Bomans en Kees Fens
Edward Krabbendam
Kees Fens werd in
1929 te Amsterdam geboren en is daar op 14 juni 2008 overleden. Vanaf 1959 was
hij leraar in de Nederlandse taal aan het Triniteitscollege in Haarlem, waar
Bomans school was gegaan. In 1982 werd hij hoogleraar in de moderne Nederlandse
letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar Bomans rond 1940
enige jaren college had gelopen. In 1994 werd hij aan dezelfde universiteit aangesteld
tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek.
Als literair criticus schreef Fens voor De Linie en De Tijd. In 1969 ging Fens voor de Volkskrant schrijven, waaraan Bomans al 24 jaar verbonden was. Die krant was in revolutionair vaarwater terechtgekomen. In 1965 werd het predicaat Katholiek geschrapt en op de redactie kwamen veel jonge gezichten, allen links. Na het stuk ‘de Raddraaiers’, pruimde ze Bomans minder en minder. Men wilde van hem af, maar het was niet zo eenvoudig het oude boegbeeld van de krant weg te werken.
Ondertussen werd Kees Fens binnengehaald. Op 1 maart 1969 stonden zijn eerste stukken in de krant, twee boekrecensies. ‘De tuinen van Bomarzo’ van Hella Haasse werd geprezen, ‘De goden moeten hun getal hebben’ van Hubert Lampo werd gekraakt.
Bijna een half jaar later, op 16 augustus, werd de laatste bijdrage van Bomans gepubliceerd. Het ging over keizer Napoleon Bonaparte, die verslagen werd.
Fens groeide uit tot literatuurpaus. Hij had het voor het zeggen, of, zoals het radiojournaal op zondag 15 juni meldde: Fens kon schrijvers maken en breken. Dat komt overeen met de woorden van Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant. Hij schreef op maandag, dat je Fens “geen groter plezier (kon) doen dan hem ’s avonds op te bellen met het verzoek iemand van naam en faam af te leggen.”
In 1977 kreeg Fens bij de Volkskrant een vrijere taak als
columnist. Zijn bekendheid verwierf hij door zijn ‘Maandagstukken’. Rob
Schouten schreef daarover in Trouw van 16 juni: “Na 1978 ruimde de Volkskrant op de maandagochtend voor Fens een plaats
in, waar hij zijn persoonlijke beschouwingen over literatuur, of cultuur in
bredere zin kwijt kon. Dat werd de plek waar de meeste lezers Fens leerden
kennen, vanwege zijn eruditie, zijn belezenheid, maar vooral ook vanwege de
meeslepende stijl waarin hij zijn opinies verpakte, en zijn enthousiasme.”
Ik was een van die lezers en ben het met Schouten volkomen eens.
Wie de dvd’s van Bomans in huis heeft, kan beelden hebben gezien van een tafel met daarop diverse jaargangen van een tijdschrift. Aan tafel zaten drie heren te praten en voortdurend te roken – pijp, sigaar, sigaret. Soms gaven ze een groot en dik boek aan elkaar door om commentaar te geven op de plaatjes die erin stonden. Het ging om de jaargangen van de Katholieke Illustratie, die in 1969 ophield te bestaan, na 102 jaar te zijn verschenen. In 1949 telde het blad 178.000 abonnees. Dat aantal was in 1969 gedaald tot minder dan 100.000, waardoor het weekblad in economische zin niet meer levensvatbaar werd geacht.
Het blad stond inderdaad vol illustraties, van de Paus, de eeuwige stad, bisschoppen, grote manifestaties, processies, het vertrek van nonnen en paters naar een ver land om missiewerk te gaan verrichten, of juist hun terugkeer.
De mannen in kwestie waren de letterheren Godfried Bomans, Kees Fens en Michel van der Plas. Dit drietal kwam elkaar in die tijd meer tegen; zij vormden een deel van de redactie van Cursief, een satirisch radioprogramma dat de KRO tussen 1967 en 1975 heeft uitgezonden. Hoogtepunten daarvan zijn onlangs verzameld in een luisterboek.
In het verzameld werk van Bomans komt de naam Fens een enkele keer voor. Die viel tijdens het langdurige gesprek dat Bomans en van der Plas voerden over de katholieke kerk en het geloof, waarop Bomans ‘In de kou’ baseerde. Van der Plas vertelde:
“Ik was laatst bij Kees
Fens, die heeft veel platen met Gregoriaanse muziek, langspeelplaten, alle
getijden.”
Bomans: “O, vindt
hij die zo mooi?”
Van der Plas: “Maar het ís ook geweldig. Hij zei: Ga eens even zitten dan zal ik je het Te Deum laten horen. Gezongen door de monniken van Clairvaux. Het is ongelooflijk mooi, als je dat opeens weer hoort. (..) Kees zei toen: Als ik die (middeleeuwse) muziek hoor, kan ik alles weer geloven” (Werken VI, p. 272-273).
