| Bomans
was een verwoed schaker.
Bomans
was een verwoed reiziger. Als een doorgewinterde journalist ging hij overal
op zoek naar materiaal, dat hij later omtoverde tot(korte) literair geschreven
beschouwingen. Zo trok hij in de zomer van 1969 naar Max Euwe. Uiteraard
ging het gesprek over zijn wereldkampioenschap in 1935, dat hij in een
tweekamp veroverde op zijn uitdager de Rus Aljechin. Daar was Euwe zeer
tevreden over want hij was van verlies uitgegaan. Toch had hij de uitdaging
aanvaard om het schaken in Nederland te populariseren. Dat was hem wonderwel
gelukt. Na de tweekamp verdrievoudigde het aantal leden van de Koninklijke
Schaakbond tot ruim 10.000. Nu deed Euwe nog wel wat anders dan schaken.
Hij was wiskundige. Zijn dissertatie droeg als titel: 'Differentiaal in
varianten van co-variante vectorvelden'. Dat zegt genoeg. Het hoeft dus
niemand te verbazen dat Euwe ook nog computerdeskundige was en professor
in Tilburg, waar net de universiteit negen dagen bezet was geweest door
opstandige studenten. Euwe begreep dat en wilde ook niet dat er met een
universiteit uit de middeleeuwen werd doorgegaan. Bomans viel hem bij:
om de boel te moderniseren, zou het zonder rebellie nooit iets worden.
Tijdens dat interview sprong Bomans van de hak op de tak. Daardoor ontstond
een levendig gesprek en kwamen diverse aspecten van Euwe aan het licht,
zoals het aantal vrienden en kinderen dat hij had en of hij las. Nee,
daar had Euwe geen tijd voor, hoogstens boeken over schaken. Na dit antwoord,
vroeg Bomans plompverloren: Bomans belandde in
1946 bij Rabilsky, die om redenen die ik niet heb kunnen nagaan, nooit
opgenomen is geweest in de Grote Winkler Prins. Deze grootmeester bereidde
zich in Londen voor op een groot schaaktoernooi. Zijn vertrouwen was zo
groot dat hij alle partijen dacht te gaan winnen. En Dr. Euwe zou hij
niet alleen verslaan, maar verpletteren. Rabilsky wilde deze uitlating
wel nader verklaren en verzocht zijn vrouw Anna de kamer te verlaten.
Vanaf hier laat ik Bomans aan het woord: Hoewel ik geen kenner
ben van het schaakspel moet ik toegeven dat ik diep onder de indruk ben
van al deze zetten. Zeer vermoedelijk heeft Euwe daar geen raad mee geweten
en heeft hij zijn partij tegen Rabilsky smadelijk verloren. Met zulke
gebeurtenissen, die het aanzien van de natie schaden en dat van de Koninklijke
Schaakbond in het bijzonder, lopen we liever niet te koop. Mogelijk is
dat de reden waarom Rabilsky buiten de encyclopedie is gebleven. Door: Edward Krabbendam |
||
| Eindspel De moeder van Erna was de eigenlijke Leopold van deze jonge Wolfgang Amadeus, en wat Erna geworden is, dankt zij voor een groot deel aan deze bijzondere vrouw. Schakers weten, dat het moeilijkste deel van het schaakspel is: een gewonnen stand ook in winst om te zetten en deze taak viel aan mevrouw Spoorenberg te beurt. Zij deed dit met omzichtige en tegelijk doortastende zetten en ik vind het steeds weer een verheugende gedachte, dat zij nog leeft en de verbluffende eindstand dagelijks onder ogen krijgt. (Godfried Bomans, The first edition, in Zomers van toen, blz. 103) |
||
| Ik ben een speels
iemand. Het is leuk en ik kan het ook niet laten om het leven uit te proberen
in verschillende varianten, net als in het schaakspel, en niet met één opening
te volstaan. Er is zelden iets wat ik zeg of denk, of het tegenovergestelde
gaat ook door mijn gedachten. (Godfried Bomans, Werken I, blz. 776, Dagboek van Rottumerplaat, Maandag 12 juli 1971) |
||
| Nadat hij zes maanden
lang alle partijen verloren had zonder zelfs een remise te boeken, gebeurde
er iets merkwaardigs. Thijm legde voor de zoveelste keer zijn koning om
en bleef toen met de handen op de knieën en met neergeslagen ogen roerloos
zitten. Toen sprak hij, op zijn langzame en nadrukkelijke manier, of hij
zijn woorden in een grafzerk kerfde: 'Je kunt evengoed met een hond schaken.'
