Bomans, Claus en Máxima

 

Godfried Bomans heeft zich weinig uitgelaten over het Koningshuis. In de verzamelbundel Werken komen koningin Wilhelmina, koningin Juliana en prins Bernhard enkele keren voor, meestal slechts genoemd naar hun functie. Eenmaal boorde Bomans dieper. Hij schreef het gedicht Hare majesteit de Koningin, waarin deze strofe voorkomt: ”Zij heeft niet slechts Soestdijk / En wat daar leeft te dragen / Maar moet het ganse Rijk / Met hare schouders schragen.“ Meer is er niet. Daar komt bij, dat prinses Beatrix en prins Claus in de verzamelbundel, die tot eind 1971 loopt, geheel ontbreken. Desalniettemin werd Bomans in 1968 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Cover van ‘Van hetzelfde’, 1969, detail

Claus von Amsberg werd in 1926 te Dötzingen geboren. Hij groeide op in Tanzania, bezocht de middelbare school in Duitsland, vervulde in 1944-1945 de dienstplicht, volbracht enige studies en kwam in diplomatieke dienst, eerst enige jaren in de Dominicaanse Republiek, daarna in Ivoorkust. Vervolgens leerde hij prinses Beatrix kennen. Zij verloofden in 1965. Beatrix werd door die daad in ruime kring als een (halve) landverrader beschouwd. Want alle Duitsers waren rot-moffen, en Claus had in 1944-1945 nog in het leger gediend ook. Die massale kritiek kwam van mensen, die onder dezelfde omstandigheden - Hitler’s dictatuur - precies hetzelfde hadden gedaan. Dat wisten ze niet of dat maakte niet uit. Protest! Ook tijdens de huwelijksvoltrekking in 1966 te Amsterdam, met rookbommen.

Prins Claus sprak binnen enkele jaren beter Nederlands dan zijn schoonvader, prins Bernard. Wie waren zijn leermeesters? Mogelijk heeft hij gebruik gemaakt van enkele deeltjes van ‘Pim, Frits en Ida’, een serie leesboekjes bestemd voor leerlingen van alle klassen van de lagere school. ‘In het sprookjesbos’ was de eerste aflevering. Dat verhaal was bestemd voor de kleintjes en kwam in 1966 op de markt. Gaandeweg werd de moeilijkheidsgraad hoger. ‘Diep onder de aarde’ was het achtste en laatste boekje in deze serie. Dat verscheen in 1968.

 

Cover Pim, Frits en Ida, deel 1

Tot zijn genoegen kan prins Claus in deel acht de volgende passage hebben gelezen:

“Wees daarom op je hoede, als je iemand hoort praten over: de Duitsers hebben dit gedaan, de joden dat, de Fransen zijn zus en de katholieken zo. ’t Gevaar zit in het woordje de. Want zie je, de Duitser is een bedenksel. Er bestaat altijd maar een Duitser. Het is natuurlijk wel makkelijk om op de mensen het etiket van hun groep te plakken en ’t spaart ook tijd. En toch moeten we de moeite nemen om elk mens afzonderlijk te bekijken. Je ziet dan iemand voor je, die op niemand anders in de hele wereld lijkt en waarvan er ook maar één voorradig is. Wie spreekt over de jood is eigenlijk al ‘n anti-semiet, ook als hij er iets aardigs van zegt. Hij moet praten over één bepaalde jood. Men is allereerst mens. Dàn pas ben je lid van een kerk, bewoner van een land of heb je ‘n bepaalde huidskleur” (Werken II, p. 641).

Prins Claus burgerde snel in. Dat kwam, omdat hij een ontwikkeld wereldburger was. Hij stond open voor het onbekende, hield niet van small-talk, was niet van plan het doorknippen van linten tot core business te maken en lapte het protocol het liefst aan zijn laars. Al snel ging men doorkrijgen dat Claus door zijn beschaafde optreden, zijn kennis en inzicht, ver boven de gemiddelde Nederlander uitstak. Hierdoor won hij aan populariteit. Zijn nadenkendheid werd echter niet overal begroet. In rechtse kring vond men Claus al snel links.

