van der plas.jpg                      

Scannen0001.jpg                      Bomans en Michel van der Plas

                                   deel I: In de kou

 

                                Edward Krabbendam

 

 

In de winter van 1945-1946 belde een 18 jarige gymnasiast in de Haarlemse Zonnelaan op nummer 17 aan. Deze jongen werd “met de grootste vriendelijkheid” ontvangen en hij kreeg wat hij wilde: aanwijzingen voor de opvoering van ‘Bloed en Liefde’. De schrijver daarvan was de 32-jarige  Godfried Bomans, de jongeman Ben Brinkel, die dat toneelstuk wilde laten opvoeren op de school die hij bezocht.

Hiermee begint de inleiding van ‘Godfried’, een biografisch boek over de jonge Bomans (1913-1945), geschreven door Bernardus (Ben) Brinkel, onder de naam Michel van der Plas. Hij schreef verder: “Pas jaren later, toen wij gesprekken voerden die in boekvorm gebundeld zouden worden onder de titel ‘In de kou’, leerde ik hem nader kennen als de jongen, jongeman, de student die hij geweest moest zijn.”

‘In de kou’ kwam in 1969 uit. In dat jaar voerden hij en Bomans veel lange gesprekken, vooral  over het katholieke geloof en de kerk van hun jonge jaren. Bomans maakte daar leesteksten van voor het bewuste boek.

 

Van der Plas liet weten dat zijn boek over de jonge Bomans in eerste instantie was ontstaan “uit de diepgevoelde behoefte, de man beter te leren kennen die mij zijn vriend noemde en die mij tegelijkertijd nooit echt wilde laten zien wie hij was(..).”

Dat klinkt een beetje onheilspellend. Bomans noemde hem zijn vriend. Daar twijfelde Van der Plas aan omdat Bomans te veel verborgen hield. In een vraaggesprek met Fred Lammers in dagblad ’Trouw’ van 11 december 1992, zei Van der Plas: “Met Okke Jager had ik in dat jaar dat we samenwerkten een heel intens contact. Dat heb ik met Bomans, die ik veel langer heb gekend, nooit gehad.”

Kennelijk stelde de vriendschap met Bomans voor Van der Plas niet zo veel voor, door gebrek aan wezenlijk contact. Van der Plas schreef in zijn inleiding van ‘Godfried’ dan ook niet dat Bomans zijn vriend was geweest.

 

Beide goede vrienden, zoals ze bekend staan, leerden elkaar beter kennen door het langdurige gesprek dat ze in 1969 voerden. Dat is ruim 20 jaar na hun eerste ontmoeting.

In 1948 kwam Van der Plas werken op de redactie van ‘Elseviers Weekblad’. Bomans was daar vanaf 1945 redacteur en bleef er werken tot aan zijn dood in 1971. Van der Plas ging daar in 1992 met pensioen. Ze hebben langdurig contact met elkaar gehad, dat oppervlakkig bleef. Wat voor beeld hadden ze van elkaar?

Bomans heeft zich weinig uitgelaten over Van der Plas. Uit ‘In de kou’ blijkt, dat hun vaders uit hetzelfde hout gesneden waren: streng. Als 12-jarige ging Ben Brinkel naar het seminarie Hageveld om voor het priesterschap te gaan studeren. De Tweede Wereldoorlog was net begonnen. Ben bracht de Duitse bezetting in een veilige omgeving door. In verband met de Hongerwinter werden de jongens in 1944 naar huis gestuurd. De vader van Ben was eigenaar van textielwinkels. Hij ruilde kousen en lakens voor voedsel, waardoor er thuis geen honger werd geleden (p. 282). Na de oorlog keerde Ben naar het seminarie terug, om het in juli 1946 te verlaten. Hij kwam bij de redactie van het weekblad terecht, waar hij Bomans trof, met wie hij enkele jaren eerder kennisgemaakt had in verband met ‘Bloed en Liefde’.