Bomans’ dood sloeg in als een bom. Velen wilden of konden het niet geloven. Toch had Nederland zijn huisvriend verloren, zoals Harry Mulisch dat uitdrukte. Dat was een rake typering want Bomans was een graag geziene gast in vele huizen, door zijn boeken, de Volkskrant, Elsevier, radio, televisie en grammofoonplaten. Dat was een prestatie van formaat want Nederland was in die tijd nog volkomen verzuild, maar de van huis uit katholieke Bomans wist de protestantse zuil binnen te dringen, niet in de laatste plaats door zijn indrukwekkende reportages over het geloof voor de NCRV, die op televisie werden uitgezonden.
Herinneringen

Bomans overleed in 1971, vlak voor Kerst. In 1972 kwam een
herinneringsboek uit. Daarover verscheen in de Leeuwarder Courant op 20 mei dat
jaar een recensie van naar alle waarschijnlijkheid Nico Scheepmaker. Hij
schreef: “Van de 39 ‘Herinneringen aan
Godfried Bomans’ is er in feite niet meer dan één waarin een werkelijke poging
is ondernomen om greep op het fenomeen Bomans te krijgen.”
Deze mening komt sterk overeen met wat Louis Ferron in
1981 in ‘De keldergang der heren’ schreef: “Over
Bomans is inmiddels heel wat afgeschreven en naar blijkt is zijn figuur daar
geen spat helderder door geworden”( p. 73).
Met die woorden ben ik het in hoge mate eens. Maar het
boek Herinneringen biedt wel meer, zoals de plaatsbepaling van Bomans in de
literaire wereld. Simon Carmiggelt schreef in zijn bijdrage: “’Bomans is een groot schrijver maar je mag
het alleen niet zeggen.’
Ziedaar waar een
klein literair wereldje klein in kan zijn” (p. 71).
Wie had volgens Scheepmaker een werkelijke poging ondernomen om greep te krijgen op het fenomeen Bomans? Volgens mij was dat Harry Mulisch. Zijn bijdrage is fraai en verschaft inzicht.
Indien Mulisch werkelijk als enige die poging had ondernomen, ik ontken dat niet, vallen alle anderen af. Onder hen bevinden zich Michel van der Plas en Kees Fens, net de hoofdpersonen in de beeldvorming van Bomans.
Het stuk van Fens in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ is mooi geschreven, en verre van eenvoudig. Fens was van mening dat Bomans een goed schrijver was. Maar omdat hij zich verstopte in allerlei gedaanten en schijngedaanten, waardoor hij anoniem werd, kon hij geen groot schrijver zijn. Alleen als Bomans zichzelf toonde, was hij een groot schrijver. Dat was slechts incidenteel het geval. Fens schreef verder: “Bomans heeft zijn lezers zoveel gedaanten van zichzelf opgedrongen, dat hij zelf verdwenen is” (p. 82).
Bovenstaande mening is niet gebaseerd op Bomans’ radio- en televisiewerk, waardoor menigeen Bomans voor een clown hield. Fens hield dit buiten-literaire aspect buiten zijn beschouwing. Dat is juist, want Fens wilde de schrijver beoordelen. De vele gedaanten waarin Bomans zich uitte dan wel zichzelf opdrong - Fens noemde ze niet - heeft dan betrekking op het grote aantal verschillende genres waaruit zijn oeuvre bestaat: sprookjes, satiren, stripverhalen, dagboeken, reisverslagen, vele beschouwingen van historische, religieuze, culturele en literaire aard, essays, columns, een leesmethode voor alle klassen van de lagere school, dagboeken, toneelstukken, humorstukken, onzinstukken en nog meer. Men zou een schrijver van een dergelijk groot en uiteenlopend oeuvre, alles in prachtig proza, kunnen roemen om zijn veelzijdigheid. Dat is niet gebeurd. Fens zag die veelzijdigheid, waaraan geen enkele schrijver in ons taalgebied kan tippen, juist als een ernstig gebrek: Bomans verstopte zich daarachter.

Al in het boek Pieter Bas, waarmee Bomans in 1937 debuteerde, zag Fens deze grote verdwijntruc. Fens schreef: “De auteur koos een genre (een biografie over een fictieve oud-minister, e.k.) waarin hij op twee manieren helemaal kon verdwijnen. Hij koos een vorm die hem toestond zelf buitenstaander te blijven”en “medetoeschouwer te worden met de lezer” (..) (p. 82). Datzelfde gebeurde volgens Fens in ‘Erik of het klein insectenboek’, het tweede boek van Bomans, maar dan nu in een kleine wereld. In ‘Sprookjes’ (1946) en ‘Kopstukken’ (1947) is het van hetzelfde laken een pak. En voor al deze boeken gebruikte Bomans geleende vormen en geleend materiaal. Want de structuur van de biografie was bekend en de sprookjes hadden de
“oeroude vorm van
‘Er was eens’.”
