Bomans
en Mari Andriessen
Edward Krabbendam
Mari Andriessen werd
in 1897 in Haarlem geboren en is daar in 1979 overleden. Hij stamde uit een
kunstzinnig gezin en werd beeldhouwer. Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945)
weigerde hij lid te worden van de Kultuurkamer, een organisatie voor
nazi-propaganda. Daardoor konden zijn kunstwerken in die tijd niet verkocht
worden.
Godfried Bomans
(1913-1971) kwam uit een gezin dat tot de elite behoorde. Al snel na zijn
geboorte verhuisde hij met zijn ouders naar Haarlem. Als schrijver van ‘Pieter
Bas’ (1937) en ‘Erik of het klein insectenboek’ (1940) weigerde hij eveneens
lid te worden van de Kultuurkamer. ‘Erik’, zijn bestseller, werd na 1941 niet
meer verkocht.
In die tijd was
Bomans naast schrijver student in Nijmegen. Het universitaire leven kwam vanaf
1941 op een laag pitje te staan, als gevolg van razzia’s op universiteiten.
Bomans was dan ook regelmatig in zijn oude woonplaats te vinden. Daar knoopte
hij vriendschapsbanden aan met de schrijvers Lodewijk van Deyssel (Dr.
Alberdingk Thijm) en Emile Erens, en met de schilder Kees Verwey en beeldhouwer
Mari Andriessen.
Godfried Bomans werd
door Andriessen en zijn vrouw G.B. genoemd. Andriessen schreef verder:
“Wij leerden G.B. kennen in 1940 of 1941.
Sindsdien zijn wij vrienden gebleven. Die vriendschap was voornamelijk
gebaseerd op ons beider bewondering voor Tolstoï, Dickens en Mozart, en op ons
gevoel voor humor. Ook waren wij beiden zeer streng katholiek opgevoed, en tot
onze vriendenkring behoorden vooral lieden van katholieken huize; er is een
heel aparte band tussen dergelijke mensen, helemaal afgezien van het feit of
zij al of niet ‘praktizeren’.
(..)
Tijdens de oorlog, in de tijd dat studenten die
weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen naar Duitsland werden weggevoerd,
verbleef G.B. enige tijd bij ons in het zogenaamde ‘vluchtkamertje’. (..)
Toen de belangstelling voor de studenten bij de
bezetter enigszins verslapte, huurde G.B, een huis in de Zonnelaan te Haarlem
en verborg daar verscheidene onderduikers, o.a. de oud-dirigent van de Fritz
Hirsch-operette, Hans Lichtenstein (..). Later verbleef ook de musicus Maurice
van IJzer geruime tijd in zijn huis” (p. 55-56).
Bomans is niet lang
bij Andriessen gebleven want al in april 1943, toen de universiteiten dicht
gingen, huurde hij een huis aan de Zonnelaan in Haarlem.
Mensen uit het
verzet hebben over hun eigen daden vaak hun mond gehouden. Andriessen is daar in
‘Herinneringen’ geen uitzondering op. Hij noemde wel het verzetswerk van
Bomans, niet het zijne, terwijl ook Andriessen onderduikers in huis had gehad.
Dat blijkt uit het biografisch boek van Michel van der Plas over de jonge jaren
van Bomans, tot 1946. Van der Plas gaf aan dat Bomans na het sluiten van de
universiteit in het voorjaar van 1943 moest onderduiken en schreef: “Hij (Bomans) vindt een veilig adres bij
Mari Andriessen, op het z.g. ‘vluchtkamertje’, door een bevriend timmerman
ingericht. Andriessens huis geldt trouwens al langer als een doorgangshuis voor
allerlei mensen in gevaar” (Godfried, p. 310).
Over Hans
Lichtenstein, die met een nichtje van Andriessen verloofd was, schreef Van der
Plas: “Lichtenstein, in 1933 als geboren
Duitse Jood onder de Nazi-dreiging uitgeweken naar Nederland, is kort daarop
dirigent geworden van de Frits Hirschoperette in Den Haag. Het gezelschap heeft
op 10 mei 1940 opgehouden te bestaan. Lichtenstein verblijft in de dan volgende
jaren op verschillende adressen die, wanneer de Jodenvervolging ook in
Nederland begint, onderduikadressen worden. Het is een angstig zwerversbestaan,
dat hem in october 1943 naar Andriessen voert. Godfried biedt Lichtenstein onderdak
aan” (p. 316-317).
