| Sint Nicolaas 13 november 2004 was een heuglijke dag. Op deze zaterdag kwam Sint Nicolaas aan boord van de Pakjesboot 12, in Alkmaar aan. Op de kade werd hij hartelijk welkom geheten door de burgemeester die hem gewoon Sinterklaas noemde. Daarna volgde een tocht door de stad waarbij de Sint, gezeten op de rug van zijn trouwe schimmel Amerigo en vergezeld van tientallen zwarte pieten, door duizenden kinderen en hun ouders werd toegezongen. Bijna twee miljoen mensen volgden de aankomst van deze kindervriend via televisie. Sinterklaas brengt heel wat teweeg. Dat was vroeger nog een graadje erger. Godfried Bomans werd door dat fenomeen sterk geboeid. Hij schreef er talloze stukken over en trad zelfs diverse keren in de schoenen van de Goedheiligman. Zijn fascinatie zal zijn voortgekomen uit het veelvuldig lezen van heiligenlevens maar ook zeker uit bittere angst voor de man met die witte baard. Bomans schreef in 'Het heerlijke avondje' (Werken p. 633-635) het volgende: 'Ik was als de dood voor de man. Hij werd in ons gezin vertolkt door een zwager van mijn moeder, een zure vrijgezel uit Rotterdam, die zijn verdrongen erotiek jaarlijks liturgisch gestalte gaf. Hij kwam handenwrijvend met de trein aan en verkleedde zich in de fietsenschuur, samen met twee tantes, want zo was hij wel. De tantes (…) speelden voor Piet. Zij waren zonder oom en daarom nogal geladen. Dit gefrustreerde trio verliet in vol ornaat de fietsenschuur en repte zich driftig door de tuin naar de keukendeur. Hierop gaf Sinterklaas een aantal klappen, want bellen was er niet bij en stommelde dan dreigend de trap op. Voor de kamerdeur gekomen sloeg hij met zijn staf verscheidene malen krachtig tegen het paneel, terwijl de tantes gezamenlijk boeh! riepen. Na deze shock-therapie trapte hij met zijn rechterschoen de deur open en bleef een tijdje op de drempel staan kijken. Wat hij daar zag moet hem met enige voldoening vervuld hebben. Vijf krijtwitte broertjes keken hem verbijsterd aan en mijn enige zusje zat onder tafel.' Dit was slechts het begin. |
![]() |
De kinderen Bomans werden vervolgens een voor een bij de Sint geroepen. 'Men moest dan vlak voor hem neerknielen, zo dicht mogelijk tegen zijn baard aan (…). Van wat hij zei herinner ik me niets meer, daarvoor was ik te ver heen. Wel weet ik, dat na de verstrekte zielzorg elke gelovige weer als een pijl uit de boog in zijn hoek verdween, God dankend dat hij het er levend had afgebracht.' Uiteindelijk gaf Sint de kinderen toch nog een cadeautje onder de vermelding dat ze het eigenlijk niet verdiend hadden. En bij wijze van grap trok hij het cadeautje terug, net als de kinderen het wilden grijpen. 'De opluchting waarmee we deze grijze ploert vertrekken zagen tart dan ook elke beschrijving.'
Op 5 december kon het heerlijke avondje bij de familie Bomans pas beginnen na het vertrek van de geweldige kindervriend. Bomans schreef deze pijnlijke jeugdherinnering vele jaren later op. Hij was er inmiddels achtergekomen dat er nep-Sinterklazen waren en in het stuk 'Enige richtlijnen voor bisschoppen' (Buitelingen, p. 67-69) schreef hij dat het Sinterklaasfeest een uitvinding van grote mensen was, om hun pedagogische tekorten aan te vullen. Desondanks bleef het geloof van Bomans in de échte Sint Nicolaas onwankelbaar. Daarom pakte hij op zekere dag gewoon het telefoonboek, zocht onder de H van Heilige Nicolaas - kindervriend en makelaar in speelgoederen - en belde hem op om een afspraak te maken voor een interview (De waarheid omtrent Sinterklaas, Capriolen, p 91-95). Een rondborstig type aan de andere kant van de lijn, die niet wilde dat hij met monseigneur werd aangesproken en 'Sint' voldoende vond, zei met een licht Amsterdams accent dat dat goed was. Bomans nam het vliegtuig en zocht in Madrid even naar het juiste adres dat hem door kauwende kinderen gewezen werd.
Tot zijn grote verbazing bleek de Sint een heel gewone maar wel erg oude man te zijn, echter zonder baard en lange haren. Bomans vroeg hierdoor recht op de man af of deze Sint wel de echte was. Dat bleek het geval. Want hij liep al een goeie duizend jaar in het vak mee, dus je kon wel zeggen dat hij het was, maar die pruik was hem te warm en die baard trok en jeukte door de lijm. Al die andere spullen, zoals mijter, staf en tabbert had hij ook maar eens per jaar nodig dus daar begon hij in zijn gewone leven ook niet aan. De Sint, zeer genietend van zelfgemaakte suikerbeesten en marsepein, deed nog meer ontboezemingen. Van die stoomboot bleek onjuist te zijn. De Sint kwam gewoon per trein in Nederland aan, stapte aan de overkant van het IJ in de stijgbeugels, liet zich per boot naar de overkant brengen om daar zijn tocht door Amsterdam te gaan maken. Stoute kinderen in de zak mee naar Spanje? Geen denken aan! Veel te vermoeiend. Door de schoorsteen naar beneden kruipen? Zeker in zijn goeie goed? Hoe kwamen de mensen erbij? Hij belde gewoon bij de voordeur aan.
