Bomans en Mulisch

‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ is een boek dat in het jaar na diens dood in 1971, uitkwam. Harry Mulisch was een van de velen die daaraan een bijdrage leverde. Hij schreef op bladzijde 137: “In 1948 - ik was toen 21 en onbekend, hij 35 en al zeer beroemd - leerde ik hem kennen (..).”

Leren kennen. Wat is dat? Had Mulisch toen voor het eerst wat van Bomans gelezen? Of ging het om een wederzijde kennismaking, schriftelijk dan wel telefonisch, of om een ontmoeting? Wat was de reden van dat contact? Mulisch zegt daar niets over.

Begin 1947 verscheen de eerste publicatie van Mulisch. Het was een verhaal met als titel ‘De kamer’. Onderaan stond zijn naam met tikfout: H. K. V. Mulivsch. Volgens een citaat op Internet, schreef Mulisch over zijn literaire debuut: “Toen ik de krant opensloeg en het zag staan, wist ik: -dit is het. (..) Alles (..) werd overstraald door het licht dat ik toen zag (..) ik keek naar mijn naam als naar de opkomende (..) zon, die sterren en planeten deed verbleken.”

Het zien van zijn naam, had een bijzonder heftige uitwerking op het gemoed van Mulisch. Het opvallendste is, dat Mulisch zijn naam in een krant zag staan. Dat klopt bijna. Het zag er uit als een krant, had het formaat van een krant uit die tijd, maar het was een tijdschrift: Mulisch debuteerde op 8 februari 1947 in Elseviers Weekblad. Dat staat overigens ook in 'Mijn getijdenboek', bladzijde 99.

Het toenmalige liberale weekblad had een kleine redactie. Bomans behoorde daartoe. Hij was toen al schrijver van naam en zal over literaire bijdragen zijn gegaan. Door zijn functie, zal hij hebben moeten redigeren, mogelijk ook het korte verhaal van Mulisch. Dat er tussen redacteur en schrijver enig contact is geweest, is aannemelijk. Indien deze voorstelling van zaken juist is, heeft Bomans gezorgd voor het literaire debuut van Mulisch en hebben zij eind 1946 dan wel begin 1947 contact met elkaar gehad. Een persoonlijke kennismaking is niet onmogelijk. Maar Mulisch vertelt in zijn herinnering aan Bomans, niets over zijn debuutverhaal, niets over het weekblad, niets over de redacteur die hem toen terzijde stond, wel: “In 1948 (..) leerde ik hem kennen”, zonder toedracht. Mulisch vertelt dus niets en dat jaartal kan een vergissing zijn. Zoals bekend, wemelt het bij Mulisch van betekenissen en structuren. Als 1948 een vergissing is, zit er structuur in: Bomans blijft geheel buiten beeld.

'Mijn getijdenboek' (1975) is een autobiografisch boek vanaf 'De oertijd' (H.1) met betovergrootvader Johann Gottfried Mulisch uit de achttiende eeuw, tot en met 'De ontijd' (H.6) waarvan 1951 het laatste jaar is. Over zijn geboorte op 29 juli 1927 schreef Mulisch: "Diezelfde dag kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking, maar de kranten vermeldden niet of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde"(p.35).

Reeds op jeugdige leeftijd gaf Mulisch zich over aan liefhebberijen: meisjes, chemie, schrijven en taal. In zijn autobiografische boek is een vel papier afgedrukt met tientallen woorden in de vorm van het Nederlands grondgebied en een deel van Duitsland. Er staan ook enkele getallen op.
Bovenaan had Mulisch geschreven: "DE TAAL BERUST OP DE GETALLEN !"(p.110), waarbij TAAL en TAL onderstreept zijn. Dit was een ontdekking uit 1950 waarover Mulisch in gejubel uitbarstte. Hij meende het gereedschap in handen te hebben gekregen, waarmee hij de tekens van de macrokosmos kon gaan verstaan. Zijn vondst sluit aan op de kabbala, een joodse leer over de geheimen van micro- en macrokosmos. Voor de meeste aanhangers van deze leer, hebben alle woorden een verborgen betekenis. De betekenis van een hele zin wordt bepaald door ieder woord een getal te geven. Alle getallen worden bewerkt, waardoor de betekenis duidelijk wordt. De kabbala heeft in het jodendom nooit een grote rol gespeeld. De belangstelling van Mulisch hiervoor is wellicht afkomstig van zijn moeder, die joods was.