In de jaren zestig ging het Westen beseffen dat armoe in de wereld een complex vraagstuk was dat zeker te maken had met onze enorme welvaart. Wij heersten over bijna alle wereldmarkten en handelsstructuren. Dat is wat minder geworden. Toch kan in 2007 gesteld worden dat de macht van westerse economieën een belangrijke reden is voor honger en armoe van een miljard mensen.

Voor het armoedeprobleem moest een mondiale oplossing worden bedacht. Daartoe werd in ons land in 1970 de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie (NCO) opgericht, waarvan Claus voorzitter werd. Die functie paste bij zijn bekwaamheden en bij zijn betrokkenheid bij arme mensen, waarvan hij er in zijn jeugd zo veel gezien had.

Begin 1972 besloot de Commissie dat het Angola-comité – een linkse actiegroep – in aanmerking kwam voor 9500 gulden subsidie. Claus zei dat daarvan problemen zouden komen en dat gebeurde ook. Het Angola-comité en (daardoor) Claus kwamen onder vuur te liggen van ‘De Telegraaf’, een krant die tijdens de bezetting (1940-1945) de beste maatjes was met het Duitse gezag, maar nu de strijd tegen die ene Duitser wel aandurfde. In 1974 werd Claus weggepromoveerd.

Bomans hield van nieuwlichters en buitenbeentjes, hij was er zelf een. Hij zocht ze op, nam een interview af terwijl de camera’s snorden, bewerkte de gesprekken tot leesteksten, die in boekvorm verschenen. Televisiecriticus Nico Scheepmaker vond dit een revolutionaire vorm van literatuur maken, futuristisch zelfs. Hij noemde dat ‘schrijven op het scherm’ (Jeroen Brouwers, De wereld van Godfried Bomans, p. 107).

Aan het eind van zijn leven sprak Bomans onder anderen met pater Jan van Kilsdonk, professor Harry Kuitert en psychiater Jan Foudraine, allemaal mannen die door hun denkbeelden en hun gedrag ver van de gevestigde orde afstonden en (dus) niet gepruimd werden. Claus was ook een buitenbeentje, want als lid van het Koninklijk huis durfde hij – in alle behoedzaamheid - zijn mond open te doen. Als voorzitter van het NCO, lanceerde hij zelfs nieuwe ideeën over ontwikkelingssamenwerking.

Wouter van Dieren (1941) heeft zich altijd bekommerd om het milieu. Daardoor was hij enige tijd lid van de Club van Rome en vervult hij nog veertig verschillende functies op dat terrein. In de jaren zestig was hij producer en redacteur van televisieprogramma’s voor de NCRV. Van 1968 tot eind 1971 maakte hij ongeveer dertig programma’s, met Bomans als interviewer.

In 1972 kwam ‘Gesprekken met bekende Nederlanders’ uit, onder redactie van Van Dieren. Daarin staan bewerkingen van de gesprekken die Bomans recent had gevoerd met Van Kilsdonk, Kuitert, hoogleraar C.W. Mönnich, bioloog A.J.H Thiadens, tweedekamerlid P. Jongeling en artiest Johnny Kraaykamp. Van Dieren voegde daar twee stukken van eigen hand aan toe, die over Bomans gingen. Hij zag Bomans als geestverwant en als een reus temidden van dwergen. En die reus werd ten paleize ontboden. Op bladzijde 148-149 schrijft Van Dieren hierover:


Prins Claus der Nederlanden. Foto: Max Koot. Bron: Grote Winkler Prins, zevende druk

“Begin december is hij (Bomans) op uitnodiging bij Claus op bezoek geweest, zeer officieel, beste pak aan, diner, formeel en schuchter verzoek van de prins en diens medebestuurderen om samen met Bomans in een tweegesprek de problemen van de ontwikkelingshulp te behandelen. (..) Op maandagavond 20 december belt hij (Bomans) mij op. ‘Ik heb net een brief aan Claus geschreven’, roept hij. ‘Ontwikkelingshulp is wel een aardig onderwerp, maar we moeten oppassen dat we er zelf niet onderdoor gaan!’ (..) ‘Dat kun je zelf in je eigen programma aanvoeren’, zeg ik. (..) ‘We doen Claus alleen als ik (Bomans) ook enkele persoonlijke zaken mag aanroeren, dat heb ik hem ook geschreven’, zegt hij nog voor we afhaken.”

