|
xBomans & het klooster
|
Godfried Bomans groeide in een streng katholiek gezin op. De kinderen gingen iedere dag naar de kerk. Na de lagere school bleef dit gebruik in stand. De jonge Bomans werd gymnasiast op het 'R.K. Lyceum - Haarlem'. Aan die school was een kapel verbonden die de scholieren verplicht waren te bezoeken, dagelijks. Thuis werd het katholieke gehalte verder op peil gebracht door stevig in heiligenlevens te lezen. Godfried hield zich voorts aan biecht en vasten, nam deel aan processies en liep diverse malen zwijgend door nachtelijk Amsterdam, tijdens de jaarlijkse Stille Omgang. De opvoeding die de kinderen kregen, wierp vrucht af. Het oudste kind 'Wally' (1909), ging in 1929 het klooster in. Zij werd gevolgd door Arnold Jan(1916) die vanaf 1935 als broeder Jan Baptist verder door het leven ging. |
Godfried zat daar tussenin (1913). Wat moest hij? Tijdens zijn rechtenstudie in Amsterdam, raakte Godfried bevriend met Joost Laudy. Laudy kwam bij Lizzy Breman over de vloer en hij bracht Godfried in 1935 met haar in contact. Breman was een gelovige vrouw met een mystieke inslag en grote gastvrijheid. Zij hield er een bezinningscentrum voor jonge mensen op na. Daske, de dochter van Lizzy, verklaarde in de 'Libelle' van 1972, dat Godfried daar zijn 'religieuze omwenteling' had meegemaakt. Dat lijkt me juist. Hij ging van vorm naar inhoud en van collectief gedrag naar individuele beleving. In huize Breman vond hij wat hij zocht en kwam daar zo graag, dat hij er regelmatig logeerde. Huize Breman was eigenlijk meer dan een bezinningscentrum. Kweekplaats van religieuzen is wellicht het beste woord. Van het groepje waartoe Godfried behoorde, gingen vier 'discipelen' het klooster in. Alleen Godfried en dochter Daske bleven over. Als burchten stonden ze nog overeind. Daske bezweek later en verdween in een klooster nabij Antwerpen. En Godfried? Hij ging in 1936 ook om.
Michel van der Plas heeft een biografische boek geschreven over de jonge Bomans,
dat in 1982 uitkwam. De titel luidt Godfried (1982) en het loopt van 1913 tot
1946. Uiteraard schonk hij aandacht aan Bomans' verblijf in een klooster maar
het lijkt erop, dat Van der Plas twee verschillende reizen van Bomans naar Italië,
heeft aangezien voor één reis, met één verblijf in het klooster, waardoor het
een bonte en bizarre passage is geworden. Hier wordt van twee reizen uitgegaan,
met twee bezoeken aan hetzelfde klooster. Van der Plas schreef over de eerste
reis naar Italië:
"Het korte avontuur vangt aan in de zomermaanden. Het begint argeloos; hij zal
met zijn broer Rex een maand of twee een Italiaanse reis maken" (Godfried, p.
148). Het moet een culturele vakantie worden. Godfried heeft er weinig zin in.
Na plekken als Como en Genua, leeft hij in Siena helemaal op. Ze zijn dan in
de buurt van de berg Monte Oliveto waarop een groot klooster is gebouwd en waar
vriend Joost Laudy ruim een half jaar eerder is ingetreden. De broers gaan daar
heen en "krijgen een slaapkamer in een verlaten vleugel van het grote gebouw
(..)." Godfried doet ten dele met de paters mee, Rex niet. "Na een week", schreef
van der Plas, "is Godfried er zeker van: tot dit leven is hij geroepen. Hij
valt voor vader abt op zijn knieën en vraagt hem of hij voorgoed een plaats
mag krijgen in deze gemeenschap. Hij is welkom. (..) De volgende morgen vertrekt
hij met Rex: hij moet naar huis om afscheid te gaan nemen. Tot spoedig, Oliveto"(p.149).
| Over zijn tweede verblijf die zomer in het klooster in Italië,
schreef Bomans in 'In de kou' (1969) - een boek dat tot stand kwam na een
langdurig gesprek met Van der Plas - het volgende: "Ik ben ook eens in een
klooster geweest, twee weken maar, (..). Dat was een Italiaans klooster.
Je moest dan naar Siena reizen, en van Siena met een bus naar Asciano. (..)