In 'Mijn getijdenboek' komen meer krachtige uitspraken voor zoals: "Ik heb de oorlog niet zo zeer 'meegemaakt' , ik ben de Tweede Wereldoorlog"(p.64). En het was bepaald geen toeval dat de vader van Mulisch door minister van justitie J. Donner tot Nederlander werd verklaard. Donner had in 1929 een zoontje. Die jongen, de latere schaakgrootmeester Jan Hein Donner (1927-1988), werd Mulisch' grote vriend. Een verband tussen betovergrootvader Gottfried en Mulisch’ latere vriendschap met Godfried, ben ik niet tegengekomen.

Mulisch liet ook dit weten: "Mijn schrijverij is niet - zoals bij veel schrijvers - 'uit de literatuur' voortgekomen. Totdat ik zelf begon te schrijven, had ik eigenlijk nooit iets literairs gelezen"(p.98). Later leerde de jonge schrijver het werk van Multatuli, Couperus en Marsman kennen en hij kwam via David Koning en Ed. Hoornik in een literaire salon terecht. Mulisch schreef: "(..) te midden van oudere schrijvers, ontmoette ik voor het eerst mijn generatiegenoten, zoals Lucebert, Kouwenaar, Campert, Andreus, Vinkenoog"(p.109).

Bomans komt in het verhaal van Mulisch tot 1952 niet voor.

In 2002 kwam een dik biografisch boek over Mulisch uit. Het eerste deel bevat ‘Mijn getijdenboek’ waarvan hierboven sprake was. Het tweede deel gaat over het leven van Mulisch van 1952 tot 2003. Dat deel heet ‘Zijn getijdenboek’ en is geschreven door Onno Blom, van wie eind juni 2007 bekend werd, dat hij de biografie van Wolkers gaat schrijven. Het eerste hoofdstuk gaat over de jaren vijftig. Begin 1950 ging in Haarlem de sociëteit Teisterbant van start. De president (voorzitter) was Bomans. Het culturele centrum oefende grote aantrekkingskracht uit op schrijvers, kunstenaars, journalisten en academisch gevormden. In 1951 werd Mulisch daar door W.L. Brugsma (1922-1997) geïntroduceerd. Brugsma, voor vrienden Boebi, was toen journalist bij het Haarlems Dagblad.
Later werd hij landelijk bekend als presentator van de televisieprogramma’s Achter het Nieuws en Het Capitool. Het genoemde jaartal kan echter net zo goed, of beter, 1952 zijn. Mulisch schreef in ‘Herinneringen’, dat zijn vriendschap met Bomans zich ontwikkelde “toen ik mijn eerste roman publiceerde en lid werd van de Haarlemse Sociëteit Teisterbant”(p.137). Het eerste boek van Mulisch ’Tussen hamer en aambeeld’, werd in september 1952 gepubliceerd, ‘Archibald Strohalm’ een maand later (Zijn getijdenboek, p.124).

Hoe dan ook, op Teisterbant bloeide een vriendschap tussen Mulisch, Bomans en Heyboer op. Onno Blom schreef: “Bomans legde in zijn vriendschap met Mulisch niet alleen stijl, maar ook een zeldzaam vernuft voor grappen aan de dag”(p.128-129). Op zekere dag zat Mulisch, zoals zo vaak, op het balkon van het huis dat dicht bij het station lag. Er was geen telefoon. Op zeker moment schalde de speaker over het perron: “Wil de heer Mulisch zich bij de stationschef melden!”. Dat deed Mulisch. Hij kreeg de telefoon aangereikt: Bomans aan de lijn.