Ook de personen die Bomans in zijn eerste vier boeken opvoerde, deugden niet. Ze zijn, schreef Fens, “eerder representanten van personen dan individuele mensen; zij belichamen eerder ideeën dan zielen” (p. 83). Dat bleek ook het kenmerk van Bomans’ satiren en spottende stukken te zijn, waarin hij “nooit herkenbare personen of actuele verschijnselen, maar altijd typen en tot algemeenheden teruggebrachte verschijnselen betrok. De persoonlijke confrontatie – Bomans versus wie of wat – ontbreekt in nagenoeg al zijn werk (..). Hij koos zich geen tegenstanders, maar denkbeelden die hem tegenstonden en waarvan hij wist dat ze velen moesten tegenstaan” (p. 83-84).
Fens zag overeenkomst tussen ‘Pieter Bas’, ‘Erik, ’Sprookjes’ en ‘Kopstukken’. Hij behandelde ze als één categorie. Naar inhoud zijn ze echter nauwelijks met elkaar te vergelijken. Wel is er enige overeenkomst tussen de ‘Sprookjes’ en het sprookjesachtige boek Erik. Desondanks volg ik Fens door ze als sprookjesachtige boeken te betitelen.
De onzichtbare
Bomans
Bomans was een milde schrijver die beschouwingen over cultuur/historische zaken aanzienlijk hoger aansloeg dan mee te gaan in de hectiek van het moment. Maar de mening van Fens, dat Bomans vrijwel nooit de confrontatie is aangegaan met personen of instellingen, is onjuist. In oktober 1947 nam hij het op voor de leerlingen van het middelbare onderwijs. Hij vond het onderwijssysteem een dwaze tirannie die voor jonge mensen veel te zwaar was. Bovendien sloot scholing nauwelijks aan op de maatschappij. Bomans – de eerste eenmansactiegroep van Nederland – nam in ‘Elseviers Weekblad’ het Ministerie van Onderwijs diverse malen zwaar onder vuur, altijd met de kracht van het argument. Bomans besloot de veldslag met diverse voorstellen ter verbetering van het onderwijs. Ondertussen had Bomans zo veel bijval gekregen dat Nederland enige maanden op zijn kop stond.
Bomans liet zijn gezicht vaker zien. In de jaren vijftig ging Bomans columns schrijven onder de naam Parlevink. Het eerste Parlevinkje droeg als titel Er deugt eigenlijk niets van. Daarmee was de toon gezet. Alles wat hem niet zinde, en dat was veel, stelde hij aan de kaak. Zelfs zijn sprookjesachtige verhalen wekte woede op. In 1956 voerde Bomans een kluizenaar op die de versterving zat was en zijn grot verliet om in de stad een goede maaltijd te gaan nuttigen. Dat was volgens het katholieke dagblad De Stem “kwetsende provocatie.” Na de column ‘Het congres’ opende De Stem wederom de aanval op Bomans.
Met het ‘Het Jodenjongetje‘ bezorgde Bomans Nederland weer een rel. Hij besprak een leesboek voor leerlingen van katholieke lagere scholen. Daarin kwam een antisemitisch stuk voor. Bomans legde de verantwoordelijke katholieke instanties over de knie. Dat had spoedig effect, niet in katholieke kring maar in Den Haag: Minister van Justitie Samkalden haalde het boekje begin 1957 uit de handel.
In 1960 ging bijna het hele Nederlandse volk over de knie. Bomans besprak in ‘Ik laat me elders knippen’ de Nederlandse aversie tegen Duitsers, toen nog moffen geheten. Een Duitse schipper was met een nazivlag op het dek Nederland bijna binnengevaren. Hij was door de Duitse politie ongenadig afgerost. Dat werd hier prachtig gevonden. Bomans keurde dat af. Hij wees er op dat Hitler net zo gehandeld had, met mensen met afwijkende ideeën.
Al in
1951 voegde Bomans zich bij een actiegroep tegen kernwapens en op 23 augustus
1960 riep hij de lezers van de Volkskrant op zich tegen kernwapens te keren.
Toen kwam 1966. In de Volkskrant van 18 juni werd ‘De raddraaiers’ afgedrukt. Bomans keerde zich tegen linkse jongeren die opgeroepen hadden tot vernieling en brandstichting bij Amerikaanse instellingen, waarbij ook het dagblad ‘De Telegraaf’ werd genoemd. Korte tijd later sloegen linkse arbeiders daar de boel kort en klein. ‘Links’ sloeg op tilt door dit provocerende geschrift van Bomans: hij werd met de dood bedreigd.