Een dag later, 21 december, wisselen Van Dieren en Bomans uitvoerig van gedachte ter voorbereiding van een nieuw programma - een tweegesprek van Bomans met zichzelf – dat op 1 januari 1972 zal worden uitgezonden. Tegen de avond zwaait Bomans Van Dieren uit en roept: “Ik zie je vrijdag weer.”

De volgende dag heeft Van Dieren “de indruk dat er nationale rouw is afgekondigd die het hele land in het zwart hult” (p. 159): Bomans is dood. Die vrijdag, de dag voor Kerst, wordt hij begraven.

Uitgeverij Elsevier bracht in 1972 ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ uit. In dat boek zat bovenstaande foto. Het doet denken aan een bidprentje maar is dat niet. Op de achterkant staan 20 boektitels van Bomans vermeld, die bij elke boekhandel verkrijgbaar waren.

Een jaar na zijn huwelijk met Beatrix, werd Claus vader van een zoon, die de naam Willem Alexander ontving. Deze kroonprins trouwde op 2-2-2002 met Máxima Zorreguieta (1971). Prins Claus was nog net in staat daarvan getuige te zijn. In oktober van dat jaar overleed hij.

De wieg van Máxima stond in Buenos Aires. Ze studeerde economie, was werkzaam in de bancaire sector, woonde in New York en werd verliefd op Willem Alexander. Hij nam haar mee naar ons land, waar zij met open armen werd ontvangen. Dat kon niet gezegd worden van haar vader.

Máxima viel op door haar verschijning en haar goedlachsheid. Net als Claus is ze wereldburger waardoor zij snel kon inburgeren. Het lijkt me overigens niet makkelijk om als katholiek en spontaan iemand te moeten wennen aan het stijve calvinisme in ons land, vaak vol benepenheid en toch met het grootste gelijk van de wereld.

Máxima toont zich maatschappelijk betrokken en net als haar schoonvader, durft zij soms wat te zeggen, zoals dé Nederlander bestaat niet. Ze zei ook dat dé Argentijn niet bestaat. Die nuance ging verloren in het gebrul in de media, die vaak weinig gediend zijn van nuances. De storm zou weken gaan duren, want dé Nederlander bestond wél. Toch kon niemand vertellen hoe zo iemand er uit zag. Was het een man, vrouw, jong, oud, dik, dun, blond, donker, rechts, links, intelligent, dom, beschaafd, onbeschoft, agressief, vreedzaam, een katholiek, protestant of atheïst? Dé Nederlander valt hieruit niet te destilleren, want het zijn trekjes, die alle mensen op onze aarde in meer of mindere mate vertonen.

De ontdekking die Máxima na jaren speurwerk deed, had Bomans al in 1971 gedaan ten aanzien van een ander volk, waaraan wij verwant zijn maar waarvan we verschillen. Zo klinkt Vlaams anders dan het Nederlands.

Bomans kwam graag in Vlaanderen, al in de jaren vijftig, om daar vrienden te bezoeken, zoals de schrijver Willem Elsschot. Toch moest hij bekennen, dat hij Vlaanderen niet kende. In de zomer van 1971 trok hij door dat deel van België. Hij sprak met enkele tientallen (belangrijke) Vlamingen. Daardoor ruimde hij veel misverstanden en vooroordelen op maar dé Vlaming leerde hij niet kennen. (zie ‘Bomans en Vlaanderen’ op deze site)

Pim, Frits en Ida, deel 2. Tekening: Rien Poortvliet

Ik kan me voorstellen dat Claus en Máxima als lotgenoten – (bijna) aangetrouwde familie en afkomstig uit een ander land - praatjes bij de haard maakten. Claus raadde haar aan, zo snel mogelijk het Nederlands te gaan leren. Dat vond ze goed en vroeg hem, of hij wat had, want hij had die vreemde taal al eerder moeten leren. Claus rees op van zijn luie stoel, slofte de kamer uit, ging de trap op en opende een deur. In het rommelkamertje van het paleis zocht hij een tijdje. Dáár lagen ze! Claus blies het stof eraf, veegde ze langs zijn mouw en ging naar beneden. Toen hij de kamer binnenkwam, hield hij ze triomfantelijk boven zijn hoofd, alsof hij een grote schat gevonden had. Hij gaf Máxima de boekjes. Ze bladerde wat en schonk vooral aandacht aan de tekeningen van Rien Poortvliet. Claus had één boekje achtergehouden, deel 8. Hij zocht iets. Dáár stond het! Langzaam las hij de passage voor, in het Engels. Nadat hij was uitgesproken, zei Máxima aarzelend: “so the German does not exist?” Claus knikte.