Lichtenstein kwam in
maart 1944 bij Bomans. Waarschijnlijk verbleef hij van oktober ’43 tot in maart
1944 bij Andriessen.
Op de site
‘Oorlogsmonumenten’ van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, staat het
levensverhaal van Truus Menger-Oversteegen (1923), beeldend kunstenares en
verzetsstrijdster. Mari Andriessen was haar “grote
inspirator”. De inspiratie kon ze opdoen omdat ze bij hem ondergedoken had
gezeten.
Haar verzetswerk
begon klein zoals het rondbrengen van illegale blaadjes maar gaandeweg kwam ze met
haar zus Freddy in de Haarlemse verzetsgroep van Jan Bonekamp terecht, net als Hannie
Schaft en Piet Menger.
Uit het ’Huis met de
beelden’, een site van het Noord-Hollands Archief, blijkt dat de Haarlemse tak
van de Raad van Verzet gebruik maakte van het huis en de tuin van Mari
Andriessen. In huis werd vergaderd en werden spullen voor het verzet verborgen gehouden,
zoals Duitse uniformen, geweren en granaten. In de tuin, of beter het bos,
schijnt Hannie Schaft hebben leren schieten en er hebben zich executies
voltrokken. Op zekere dag deed de Sicherheitspolizei een inval, onder
aanvoering van Fake Krist. Leden van het verzet vluchtten het bos in en
Andriessen verborg zich in het vluchtkamertje. Na dit incident “stuurde Andriessen de RVV weg, het werd te
gevaarlijk.”
Wanneer die inval plaatsvond, wordt niet vermeld.
Het Noord Hollands Archief heeft ook ‘Fake Krist’ op internet gezet. Krist was geboren in Beilen (Drenthe)
en werkte bij de politie in Haarlem. Tijdens de bezetting werd hij een fanatiek
medewerker van de Sicherheitsdienst en hij was succesvol in het opsporen van
(joodse) onderduikers en verzetsmensen. In september 1944 nam de Raad van
Verzet het besluit hem te doden. Drie pogingen werden ondernomen, de vierde was
raak. In de ochtend van 25 oktober maakte Gommert Krijger met enkele
geweerschoten een eind aan Fake’s leven. Door een coördinatiefout van het
verzet stond een tweede executiegroep klaar, bestaande uit Hannie Schaft en
Truus Oversteegen.
Het Noord-Hollands Archief gaf ook de
gevolgen weer:
“De
Duitse wraak liet niet lang op zich wachten. 's Morgens vroeg op de dag na de
aanslag stopten twee Duitse militaire vrachtwagens bij het plantsoen achter de Bavo.
De ambtenaar Johan van Rijn zag het vanuit zijn slaapkamerraam gebeuren. 'Even
daarna zag ik 5 mannen aan elkaar geboeid uit één der auto's springen en daarop
werden zij tegen het hekje bij het plantsoen geplaatst'. Een mitrailleursalvo
klonk: de vijf mannen waren dood. Direct daarop ondergingen vijf anderen
hetzelfde lot. De tien mannen waren afkomstig uit de gevangenis aan de
Weteringschans in Amsterdam.”
De inval in het huis
van Andriessen en de dood van Krist lijken losse incidenten te zijn geweest. Dat
is onjuist, blijkens het dagboek dat Bomans over de laatste 9 maanden van de
Bezetting bijhield, wat is opgenomen in deel 1 van de verzamelbundel ‘Werken’,
p. 684-718. Dat dagboek is zeer accuraat en gaat over het front in Nederland en
ver daarbuiten. Daarnaast berichtte Bomans over de gebeurtenissen in en rond
Haarlem en over zijn privé-omstandigheden. Op 28 oktober 1944 schreef hij over
dinsdag 24 oktober: “Om ongeveer half
acht zijn Mari, Nettie, en Frits hier gekomen. Wij zijn dus nu met ons vijven.”
24 Oktober is de dag
van de inval. Andriessen is daarna met zijn gezin naar Bomans gegaan (gevlucht)
en dook onder, terwijl Hans Lichtenstein daar ook al zat. Bomans gaf verder aan
dat het huis van Andriessen misschien nog onder bewaking stond en vervolgde
met: “De man (Krist) die de overval op Mari’s
huis organiseerde, den volgenden dag doodgeschoten. Als represaille hiertegen
10 Haarlemmers (Westergracht) gefusilleerd.”
Bomans gaf in het
kort een (bijna) volkomen juist beeld van de gebeurtenissen.