Eind jaren zestig deed Bomans weer van zich spreken, via televisie en boeken als ‘In de kou’. Hij had het helemaal gehad met de vele vormen waarin het katholieke geloof was vastgelopen. De inhoud was weg. Kerkafbraak vond hij prachtig zodat het gezicht van Jezus weer zichtbaar kon gaan worden. Daarnaast durfde hij de vraag te stellen of God wel bestond. Bomans ontpopte zich als de grafdelver van het roomse.
En in 1971 volgde Bomans verkiezingsbijeenkomsten. De portretten die hij van de voormannen van politieke partijen in Elsevier schetste, waren naar de mening van Michel van der Plas ‘dodelijk’.
De in mei 2008 overleden oud-hoogleraar J.A.A. van Doorn,
socioloog, historicus en groot liefhebber van Bomans’ Pieter Bas, schreef in
zijn commentaar in ‘Trouw’ (7 april 2007) over de grote onverdraagzaamheid die
ons land regelmatig teistert, zoals in de jaren ‘60. Op grond van het essay
‘Bomans als provo’ en het artikel ‘Bomans als journalist’, schreef van Doorn,
dat Bomans “van tijd tot tijd geen blad
voor de mond nam en zich met scherpe standpunten in actuele discussies mengde.
Krabbendam noemt hem
zelfs ‘De eerste provo van Nederland’. En precies dat werd van de au fond milde
auteur niet geaccepteerd.”
Het is duidelijk dat Bomans zich niet verstopt heeft. Af en toe veroorzaakte hij juist grote beroering, maar dat mocht niet van bepaalde kringen.
Sprookjes
Fens behandelde de eerste vier boeken van Bomans als sprookjesachtige verhalen. Hij gaat er niet erg op in en mogelijke inspiratiebronnen ontbreken. Maar hij komt wel met een verrassend inzicht. ‘Pieter Bas’ uit 1937 is eigenlijk een eeuw ouder. Het stamt van 1839. In dat jaar verscheen de Camera Obscura van Hildebrand (Nicolaas Beets, 1814-1903). Het proza in ‘Pieter Bas’ vertoonde een frappante overeenkomst met dat van Beets, en dat proza, die stijl, hield Bomans zijn leven lang vast.
Fens schreef verder: “En wie onbevangen het beste proza van Bomans leest, kan niet ontkennen, dat hij in dat vormgeven vaak bijna het volmaakte heeft bereikt. Maar – en die restrictie moet toch gemaakt worden – het is grotendeels vorm geven aan een al eerder bestaande vorm; het is schaven aan en polijsten van geleend materiaal. Ik aarzel niet te zeggen dat Bomans Hildebrand vaak verbeterd heeft” (p. 88).
Volgens Fens
was Beets in stilistisch opzicht de grote leermeester van Bomans. Jeroen
Brouwers heeft in ‘De wereld van Godfried Bomans’ (1998) een veel ruimer beeld gegeven.
Zo was Bomans niet alleen een kenner van het werk van Beets maar ook kenner van
Charles Dickens (1812-1870) en Hans Christian Andersen (1804-1875), de grote
Deense sprookjesschrijver van ondermeer ‘De nieuwe kleren van de keizer’, een
tijdloos sprookje over de wereld van schijn. Zij hebben Bomans beïnvloed.
Brouwers vervolgde met: “De schrijver
Bomans heeft ook van de schrijver Van Deyssel (meneer Thijm, e.k.) het zijne
geleerd, met name het vermogen om briljant te formuleren (..)” (p. 70-71).
Hiermee komt Brouwers op een logisch historische lijn, waarbij de vormen van Beets – het briljante formuleren - werden overgedragen op Van Deyssel. Hij gaf ze door aan Bomans en Bomans droeg ze over aan Harry Mulisch, Brouwers en anderen.
De wereld van Bomans blijkt nog veel groter te zijn geweest dan Brouwers al beschreef, want Bomans was een verwoed lezer. Dat blijkt uit het personenregister dat is opgenomen in de verzamelbundel ‘Werken’. Bomans verwees in zijn werk naar 500 namen die verbonden zijn aan grote personen uit binnen- en buitenland. Veel voorkomende namen zijn: Hitler, Churchill, Napoleon, Louis Quatorze, Jezus, Augustinus, Titus Brandsma, Wim Kan, Toon Hermans, Johan Cruyff, Rembrandt, Rubens, Vermeer, Michael Angelo, Leonardo da Vinci, Picasso, Beethoven, Mozart en Bach.
Bomans heeft veel belangstelling gehad voor zeer uiteenlopende gebieden als geschiedenis, geloof en cultuur in ruime zin, net als Fens. Literatuur hoorde daar vanzelfsprekend ook bij. Zijn voorkeur ging niet uit naar Nederlandse schrijvers maar naar buitenlandse. Charles Dickens was topfavoriet. Bomans schreef over hem 29 stukken, over Goethe 12 en over Andersen 7 stukken. Van de Nederlandse schrijvers staat Beets bovenaan. Hij kwam 14 maal aan de beurt, Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel) 11 keer. Hieruit blijkt dat Dickens meer dan 100% geliefder is geweest dan Beets.