 

Al in 1944 kwamen de grondleggers van Elseviers Weekblad, Henk Lunshof, Piet Bakker, Anton van Duinkerken en Godfried Bomans bij elkaar. Bomans schreef over de redactievergaderingen uit het prille begin, dat hij terecht gekomen was “in een gekkenhuis van heel hoog niveau met uiterst begaafde patiënten” (Werken V, p. 6). In die redactie zat van alles en nog wat en de opvattingen over geloof en politiek verschilden sterk. In eerder genoemd vraaggesprek van Fred Lammers, zei Michel van der Plas over het weekblad: “Het bleek een podium te zijn, waarop personen van allerlei richtingen uit de samenleving elkaar ontmoetten.” Dat was de kracht van dat oorspronkelijk liberale weekblad. Het werd in rap tempo een succes.

Over na-oorlogse redactievergaderingen heeft Bomans zich vrijwel niet uitgelaten.

 

In mei 1987 hield Michel van der Plas een toespraak voor leden van het Godfried Bomans Genootschap, die in september dat jaar werd afgedrukt in ‘Godfried’, het halfjaarlijks boekje van het Genootschap. Bomans werkte zowel voor een dagblad (de Volkskrant) als voor Elseviers Weekblad. Daardoor was hij noodzakelijkerwijs een journalist/redacteur die kwam en ging. De hoofdredacties van beide bladen hadden daardoor een niet al te hartelijke verhouding met elkaar. Van der Plas zei verder:

Ik heb hem op EW vooral meegemaakt als een zwijgende man, als een man die niets zei. Op dinsdagen was er redactievergadering en dan zaten we in de namiddag in een grote kring, alle redactieleden bij elkaar. Daar zat Godfried tussen en hij was er niet bij. Hij zat erbij en luisterde, maar mengde zich niet of nauwelijks in de levendige gesprekken. Hij opperde vrijwel nooit ideeën die toch van redacteuren werden verwacht. Hij was dus ook al in dat opzicht al eigenlijk, het klinkt wel hard, een afwezige. En hij was bovendien, en dat maakt het voor redacteuren nog wat moeilijker, ook afkerig van opdrachten. Hij verzon liever zijn eigen opdrachten. Hij is dus nooit, hoewel hij zo begonnen is bij de Volkskrant, een echte verslaggever geworden. (..) Hij is iemand geweest die datgene wat hij waarnam is gaan interpreteren. Hij was een verteller, een recreator veeleer dan een registrator. Hij was ook een te grote fabulator, een te grote verzinner en een te groot leugenaar om een journalist te kunnen zijn. Hij was bovenal essayist. Toch is hij door zijn krantenwerk na de oorlog bekend en beroemd geworden. Want het zijn vooral de stukken geweest uit de Volkskrant en uit Elseviers Weekblad die zijn grote roem in Nederland hebben gevestigd. Daarna te volgen natuurlijk, door een nog grotere roem van de televisie.”

 

Bomans bleek een beroerde, eigenzinnig en leugenachtige journalist te zijn geweest, op het afkeurenswaardige af. En hij was afwezig. Simon Carmiggelt, een vriend van Bomans heeft daar tegenover Tony van Verre het volgende over gezegd:

“In die tijd heb ik veel met hem gepraat, omdat ik hem in Amsterdam vaak in de schouwburgen tegen kwam. Wat hij allemaal zei, dat getuigde van een groot gevoel voor afstand. Hij kon de meeste dingen niet serieus nemen. En dat vond ik een bijzonder verkwikkende eigenschap van hem. Hij zei een keer tegen mij – hij was toen redacteur van Elsevier – dan hebben we een redactievergadering van Elsevier; Lunshof zegt iets en Piet Bakker valt hem daarin bewogen bij, en als ik dat dan zie en hoor is het bij mij net, dat zal wel een afwijking van me zijn, of ik het vermogen heb om een end de lucht in te stijgen en het hele tafereel, waarvan ik zelf deel uit maak, uit de verte te zien. En dan is dat van een zo volstrekte absurditeit, dat ik in zo’n vergadering niet kan geloven.” (Bomans was de naam, p. 95-96).