Blom gaf ook de volgende anekdote. “Bij de begrafenis van zijn vader (Mulisch’ vader, 1957) waren ook zijn Haarlemse vrienden aanwezig (..). Mulisch zat zelf in de volgauto, en daarachter reed Godfried Bomans in zijn eigen auto, een eend. Anton Heyboer zat naast Bomans. ‘Aangezien het wat langzaam ging’, schreef Mulisch in De Verteller verteld, ‘bleek dit een uitstekende gelegenheid om Heyboer te leren autorijden: toen ik door het achterraam keek, zag ik hun auto stilstaan, Bomans en Heyboer er omheen hollen, waarna de eend hortend en stotend aansluiting bij de stoet zocht’”(p.133). Dit staat ook in het stuk van Mulisch in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, en nog iets meer.
De eend van Bomans was de laatste auto. De stoet bestond dus uit drie auto’s. Meer was niet nodig. Mulisch schreef: ‘Een man of vijf woonde die begrafenis bij’(p.137).

Sociëteit Teisterbant was een cultureel centrum en bloeide in de jaren vijftig.
Mulisch was er regelmatig te vinden, schreef Blom. Er werd veel plezier gemaakt, af en toe was er ruzie. In 1955 hing Mulisch er een advertentie op voor woonruimte, want hij woonde nog bij zijn vader, op zolder. Dat briefje werd door een lid van Teisterbant verwijderd. Mulisch schreef een brief aan het bestuur, die op pagina 129 van ‘Zijn getijdenboek’ is afgedrukt. Daarin staat, dat Mulisch die advertentie had geschreven “onder aanmoediging van de president”. Hij vroeg of zijn tweede advertentie kon blijven hangen, anders zou hij zich beroepen op het recht zijn vuisten te gebruiken, “in strijd tegen (..) verjaarde moraal, ranzig stijlbesef en andere geslachtsziekten.”
Op bladzijde 130 is nog een foto van een schilderij afgedrukt. In de sociëteit zitten vijf Teisterbantleden aan tafel. Bomans staat daarachter. In het bijschrift komt dit voor: “Godfried Bomans, naast Mulisch, torent letterlijk en figuurlijk boven het gezelschap uit.”

Over de totstandkoming van dit schilderij, schreef Bomans op 6 februari 1957 in zijn dagboek: “’s Ochtends en ’s middags geposeerd voor het ‘schuttersstuk’ van Lily van Cleeff, voorstellende Ton en Harriët Neelissen, Harry Mulisch, Harry Prenen, (Barend Rijdes, e.k.) en ik.

Het wordt steeds nauwkeuriger en steeds onbeduidender. Niets in dit schilderij is gezien à travers d’un tempérament.”
De bijdrage van Mulisch aan ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, begint met een forse uiteenzetting over gebeurtenissen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, zoals zijn geboorte en het actief worden van een vulkaan, maar in feite tekenen zijn.
Het zien van de betekenis, behoort volgens Mulisch tot de artistieke wereldbeschouwing. Aangaande de dood van Bomans, eind december 1971, zag Mulisch tal van tekens, ja, “De betekenissen stapelden zich op”(Herinneringen, p.137). En juist die artistieke wereldbeschouwing, dat zien van tekens, charmeerde Bomans “minder en minder”(p.135).

Een ander bezwaar van Bomans tegen de jonge Mulisch, was zijn onstuimigheid, zijn “Tsjechische bloed.” Mulisch schreef daarover: “Het is waar, zeker op die leeftijd was ik van mening, dat de doordringing der wereldraadselen geen minuut uitstel toeliet (..) Herinner ik mij goed, dan had ik hem geschreven dat ik moeite had met zijn zorgvuldige bedachtzaamheid, maar dat die mij tegelijk imponeerde. Dat zette zich voort tot in details ”(p.139).
Over dat aandachtiger leven, dat hij van Bomans leerde, waardoor het gedachteloos aansteken van een sigaret voorbij was, schreef Mulisch: “Ik beschouw dat als een grote prestatie, en ik ben er hem dankbaar voor; maar om dagen-, maanden-, jarenlang een enkel woord van Lodewijk van Deyssel te overwegen, zoals hij met zijn oudere vriend, de schilder Kees Verwey placht te doen, daar bezat ik het geduld niet voor”(p.139). Voor de “mystiek der exactheid” had Mulisch geen geduld, en ook geen tijd, de jaren zestig stonden te beginnen.

