog krachtig afzetten tegen de ideeën van hun ouders, zoals Jan Wolkers, Jan Cremer en Harry Mulisch. Mulisch bekende dolblij te zijn geweest dat de jaren zestig waren aangebroken. Vogel zei daarover: “Jaren waarin volgens Mulisch eindelijk werd afgerekend met de naoorlogse restauratie van de vooroorlogse prefascistische verhoudingen. Wat dan natuurlijk wel aardig is, is dat Bomans zijn weerzin tegen de restauratie naar mijn idee al verwoordde in een van zijn eerste stukjes in de Volkskrant, en wel in die van 25 augustus 1945.”
Desondanks werd Bomans conservatief geacht, wat bewezen werd geacht door zijn recensie in december 1947 in ‘Elseviers Weekblad’ van ‘De avonden’, het boek van toen nog Simon van het Reve. Vogel zei hierover:
“Bomans zou niets
van dat boek hebben begrepen en het hebben neergesabeld. Bomans gaf aan zijn
artikel de titel mee Een schrikbarend boek. Een prima titel overigens, want wie
niet schrikt van de volheid van de leegte in dit boek is geen beste lezer en
dat was Bomans nu juist wel. En wat mijns inziens ook goed blijkt uit zijn
recensie. Natuurlijk, hij schrijft dat hij zelden een boek heeft gelezen, ik
citeer: ‘Zo naargeestig, zo zeer van iedere positiviteit verstoken, zo grauw en
volstrekt negatief als het onderhavige’. Einde citaat. En dat zijn dan
natuurlijk ook altijd de zinnen die altijd en jarenlang worden geciteerd. Maar,
gaat Bomans verder, citaat: ‘Hoe komt het dat men het nochtans in één adem
uitleest? Is het de volstrekte eerlijkheid van de man? Is het zijn verbluffende
luciditeit? Is het de weergaloze ofschoon dodelijke, kille knapheid en
atmosfeer die wij met benauwenis herkennen als ook ons eens te hebben bekneld?’
Einde citaat. En wat te zeggen van deze een na laatste alinea uit de recensie:
‘Reve’s meesterschap toont zich in tal van kleine details, die de scherpe en de
onafgebroken waakzaamheid van de lezer vragen.’ (..) Ja, ik weet niet hoe het u
vergaat maar nu nog, ruim vijfenvijftig jaar later, vind ik (Vogel) dergelijke zinnen niet getuigen van
volstrekt onbegrip, integendeel.”
Het bovenstaand citaat uit het werk van Vogel toont aan
dat Bomans kritische opmerkingen maakte over ‘De avonden’ van Van het Reve.
Maar zijn waardering was groter. Wat werd ervan gemaakt? Bomans had dat boek
neergesabeld. Ook dit werd onder het intellectuele debat gerekend. Er is een
citaat dat niet geheel toevallig van Bomans afkomstig is: ‘Met een Nederlander valt niet te discussiëren. Hij heeft tot het einde
toe gelijk en daalt met deze opgewektheid het graf in.’
Vogel maakte al duidelijk waarom Bomans vergeten was, en hij noemde die middag nog meer oorzaken. Bomans ging te vroeg dood om eerbewijzen te krijgen voor waarmee hij zelf begonnen was: humoristische stukjes en ernstige columns. Ze werden nog niet als literaire genres gezien. Vogel:
“Dat vroeg
overlijden, in 1971, is er volgens mij ook de oorzaak van dat Bomans al jarenlang
als conservatief werd en wordt beschouwd. Misschien kunt u het zich nog
herinneren, maar een bedenkelijker kwalificatie dan conservatief was eind jaren
zestig , begin jaren zeventig, nauwelijks denkbaar. Alles moest anders. Die
zekerheid triomfeerde en wie twijfelde, vraagtekens zette, zo zijn bedenkingen
had, die werd overschreeuwd door de gelijkhebbers, de zekerweters. Want, hoe
noodzakelijk die omwenteling ook was, erg subtiel ging het er zelden aan toe.
Deel zeven van het verzameld werk, het mengelwerk uit de jaren ’32 tot ’71,
laat twee constanten zien. De hele jaren veertig, vijftig en zestig is Bomans
is feite voortdurend bezig met de ontmaskering van de op niets gestoelde
autoriteit. Als een provo, die zijn tijd vooruit is, morrelt hij aan structuren
die alleen maar knellen (..). De gezagsdrager die het allemaal zo zeker weet
vermenselijkt Bomans tot een gelijke, die net zo goed als ieder ander om twaalf
uur zijn boterham eet. Eigenlijk is Bomans’ oeuvre een lofzang op de
verwondering, de fantasie en op de twijfel.”
