|
Kuitert is bekend om zijn uitspraak dat al het spreken over Boven, van
beneden komt. Daarmee bedoelt hij dat het praten over God mensenwerk is
en men er altijd naast zit. Hegger vraagt zich af hoe Kuitert dat rationeel
kan weten. Hij vraagt zich ook af waarom Kuitert mensen hun God wil afpakken,
met wie ze gelukkig zijn.
Dat doet Hegger met de volgende beelden: ‘Wat drijft jou? Wil jij radelozen
beroven van hun ‘wonderbare Raadsman’, de zwakken wegrukken van hun ‘sterke
God’ (..). Wil je wanhopigen losscheuren van hun enige en laatste Hoop?’
Vervolgens wijst Hegger erop dat hij en Kuitert zo oud geworden zijn dat
ze binnenkort de eeuwigheid zullen betreden. En dominee Hegger stelt nog
maar eens een vraag: ‘Ben jij er absoluut zeker van dat je straks niet
komt te staan tegenover een Rechter die jou ter verantwoording roept:
‘Harry, heb ik jou daarvoor in het leven geroepen om Mij, jouw Schepper,
te loochenen? Jij hebt je erin verlustigd, als jij door jouw geschriften
steeds meer atheïsten hebt gecreëerd. Ga nu, samen met al die goddelozen
die je verwekt hebt, van Mij weg tot in de diepe en duistere eeuwigheid?’
Hegger doet hier een beroep op de Allerhoogste. Dat is een eeuwenoude
truc van de kerk om weifelende lastpakken in het gareel te krijgen, via
het aanpraten van schuld en angst. Kuitert reageerde een paar dagen later
(27-10) koeltjes en begon zijn brief met: ‘Geachte ds. Hegger, U hebt
mij voorheen dikwijls uitgescholden, en nu ineens ‘beste Harry’?’ In de
krant verschenen later ingezonden brieven waaruit weinig waardering voor
Kuitert sprak.
Het heden is een resultante van het verleden. Daarom is het raadzaam
terug te kijken. Dat is mogelijk omdat Godfried Bomans in 1971 met Kuitert
een gesprek voerde, dat in de verzamelbundel Werken VI (p. 798 - 812)
is terug te vinden. Bomans was van huis uit katholiek en had belangstelling
voor het algemeen christelijk geloof, van katholieken én protestanten,
dat hij stevig betwijfelde. Bomans hield daarbij van inzicht en nuance.
Hij had er dus een hekel aan om de ene groep zus, de andere zo te noemen.
Katholieken zagen ‘de’ gereformeerden zeker tot in de jaren zeventig als
‘een zwarte-kousen-gemeenschap van strenge mensen, beladen met een enorm
aantal veto’s, die op zondag niet zwemmen en niet fietsen en in het algemeen
die dingen doen, die overblijven, als ze geschrapt hebben wat niet mag,
wat dan heel weinig is. Om aan deze simplificatie iets te doen, kwam Bomans
in gesprek met prof. Dr. H. M. Kuitert, professor in de dogmatiek en de
ethiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Na zijn inleiding, hierboven
kort samengevat, stelt Bomans de eerste vraag: ‘Professor Kuitert, hoeveel
college-uren hebt u in de week?’ Kuitert: ‘Dat is in het hoogseizoen zo
ongeveer zes of acht uur in de week.’
Bomans: En in het laagseizoen? Na deze grap, wordt het ernst. Kuitert
was niet erg gelukkig met het beeld van gereformeerden zoals door Bomans
gepresenteerd. Hij deed in ieder geval zijn best daarvan af te komen.
In dit kader sneed Bomans de kwestie Geelkerken aan. In 1926 werd in Assen
een gereformeerde synode gehouden. Daarin stond de vraag centraal of de
slang uit het paradijsverhaal in Genesis werkelijk gesproken had. De synode
- alle aanwezige dominees - meende van wel, Johannes Geelkerken, die de
letterlijkheid beu was, meende van niet. De dominee werd geschorst en
later afgezet. Er volgde een kerkscheuring, iets waar protestanten sterk
in zijn. Ook in 1944 was er een grote kerkscheuring om dogmatische redenen,
waardoor individuen, gezinnen, families, dorpen en hele steden verscheurd
werden. En met soortgelijke taferelen, begon Geelkerken in 1926 zijn ‘Gereformeerde
Kerken in Hersteld Verband’. Zo’n veertig jaar later nam iemand het voor
de verketterde Geelkerken in bepaalde mate op: Kuitert.
Bomans zei hierover: ‘In 1963 hebt u zelf een wat ruimere interpretatie
gegeven van Genesis, van Adam en Eva en het paradijs. Niettemin heeft
dat een enorme irritatie gewekt, zelfs een hetze tegen uw persoon. Het
is misschien wel aardig om ter illustratie daarvan wat voor te lezen,
passages uit een boekje dat me gisteren in handen viel, waarin staat:
‘Deze hoogleraar is het meest onbeschaamd in het propageren van ongereformeerde
en onbijbelse denkbeelden. Hij is een openlijke ketter, die het geloof
ondermijnt en ook nog de goede zeden…’. Nou dat is nogal wat!’, vervolgde
Bomans. En hier staat ‘dat hij te vergelijken is met de overheersers van
1940-1945, die de kerken overvallen hebben en die vreemd staan tegenover
de schriftuur’. Na deze woorden - wellicht van Hegger - te hebben voorgelezen,
zegt Bomans tegen de hoogleraar: ‘Het is bijna de vraag of ik nog met
u kan omgaan! Het is verschrikkelijk (.). Doet u dat leed?’ Kuitert: ‘Nou,
ik ben diep dankbaar dat u hier zit, dat verzacht al veel. Het doet me
eigenlijk geen leed meer. Dat klinkt wel wat belachelijk, maar het duurt
al zó lang! Op den duur krijg je er een dikke huid voor en je vindt de
zaak natuurlijk ook té belangrijk of misschien nauwelijks belangrijk genoeg
om je daardoor van je stuk te laten brengen. Je wilt wat en je meent naar
eer en geweten dat je wat moet doen. Op een gegeven moment heb je er ook
geen boodschap meer aan, aan al die scheldpartijen en dan zeg je: ‘Goed
hoor, dan doen jullie het maar zo.’ In het begin vond ik het wel erg.’"
Kuitert vond toen al, dat de kritiek op hem erg lang had geduurd. Dat
is nog tientallen jaren doorgegaan, tot op de dag van vandaag. Misschien
is de uitspraak onder protestanten dat met een theoloog als Kuitert, men
geen atheïst meer nodig heeft, waar. Dat kan ik niet beoordelen. Maar
voor mij is Kuitert vooral een dappere man. Hij sloeg de verpletterende,
verstikkende en angstaanjagende letterlijkheid van protestanten aan gruzels
en is alleen daarom al zeer te waarderen.
Edward Krabbendam
|