Blijkens het dagboek, had de overval op het huis van Andriessen al een tijdje in de lucht gezeten. Bomans schreef op 6 oktober 1944: “Hans en ik maken het huis schoon, omdat Mari en Nettie hier willen komen.” Het gezin Andriessen bleef van 24 oktober tot 10 november bij Bomans.
Na het aanvankelijk
grote militaire succes in Rusland, keerde het tij voor de Duitsers. De
verliezen rondom Moskou waren groot en in de winter van 1942-’43 moest het
zesde legercorps van generaal Friedrich Paulus Stalingrad innemen. Dat lukte
niet. Aan Duitse en aanverwante zijde vielen ongeveer een half miljoen soldaten.
130.000 soldaten gaven zich ten slotte over, waarvan het leeuwendeel spoedig de
dood vond. De materiële verliezen waren ook enorm, bijvoorbeeld 3500
pantservoertuigen en 3000 vliegtuigen.
Uit ‘De bezetting’
(pocket, deel 4, p. 87) van dr. L. de Jong blijkt, dat er in 1943 150.000 man
naar Duitsland zijn vertrokken. Over de eerste 7 maanden van 1944 waren dat er
slechts 20.000. Velen kregen van de arbeidsbureaus uitstel, vrijstelling of
werden afgekeurd. Vele duizenden kwamen nooit opdagen.
Het Duitse leger
werd in gezet. Op 10 november legden 8.000 soldaten een cordon om Rotterdam en
Schiedam. De huizen werden uitgekamd, op zoek naar mannen tussen de 17 en 40
jaar. De Jong schreef verder: Op “11
november gebeurt hetzelfde in de binnenstad en die avond hebben de Duitsers van
de ongeveer 70.000 Rotterdammers in de genoemde leeftijdsgroepen 50.000 in
handen” (De bezetting, deel 5, p. 132).
Deze razziagolf bereikte
ook Haarlem. Bomans schreef op 8 december 1944 het volgende:
“Woensdagochtend 6
Dec. jl. razzia, begonnen om 7 uur. Veel geschiet en lawaai: Anke van Gogh komt
ons waarschuwen. Ik blijf over met Mienke Vergeer. Wij krijgen dit briefje in
de bus: ‘Bevel. Alle mannen in den leeftijd van 17 tot 40 jaar worden voor den
arbeidsinzet opgeroepen.’ Tegen half elf doorzochten twee Duitschers het huis,
doch vonden mij niet. Al mijn bekenden kwamen er goed af, behalve de familie
Dekker. De vangst te Haarlem is 1500 man geweest.”
Michel van der Plas liet in ‘Godfried’ weten dat de Duitsers het huis van Bomans niet hadden betreden, wat zeer onwaarschijnlijk is. Tegelijkertijd gaf Van der Plas een puike reden waarom de soldaten Bomans niet gevonden hadden: “De timmerman die bij Mari Andriessen een schuilplaats heeft vervaardigd heeft ook in Godfrieds huis boven de vestibule een ligplaats weten te fabriceren” (p. 325).
Het is aannemelijk dat een timmerman zowel Andriessen als Bomans uit handen heeft weten te houden van de Duitsers. Maar wie was hij? Van der Plas noemde zijn naam niet, Andriessen en Bomans ook niet.
Nog voordat de deportaties van joden naar vernietigingskampen op gang kwamen, werden joden slecht behandeld en met geweld geconfronteerd. Uit solidariteit met joodse stadsgenoten kwamen enige leden van de in 1940 verboden Communistische Partij Nederland bijeen om op 25 februari 1941 een staking te beginnen. Het werd een opstand van het volk, geleid door stratenmaker Willem Kraan en vuilnisman Piet Nak. De staking die bij de gemeente begon, kwam aarzelend op gang. Dr. Lou de Jong schreef over het verdere verloop:
“Om half acht kreeg de staking een nieuwe impuls doordat communistische gemeente-arbeiders naar de bedrijven in Amsterdam-noord gingen. De arbeiders van de Nederlandse Droogdokmaatschappij en de Nederlandse Scheepsbouwmaatschappij gingen het eerst in staking en die trokken naar Fokker, ze trokken naar (..) de Amsterdamse Droogdokmaatschappij, naar Kromhout. Overal werd het werk neergelegd, de arbeiders stroomden naar de ponten toe, over het IJ” (De bezetting, deel 1, p. 195-196).