Vandaar uit zag je in de verte een berg en dat was de Monte Oliveto. En
daarop stond een klooster van de benedictijnen. (..) Maar laat ik je eerst
even zeggen hoe ik erin gekomen ben. In Laren woonde een mevrouw Breman"
(Werken VI, p. 340). |
![]() |
Dan volgt een verslag over Lizzy Breman, haar bezinningsoord en haar 'discipelen'. Bomans vervolgde met: "Een van die jongens is karthuizer geworden, een ander norbertijn en een derde werd trappist (p. 341-342). (..) Successievelijk waren al die jongens verdwenen, ik weet nog goed dat Joost Laudy wegging, naar de Monte Oliveto; die vertrok met een bus naar Utrecht (..). Wij stonden samen op de weg, mevrouw Breman en ik, (..). Je begrijpt hoe ik er als een boerenlul naast stond. En toen begreep ik dat ik ook moest gaan, alleen al als inlossing van een soort ereschuld (t.o.v. Lizzy Breman, e.k.), maar ik wou eigenlijk niet. Toen ben ik ziek geworden, een maand lang, ik was helemaal verscheurd. En toen ik weer overeind kwam heeft ze een gesprek met me gehad (..). Ten slotte ben ik toch gegaan, maar ik was ziek, in de war, ondersteboven, (..)" (p. 343).
Bomans keerde na zijn eerste verblijf in het Italiaanse klooster, in Haarlem terug. Daar maakte hij zijn plannen bekend, nam van familie afscheid, bedacht zich, raakte innerlijk verscheurd, en werd door Lizzy Breman naar het klooster in Italië 'geduwd'. Bomans, toen 23 jaar oud, bereikte wederom de Monte Oliveto. In het klooster viel overigens heel wat te genieten. Het was een groot eeuwenoud klooster, berekend op 880 paters terwijl er nog maar twintig waren. Bomans vond de kale refters, de door pijen uitgesleten deuren en muren en de doodstille binnenplaatsen met ruisende bronnetjes, prachtig. Hij had nog geen pij, daarvoor was Bomans er te kort, maar wel een eigen cel, "zo'n stenen kamertje met een stromatras", schreef hij, "en verder niets erin, prachtig is dat, met dat hoge bovenlicht. Ook deed ik mee met het koorgebed, dat heel vroeg in de ochtend begon als het nog bijna donker was" (p. 345). Ik kende al een beetje Italiaans, dat had ik geleerd, en ik heb het daar twee weken uitgehouden en ben toen weer teruggereisd. Waarom ik het niet gedaan heb (intreden)? Ik had een gevoel alsof ik op mijn tenen stond, alsof het allemaal subliem en tegelijk niet waar was. (..) Ik begreep dat het althans voor mij een leugen was en dat ik daar niet in mocht volharden. Ik vond het vreselijk om naar huis te gaan, want mijn ouders waren erg ingenomen met die stap (..). Wat een genade voor iemand, die aan alle kanten dreigde scheef te gaan. En toen ik terugkwam was ik weer de oude flapdrol" (p. 343). Op bladzijde 345 gaf Bomans duidelijker aan waar die leugen uit bestond. De oude paters, die hij stuk voor stuk beminde, "waren er, dat zag je aan hun kalme blije gezichten. En opeens begreep ik, dat ik op dit geluk geen recht had, dat wat bij hen een verovering bij mij een vlucht was."
Tijdens zijn eerste verblijf van ongeveer een week in het klooster, was kennelijk het vakantiegevoel zo groot geweest dat Bomans daar voor altijd wilde blijven. Weer in Haarlem bedacht hij zich maar ging onder grote dwang toch weer op reis. Na twee weken hield hij het voor gezien. Dat dit een tweede bezoek van Bomans aan het Italiaanse klooster betrof, blijkt uit bladzijde 347 van 'In de kou': "Ik heb nog iets vergeten te zeggen. Ik was net daarvoor in Siena geweest, en had daar door de achterbuurten gelopen." Dat klopt met wat zijn broer Rex over de Italiaanse vakantiereis met Godfried schreef, een reis die een maand of twee had geduurd. Rex maakte melding van vier overnachtingen in Siena. Daarna overnachtten hij en zijn broer zeven maal in Monte Oliveto (Godfried achteraf bekeken, p. 211). Vandaar ook dat Godfried tijdens zijn tweede verblijf in dat klooster al een beetje Italiaans sprak.
Edward Krabbendam
Naschrift
Dit is een bekorte en bewerkte versie van 'Bomans als monnik' dat in het tijdschrift
'Godfried' van het Bomans Genootschap in september 2006 is afgedrukt.