Mulisch en Bomans vonden elkaar ondermeer in Goethe. Zij vormden samen de ‘Eckermann Gesellschaft’ wegens hun bewondering voor deze grote Duitse schrijver. Eckermann was diens biograaf. Ze spraken en schreven elkaar in diens sfeer.

Bomans gaf Mulisch in 1954 zijn nieuwste boekje, ‘Ter herinnering aan de doorwaakte nacht van 3-4 april 1954’(p.142). In het voorwoord van ‘Capriolen’ stond: “De samenstelling van deze bundel verraadt het streven de beide elementen des levens: ernst en humor, met elkaar in evenwicht te brengen.”

Mulisch schreef in ‘Herinneringen’: “Het scheiden van ernst en humor (..) beschouw ik als fataal. (..) Precies hier ligt de reden, waarom hij (Bomans) alleen incidenteel is doorgeschoten naar de werkelijk grote klasse: die van Cervantes, of die van Voltaire. (..) Don Quichote of Candide zijn geen ‘ernstige’ boeken, maar het zijn ook geen ‘humoristische’ boeken: het zijn onsterfelijke meesterwerken, niet omdat zij ernst en humor in één verhaal ‘met elkaar in evenwicht’ brengen, maar omdat zij die onderscheiding ver achter zich hebben gelaten”(p.142).

Mulisch maakte hier een vergissing. Bomans stopte ernst en humor niet in één verhaal, maar in een búndel. ’Capriolen’ bevat 35 verhalen, ondergebracht in satiren, psychologische verkenningen, onzinstukken, biografieën (Beets, Dickens, en tweemaal Goethe) en museumstukken. Ernst en humor bleven in dat boekje gescheiden, in aparte verhalen, in aparte categorieën.

Over de humor van Bomans schreef Mulisch het volgende. Zijn humor "was niets minder dan gewelddadig. Ik voor mij, ik kon mij daar tranen om lachen. (..) wanneer ik hem lees is hij nog steeds de enige schrijver ter wereld, die mij hardop kan doen lachen. Maar wanneer iemand, die alleen is met een boek, plotseling hardop begint te lachen, dan is er geweld gebruikt. Het is het geweld, waarmee zijn humor rukt aan haar eigen grenzen (..) (p.144).

De waardering die Mulisch voor de humor van Bomans had, was groot, maar hij kwam niet zo ver als de schrijver Bertus Aafjes (1914-1993), die door de humor heenkeek en satire zag. Ten behoeve van het boek ‘Bomans was de naam’(1975), verklaarde Aafjes tegenover Tony van Verre:

“Met een dodelijke stoot van zijn degen prikte hij dan de hele zaak door en heel Nederland schaterde. Maar er was iets heel ernstigs gebeurd – hij had weer een taboe of een heilig huisje in elkaar geslagen; dat heeft hij duizenden keren gedaan. (..) Ieder geschrift van hem waar men zo smakelijk om zit te lachen – nou, dat wordt door de lezer maar verdomd oppervlakkig gelezen. Als je het werkelijk leest op zijn botten en beenderen, zit daar een satire in, even scherp als die van onze grootste satiricus uit de middeleeuwen: Erasmus…”(p.52).

"Ofschoon hij, vergeleken met Heyboer en mij", vervolgde Mulisch, "altijd al buitengewoon beroemd was geweest, begon pas nu (1960) zijn ontwikkeling tot nationale figuur. Die had hij te danken aan de verspreiding van een apparaat: het televisietoestel. Het begin van deze laatste fase in zijn leven heb ik zelf van dichtbij meegemaakt.