(..) “Zo hadden de arbeidersmassa’s met hun enthousiasme de gehele Amsterdamse bevolking meegesleept. Ze beheersten het stadsbeeld” (p. 202).
Ieder jaar wordt in Amsterdam de Februaristaking herdacht bij het monument de Dokwerker. De site ‘Herdenk de Februaristaking’ geeft de volgende informatie:
“Het monument de
Dokwerker is ontworpen en gemaakt door de beeldhouwer Mari Andriessen. Hij
maakte het beeld in opdracht van het Amsterdamse gemeentebestuur ter nagedachtenis
van de Februaristaking 1941. In 1951 kreeg Andriessen het idee om Willem Ter
Metz te vragen om voor zijn beeld te poseren. Ter Metz was een Haarlemse
timmerman en aannemer die Andriessen al geruime tijd voor de oorlog kende.
Vermoedelijk zaten ze ook samen in het verzet.”
De zware soepele
lichaamsbouw van Ter Metz had waarschijnlijk de uitstraling die Andriessen voor
zijn beeld zocht. Ter Metz stond niet te trappelen om mee te werken aan het
project van Andriessen. Niet omdat hij de beeldhouwer niet wilde helpen, maar
omdat de Februaristaking voor hem iets heiligs was en hij niet overtuigd was
van de noodzaak dat er een beeld van moest worden gemaakt. Uiteindelijk was het
Godfried Bomans die hem overhaalde wel te poseren. Na verschillende ontwerpen
zou de definitieve versie in een gipsmodel medio 1951 klaar zijn. Het werd een
jaar later. De Dokwerker is in een Parijse gieterij gegoten.”
Van Andriessen is aangetoond dat hij in het verzet zat en iemand die een verzetsman hielp, behoorde ook tot het verzet. De naam van de bevriende timmerman die bij Andriessen en Bomans schuilruimten had aangebracht, lijkt hiermee bekend te zijn: Ter Metz. In het dagboek van Bomans komt iemand voor met een gelijkluidende naam: Termets. De kans dat Bomans twee personen heeft gekend met op het gehoor een identieke naam, maar anders geschreven, is statistisch gezien zeer klein. Vermoedelijk is Termets de juiste achternaam van de timmerman, en wel Jan, geen Willem.
Op 18 september 1944 schreef Bomans:
“Met Jan Termets nog
ieder 35 kilo aardappelen uit Bennebroek gehaald voor 25 ct per kilo” en op
27 september: ”Fiets bij Termets moeten
achterlaten, daar er overal in de stad geroofd werd.”
Het was me niet bekend dat Bomans de timmerman had
overgehaald te poseren voor ‘de Dokwerker’. Toch is dat aannemelijk, mede doordat
Bomans contact had met Termets en met Andriessen.
Bomans heeft nooit
publiekelijk gezegd of geschreven dat hij tijdens de bezetting onderduikers in
huis heeft gehad. Hans Lichtenstein bleef 14 maanden zijn gast. Samen kwamen
zij de Hongerwinter door en haalden gezond maar sterk vermagerd de bevrijding
in mei 1945. In het najaar van 1947 zagen ze elkaar terug. Lichtenstein had door
Palestina gereisd om concerten te geven met het Palestijns Orkest en was na 15
maanden teruggekeerd. Van muziek maken was niet veel terecht gekomen in verband
met de onderlinge vijandelijkheden van joden en Palestijnen, en hun
vijandelijkheden tegen de Britse heersers van dat moment.
Het interview werd afgedrukt
in ‘Elseviers Weekblad’ van 18 oktober 1947 en is niet in de verzamelbundel
Werken opgenomen. Bomans gaf met de volgende woorden aan dat hij Lichtenstein
kende: “Gedurende de oorlogsjaren had ik
de gelegenheid om dezen bekwamen musicus, die in Haarlem zich bij een bevriende
familie moest schuilhouden, nader te leren kennen” (Supplement Werken, deel
V, p. 21).
Voor de hulp aan
joodse onderduikers kreeg Bomans van de Israëlische regering in 1987 postuum de
Yad Vashem-onderscheiding, als een van de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren.’
Op een inmiddels verdwenen website was te lezen dat dit gebeurd was op
voordracht van Hans Lichtenstein.
De
verzetsactiviteiten van Andriessen lijken lang onbekend te zijn gebleven.
