Bomans, Heyboer en Kramer
(deel 2)

Enige jaren terug zag ik op televisie een reportage over Anton Heyboer. Hij woonde in een verbouwde loods temidden van een zwerm vrouwen en honden. In zijn atelier maakte hij aan de lopende band kunstwerken. De in lompen gehulde man met hoed, nam een stel kwasten in zijn hand, doopte ze in verf, veegde even over een vel papier, en klaar. Met pretoogjes kraaide hij iets van: “Alweer een kunstwerk af”, en “Wat ben ik toch een geweldige kunstenaar.”

Twee jaar terug overleed Heyboer (1924-2005). Naar aanleiding daarvan schonk NRC Handelsblad op 11 april veel aandacht aan deze markante figuur. Het artikel droeg de titel “Excentriekeling tegen de ‘kunstpenose’’’. In de jaren vijftig had Heyboer met sobere etsen en gouaches naam gemaakt. Zijn werk was uitgevoerd in aardetinten en opgebouwd “volgens zijn eigen ‘systeem’ van kruizen, figuren, ruiten en cirkels, soms aangevuld met een tekst in rode verf.” Zijn vroege werk was naar eigen zeggen ‘kunst voor intellectuelen en beleggers’’, dat z’n weg vond naar musea in binnen- en buitenland. Later legde hij zich toe op schilderwerk. Daarmee had hij veel succes. Heyboer zei daarover: “En voor diezelfde penose ben ik een ramp geworden, want ik heb alles in de war gegooid door hier (in Den Ilp) goedkope kunst te gaan maken.”

De NRC gaf de volgende levensloop van Heyboer: Hij werd in Nederlands-Indië geboren, woonde in Haarlem, Delft, Voorburg, op Curaçao, in Haarlem, Berlijn (wegens tewerkstelling in bezettingstijd), Borger (in boshut), en in Frankrijk en Spanje (op zwerftocht). Begin jaren vijftig hield het zwerven op en belandde hij op de psychiatrische afdeling van Santpoort waar een psychose werd geconstateerd. Omwille van zijn geestelijke gezondheid, ging Heyboer etsen maken. Ongeveer tien jaar later betrok hij in 1961 de loods in Den Ilp. In dat dorp werd met afgrijzen gereageerd en niet alleen, omdat hij een harem meenam: Maria, Lotti en Joke. Later kwamen Marike en Petra daar nog eens bij. In die omgeving werd Heyboer de bestverkopende kunstenaar van Nederland. In de jaren zeventig verklaarde hij, dat hij anderhalf miljoen gulden per jaar beurde. Heyboer bleef schilderen. Bij zijn dood liet hij zijn bruiden 80.000 goed verkoopbare schilderijen na.
In dit gedegen overzicht van Heyboer’s leven komen Bomans en Mulisch niet voor. De NRC sloeg de jaren vijftig over.

Onlangs verscheen een boekje van Erna Kramer, dat alleen in dagblad Trouw onder de aandacht van lezers is gebracht. Kramer was de tweede echtgenote van Heyboer. Ze schreef een mooi boekje, met veel foto’s en een stuk of tien afbeeldingen van Heyboer’s etsen. Op de achterflap schreef de uitgever, dat er over de jaren ’50 niet zo veel bekend was, “terwijl deze zogeheten ‘Haarlemse jaren’ de wordingsgeschiedenis van Heijboer sterk hebben beïnvloed.”

In de jaren vijftig ging Haarlem bruisen, wat te danken was aan de sociëteit Teisterbant. Teisterbant bundelde schrijvers, kunstenaars, intellectuelen en kunstminnenden. Zij troffen elkaar bij redevoeringen, discussies, ruzies en braspartijen. Op cultureel gebied gebeurde er veel. Genoemd moet worden het eerbetoon in 1952 aan de overleden grote schrijver en erevoorzitter dr. Alberdingk Thijm (1864-1952). Harry M.G. Prick (1925-2006), biograaf van Thijm, toonde zijn enthousiasme over de bijeenkomst, die volledig geslaagd was, en dankte “vooral Bomans’ bemoeiingen” (Herinneringen, p.192).
In 1955 werd de Roverssymfonie met het Noord-Hollands Philharmonisch Orkest in het Haarlemse Concertgebouw opgevoerd, ter ere van de vijfde verjaardag van Teisterbant. En in 1956 organiseerde de sociëteit proza- en poëziewedstrijden. Met plezier brengt Erna Kramer verder de kunst-, literatuur-, muziek- en filmavonden in herinnering.