In het biografische boek van Michel van der Plas over de jonge Bomans, komt de vraag aan de orde welke schrijvers Bomans het meest hadden geboeid en beïnvloed. Het antwoord stamt uit de tijd van de Duitse bezetting, net de sprookjesperiode van Bomans. Op een lijstje stonden negen namen, dat in ‘Godfried’ op pagina 300-301 staat afgedrukt en hieronder is overgenomen.
1)
Charles Dickens (in het bijzonder zijn autobiografie David Copperfield)
2) Hans Chr. Andersen Sprookje en vertellingen
3) Edgar Allan Poe (in het bijzonder The adventures of Arthur Gordon Pym)
4) E. T. A. Hoffmann
5) A. A. Milne (schrijver van Winnie de Poeh, e.k.)
6) Puschkins proza
7) alle werken van Tsjechow
8) G. K. Chesterton
9) François Mauriac
Opvallend is, dat niet een van bovenstaande namen is terug te vinden in de beschouwing van Fens over het werk van Bomans. Dus ook Dickens en Andersen, schrijvers die voor Bomans van groot belang zijn geweest, ontbreken. Fens heeft Bomans’ literaire wereld laten verschrompelen tot één persoon, de prozaschrijver Beets.
En juist hij ontbreekt aan het lijstje van Bomans.
Het enige wat Bomans volgens Fens deed, was schaven aan en polijsten van het van Beets geleende materiaal. Als dat zo was, zou Bomans slechts in staat zijn geweest meer van hetzelfde voort te brengen. Dat is nu juist niet het geval. Ons taalgebied kent geen enkele sprookjesschrijver van formaat, behalve Bomans. Dat maakt hem uniek in de literatuurgeschiedenis. Daar komt bij dat de sprookjesachtige boeken inhoudelijk zeer sterk van elkaar verschillen. Dit is alleen als volgt te verklaren: Bomans liet zijn werk bloeien op de humus die hij bij andere schrijvers had verworven, gekoppeld aan een grote creativiteit.
Erik
‘Erik of het klein insectenboek’ behoort tot de boeken
uit het begin van Bomans’ carrière. Toen Fens zijn woorden in 1972 schreef,
was dat boek uit 1940 al aan zijn 33ste druk toe, terwijl ook vertalingen
in herdruk waren verschenen. Hier moet sprake zijn van uitzonderlijke kwaliteit
anders was ‘Erik’ nooit zo’n bestseller geworden. Fens zwijgt hierover. Inmiddels
is de 53ste druk verschenen.
![]() |
‘Erik’ is een sprookjesachtig verhaal voor jonge lezers. Maar het is ook een satire voor volwassenen, wat bij Fens niet aan de orde komt. In ‘Erik’ houdt Bomans mensen een spiegel voor, die pijnlijk is, gelijk Erasmus deed in ‘Lof der zotheid’. De lezer ontkomt niet aan zijn eigen kleinheid, zijn eigen humane tekorten; onverstand, benepenheid en liefdeloosheid. Desondanks is het boekje mild geschreven en zo geestig, dat het met een glimlach kan worden gelezen.
|
Ook de wetenschap wordt een spiegel voorgehouden. Erik, die heel klein is geworden en onder de insecten heeft geleefd, moet, terug in de grote mensenwereld, op school een proefwerk gaan doen over alle insecten uit ‘’Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’. Erik doet dat proefwerk als ervaringsdeskundige. Bomans schreef: “Het proefwerk
verliep niet al te best. Er waren enkele passages, waarlangs juffrouw
Schönberg een rode streep trok met de woorden: ‘onbegrijpelijk’ en ‘wartaal’,
en bij de vraag: ‘Behoren de wespen tot de nuttige insecten?’, waarop
Erik had geantwoord: ‘dat is wel mogelijk, maar ga er niet naar toe,
want je verveelt je er dood,’ schreef juffrouw Schönberg in dikke blauwe
letters: ‘Jongen, ben je niet wijs? Wat scheelt je? Kom na vieren eens
even bij me.” |
![]() |
een briefje voor
zijn moeder schreef, “dat het zo
niet door kon gaan en dat er gewerkt moest worden:
… Vooral zijn meikevers, mevrouw, zijn uitermate zwak, en wat de familie der Vliesvleugeligen betreft, waaronder de wespen en de mieren vallen (gelijk u wel weet) houdt de jongen er meningen op na die geheel en al tegen Solms indruisen” (p. 169-170).