Met Hella Haasse, Victor van Vriesland en Karel Jonckheere zaten wij in 1960 allebei in een radioprogramma, dat Hou je aan je woord heette, en waarin het aankwam op improviseren, snel reageren en snedig zijn. Vergeleken met Bomans waren wij natuurlijk nergens.
Toen het programma steeds populairder werd, besloot men om het naar de televisie over te hevelen. Ik was daar niet zo voor, ik vond dat het een aardigheidje moest blijven en ik was bang dat ik een bekendheid zou krijgen, die niets met mijn werk had te maken.
Dat gebeurde dan ook, en daarom ging ik er na een paar maanden uit, - ik zeg dit niet nu achteraf, maar ik motiveerde het ook destijds zo. Bomans bleef er in, en terecht (p.145-146).

In zijn laatste jaren", schreef Mulisch verder, "wendde hij zich steeds meer tot zijn oorsprongen: het voor-conciliaire katholicisme en zijn vader”(p.147). Dit laatste is onjuist. Bomans schreef slechts vijftig bladzijden over zijn vader (De man met de witte das, 1971) en het voor-conciliaire katholicisme van Bomans is in ‘Bomans als provo’ weerlegd, én in het stuk Soloreligieus Oegema, op de site van het Genootschap.

Een aparte plaats verdient de Haarlemse sociëteit Teisterbant, waarvan Bomans vanaf de oprichting de bezielende voorzitter was. Mulisch werd in 1951 of ’52 lid van dat culturele trefpunt. Niet Bomans maar Brugsma introduceerde hem daar. Heyboer sloot zich in die tijd ook aan. Op Teisterbant groeide een vriendschapsband tussen Bomans, Mulisch en Heyboer. Mulisch schreef in ‘Herinneringen’: “(..) toen ik mijn eerste roman publiceerde en lid werd van de Haarlemse Sociëteit Teisterbant, ontwikkelde zich daaruit een vriendschap. (..)
Het was een vriendschap à trois, een wonderlijke aangelegenheid. Meestal trokken wij met ons drieën op, in eindeloze nachtelijke gesprekken en confidenties (..)
In die (Haarlemse) kosmos vertegenwoordigde Bomans de wereld van het canonieke: de cultuur, de kerk, de staat, er kwamen bisschoppen in voor, politici, rijke mensen en beroemde kunstenaars. Heyboer daarentegen vertegenwoordigde de apocriefe onderwereld: de krankzinnigheid, gekken kwamen er in voor, halfgare profeten, paupers en mislukkelingen (..). Ik zat zo’n beetje tussen die twee werelden in - of beter gezegd: ik was de voorwaarde, dat zij elkaar konden ontmoeten. Noch in de ene, noch in de andere (wereld) had ik sociale bindingen (..) de wereld van vrijheid. Dat was mijn wereld, en zo gezien woonde de vriendschap tussen ons drieën nog het meest op mijn erf” (p.137-138).

Mulisch staat niet bekend als iemand van grote bescheidenheid.
Moet hij aangaande de “vriendschap à trois” niet met een korreltje zout worden genomen? Want er zijn vragen. Had de jongeman die Mulisch was, in 1951 pas 24 jaar oud, de sociale vermogens om de spil van die vriendschap te kunnen zijn? Was Bomans, rijdend in een lelijke eend, een vertegenwoordiger van de canonieke wereld? Leefde Mulisch wel “in de wereld van vrijheid”, los van sociale bindingen met andere werelden?
En kon Bomans (38 jaar), de spil van de Haarlemse sociëteit Teisterbant en gewend aan contacten met allerlei mensen, het niet alleen af?

Edward Krabbendam

Het volgende deel gaat over Bomans, Heyboer en Kramer: klik hier

Het derde deel, de vriendschap à trois, verschijnt later op deze site.

Gerelateerde stukken: Bomans en Teisterbant en Bomans en Brouwers.