Die manier van benaderen, had Carmiggelt ook. Hij zag Bomans als iemand die op de toppen van spitsvondigheid leefde. Desondanks schreef en sprak hij volkomen natuurlijk en moeiteloos. “En ja”, zei Carmiggelt, “het feit dat hij de dingen allemaal zo aanpakte, hoorde ook bij zijn immense gevoel voor afstand” (p. 108).

 

Bomans kon weinig belangstelling opbrengen voor redactievergaderingen. Hij was dan elders, in de verte. Juist die afstand stelde hem in staat talloze stukken voor Elsevier te schrijven, die van hoog niveau waren en een breed terrein bestreken. Langdurig was de eigenzinnige Bomans het boegbeeld van Elsevier (en de Volkskrant ) en zorgde hij voor mooie verkoopcijfers.

 

Wat hebben beiden nog meer geschreven? Ik begin bij Bomans. Uit zijn dagboek over de eerste helft van 1957 blijkt, dat hij ter opening van de Boekenweek in de Stadsgehoorzaal in Vlaardingen was. Over de andere sprekers schreef hij:

Wat de lezing betreft (Henri) Knap een vlot conferancier, meer niet; Van der Plas slecht. De fout van Michel was tweeledig: ten eerste las hij een tractaat voor over dichtkunst vol diepzinnigheden, die misschien op papier te verteren waren, maar die voor een zaal met 800 mensen niet over het voetlicht kwamen. De tweede fout was ernstiger. Hij beweerde, dat er geen enkele relatie bestond tussen dichter en het ‘volk’ en dat elke poging tot begrip, althans van de zijde van het ‘volk’, vruchteloos zou zijn. Er kwam een geprikkelde stemming in de zaal, daar de rijksdaalder, die ieder der aanwezigen betaald had, hiermee een volstrekt nutteloze uitgave bleek.” (Werken I, p.741-742).

 

 

Frater Venantius (Wim Sonneveld).jpg In 1963 presenteerde Bomans het roemruchte Grand Gala du Disque, dat op televisie werd uitgezonden. Tien artiesten uit binnen- en buitenland zongen hun lied, waarna Bomans hun een beeldje van Edison uitreikte. Marlene Dietrich was er bij, met twee benen, en ook Wim Sonneveld, als frater Venantius. De frater maakte grapjes en zong een lied met het refrein ‘Zeg maar ja tegen het leven.’ Bomans vond dat een meesterwerk, het hoogtepunt van de avond, en zei dat ook. Een storm stak op.


Bron onbekend.

 

Veel mensen vonden dat Sonneveld een verklede  Frater Venantius (Wim pias was, “die op liederlijke wijze het katholieke geloof en het concilie Sonneveld) door de modder sleurde terwille van een platvloers succes bij de domme massa” (Werken IV, p. 497)

De mensen die zo’n toon aansloegen, waren volgens Bomans veel en veel grover dan Sonneveld en wat het bespotten van het concilie (kerkvergadering van bisschoppen, e.k.) betreft, wees Bomans erop, dat de schrijver van het lied, Michel van der Plas was, die op dat moment in Rome zat, om het concilie voor ‘Elseviers Weekblad te verslaan. Hij schreef verder: “Van der Plas belde mij gisteren uit Rome op. Hij begreep van de hele deining geen zier en vroeg mij, waar toch die bespotting in zat. Wel, die zit nergens. De mensen hebben gewoon het woord concilie opgevangen, hoorden daarna gelach en zijn toen in dolle drift naar hun schrijftafeltje gevlogen” (p.498). (..) Het eigenaardige is, dat onze opgewonden briefschrijvers de eigenlijke satire van Michel van der Plas en Wim Sonneveld niet begrepen hebben. De klap van beide heren is dodelijk geweest, niet voor de fraters, maar voor een bepaald soort hoera-christendom, die ‘blije’ houding tegenover het ‘leven’, dat ondiepe optimisme van de man die al begint te lachen, vóór hij de tranen overwonnen heeft. Het is een bepaald soort ‘roomse blijdschap’, moeilijk te omschrijven maar (..) die in  wezen neerkomt op een vlucht voor de problematiek”( p. 499).