Erna Kramer had ergens gelezen dat Heyboer (Kramer schrijft consequent Heijboer) de periode met haar had afgedaan als ‘vijf jaar paling vissen in IJmuiden’. Kramer voelde de innerlijke behoefte om “de dingen te vertellen zoals ze gebeurd zijn”(p.5) en schreef het boek ‘Anton Heijboer 1952-1959, Het verzonken leven’, als een brief aan haar overleden echtgenoot, om zijn “geheugen wat op te frissen” (p.11).
Kramer werd in 1937 te Haarlem geboren. Eind 1952 zag zij geregeld een man met zijn bakfiets langs haar ouderlijke woning in de Wilhelminastraat komen, en zij wist: dat is hem. Begin 1953 maakten ze met elkaar kennis. Met die bakfiets, was Heyboer aan het verhuizen geweest, van ’t Paradijsje in de Witte Herenstraat naar het Klein Heiligland.

Vrijwel direct na de eerste kennismaking introduceerde Heyboer op schuchtere wijze Erna bij een vriend en zijn vrouw “die in de Zonnelaan woonden. Ik bleef zolang buiten wachten”, schreef Kramer, “op de hoek van het Spaarne. Na een tijdje kwam er een grote, donkere, vriendelijke man op me af, die vroeg:
‘Ben jij het meisje van Ton?’ Ik knikte; hij nam mijn fiets aan en stelde zich voor als Godfried Bomans. ‘Kom maar mee’, zei hij. Samen liepen we naar de Zonnelaan. Pietsie, de vrouw van Godfried, ontving mij allerhartelijkst” (p.11).

Kramer schreef verder: “Ikzelf woonde nog bij mijn ouders en ging naar school. Jij was negenentwintig en had al veel meegemaakt. Godfried had ervoor gezorgd dat je in ’t Paradijsje terechtkwam, een plek waar meer kunstenaars(..) woonden (p.12).

Je stapte naar de oude schilder Henri. F. Boot, die in twee bij elkaar gevoegde huizen aan het Klein Heiligland woonde, en vroeg of je bij hem kon komen wonen en werken. Boot keek je doordringend aan. Het mocht (p.15).

In het huis van Boot was het een onbeschrijflijke bende. (..) Je was weer begonnen te etsen. De etsplaatjes waren in het begin niet zo groot, omdat er niet genoeg geld was voor zink. Je hebt de halve dakgoot van meneer Boot gesloopt om toch te kunnen etsen.

Godfried kwam te hulp en gaf jou vijf gulden in de week om te kunnen leven. Voor kunstenaars was er in die tijd de ‘contraprestatie’: (..) 19 gulden in de week (..) Godfried was de redder in nood (p.16).

In het huis van Boot (..) legde je een nieuwe basis van waaruit je kon werken en leven. (..) De etsen die je maakte gingen over de dierbaren om je heen (..) Je bouwde je eigen systeem, met vormen van ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk principe’, met (..) verwijzingen naar het heelal, naar God en Jezus.

Met Godfried, die van huis uit katholiek was, met mijn ouders en mijn twee broers, Hannes en Paul, voerde je lange gesprekken. Die gesprekken deden je goed. Je was op zoek naar de zin van je bestaan, naar wie je was” (p. 17).

Erna, het nieuwe meisje van Heyboer, bracht in zijn omgeving beroering. Dat lag voor de hand. Ton had een vrouw en een zoon, Andries genaamd (kunstschilder, in juni 2007 op 54-jarige leeftijd overleden). In die tijd was scheiden een grove schande en een man van 29 jaar oud met een schoolmeisje van 15 jaar was nog veel schandelijker.