In dit citaat keerde Vogel zich tegen het gezaghebbende
boek ‘De wereld van Godfried Bomans’ van Jeroen Brouwers. Brouwers bracht op
bladzijde 92-93 een stuk van Willem Ellenbroek uit de Volkskrant van 9 oktober
1976 Godfried Bomans.
in herinneringen, waarin Ellenbroek geschreven had, dat Bomans via de succesvolle stripverhalen van Pa Pinkelman uit de jaren ’40, de
middenstandsmentaliteit hekelde, voordat de provo’s dat in de jaren zestig gingen doen. Brouwers zag daar niets in. Hij vond Bomans, voorgesteld als “inspirerende voorloper van provo (..) merkwaardige pogingen uit katholieke of ex-katholieke hoek tot posthume verlinksing van Bomans. “(..) Bomans was namelijk zo rechts als de pest” (p. 42). Vogel schrikt er evenwel niet voor terug, Bomans niet rechts te vinden, hij noemt hem zelfs een provo, die zijn tijd vooruit is, ver vooruit zelfs.
Het stuk van Vogel dat Jan Henry me toestuurde, is uit 1999 en heeft als titel ‘Een leven in verbazing’. Daarin komen zaken voor als bovenstaand. Vogel schreef verder over de clichébeelden die er zijn, zoals het weekje op Rottumerplaat, waarbij Bomans door eenzaamheid de lust om verder te leven had verloren (De kans dat Bomans daar zijn eerste hartaanval heeft gehad, is aanzienlijk, e.k.).
En Bomans was een flauwe roomse guit, een flierefluitende, gemakzuchtige en luie schrijver die ver in de twintigste eeuw negentiende-eeuwse normen en waarden koesterde, volgens mensen als Hans Keller. En dát over een schrijver met een verzameld werk van bijna 6.000 bladzijden, die zich mild verzette tegen de gevestigde orde.
Eind jaren ’30 van de vorige eeuw liepen de spanningen in
Europa hoog op door oorlogszuchtige aspiraties van Duitsland, waar Hitler in
1933 zijn dictatuur had gevestigd. In september 1938 kwam het eerste nummer van
‘Het Groen Hout’ uit, een nieuw maandblad van de Unie van Katholieke
Studentenverenigingen in Nederland, met het doel de apathie te doorbreken, ten
opzichte van wat in Duitsland gebeurde. Redacteur Anthony Mertens vroeg Bomans
een humoristisch stuk te schrijven. In het oktobernummer van ‘Het Groen Hout’ is
een brief van Bomans aan Mertens afgedrukt, die op 27 september 1938 vanuit bad
was geschreven. Hoewel Bomans een gruwelijke hekel aan wassen had, zat hij daar
toch, om “de ernst der tijden. Dadelijk
na de rede van Hitler ben ik naar bad gegaan. Het leek mij de eenige plek, waar
een stil mensch als ik, met een lichte neiging tot philosophie, zich nog
behagelijk kan voelen. En hier wacht ik de gebeurtenissen in Europa af, kalm,
waardig. Meen intusschen niet dat ik niets doe. Ik denk. En somtijds, als nu,
dicteer ik. In de kamer hiernaast zit een type-juffrouw (..). Tusschen ons is een klein luikje. Daardoor vangt zij
de kostbare woorden op die vanuit de kuip omhoog stijgen. Je vraagt je
misschien af wàt ik dicteer?
Telegrammen,
brieven, redevoeringen, memoranda, nota’s, van alles door elkaar. Alleen al
Hitler heeft van mij 12 brieven ontvangen. Goebbels 7, Benito (Mussolini) 2, en
ja, wat heb ik al niet aan postzegels gespendeerd aan Runciman, Chamberlain,
Roosevelt en Benesj? (..)
Bomans deelt ook grote geschenken uit, zoals een enorm gebraden zwijn, aan Herman Goering, en schrijft: Het welzijn van Europa gaat voor alles. Je zult je misschien afvragen waartoe het dient als een simpel student in de rechten dergelijke brieven schrijft. Ze worden toch niet gelezen, denk je. Ha, dat denk je! Maar dat is niet zoo. Ik onderteeken met Pieter Bas, Minister van Onderwijs van Nederland. En naar een minister moet je luisteren,al was het alleen om de beleefdheid.” (Godfried, p.198).