Bomans nam Van der Plas en Sonneveld krachtig in bescherming. Dat gebeurde in ‘de Volkskrant’, die twee jaar later het predicaat katholiek liet vallen.

Scannen0021.jpg

Van der Plas heeft Bomans laat leren kennen, in de gesprekken die aan het boek ‘In de kou’ vooraf gingen. Het boek kwam in 1969 uit en is fors uitgevallen. De gesprekspartners moeten heel wat keren bij elkaar op bezoek zijn geweest. Zij wisselden van gedachten over kerk en geloof, van de jaren ’20 tot aan het pastoraal concilie in Noordwijkerhout (1966 tot 1970), waar vernieuwing voorop stond. Het speet Bomans zeer dat daar niet de vraag gesteld werd, of God wel bestond.

Het boek sla ik vrijwel geheel over, omdat het over hun kijk op een gezamenlijk heden en verleden gaat, en niet over elkaar. Van belang is,

 dat Van der Plas, door die nadere kennismaking, een biografisch boek over de  jonge Bomans kon gaan schrijven. ’Godfried’ kwam in 1982 uit. In het voorwoord treft de  lezer deze woorden aan:


Van der Plas en Bomans in gesprek. Bron: In de kou
 

“Hij hield ervan, herinneringen op te halen aan zijn jeugd, en dat niet alleen in de boeken die het verleden nadrukkelijk herdenken, zoals ‘In de kou’,
‘Beminde gelovigen’, ‘De man met de witte das’. Het wemelt bij hem van memorie. Het verleden was een levend bezit, waarvan hij zich niet wilde, en trouwens ook niet kon losmaken”
(p. 8). In ‘Herinneringen’ uit 1972, schreef Van der Plas verder dat “de verdeeldheid van de Kerk” Bomans verdrietig stemde (p. 176). Hierop valt zo veel af te dingen dat je je kunt afvragen of Van der Plas Bomans ooit gekend heeft.

 

Voor het boek ‘In de kou’ hebben beide schrijvers in gelijke mate uit hun geheugen geput, om dat wat verloren was gegaan, te boekstaven. Dat was bijzonder functioneel, omdat daaraan de vernieuwing in de jaren zestig kon worden afgemeten. ‘Beminde gelovigen’ is inderdaad een terugblik. Maar daar spreekt geen nostalgie uit. Het is een vermakelijke blik op het roomse verleden, met spottende ondertoon. ‘De man met de witte das’ gaat over vader Bomans en zijn politieke praktijken, zoals verkiezingsbijeenkomsten. Dat beslaat minder dan de helft van het boekje, de rest is ingeruimd voor verkiezingsbijeenkomsten in 1971. Hierdoor kon de toenmalige politieke praktijk vergeleken worden met die van 50 jaar terug.

Tel ik alle bladzijden op die Van der Plas voor ogen heeft, dan is het niets vergeleken met een verzameld werk dat 5600 bladzijden telt. Toch is het zo dat Bomans dikwijls aan het katholieke leven van voor de Tweede Wereldoorlog dacht. In 1967 schreef hij naar aanleiding van het ‘Rijke roomse leven’ uit 1963, een boek waarin Michel van der Plas de katholieke kerk van de jaren 1925-1935 herdacht: “Ik ben blij dat het voorbij is, maar er zijn momenten dat het me spijt”. Er is zo veel puin geruimd dat “je begint te denken, dat er ook veel aardigheid verdwenen is. Ik wil zo nu en dan daar iets van vertellen, gewoon om het te bewaren” (Werken IV, p. 672).