Kramer: “Sommige mensen wilden niet meer met je omgaan. Anderen verzoenden zich langzaam met jouw scheiding van je gezin. Bij Godfried en Pietsie waren we welkom. Ze spraken wel af en toe over wat er gebeurd was met jou, je vrouw en je kind, maar ze verweten je niets. (..) In september 1953 vertrokken Godfried en Pietsie voor een jaar naar Rome. We voelden dat als een gemis (p.19).

In die dagen begon je je ‘systeem’ op te schrijven, grote vellen papier schreef je vol met een systeem van de cijfers 1 tot en met 9, de cijfers uit de kabbala (p.22).

Andries groeide op bij z’n grootouders. (..) Toen hij jou rond zijn twintigste levensjaar probeerde op te zoeken in Den Ilp, kwam hij niet verder dan de voordeur (p.23).

De winter van 1953-1954 was een koude winter. (..) De etspers en andere benodigdheden stonden naast het bed, en daar, in de kou, begon je veel te etsen. De figuurtjes die je maakte, de bootjes, driehoeken, rechte lijnen, alles had een betekenis (p.24).

We kochten een sloep (..) Later in IJmuiden kwam er een zeiltje op en een nummer (p.27)

De mannen werden vissers. Zo begonnen jullie (Heyboer en Ton Verpoorten) er ook uit te zien. Vismanden, touwen, netten, ook dat werd op papier vastgelegd (p.28).

Jij en het geloof. Je praatte er veel over, met mijn ouders, met een vriend van mijn ouders die pater was. Je had veel vragen. Vooral de figuur Jezus was belangrijk, je identificeerde je op een bescheiden manier met hem. (..) Het geloof gaf je inspiratie. (..)

Het menselijk bestaan en de wereld van de geest probeerde je tot één geheel aaneen te smeden. Op grote vellen papier schreef je op wat voor jou de oorsprong was van ‘geest’ en ‘materie’ (p.31).

In oktober 1954 kwamen Godfried en Pietsie terug uit Rome en brachten een scooter mee. Soms bracht Godfried me daarop naar school, waar Godfried en de scooter veel bekijks hadden. Ik talmde dan met afstappen, zodat iedereen het goed kon zien (p.32).
Ons leven werd langzaam wat socialer. (..)
We gingen regelmatig naar Teisterbant, de kunstenaarssociëteit in de gewelven onder café-restaurant Brinkmann aan de Grote Markt.
Godfried was voorzitter van Teisterbant, Lodewijk van Deyssel was erelid. (..) Er waren literaire avonden waarop schrijvers werden uitgenodigd, zoals de Haarlemse schrijver Harry Mulisch, die toen net Archibald Strohalm had geschreven (p.34). Joop Landré, de latere voorzitter van de Tros, was nog een tijdje voorzitter van Teisterbant. Hij maakte films in die tijd. Boebi Brugsma, de oorlogscorrespondent, kwam vaak op de sociëteit (p.36).

We werden vrienden met Godfried en Pietsie, met Harry en Rieks, met Frans Verpoorten en zijn vrouw Emmy, met Boebi, Jules en Polly Chapon (..). De vriendschappen waren vol betekenis. We voerden eindeloze gesprekken. Het was pas negen jaar na de oorlog; ieder had zijn eigen ervaringen, traumatische ervaringen soms. (..) Boebi had in Buchenwald gezeten en jij in een Duits interneringskamp. Harry zat gemangeld tussen z’n joodse moeder en z’n Oostenrijkse vader (p.36-37).

Teisterbant, zoveel talent kwam er samen, zoveel inspiratie kwam eruit voort. Ik herinner me twee speciale avonden. Een ervan was die van de opvoering van de Roverssymfonie (..) De tweede avond was een modeshow, die boven bij Brinkmann gegeven werd. (..) De mensen die meededen waren schitterend gekleed in allerlei kostuums. Harry en jij sloten de rij, hand in hand, met een lucifersdoosje op jullie neuzen. De toeschouwers vonden dat wat gênant. Jullie kregen geen prijs en met gespeelde woede trokken jullie de doosjes van jullie neuzen, gooiden ze op de gronden vertrapten ze als twee kleine jongens, luid protesterend” (p.37-38).