Indien men de encyclopedie uit 1977 openslaat, de Grote Winkler Prins, is daarover
niets te vinden. Ook het Comité Herdenking Februaristaking schijnt te aarzelen.
Toch maakte Bomans dat al in 1945 bekend.
In ‘Elseviers Weekblad’ van 10 november 1945 was een ‘Gesprek met Mari Andriessen’ afgedrukt. Het interview ging over kunst maar Bomans opende met deze woorden: “Twee honderd en vijftig Nederlanders, die aan den strijd tegen den bezetter op eenigerlei wijze hadden deelgenomen, genoten gedurende zeven weken gastvrijheid in Denemarken in een kamp te Helsingör. Ook de beeldhouwer Mari Andriessen maakte de reis mee” (Werken V, p. 17).
Dit lijkt me een
officiële reis te zijn geweest waaraan de Nederlandse autoriteiten medewerking
hebben verleend. Hiermee was Andriessen een erkend verzetsman, al in 1945. In
1956 werd hij geëerd met de prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1940-1945.
Meer eer viel hem niet ten deel. Toch zal, naast groot vakmanschap, zijn
verzetsverleden een rol hebben gespeeld in zijn latere carrière. Hij werd
veruit de bekendste schepper van verzetsmonumenten. Aan de site van het
Instituut voor Nederlandse Geschiedenis ontleen ik het volgende:
“In de
naoorlogse bloei die de Nederlandse beeldhouwkunst doormaakte onder de
stimulans van de grote vraag naar oorlogsmonumenten, was voor Andriessen een
hoofdrol weggelegd. Als geen ander bleek hij in staat algemeen levende
gevoelens met betrekking tot het oorlogsleed op monumentale wijze te
verbeelden. Andriessen werd de meest gevraagde kunstenaar voor dit type
opdracht, en zijn oorlogs- en verzetsmonumenten staan over het gehele land
verspreid. Bekend zijn de 'Man voor het vuurpeloton' in Haarlem (brons, 1949),
de 'Weduwe van Putten' in de gelijknamige plaats (kalksteen, 1949), de
'Dokwerker' in Amsterdam (brons, 1952), (..), het 'Monument burgerslachtoffers'
in Nijmegen (kalksteen, 1959), het 'Marinemonument' in Scheveningen (tufsteen,
1966) en, ten slotte, 'Anne Frank' bij de Westerkerk te Amsterdam (brons, 1975)”.
Mari Andriessen
schreef in 1972 dat Bomans een grote rol in zijn leven had gespeeld. Het omgekeerde
is ook het geval geweest. Wat zij tijdens de bezetting hebben uitgespookt lijkt me grotendeels onbekend. Ik denk overigens niet dat ze zich hebben
ingelaten met geweld.
20 juli 2008
Naschrift
-
“In die stilte, die de oorlog ten slotte was in
Holland, weerklinken op straat plotseling zes scherpe knallen: eerst één, dan
twee snel achter elkaar, na een paar seconden het vierde en het vijfde schot.
Even later een soort schreeuw en dan nog een zesde. (..) ‘Ze hebben iemand
neergeschoten. (..) Het is Ploeg, (..) Hartstikke dood, als je ’t mij vraagt.’
Anton was twaalf
jaar, maar ook hij wist het: Fake Ploeg, hoofdinspecteur van politie, de
grootste moordenaar en verrader van Haarlem en omstreken.”
Citaat uit
De Aanslag van oud-Haarlemmer Harry Mulisch, p. 24-25.
-
Enige jaren terug
stond in de voormalige Bomans Krant op Internet een artikel met de vraag hoe
het Hans Lichtenstein verder was vergaan. Daarop is, tot op heden, geen
antwoord gekomen.
-
Gerelateerde
stukken op deze site: ‘Bomans als oorlogsverslaggever’
en in september van dit jaar
zal ‘Bomans als onderduiker’ verschijnen.
Verantwoording
illustraties
1.
Foto uit ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, p. 216.
2. Fake Krist na de aanslag op zijn leven. Bron:
Noord Hollands Archief.
3. Officiële bekendmaking van verplichte
aanmelding voor de arbeidsinzet. Bron: ‘De bezetting’ (pocket), deel 4, p. 84,
van dr. L. de Jong.
4. Foto van de Dokwerker uit ‘De bezetting’, deel
1, p. 154.
5. Foto van Lou de Jong uit ‘De bezetting’, deel
1, p. 4.