 

De bewering van Van der Plas dat Bomans een hang had naar het verleden, waarmee hij hem tot een conservatief katholiek maakte – conservatief was in de jaren zestig een scheldwoord - is nauwelijks onderbouwd en valt helemaal aan diggelen bij de wetenschap dat Bomans de kerkafbraak toejuichte.

Er is veel voor te zeggen dat het roomse verleden voor Van der Plas een levend bezit was. Dat kan geïllustreerd worden. Van der Plas schreef heel wat verdienstelijke teksten voor het cabaret. Voorts schreef hij gedichten en een halve biografie over Bomans. Zijn overige werk is erg katholiek. Dat blijkt uit het ‘Rijke roomse leven’ en drie biografieën over katholieke kopstukken te weten Guido Gezelle, Joseph Alberdingk Thijm en Anton van Duinkerken. Om zijn religieuze gedichten en de drie biografieën, werd Van der Plas in 2004 benoemd tot Commandeur in de pauselijke orde van de H. Gregorius de Grote.

Niet Bomans herdacht het verleden nadrukkelijk, niet bij hem wemelde het van memorie, niet voor hem was het verleden een levend bezit, waarvan hij zich niet wilde, en trouwens ook niet kon losmaken, maar voor Van der Plas. Bomans schreef dienaangaande:

Met van der Plas schreef ik twee jaar geleden het boek ‘In de kou’, dat als ondertitel draagt: ‘Over hun roomse jeugd en hoe het hun verder verging. Hij doet zich daarin kennen als een man met een schrijnende heimwee naar de zekerheden van vroeger (..)” (Werken VI, p.762).

 

Bomans en Van der Plas zagen een geïnstitutionaliseerde kerk die de gelovigen in de kou had laten staan. Bomans zag niets in de vernieuwingen van de jaren zestig zoals beatmissen of nieuwe dogma’s. Allemaal buitenkant, en de leegloop van kerken zou toch doorgaan. De buitenkant van het geloof, bestaande uit regels en rituelen, moest gesloopt worden om de binnenkant aan het licht te brengen. Voor warmte, moest het geloof verschuiven van het collectief naar het individu, zoals het 2000 jaar terug begonnen was. De toekomst van het geloof lag in de woorden van Jezus, in de mystiek.

cover In de kou.jpg‘In de kou’ werd goed verkocht en viel ook in vakkringen goed, gelet op een recensie van theoloog/ predikant prof. dr. H. van der Linde in ‘Hervormd Nederland’ van 18 april 1970. Hij noemde dat boek een “cultuurspiegel die er mag wezen en die ons land lang zal heugen.” Beide schrijvers peilen “illusieloos de leegte van de moderne efficiënte maatschappij” en “ze blijven vragen naar de betekenis van de religie. (..) Cultureel zijn de heren niet voor de poes. Vooral Bomans, die van de twee de meest erudiete is, geeft losjesweg doorlopend cultuur-historische doorzichten die er mogen zijn, meestal voltreffers”. Het is “een boek geworden met inhoud, met geest en niveau.”    

 

Behalve voor ‘In de kou’ ontmoetten Bomans en Van der Plas elkaar in de jaren zestig vaker, bij ‘Elsevier’ en elders. Bomans schreef:

“Ik heb het genoegen Van der Plas elke donderdagavond te ontmoeten in een kring Hollandse guiten, die te zamen het satirische radio-programma ‘Cursief’ voorbereiden, dat (..) om de twee weken op vrijdagavond wordt uitgezonden. Hij is daarvan de drijvende kracht, evenals hij ook Wim Sonneveld regelmatig van teksten voorziet. Frater Venantius is bijvoorbeeld van hem” (Werken VI, p. 762).