Bomans
gaf hiermee aan dat wetenschap mooi is maar niet zaligmakend. Relativering was
op zijn plaats want wat weten we nou helemaal van hetgeen zich in en tussen
diertjes onderling afspeelt? Daaraan kan toegevoegd worden dat
wetenschappelijke ideeën komen en gaan. Nieuwe theorieën, die omarmd worden,
tonen slechts de gebrekkigheid van de vorige aan, waarin studenten negens en
tienen hebben behaald. Dat zal blijven doorgaan, want de ratio is beperkt. In
dit kader zal ook het motto van ‘Erik’ moeten worden bezien. Dat luidt: “Wij zijn alle ballingen, levend binnen de
lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn
insecten.”
Humor
Fens besprak ook humor en haalde de volgende woorden van Bomans aan:
“Humor is het vermogen de dingen betrekkelijk te zien. Die relativering is echter niet mogelijk zonder een vaste maatstaf, waarmee de gebeurtenissen gemeten worden. Een geestig mens – ik bedoel niet de lolbroek, maar de werkelijk met humor begaafde - is daarom in wezen altijd ernstig. De glimlach, die hij bij u te voorschijn roept, komt voort uit het verrassende feit, dat hij plotseling het ellemaatje van de actualiteit tegen een blijvende achtergrond legt. Het ding schrompelt ineen tot zijn ware grootte. Het is er nog wel, maar ’t heeft zijn absoluutheid verloren. Het is relatief geworden” (p. 89-90).
Fens was het hiermee eens maar vroeg zich af wat die ‘vaste maatstaf’ was. Lag die buiten of binnenin de mens? Als Fens iets meer uit ‘Pleidooi voor de humor’ had geciteerd, dan was voor iedereen duidelijk geweest dat de vaste maatstaf waarover Bomans repte, de geschiedenis was. Actuele zaken, die vaak als absoluut worden ervaren, worden betrekkelijk door ze in historisch perspectief te plaatsen.
Fens laat de vaste maatstaf van de geschiedenis links liggen en gaat door met de eigen maatstaf, en schreef:
“De confrontatie (tussen
zegbaar en onzegbaar, waar humor te hulp kan schieten, en waar het Bomans niet
om ging, e.k.) komt men bij Bomans echter zelden of nooit tegen. Bij een auteur
die zichzelf zo heeft weggeschreven, kan die genoemde eigen maatstaf niet
werken (..)” (p. 90). Bovendien liet Bomans echte gebeurtenissen en personen
verdwijnen om er andere voor in de plaats te zetten, waardoor “het ontstaan van
die wezenlijke humor (..) een onmogelijkheid” is.
Fens schreef ook nog dit: “Zijn werk lijkt een pogen aan de ernst te ontsnappen “ en “Hij heeft de werkelijkheid weggelachen en zichzelf daarbij” (p. 90).
Ook
humor schijnt een middel te zijn geweest om zich verder te verschuilen, om zich
zelfs geheel te laten verdwijnen. En de humor van Bomans was geen echte humor,
want het ontbrak hem aan ernst. 35 jaar later dacht Fens daar nog zo over. Hij zorgde
in 2007 voor het Boekenweekessay Op weg naar het schavot. Op pagina 7 schreef
Fens: “Ik denk dat Godfried Bomans de
superieurste opperschertser is geweest. De grootste schertsfiguur, zou ik bijna
zeggen. (..) Aan hem heb ik ervaren wat scherts is: een ongevaarlijk aperitief
tot de echte humor, een lichte drank vooraf.”
Nu heb ik altijd gedacht dat Bomans in literaire kring weinig waardering genoot maar dat hij daar nog wel als humorist werd gezien. Maar zelfs dàt schijnt onjuist te zijn. Bomans kwam niet verder dan het voorportaal van de humor. Heb ik me zo vergist, als ik moest lachen om een tekst van Bomans? Overigens, hoe veel schrijvers hebben de begaafdheid om met niet meer dan letters op papier iemand aan het lachen te krijgen? Een van die lachers was Harry Mulisch. Dat blijkt op pagina 143-144 van ‘Herinneringen’. Hij schreef:
“De humor is het
litteken van de wond, zei hij (Bomans) in later jaren, maar dat is niet de definitie
van de humor, waarin hij zelf een meester was. Dat slaat eerder op Nescio, of
Carmiggelt: de melancholische, zachtaardige humor van de kleine dingen. De
zijne was niets minder dan gewelddadig. Ik voor mij, ik kon mij daar tranen om
lachen, - vooral wanneer het humoristisch geweld organisch kwam, in een
concrete situatie met mensen, waarvan hij er één was.” (..)
Maar ook wanneer ik
hem lees is hij nog steeds de enige schrijver ter wereld, die mij hardop kan
doen lachen. Maar wanneer iemand, die alleen is met een boek, plotseling hardop
begint te lachen, dan is er geweld gebruikt. Het is het geweld, waarmee zijn
humor rukt aan haar eigen grenzen, die hij haar ten onrechte heeft gesteld –
het is het geweld waarmee zij opbonkt tegen het ‘heilige’: God, zijn katholieke
jeugd, zijn vader.”