Ton Heyboer nam later zijn intrek in het ouderlijk huis van Erna Kramer, toen nog Postma geheten.

Kramer: “Godfried, Harry en jij brachten hele avonden door op die grote kamer. Jullie spraken over jullie vaders, strenge, autoritaire mannen, waaronder jullie - gevoelige jongens, alle drie - te lijden hadden gehad, emotionele schade hadden opgelopen, ieder op zijn manier. (..) Er ontstond een soort driemanschap tussen jullie. Je was soms jaloers op de band tussen Harry en Godfried, omdat ze beiden schrijver waren (..). Als Harry het had over de verschillen tussen zijn schrijverschap en dat van Godfried, kon er onderling wrevel ontstaan. Jij speelde daarop in en probeerde - tevergeefs - een wig tussen hen te drijven (..). Er waren felle discussies (p.39).

Godfried had inmiddels een Citroën deux chevaux gekocht. Hij nam ons mee naar lezingen die hij overal gaf. Eén ervan was in Leiden, voor studenten. Ik mocht als vrouw niet mee de bestuurskamer in, dat was zo in die tijd. Dat mocht wel toen Godfried zei dat anders de lezing niet doorging (p.46).

Met Godfried en Pietsie bezochten we vrienden van hen in Antwerpen, Edgar en Liesbeth Boonen (..) We zochten (tijdens een andere tocht, ed. k.) in De Panne aan de Belgische kust de dichter Karel Jonckheere op, en de schrijver Willem Elsschot en zijn vrouw Fine in hun buitenhuis. Godfried en Elsschot, een norse, bonkige man, mochten elkaar graag. (..) Soms ging Pietsie mee, soms bleef ze thuis (..) We bezochten Arnold, de broer van Godfried, die in een klooster zat waar je niet mocht praten (p.47).

Haarlem begon tot leven te komen. Naast Teisterbant kreeg je de Ark van de heer De Boer (..) en Het Goede Uur van de familie Grommers (p.48).

Erna en Ton besloten in augustus 1956 te gaan trouwen.

Kramer: “We vroegen Harry en Godfried om onze getuigen te zijn. Ze stemden in” (p.53).

In verband met het kerkelijk huwelijk drong de moeder van Erna erop aan dat Ton katholiek zou worden. Bomans regelde een spoedprocedure. Op 15 september trouwden ze in de kleine Mariakapel.

Kramer: “Het getrouwde leven beviel ons. (..) We wilden allebei een kind. Je miste Andries nog steeds. Ik raakte zwanger en je vond het prachtig. (..) Toen je het nieuws aan Godfried en Pietsie vertelde, wilden zij de wieg geven (p.59).

Omstreeks die tijd beleefden we bij Harry thuis aan het Staten Bolwerk de Hongaarse opstand (1956) op een grijze, stormachtige zondagmiddag in oktober. Allemaal voelden we de angst voor weer een nieuwe oorlog. Terwijl Harry en jij daarover praatten en de spanning bij ons opliep over wat er allemaal zou kunnen gebeuren, werd de storm buiten steeds heviger en rolde er vlak voor het huis met veel lawaai een enorme boom om. Dat was een ‘omen’ (voorteken), zeiden jullie. Rieks en ik werden hier niet door gerustgesteld (p.63).

Niet lang daarna besloot Rieks Harry te verlaten. Harry had te veel oog voor ander vrouwelijk schoon. (..) Later die avond was Teisterbant afgeladen met Amsterdamse en Haarlemse kunstenaars, die zich van de galerie naar de sociëteit hadden verplaatst. Er werd gedanst en heel veel lawaai gemaakt. Het werd een spektakel. Jij bespeelde de piano en de Japanse kunstenaar Tajiri en schrijver Cees Nooteboom maakten roffelend geluiden op de piano, Cees Nooteboom met een pollepel. In de vroege uurtjes kwamen we thuis (p.65).