Tijdens het interview bleek bijna niets waar te zijn van wat er in ons land over Sinterklaas verteld en geloofd werd. De Nederlanders hadden een volkomen verkeerd beeld en dat betreurde de Sint zeer. Hij besloot met een uitspraak waarover in ieder geval geen misverstand mogelijk was: 'Ik besta (…) en ik zal blijven bestaan, zolang Holland bestaat. Die baard mag vals zijn, maar Sinterklaas is echt. Prent dat goed in je kop.' (p. 95) Bomans prentte zich dat goed in en bleef de Sint volgen. Zo kwam hij ook achter het katholieke gehalte van deze heilige. Op de vraag of Sinterklaas dagelijks ter kerke ging, antwoordde Bomans in het stuk 'Het Sinterklaas-wezen': 'Neen, (…), Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mogen wèl. Sinterklaas wandelt dan voor de aardigheid een kerk binnen, werpt een pepernoot op de schaal en gaat buiten een sigaar roken. Ook de preek laat hij aan zich voorbijgaan. Hij is, evenals alle zaligen in de hemel, oneindig gelukkig en wil dit zo houden.' (Werken IV, p. 316) Bomans ging ook in op de vraag of de vele Sinterklazen die er rond liepen wel de echte waren, want er was toch maar één Sinterklaas. Dat laatste was juist. Maar deze ene Sinterklaas bestond uit meerdere personen. Hij kon dus tegelijkertijd op meerdere plaatsen aanwezig zijn. Dit verschijnsel wordt bilocatie genoemd, hoewel multilocatie juister lijkt. Dat is een voorrecht dat na veel boete en versterving slechts aan mannelijke heiligen is voorbehouden.
Bomans beantwoordde in dit stuk nog veel meer behartenswaardige vragen en concludeerde met enige spijt dat de Sinterklazologie, waarin ik hem professor acht, nog in kinderschoenen stond en tot de meest verwaarloosde gedeelten van de dogmatiek behoorde. Om zijn kennis omtrent Sinterklaas verder uit te breiden, nam Bomans in de jaren zestig een kijkje in het Vaticaan en schreef er 'Wij zijn er toch bij' over (Op de keper beschouwd, p. 209-212). Als bisschop van Myra behoorde Sint Nicolaas tijdens het toenmalig gehouden concilie tot de Turkse delegatie. Myra was evenwel al lang van de kaart geveegd dus dat rechtvaardigde zijn aanwezigheid tussen al die bisschoppen niet. Als patroon van Amsterdam konden ze hem echter niet buitensluiten. 'Zijn waarde als theoloog is tot nu toe gering gebleken', scheef Bomans. 'Het is jammer dit te moeten vaststellen, maar het is niet anders. Bij lange debatten begint hij te schuifelen en het is eenmaal voorgekomen, dat hij middenin een redevoering van kardinaal Ottaviani plotseling opstond en in het Latijn de vaders de onvermoede vraag voorlegde: 'Wie wil er nog borstplaat?' (p. 209) Het voorstel werd afgehamerd en iedereen zag in dat Sinterklaas, in theologische bespiegelingen, tot de zwakke broeders behoorde. Daar stond tegenover dat hij in de praktische zielzorg geducht zijn mondje kon roeren.
Een Spaanse kardinaal verdedigde het standpunt dat 'het aan protestantse kinderen niet geoorloofd was hun schoentje buiten te zetten. Iedereen keek naar Sinterklaas, want men voelde dat daar de expert zat. Sinterklaas zei niets. Hij gaf Piet, die daar als waarnemer is toegelaten, een teken en liet zich de zak aangeven. Hij opende deze bedaard en wenkte toen de kardinaal om naderbij te komen. Zijne Eminentie verbleekte en zei, dat hij het niet zo bedoeld had. Hierop deed Sinterklaas zijn zak weer dicht en verklaarde in het Latijn: 'Zand erover.' Een hartelijk applaus van de aanwezige vaders besloot het incident.' (p. 210)
| Na
al deze bevindingen, na dit indrukwekkende feitenrelaas van de enige Sinterklaas-professor
in Nederland, moet ik bekennen, na lang getwijfeld te hebben, dat Sinterklaas
bestaat. Dat nieuwe inzicht kan niet zonder gevolgen blijven voor mijn
gedrag. Volgend jaar ga ik naar de aankomst van Sinterklaas kijken, ongeacht
waar dat in Nederland zal zijn, en ik ga terug staan zwaaien. En ik zal
blijven gaan, net als Bomans. Voor de aankomst van Sint Nicolaas begaf
hij zich ieder jaar onder de gelovigen. Niet in Amsterdam, daar waren
de belangen van de middenstand en het bedrijfsleven al te ver in de stoet
doorgedrongen, maar in zijn woonplaats Haarlem. In 1965 keek Bomans op
een woensdagmiddag uit over het Spaarne. Hij zag het eenvoudige turfschip
waarop de Sint stond te wuiven. De wind blies over het bijna bevroren
water en het was vinnig koud. Om hem heen stonden zo'n honderd kinderen
met vlaggetjes in hun verkleumde handen. Een jongetje dat naast hem stond,
gaf hem een handje, ging dichter tegen hem aanstaan en zei dat hij niet
stout was geweest. (Onder de gelovigen, Werken IV, p. 567-569) Per 25 november 2011 toegevoegde anekdote.
Bron ‘Godfried’ van Michel van der Plas, pagina 261-262. Per 27 november 2011 toegevoegd Edward Krebbendam |