Bovenstaande citaat komt uit ‘Michel van der Plas, journalist’, dat opgenomen is in het boek ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’. In de vroege zomer van 1971, Bomans had nog ruim een half jaar te leven, toerde hij 10 dagen door Vlaanderen en sprak met heel wat personen, om een beter beeld van Vlaanderen en haar inwoners te kunnen krijgen. De interviews werden opgenomen en door de BRT uitgezonden. Eind dat jaar verscheen het boek. Michel van der Plas was de laatst geïnterviewde en de enige niet-Vlaming, die “voor zover dit een Hollander beschoren is, een kenner van het Vlaamse land en volk en hij is er ook vaak geweest, meestal in gezelschap van Anton van Duinkerken, met wie hij samen lezingen hield” (Werken VI, p. 762).

De toedracht van deze ontmoeting, vertelt Bomans aan het begin van het stuk:

“De heer Michel van der Plas, die eigenlijk Ben Brinkel heet en zich door een geheim nummer nog dieper verdekt heeft opgesteld, kwam naar Antwerpen om mijn mening over Vlaanderen te horen ten gerieve van ‘Elseviers Magazine’, waarvan hij de adjunct-hoofdredacteur is. Ik weet niet of hij dit interview ook geschreven heeft, want toen hij er eenmaal was heb ik hem meteen maar in mijn eigen serie opgenomen” (Werken VI, p. 761-762).

Dit citaat is pikant. Van der Plas hield zich verborgen, door een schuilnaam en een geheim telefoonnummer. Van hem zijn me ook geen persoonlijke boeken bekend.

 

Van der Plas heeft zich uitgelaten over het interview waarvan hierboven sprake is. Hij hield een dagboek bij, waaruit hij een selectie beschikbaar stelde voor ‘Elsevier’ van 21 december 1991, dat vrijwel op de sterfdag van Bomans verscheen, 20 jaar eerder. Op woensdag 26 mei 1971 schreef Van der Plas:

“Antwerpen. Ik wil Godfried interviewen over zijn Vlaamse ervaringen. Meld me om zes uur in de Albertstraat bij notaris Boonen, althans diens dochter, met de vraag of de heer Bomans hier aanwezig is. Ja, dat is hij. (..)

Ik zit nauwelijks met hem te praten, of het blijkt dat hij de dingen weer eigengereid geregeld heeft, want er valt een filmploeg van de BRT binnen, en die verwacht van mij deelname aan een door Godfried georganiseerde schets voor twee heren à l’improviste. De notaris, ook van de (toeziende) partij, maakt die mogelijk door het constant inschenken van ‘Bolsjes’. Zo valt mijn eigen, eigenlijke reisdoel in het water. Nu ja, water.”

    

Van der Plas heeft diverse keren over Bomans geschreven. Het biografische boek over de jonge Bomans uit 1982 is het bekendst. ‘Godfried’ werd een verkoopsucces, net als ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ (1972). Dat kwam in het jaar na Bomans’ overlijden uit. Tegen de veertig personen leverden daaraan een bijdrage, onder wie Van der Plas, die dat boek ook redigeerde. Over beide boeken valt  veel te zeggen. Dat hoop ik in latere stukken te doen. In deze bijdrage beperk ik me tot het dagboek van Van der Plas, waarin hij zich laat zien. In onderstaande selectie ligt de nadruk op wat hij met Bomans tijdens diens laatste levensjaar, beleefd heeft.

 

Donderdag 10 december 1970

Redactievergadering Cursief (bij mij thuis). Godfried in grote vorm. Plaatst bij het voorgelezen werk van anderen zinnige opmerkingen die bijna altijd verbeteringen zijn. Heeft zelf drie erg leuke bijdragen (..). Eigen bijdrage: Het kerstpakket van de zaak.

x

Vrijdag 8 januari 1971

‘s Middags naar Bomans. Ik stel hem voor dat hij, voor ‘Elsevier’, in de verkiezingstijd een paar, zeg zes, politieke propaganda-avonden bezoekt en daar vrijmoedig over schrijft.