Onze dochter werd geboren op 9 juli 1957. We noemden haar Marcelle Marie (..) Marcelle werd gedoopt in de kathedraal St.-Bavo. Ze kreeg een wit jurkje aan met een hoedje. Godfried en mijn moeder, die peetvader en peetmoeder werden, hielden haar ten doop (..) (p.68-70).

Je kocht een oud grijs autootje. Een rijbewijs vond je niet nodig. Godfried had je in zijn deux chevaux leren autorijden, zelfs in de rouwstoet naar de laatste rustplaats van Harry’s vader.

Het leven met de baby bracht zo z’n verandering. We gingen minder uit; in plaats daarvan kwamen de vrienden bij ons. Harry bracht Ineke Verwayen mee en jullie spraken over verliefd zijn en het vaderschap (p.70).

Toen Marcelle negen maanden oud was stierf onverwacht mijn vader (..) De uitvaart was plechtig, met veel familie en vrienden. Godfried en Harry stonden jou tijdens de begrafenis bij. Godfried, die iets zo fijntjes kon zeggen en zo de juiste plek kon raken (p.77).

Het leven dat we leidden begon je te benauwen. Harry was inmiddels naar Amsterdam vertrokken. Verschillende vrienden veranderden van leefklimaat. Teisterbant en zijn gasten veranderden, een jongere generatie kunstenaars begon de sociëteit te bezoeken (p.78).

Na de dood van mijn vader had het leven in de Wilhelminastraat zijn aantrekkingskracht verloren. Je wilde weg (..) Een boot was de enige oplossing, besloot je. (..) Het eerste wat je deed was onze boot de Ste. Marcelle dopen. (..) Een koperen crucifix, het huwelijkscadeau dat we van Pietsie en Godfried hadden gekregen, hing je in de mast (..) (p.78-79). In Amsterdam meerden we aan tegen de walkant van de Oudeschans (p.82) (..) Harry kwam soms langs met Ineke” (p.84).

In het najaar van 1958 pakte Erna haar spullen en vertrok met kind naar Haarlem. Op de laatste bladzijde schreef Kramer: “Marcelle is balletdanseres geworden. De toegang tot jou werd voor haar en voor haar zoon (..) afgesneden”(p.88).

Louis Ferron (1942-2005), die zelf over Teisterbant heeft geschreven (De keldergang der heren), moedigde Erna Kramer vlak voor zijn dood aan, een boek te gaan schrijven. Ferron zei: ‘Erna, jij moet over de Haarlemse periode schrijven, je hebt een schat aan informatie’ (p.78). Daar is het dan in 2007 van gekomen. Heyboer’s tijd met Erna Kramer bleek inderdaad uit meer dan vijf jaar paling vissen te hebben bestaan.

In het tijdschrift Hollands Diep van 20 december 1975 stond een fors artikel met de titel De haat-liefde tussen Anton Heyboer & Godfried Bomans. De introductie liet weten, dat Bomans in 1975, vier jaar na zijn dood, via zijn werk nog springlevend was en Heyboer grote bekendheid genoot, niet zozeer door diens werk maar door zijn leven.

Het stuk was geschreven door Aad van der Mijn, van wie ik verder niets afweet. De naam is mogelijk een pseudoniem. Maar hij kon schrijven en was goed op de hoogte. Erna Postma (Kramer) was een belangrijke informatiebron. Zo wist Van der Mijn dat Bomans getuige was geweest bij Heyboer’s tweede huwelijk en de peter was van zijn dochter Marcelle, Ton geld gaf en ook andere problemen voor hem oploste.

Op zekere dag belde Van der Mijn Heyboer op met het verzoek te mogen langskomen, om te praten over zijn vroegere vriendschap met Bomans. Daar had Heyboer geen zin in. Het verleden was het verleden. Hij wilde liever over het nu praten, over zijn werk en zijn leven. Dat vond Van der Mijn ook goed, als Heyboer wilde vertellen waarom zijn tijd met Bomans niet meer interessant was. Er werd een afspraak gemaakt.

