Bomans en politiek deel I
|
In april 1971 waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer. In de aanloop
daarvan bezocht Bomans verkiezingsbijeenkomsten van politieke partijen.
Daarvan maakte hij voor het weekblad Elsevier verslagen die later onder
de naam 'Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek' de wereld in
werden gestuurd en opgenomen zijn in de verzamelbundel Werken V . |
![]() |
![]() |
Politiek kon hem geen lor schelen maar er viel genoeg te genieten. Zijn verwondering richtte zich ondermeer op het verschijnsel verkiezingsbijeenkomst, die het duidelijkst tot wasdom kwam bij een bezoek aan Weert. Daar was de KVP (later opgegaan in het CDA) bijeen met een forum van kamerleden, staatssecretarissen en de voorzitter van die partij, Mr. F. van der Stee. Gelet op de paar kruideniers die in de zaal zaten, vroeg Bomans zich af waar die verspilling van mankracht, tijd en energie voor nodig was. 'Hierbij komt nog', schreef hij, 'dat zo'n handjevol mensen allang voor de KVP gewonnen is, anders zaten ze daar niet. Zonderling. Het moet blijkbaar gebeuren, maar vreemd blijft het' (p.103). |
![]() M.Bakker |
De inmiddels overleden Joop den Uyl, lijsttrekker van de PvdA en later minister-president, sprak in Bergen op Zoom en kwam er als redenaar bekaaid vanaf hoewel hij zijn toespraak sterk was begonnen. Toen ging het mis: 'De heer Den Uyl gaat gebukt onder het misverstand, dat je de dingen die je belangrijk vindt ook zeer nadrukkelijk moet zeggen. Dit is oratorisch een vergissing van de eerste orde. Het kan voorkomen, dat die nadruk gewenst en zelfs noodzakelijk is, maar men zij daarmee spaarzaam. Ook een paukenslag ontleent zijn betekenis aan een pianissimo vooraf of een afnemend volume daarna. Men kan niet blijven roffelen. De heer Den Uyl sprak alsof hij voortdurend aan het slot van zijn rede bezig was, in een constante opgewondenheid, die zijn toehoorders al spoedig ondermijnde. Het foutieve van deze werkwijze bleek o.a. hieruit, dat de spreker somtijds een spits meende beklommen te hebben en even hoopvol wachtte op een instemmend applaus. Dit bleef echter uit, niet uit onwil, maar omdat de toehoorders in dit slopend landschap van louter toppen niet in de gaten hadden dat hier iets extra hoogs beklommen was' (p.78-79). |
![]() J.den Uyl |
![]() H.van Mierlo |
In Amersfoort zag Bomans Hans van Mierlo (later minister) van de jonge partij D'66 aan het werk, op een woensdagavond. Bomans nam het de opperste leiding van die partij nogal kwalijk juist die avond te hebben gekozen, met drie uur lang voetbal op televisie, 'ongeveer het heerlijkste, wat er bestaat' (p.97). Hij tekende het volgende op: 'In zijn manier van spreken zit iets sympathieks, dat vooral in het begin zeer voor hem inneemt. De heer Van Mierlo wil namelijk tot elke prijs de indruk vermijden, dat hij het weet. Zodra hij een begin van stelligheid bespeurt houdt hij even in om zich op de mogelijkheid van zijn ongelijk te bezinnen. (…) Goed, hij wil het niet beter weten. Wat zulke mensen echter vergeten is het feit, dat wij naar dit zaaltje gekomen zijn in de mening dàt hij het beter weet, want anders waren we thuis gebleven. (…) Overigens zei hij een paar dingen, die mij juist leken' (p.98-100). Hans Wiegel, aanvoerder van de VVD, later minister en in 2006 nog steeds schaduwkoning van die partij, sprak in Zandvoort: 'De heer Wiegel is de beste spreker van de vier, die ik tot dusver beluisteren mocht. Ik heb mij wel duchtig verveeld, maar dat komt omdat dit soort politieke uiteenzettingen mij nu eenmaal niet interesseert en dat kan de heer Wiegel niet helpen. Hij deed het goed. Met goed bedoel ik niet, dat hij een echt spreker is, want die zijn er in Nederland niet. Hij meende alleen wat hij zei. (…) Hij zag de betrekkelijke redelijkheid van andere standpunten in, maar vond die van de VVD toch de beste' (p.82). Volgens Bomans stoelde het politieke debat op bewustzijnsvernauwing en geheimtaal. Nu zijn dat geen schokkende woorden meer, veel mensen stemmen daar zelfs mee in, maar Bomans zei dat in 1971, toen alles politiek was en politiek alles. Zelfs Wiegel - de redelijkste spreker - sloeg geheimtaal uit. Als geneesheer constateerde Bomans dat Wiegel's onbegrijpelijke taalgebruik een 'milde vorm van krankzinnigheid' (p.84) was waar ons politieke bestel aan leed. Deze analyse van het ziektebeeld was geen therapie maar toch 'een eerste stap tot genezing'. |
H.Wiegel |
Bomans hoorde liever andere taal, over andere dingen, waarmee hij de politiek
ontsteeg. Dat blijkt uit het volgende citaat: 'Terwijl de heer Wiegel ons deze
waarheden voorhield, ruiste door de muren van het zaaltje heen het geluid van
de zee, want hij sprak vlak bij de boulevard. Ik heb ervan genoten. Dit gaat
door, wat er ook gebeurt. Oneindig, als het diepe ademhalen van God zelf. Af
en toe klonk zacht het geklaag van een boei, die dwars door de woorden van de
heer Wiegel blies. Een keer scheerde zelfs een meeuw met een schelle kreet vlak
langs de ramen de donkere nacht weer in.
De gedachte, dat daarbuiten die tijdeloze dingen gebeurden verschrompelde de
spreker tot een kabouter, die tussen reuzen staat en vergeefs het woord verlangt'
(p.84). Tijdens verkiezingsbijeenkomsten viel er voor Bomans dus veel te genieten
maar dat kwam niet door de politiek.
Waar stond hij zelf in dit krachtenveld? Nergens, denk ik, hij was buitenstaander.
En partijprogramma's maakten het er niet beter op: 'Als ik zo'n programma gelezen
heb, denk ik: dat is het. (…) Je leest bijvoorbeeld, ik doe maar een greep,
dat de PVDA voor meer huizen is, beter onderwijs en een grotere welvaart, maar
weer tegen inflatie, luchtbederf en watervervuiling. Goed. Nu wil het toeval,
dat dit ook mijn standpunt is' (p.73-74). Het probleem voor Bomans was dat al
die andere partijen daar ook voor dan wel tegen waren. Hij had danig behoefte
aan partijen die juist het tegendeel beweerden. Die kon hij dan schrappen. 'Helaas',
schreef Bomans, 'die partijen zijn er niet en ik moet ze allemaal gelijk geven'(p.74).
Bomans had in 1971 op drieëntwintig partijen willen gaan stemmen maar dat was
niet mogelijk. Hij had dus geen keus en bleef op verkiezingsdag vermoedelijk
thuis. Ik denk zelfs dat hij het stemhokje al even lang gemeden had als de biechtstoel.
En dat was lang.
Edward Krabbendam