Daarna volgen enkele brieven die het bad ontstegen zijn, waaruit Wim Vogel voor ‘Een leven in verbazing’ putte:
“In oktober 1938,
toen de wereld wel wist, wat ze aan Hitler, Goering en Göbels had, schrijft
Bomans dit trio. ‘Mein guter Adolf’ vraagt hij niet zo te schreeuwen omdat wij
ook zonder die hysterie heus wel geloven dat hij en zijn volk ‘Kräftiger
Willen, stark, arisch (en) Kampfbereitet’ zijn. De führer adviseert hij wat
meer te lachen, ‘das scharze Dingschen’ te ‘rasieren’ en ’s avonds wat meer te
kaarten. Hermann Goering stuurt Bomans een paar worsten met zuurkool, een vet
varkentje en een ridderorde, vergezeld van de vraag of het voor de Duitsers
zelf nu wel zo leuk zou zijn als de hele wereld verwoest maar wel Duits werd.
Göbbels krijgt een exemplaar van Pieter Bas met daarbij het verzoek zijn
landgenoten eens op te roepen een groot feest te organiseren met veel
‘Bratwürste, gutes Bier, Sang und Tanz. Keine Sprich-Choren, ich bitte dich.”
Dit durfde Bomans te laten publiceren, terwijl Hitler in die tijd met alle egards werd behandeld, alsof hij een gewoon staatshoofd was. Met Hitler kon je beter geen ruzie krijgen, zeker niet, nu er door ons land weer aardig aan Duitsland werd verdiend door de economische opleving aldaar. Een neutrale of apathische opstelling was het beste. Niks zeggen dus. Dat was de opstelling van regering en pers. George Nypels mag als voorbeeld dienen. Hij was reiscorrespondent van het Algemeen Handelsblad en had al in 1923 over Hitler geschreven. Nadat hij een redevoering van deze ‘massaopwinder’ had bijgewoond, merkte hij op dat van Hitler zeer veel te verwachten, of te vrezen viel (De revolutieverzamelaar, p. 223). Nypels bleef schrijven over Duitsland en Hitler. Hij berichtte over de terreur die daar gaande was. In 1938 kwam Nypels in conflict met zijn hoofdredacteur, wegens zijn kritische houding tegenover de nazi’s. Hij mocht bij het ‘Handelsblad’ blijven, als hij maar over de drukte in koffiehuizen en dergelijke ging schrijven.
In die tijd durfde Bomans te schrijven dat Hitler zijn snorretje moest afscheren en de Duitsers niet zo hysterisch moesten schreeuwen. En wat hadden ze aan een wereld die in puin lag maar wel van Duitsland was?
“Dertig jaar later
houdt Bomans een preek”, vervolgde Vogel. “Aan zijn beminde gelovigen openbaart hij zijn twijfels en zijn
niet-weten. Hij haalt uit naar de kerkelijke autoriteiten die er op toezien dat
gelovigen leven naar de letter van de wet en daarmee zoveel ‘tussen Hem en ons’
schuiven ‘Dat we Hem nauwelijks meer zien.”
Om met Vogel te spreken, Bomans morrelde aan de structuren en ontmaskerde de op niets gestoelde autoriteit. Bomans wordt verweten een twijfelaar te zijn geweest. Hij twijfelde inderdaad, onderzocht kwesties en uitte zich kraakhelder. Zijn twijfel ging uit naar oude gelijkhebbers, en nieuwe.
Vogel sneed ook nog de befaamde Rode Jeugd-kwestie aan. Marxistische jongeren riepen in een bulletin op tot bekladding en vernieling van Amerikaanse instellingen. Dat gebeurde. Bomans keurde het geweld en de oproep daartoe af. Enkele leden van Rode Jeugd werden gearresteerd. Daardoor werd Bomans “de risée van progressief Nederland. Vogel schreef verder:
“Wie nu zijn genuanceerde column van 18 juni 1966 (De
raddraaiers) leest, verbaast zich over die commotie. (..) Typerend voor die tijd is het telegram dat Bomans na de
arrestatie van de vier rode jongeren ontving. Het werd ondertekend door Mies
Bouhuys, Donner, Hoornik, Lammers, Mulisch, Nuis, Rogier en Van der Land. Het
luidde:’ Raddraaiers vandaag gearresteerd. Je column blijkt denunciatie.,’(=
aangifte bij politie). Dat Bomans in een volgende column zich beroept op de
vrijheid van drukpers die niet alleen voor de Rode Jeugd geldt, werd hem in die
tijd behoorlijk kwalijk genomen. En natuurlijk werd hij ook,door datzelfde rode
front, met de dood bedreigd.