Een paar uur later belde Maria (een van de ‘bruiden’) terug: “Ton heeft nagedacht”, zegt zij. “Hij heeft helemaal geen zin om over Bomans te praten. Er komen allemaal van die vervelende dingen boven (..) hij vindt het zonde van de tijd”. Ook bleek, dat Bomans Heyboer niet meer had willen zien. Bomans had gezegd dat Heyboer een dimensie aan zijn leven had toegevoegd waartoe hij niet bereid was. Hij had dan alles moeten weggooien wat hij tot dan toe had geschreven. Maria merkte op: “Het waren dus eigenlijk helemaal niet zulke erge goeie vrienden.”

Van der Mijn vertrok naar Den Ilp waar Heyboer zijn loods had staan. Hij werd door Maria en een stel enorme honden begroet. Even later zaten hij en Heyboer middenin een kale ruimte. De honden waren in de hokken langszij gestopt en Lotti, Marike en Maria waren daar op gaan zitten, en keken een beetje neer op de gesprekspartners. Er heerste een haast religieuze rust. Heyboer begon uit zichzelf over Bomans:

“We gingen wel veel met elkaar om, maar ik mocht nooit bij hem binnenkomen. Mari Andriessen, Otto de Kat, Kees Verwey, die mensen kwamen bij hem binnen, die mochten de salon in. Ik denk dat zijn vrouw niet wilde dat ik binnenkwam. Ik zat altijd met Godfried te praten op een bank in de tuin, met dikke jassen aan.”

Van der Mijn: “Je haalde met Bomans en Mulisch toch vaak veel grappen uit?”

Dan volgen enige anekdotes waarin Heyboer zijn stropdasje (een dropveter) tijdens een lezing opat, een tocht naar België en een bezoek aan het klooster waar de broer van Godfried verbleef. Vervolgens stelde Van der Mijn vragen om de kwaliteit van de vriendschap en de staat van het geheugen van Heyboer te toetsen.

 

Van der Mijn: “Bomans heeft toch een hoop dingen voor je gedaan?”

Heyboer: “Wat dan?”

vdM: “Hij gaf je toch geregeld geld?”

H: “Da’s waar. Een gulden per dag. Dat was heel wat in die tijd.”

vdM. “Bomans heeft je toch aan een huis geholpen, zodat jij uit Santpoort weg kon?”

H: “Dat was vóór mijn tijd geweest, ik kende hem toen nog niet. Hij had alleen van mij gehoord.”

vdM: “Hij heeft toch gezorgd dat je op een eenvoudige manier katholiek kon worden, toen je dat wilde?”

H: “Daar heb je weer zoiets. (..) Alles wat je ophaalt uit die tijd, daar zitten weer vervelende dingen aan (..).”

Van der Mijn stelde de volgende vraag: ”Je ziet Mulisch nooit meer?”

Heyboer: ”Ik heb hem een tijd geleden nog één keer gezien, op het Leidseplein. Ik ging achter hem staan. Ik zei: ‘Zo bent u ook beroemd? Uiteraard zei Harry, anders zouden wij niet praten met elkaar.’” (..) Het was in de tijd dat Harry zich bezighield met politiek, met Cuba en het communisme. Dat is echt iets voor mensen als Harry, mensen die zelf niets meemaken, gaan zich bezighouden met zulke dingen. (..) Dat leven van Harry is leeg. Er gebeurt niets in zijn eigen leven, daarom laat hij zoveel gebeuren in zijn boeken. (..) Toen Harry wegging uit Haarlem kwam hij bij Lyda Polak terecht. Nou, daar zit hij nog, met twee kinderen op schoot, voor het raam. Harry is altijd op zoek geweest naar liefde. Harry had liefde nodig, een aardige vader. Vroeger was Godfried die vader voor hem. Godfried wás een aardige vader. (..) Voor mij was Godfried óók een vader. Ik zocht dat óók in hem. Ik had dat óók in mijn jeugd gemist. Alleen, ik kon er niet tegen wanneer Godfried weer zo vreselijk aardig voor me was.”

vdM: “Je wou dat dan bewust verbreken?”