Het is wel aardig nog even stil te staan bij de humor van
Bomans. Dichter en essayist Willem Brandt ging daar in zijn bijdrage aan
‘Herinneringen’ nader op in. De humor van Bomans vertoonde verwantschap met die
van Dickens, maar Bomans was veel ironischer. “Ironie”, schreef Brandt, “wil
zeggen: geveinsde onwetendheid. Het is dus, spottend, het omgekeerde zeggen van
wat men eigenlijk bedoelt. De werkelijkheid ener situatie observerend,
formuleert Bomans zijn indrukken zodanig, dat men door de bewust of onbewust
ervaren tegenstelling tussen het objectief geziene en het commentaar van de
auteur, die werkelijkheid plotseling in een heel ander licht of perspectief
ziet.
Dit is een soort humor die meer met filosofie dan met het opzettelijk nastreven van een komisch effect te maken heeft, en Bomans staat in dit opzicht dichter bij Socrates, wanneer deze zijn bedenkingen tegen schijn-wijsheid opperde, dan bij Dickens” (p. 62-63).
Brandt schreef een veelzeggend stuk. Bomans was in humoristisch opzicht gevoed door Dickens maar door zijn ironie, kwam Bomans eerder uit bij Socrates – de vader van de filosofie – dan bij Dickens.
Er is nog iemand die zinvolle dingen over de humor van Bomans heeft gezegd. Dat was schrijver/dichter Bertus Aafjes. Hij wees erop dat men de vermakelijke verhalen van Bomans eens goed moest lezen, want daar zat “een satire in, even scherp als die van onze grootste satiricus uit de middeleeuwen: Erasmus…” (Bomans was de naam, p. 52).
Dickens, Socrates, Erasmus, ironie, satire en humoristisch geweld. Hoewel ik het werk van Dickens niet ken, komt dit verheven beeld overeen met mijn zienswijze, die sterk afwijkt van Fens’ schampere waardering voor de humor van Bomans, die nog niet eens humor is.
Later werk
Over de ontwikkeling van de literaire Bomans schreef Fens in 1972 het volgende:
“Er waren de laatste
jaren tekenen van een kentering. Bomans’ schrijverschap ging – hoe kan het
anders – na sprookjesachtige boeken van een aantal jaren geleden over in een bespiegelend
schrijven. (..)
In zijn meest recente werk begon een directheid op te treden die tot dan onbekend was. Het boek dat hij samen met Michel van der Plas maakte, het in 1969 verschenen ‘In de kou’, kan erop attenderen” (p. 91).
Fens nam hier een grote sprong. Hij ging van 1945 naar 1970, alsof daar niets tussen lag. Fens sloeg een kleine duizend stukken van Bomans over, bestaande uit columns, beschouwingen en essays die in Elsevier en de Volkskrant verschenen. Die stukken waren zo goed dat hij het boegbeeld werd van beide bladen. Tussen al die beschouwingen, waarmee Bomans 25 jaar eerder begon dan Fens schreef, kon Bomans zeer direct zijn, zoals eerder is aangegeven.
Kees Fens vergiste
zich nogmaals, een vergissing die hij consistent heeft voortgezet. Dat blijkt
uit ‘Op weg naar het schavot’, het eerder genoemde Boekenweekessay uit 2007.
Fens vond dat het literaire talent van Bomans’ “geen grote reikwijdte had, in stijl noch in de onderwerpen” (p. 37).
Het is goed de feiten er nogmaals bij te halen. Op grond van het lezen van ‘Werken’, het verzameld werk van Bomans, bestaande uit zeven dikke boeken, komt men de volgende genres tegen:
toneelstukken, sprookjes, gewone en sprookjesachtige verhalen, humorstukken, onzinverhalen, satiren, stripverhalen, dagboeken, psychologische verkenningen, biografisch werk, cultuur/filosofische beschouwingen, historisch werk, reisverslagen, interviews, analyses van kerk en geloof en een leesmethode voor alle klassen van de lagere school.
Bomans creëerde die wereld, ofwel, het literaire talent van Bomans had een grote reikwijdte.
Fens bleef er maar op hameren dat Bomans een slapjanus was, want hij verschool zich waar hij maar kon. Afgezien van die onjuistheid, is dat gehamer merkwaardig, want Fens voerde hiermee een buiten-literair criterium in bij de beoordeling van het werk van een schrijver. Dat is hetzelfde als een schrijver van gedichten het verwijt maken dat hij geen politieke pamfletten schrijft en dat hij daarom een onbekwaam dichter is.