 

Maandag 15 maart

Oud-premier Joop den Uyl.jpgHet is zover. Haal ’s middags met de auto Godfried af, voor ons bezoek aan de eerste geselecteerde verkiezingsbijeenkomst. Ons doel is Assen, waar om 8 uur Udink, lijsttrekker van de CHU, in Bellevue zal spreken. Als wij (..)  gaan eten in Gieten, Hotel Braams, komt hij langzaam binnenschrijden, allen volop de kans gunnend hem te herkennen. Ik denk dat hij, met Luns (Joseph, tussen 1956 en 1971 onafgebroken minister van buitenlandse zaken, e.k.), de beroemdste man van Nederland is. (..) Ik ben vandaag zijn secretaris.


Oud-premier Joop den
Uyl. Bron: De man metde witte das

 

Vrijdag 27 maart

Naar Bergen op Zoom, Joop den Uyl. (..) We komen om vijf uur aan. Nu gaan we, zegt hij, onze opwachting maken bij de geestelijke en wereldlijke autoriteiten van de goede stad (..). Ik loop maar mee. We wandelen naar het stadhuis, naar binnen, rechtdoor naar de eerste verdieping. De bodes staan meteen in de houding. (..) Hij bezichtigt alles, als een inspecteur. Daarna gaat het naar de pastorie. Ik loop maar mee, met kloppend hart. Godfried deelt me op de stoep mee dat hij gedacht had hier te borrelen. Hij belt aan. De huishoudster reageert alsof ze een verschijning van Maria krijgt.   De PvdA-bijeenkomst met Den Uyl is roerig. Ook hier blijkt Godfried veel beroemder te zijn dan de politiekevoorman. Intussen verschijnen zijn  reportages (in Elsevier, e.k.), met dodelijke portretten. Ze baren opzien.               
    
          x                                       

Woensdag 14 april                                                                                                                 

We schieten op. Hans van Mierlo vandaag, in Amersfoort. (..) Tegen achten(..) lopen we naar zaal Amelshof, waar twintig partijgenoten in een gezellige kring rond hun idool zitten geschaard. Als Godfried binnenkomt in dit intieme gezelschap, ontstaat er werkelijk paniek bij de lijsttrekker en opschudding bij de getrouwen. Na afloop stelt Godfried Van Mierlo voor, hem naar huis te laten rijden ‘door mijn chauffeur’. Ik laat me de onverhoedse benoeming aanleunen en minzaam toeknikken door de politicus.
x

Donderdag 4 oktober

Op de Cursiefvergadering, bij Bomans thuis, geeft hij mij zijn nieuwe boek ‘De man met de witte das’ en ik hem het mijne ‘Een mens leeft niet van bloot alleen’. Hij zegt (zoals altijd): ‘Wat zijn we toch begaafde mensen.’ Ik zie in de gauwigheid, in de inleiding, dat ‘iemand’ hem heeft voorgesteld verkiezingsbijeenkomsten te bezoeken.
x

Donderdag 21 oktober

Ontdek door een bloot toeval dat er in Bomans’ boek op stapel ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’, een hoofdstuk voorkomt dat een gesprek tussen hem en mij moet voorstellen. Zie in de drukproef dat er van de zeven bladzijden misschien één is die ongeveer weergeeft wat er toen, in Antwerpen, werkelijk is gezegd. De rest is fictie. Nu maak ik dan zelf eens zo’n streek van hem mee, als dupe.

x

Donderdag 28 oktober

Nieuwe brief van Godfried. Maar nu begrijpt hij alles. Ik heb dus niet zes weken geleden net als anderen de drukproeven ontvangen? Nu begrijpt hij waarom ik verstoord ben. Er moet maar zand over. Ik werp dat er ’s avonds, op de Cursiefvergadering, met hele scheppen op.
x