H: “Ja, ik kreeg het daar gewoon benauwd van.”

Hierna volgen twee verklaringen van ooggetuigen waarin Heyboer zich van zijn onvriendelijkste kant had laten zien. Een ervan is deze. De schilder Kees Verwey en zijn vrouw waren uitgenodigd voor een etentje bij de Bomansen. Bomans kwam maar niet opdagen. “Toen hij verscheen was hij lijkbleek. Hij was bij Heyboer geweest. Heyboer had tegen hem gezegd: (..) ik ben beroemd, ga weg, ik heb je guldens niet meer nodig.”

Van der Mijn en Heyboer hebben het nog eenmaal over Bomans. De breuk tussen Bomans en Heyboer, waarover Maria tijdens het telefoongesprek sprak, wordt daardoor duidelijker. De leefwijze van Bomans, midden in de maatschappij, deugde volgens de aan de uiterste rand van de samenleving verkerende Heyboer niet. Hij zei dat Bomans “altijd in de maatschappij (is) gebleven”, om “alleen maar veel geld te verdienen” waar hij “zijn hele leven mee (heeft) verknoeid. Hij heeft niets met zijn leven gedaan. Zijn broer in het klooster zag hij als een patiënt. Hoe kun je dat zeggen van een man die zo tot het uiterste gaat?”

Als goed journalist paste Van der Mijn het principe van wederhoor toe. Hoe zag Bomans Heyboer? Bomans was in 1975 al jaren niet meer aanspreekbaar, zijn vrouw wel. Zij stond een interview toe. Voor zover bekend is dit het enige interview dat de weduwe van Bomans na het overlijden van haar man in 1971 heeft gegeven.

Van der Mijn: “De vrouw van Bomans wil de rust in de omgeving van haar huis bewaren. Door de telefoon zegt zij: ‘Godfried vond hem een boeiende man. Ik werd ook erg door hem geboeid, maar soms hield de vriendschap ineens op. Dan werd Heyboer ineens heel vijandig. Ik heb nooit geweten hoe dat kwam. Godfried was dan helemaal verbijsterd.’”

De vragen over de steun die Heyboer kreeg, wimpelt mevrouw Bomans af. Dan vraagt Van der Mijn:

“Hij mocht u wel?”

Mevrouw Bomans: “Dat lijkt me wel? Dacht u niet? We mochten alleen nooit in Den Ilp komen – waarom dat weet ik niet. Hij wou ook niet bij ons naar binnen. Hij bleef buiten zitten in het prieeltje. Hij vond ons huis te burgerlijk (..).”

vdM: “Hij zegt dat hij niet bij ú naar binnen mocht.”

Mevr. B: “Zegt hij dat? Dat is nou het toppunt. Hoe haalt hij het in zijn hersens? (..) Godfried zag hem als een echte vriend. (..) Ik denk ook dat Godfried en Anton allebei veel aan die vriendschap hebben gehad. Dat zal Heyboer zelf toch ook wel zeggen?”

vdM: “Eigenlijk niet.”

Mevr. B: “Nee? Dat is dan toch niet eerlijk van hem. Ze hebben veel aan elkaar gehad. Ze hebben allerlei dingen samen doorgepraat en beleefd. Het zou heel onaardig zijn van Anton wanneer hij dat niet zou willen zeggen.”

Edward Krabbendam

Het vorige deel ging over Bomans en Mulisch, het volgende deel zal gaan over de vriendschap à trois.

Gerelateerde stukken: Bomans en Teisterbant en Bomans en Brouwers.

Naschrift
Het boekje van Erna Kramer - Anton Heijboer 1952-1959 - is ook in NRC Handelsblad op 21 september 2007 door Marianne Vermeijden gunstig besproken.