Maar zou Fens wel ingenomen zijn geweest met de directheid van Bomans? In ‘In de kou’ en andere stukken was Bomans blij dat de vele vormen waarin de katholieke kerk het geloof had vastgelegd - waardoor de inhoud onzichtbaar was geworden - opgeruimd werden. Kerkafbraak vond hij prima, dat moest gebeuren, om ruimte te scheppen voor nieuwe religieuze concepten. Dat zal Fens pijn aan het hart hebben gedaan. Want de roomse vormen, waaronder kerken en kloosters, waren voor hem een levend bezit waarover hij veelvuldig schreef.
Bomans’ beste
Fens kan
weinig waardering opbrengen voor het werk van Bomans. Hij erkent wel dat Bomans
een groot stilist was maar nauwelijks een humorist. En verder was Bomans niks.
Van alle boeken die er van Bomans zijn verschenen, een stuk of zestig, vond Fens ‘Een halve eeuw trappistenleven’, waarvan hij het voorwoord had geschreven, het best. Bomans had daarin de lotgevallen van een Brabants trappistenklooster op schrift gesteld, naar mijn mening als een boekhouder.
Fens is echter van mening veranderd. Ter gelegenheid van de Boekenweek schreef hij in ‘de Volkskrant’ van 15 maart 2007 dat ‘Kopstukken’ “misschien toch wel Bomans’ beste boek” is. Dat is nu net weer het andere uiterste, want ‘Kopstukken’ is een humoristisch boek.
Fens besluit zijn bijdrage aan ‘Herinneringen’ met het weergeven van het beste werk van Bomans. Fens kennende, verwachtte ik dat ‘Een wandeling door Rome’ daar zeker bij zou horen, en biografische stukken, bijvoorbeeld over Beets en Alberdingk Thijm. Maar dat is niet zo. Het beste van Bomans is naar de maatstaven van Fens vrijwel niets: drie stukkies en dat boek over het klooster. Die werkjes vond Fens zo goed, omdat Bomans daarin de ernst niet kon wegschrijven.
In andere stukken deed hij dat wel, waardoor hij geen groot schrijver was geworden.
Verdwijnen en laten verdwijnen, zo luidde de titel van de bijdrage van Fens aan het boek ter herinnering aan de in 1971 overleden Bomans. Het is een prachtig geschreven stuk, zeer intelligent opgebouwd, staat als een huis maar de basis is smal, eigenlijk niet meer dan een punt: Beets. Een groot aantal essentiële zaken komt in het stuk van Fens niet voor. Daardoor is het inhoudelijk zwak. Desondanks wist de toonaangevende Fens Bomans hiermee weg te schrijven. De titel Verdwijnen en laten verdwijnen, slaat meer op de werkzaamheden van Fens dan op die van Bomans.
Zelf ben ik van mening dat Bomans zich geheel niet verstopt heeft en dat zelfs zijn humor ernstig was, want veelal ironie en satire. Ik mag de zienswijze van Fens graag gebruiken voor mijn eigen mening: Doordat Bomans – een groot stilist – liet zien wie hij was en de ernst niet schuwde, was hij een groot schrijver. Maar ja, dat mag nog steeds niet gezegd worden. Daarom sluit ik me aan bij oud-premier Dries van Agt, die tijdens een bijeenkomst van leden van het Godfried Bomans Genootschap in 2002, de volgende woorden sprak:
“Bijna dertig en een jaar geleden ging Godfried Bomans heen. Hij liet ons een rijk oeuvre na, een paradijselijke oogst, die wij niet kunnen ophouden te savoureren en die in onze harten verder rijpt.”
Verantwoording illustraties
1. Foto van Kees Fens, achterkant van ‘De
gevestigde chaos’, derde druk, 1975. Boek met opstellen en kritieken aangaande literatuur. In het
voorwoord komt deze passage voor: “De
meningsvorming inzake veel literaire werken laat zich het best als een
gevestigde chaos omschrijven, gevolg van het feit dat een literair werk voor
andere lezers op andere punten open staat. Wellicht kan dit boek die chaos nog
iets vergroten.”
2. Pagina 3 van ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, 1972.
3. Tekening van Harry Prenen, voorstellende de fictieve oud-minister uit ‘Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas’, 29ste druk, 1983.
4. Pamflet tegen kernwapens uit 1951, gedeeltelijk.
5. Bomans en schrijver Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel) aan hun wekelijkse partijtje schaak.
6. Gedeelte van achterkant van vertaling van ‘Winnie de Poeh’, tiende druk, 1994.
7. Drie insecten uit ‘Erik’, 40ste druk, 1979. Tekeningen van Karel Thole.
8. Voorkant van ‘Op weg naar het schavot’ van Kees Fens, het Boekenweekessay van 2007.
9. ’Werken’, de zevendelige verzamelbundel van Bomans’ oeuvre uit ‘Godfried’ van september 2005, het tijdschrift van het Godfried Bomans Genootschap.
10. Voorkant van ‘Trappistenleven’, zesde druk, 1978.
20 juni 2008