Zondag 12 december

Godfried zou me vanavond zijn interview met Cruijff brengen. Het wordt later en later en ik maak me ongerust. Krijg zijn vrouw aan de lijn. Die zegt dat Godfried ziek op bed ligt. Hij heeft veertig graden koorts. (..) Hij ijlt, zegt ze.
x

Dinsdag 14 december

Kerstmis komt griezelig dichtbij, en de deadline voor de krant (Elsevier, e.k.).
x

Dinsdag 16 december

Godfried ligt op bed en ziet er slecht uit. (..) Hij dicteert zijn tekst rechtop in de kussens, en de secretaresse stenografeert. Naast zijn bed ligt ‘Een mens leeft niet van bloot alleen’ – daar gaat hij nu in verder, zegt hij.
x

Woensdag 22 december

Om kwart over acht in de morgen gaat de telefoon. Het is Herman van Run. Hij zegt: ‘Godfried is dood.’ Ik hoor het maar het dringt niet tot me door. Hij zegt: ‘Hij is vannacht gestorven.’ Over wie heeft hij het? (..) Om half acht ’s avonds ben ik in het St. Johannes de Deo-ziekenhuis, Haarlem, waar hij ligt opgebaard. Hij ziet er zo ontzettend jong uit. Zijn gezicht heeft een wijze, tevreden glimlach. Opeens voel ik me nu volkomen verlamd en vol van verdriet. Zou naar Pietsie (vrouw van Bomans, e.k.) willen maar hoor van Herman van Run dat ze al een te vol huis heeft. (..) langzaam komt er een gevoel van grote dankbaarheid. De omgang met zo’n fascinerende persoonlijkheid: dat is toch iets wat je maar gegeven wordt. En hoe dikwijls heeft hij me niet als schrijver heerlijke uren bezorgd. Ik denk alleen al aan mijn laatste jaar op het seminarie: Pinkelman in ‘de Volkskrant’, wat een plezier was dat, op moeilijke dagen. En zo dikwijls daarna, een schrijver die je steeds kon laten lachen. Wie kon dat anders? En hij heeft me, door zijn trefzekere psychologische adviezen, toch praktisch uit de militaire dienst gehaald.
x

Donderdag 23 december

Vrijwel niet geslapen. Angsten, verdriet. Midden in de nacht zitten roken in de donkere kamer. Een moeilijke dag. Verdriet als lood in mijn schouders en in mijn voeten. Zo zwaar als het weegt. Hield ik dan van hem? (..) Ik vraag me af wat dat is geweest tussen hem en mij. Met Toon van Duinkerken en bisschop Bekkers was ik echt bevriend, van hen hield ik. Maar ik heb bij hun dood niet de helft gevoeld van het verdriet dat nu zeurend op mij weegt.
x

Vrijdag 24 december

We hebben hem begraven. Ben om half drie in de kerk (Drieëenheid, Bloemendaal), heb nog met de grootste moeite achterin links, opzij, een inschuifplekje gevonden. De belangstelling is overweldigend. Opvallend veel jongelui. (..)

Op het kerkhof, aan de Sparrenweg, een ware mensenmenigte. Er doen zich onverkwikkelijke taferelen voor, iedereen wil tot elke prijs bij de grafkuil komen. (..) Hij had het zelf niet beter kunnen regisseren: kerstavond, de kale boomgroepen, de dode bladeren op de grond en het langzaam invallende donker, dat heerst wanneer de kist wegzakt.    

 

ets Heyboer, tgv. begrafenis Bomans.jpg

 

 

 

 

Ets van Heyboer ter gelegenheid van de begrafenis van Godfried Bomans

Foto: Jac Aarts

 

 

 

Naschrift

Bovenstaand artikel stond in maart 2008 in ‘Godfried’, het halfjaarlijkse boekje van het Godfried Bomans Genootschap. Deze versie bevat enkele kleine wijzigingen en een toevoeging: de woorden van Simon Carmiggelt.

7 april 2008