Ik zweeg. Wat viel daarop te zeggen? Bevestigen is ongepast, tegenspreken
leek mij flauw. Bovendien was het, schaaktechnisch gesproken, waar en vatte
het de krachtsverhouding beeldend samen. Ik zei dus niets. Zo ging er een
minuut voorbij. Toen zei Thijm, mijn dilemma radend, met een zachte glimlach
en zonder de ogen op te heffen: 'Men wordt geacht dit te ontkennen.' (Godfried Bomans over Lodewijk van Deyssel, in: Jeroen Brouwers, Zachtjes knetteren de letteren, blz. 44) |
||
| Wie ooit in het
gedenkboek dat aan Godfried Bomans is gewijd, de foto van de schakende Van
Deyssel heeft gezien, hem moet veel geopenbaard zijn: met een dergelijke
intensiteit en diepheid van gedachten schaakt alleen een heer die zich een
held op het bord weet, hoe slecht hij verder ook moge schaken. De heer maakt
het spel tot een ritueel. (Kees Fens, Volkskrant, 10-07-1976) |
||
| Het klinkt onwaarschijnlijk,
maar zij slagen er in om zelfs het schaakspel, dat strengste van alle spelen,
tot een uitermate hitsige bezigheid op te voeren. Dit gebeurt door de tijdslimiet
op vier, drie of zelfs twee minuten te stellen. Men speelt dan niet alleen
tegen het intellect van de tegenstander, maar ook, en vooral, tegen de 'klok'.
In Florence, waar ik gedurende twee weken gast mocht zijn ener plaatselijke
schaakvereniging, zag ik vrijwel alle leden dit slopende tik-tak spel beoefenen.
Mij ondermijnde het. Maar op uw beurt kunt u een Italiaanse speler niet
doeltreffender in de grond boren dan door hem een normale partij voor te
stellen en dan op uw gemak te gaan zitten nadenken. Dat breekt de man. (Godfried Bomans, Gedachten achter een bord spaghetti, blz. 84, Gedachten achter een bord spaghetti) |
||
Pionnen Vrijdag 29 maart. De hele ochtend Kees Verwey hier. Zijn egocentriciteit is van dien aard, dat hij alles in Haarlem ziet als bewegingen om hèm mat te zetten. Ik ben ook een pion op dat bord, zij het dat ik bij zijn stukken sta. (Godfried Bomans, werken I, Dagboek 1957, blz. 742) |
||
| Zondag
2 juni. Een tafelpraeses is een schaakspeler, hij ordent de aanwezige krachtlijnen
en maakt er een aardige stand van. Maar als er geen stukken meer op het
bord staan, is hij machteloos. (Godfried Bomans, werken I, Dagboek 1957, blz. 768) |
||
| Maandag 7 januari,
Later voorstel, telefonisch: om met dr. Euwe in dit gebouw te schaken, opbrengst
entree voor het jeugdwerk. Dit aangenomen, doch wel wetend dat Euwe zal
weigeren. (Godfried Bomans, werken I, Dagboek 1957, blz. 720) |
||
| Wel had ik na een
uur erge zin om in een hoekje wat kranten te lezen en dat heb ik ook gedaan.
Vooral de schaakmatch van Fischer tegen Larsen: 4-0! (Godfried Bomans, Werken I, blz. 793, Dagboek van Rottumerplaat, Zaterdag 17 juli 1971) |