In die heftige jaren waarin iedereen het allemaal precies wist, was de tussenpositie van Bomans zeker geen plek in de luwte. Hij was progressief noch conservatief. Een ethicus zonder school, een gelovige zonder dogma’s, een politicus zonder partij. Liever dan mee te gaan met de waan van de dag, bleef hij zichzelf vragen stellen en dat in een tijd waarin vooral antwoorden ’in’ waren.”
Harry Mulisch Cover
HP/De Tijd (27-7-‘07)
Er is iets merkwaardigs aan de hand. In de jaren ’50 waren Bomans en Mulisch een jaar of zeven met elkaar bevriend. Bomans was veel ouder en was al beroemd. De jonge Mulisch had het nog niet gemaakt als schrijver en had geen cent te makken. Anton Heyboer stond er als kunstenaar hetzelfde voor. Bomans was een soort vader en ondersteunde hem financieel. Ik denk dat de houding van Bomans ten opzichte van de jonge schrijver identiek is geweest. Mulisch schreef in ‘Herinneringen’ (p. 137) dat Bomans “alle mogelijke mensen financieel ondersteunde”. Die groep is zo groot dat Mulisch er ook wel toe behoord zal hebben. Het contact van Mulisch met de gevestigde schrijver moet ook anderszins voordelig zijn geweest, op de eerste plaats voor zijn ontwikkeling als schrijver.
Mulisch is bekend geworden door het bouwen van mythen en structuren, en daar in te leven. Mulisch gaf aan dat Bomans in politiek en kerkelijk opzicht (zeer) conservatief was. Mulisch werd in de jaren zestig het boegbeeld van links, Bomans het symbool van het verderfelijke establishment dat weg moest. De linkse kerk sprak haar banvloek uit. Dat was zeer effectief. Bomans werd door nieuwe gelovigen uit de voormalig katholieke ‘Volkskrant’ gezet. En Bomans werd geschrapt. In de jaren zestig komt hij (bijna) niet voor in boeken over de Nederlandse literatuur, terwijl zijn boeken over de toonbank vlogen.
Mulisch,mythen en Bomans. Lijkt dit niet op Oedipus?
Bomans was iemand die aan bestaande structuren liep te morrelen, ver voordat provo’s dat gingen doen. Dit is de eerste rake typering die ik van een neerlandicus ben tegengekomen. Vogel durfde buiten het nauwe terrein van de neerlandistiek te kijken. Dat kón hij. Bovendien was Vogel zich bewust van de tijd en hij had een brede visie, waardoor hij met inzicht over Bomans kon schrijven. Dat had ik goed kunnen gebruiken voor mijn ‘Bomans als provo’, dat in het voorjaar van 2005 verscheen. Helaas heb ik het werk van Vogel over het hoofd gezien. Met dit stuk hoop ik dit verzuim te hebben goedgemaakt.
Vogel constateerde dat Bomans niet bestond, althans niet in boeken over de literatuur. Hij bestaat nog steeds niet. In het hedendaagse boekje ’Nederlandse literatuur in een notendop’ staan enkele honderden namen van schrijvers waarvan ik er 140 niet ken, dat is ongeveer 40%. Bomans ontbreekt. De enige troost is, dat Bob den Uyl, schrijver van veelal droog-komische verhalen die ik erg waardeer, ook ontbreekt.
Bomans lijkt een onbeduidend schrijver, in feite hebben neerlandici zich onbeduidend opgesteld ten opzichte van zijn indrukwekkende oeuvre. Ik hoef slechts te wijzen op de satire ‘Erik of het klein insectenboek’. Vogel meldde dat daarvan in 1982 een half miljoen exemplaren waren verkocht. De herdrukken zijn tot op de dag van vandaag doorgegaan, in het Nederlands en in andere talen. Alleen al door dit boek zou Bomans een mooi plekje in de literatuurgeschiedenis verdienen. Maar Bomans is in de jaren zestig met het badwater weggegooid.
Omslag
Erik, elfde druk.
Januari 2008
Naschrift
Op de site van het Godfried Bomans Genootschap staan in de rubriek 1000-POOT veel gerelateerde stukken (www.godfriedbomans.nl).