Máxima ging omwille van dit verhaal lezen en herlezen. ‘Pim, Frits en Ida’ – dat vormende Nederlandse cultuurgoed – maakte ze zich eigen. Met waardering las ze nog enkele boekjes, zoals ‘Beminde gelovigen’, waarin ze iets van de roomse sfeer van thuis herkende, die ze soms miste. Een enkele keer zag ze Bomans op televisie. Iedereen schaterde of was muisstil. Wie was die man, waarvoor haar schoonvader zo veel waardering had gehad? Ze probeerde dat te achterhalen, maar een biografie over Bomans kon ze nergens vinden. Ze snapte er niets van.
De prinsessen Máxima en Mathilde begroeten elkaar op 4 december 2007 bij het Gemeentemuseum in Den Haag. Daar namen zij ‘De schilderkunst der Lage Landen’ in ontvangst. Foto: NRC Handelsblad, 8 december 2007

De inburgering vorderde, op allerlei terrein. Máxima kreeg contact met leden van andere vorstenhuizen, zoals prinses Mathilde van België, die op 23 februari 2006 ook in Breda aanwezig was, bij de presentatie van deel 8 van de ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’, dat voorzien is van de titel Altijd weer vogels die nesten bouwen. Dat deel gaat over de periode 1945-2005. De prinsessen kregen het cadeau.

Máxima had nu de kans Bomans beter te leren kennen. Tevens zou ze een blik kunnen werpen op de stand van dé Nederlandse literatuur, en de stand van onze hedendaagse literatuurwetenschap. Stel dat ze dat dikke boek daadwerkelijk ter hand heeft genomen, is ze dan wijzer geworden? Voor die vraag geef ik het woord aan de Vlaamse schrijver/criticus/filosoof Freddy De Schutter (1948). Hij recenseerde deel 8 van ‘de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’. Hieronder volgt een bekorte versie.

Edward Krabbendam

23 december 2007


CHRISTELIJK OPINIEWEEKBLAD

--------------------------------------------------------------------------------
Tertio 342 - 30 augustus 2006 - p. 11
--------------------------------------------------------------------------------
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1945 – 2005)

Eclectisch allegaartje

Freddy De Schutter

Op last van de Nederlandse Taalunie werken vooraanstaande literatuurwetenschappers uit Noord en Zuid al vele jaren aan een mammoetproject: acht delen, elk meer dan zevenhonderd pagina’s, moeten de hele Nederlandse literatuur omspannen. Maar deze literatuurgeschiedenis eet helaas van te veel walletjes en houdt nooit consequent aan een gekozen lijn vast.

”Literatuurgeschiedenis is een erg moeilijk en ondankbaar vak. (..) Selectie bijvoorbeeld: er is een overvloed aan materiaal. Schifting is noodzakelijk. Wat neem je op, wat laat je liggen en welk criterium hanteer je daarbij? (..)

Nog moeilijker wordt het als je de geschiedenis van de hedendaagse literatuur gaat schrijven. De nodige afstand om feiten en figuren in hun juiste context te plaatsen, ontbreekt. Heel wat personages zijn nog in leven en kunnen elk moment met een ni

uw en onverwacht meesterwerk uitpakken.

Deel acht (van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, e.k.) – onder de charmante titel Altijd weer vogels die nesten beginnen – kiest resoluut nieuwe wegen. Geen verdeling volgens auteurs en nauwelijks aandacht voor biografische gegevens.(..) Die nog nooit vertoonde aanpak levert verrassende perspectieven op, maar is tegelijk de achillespees van deze geschiedenis. (..) Deze geschiedenis eet van te veel walletjes en houdt nooit consequent aan een gekozen lijn vast. Ze houdt zich nu eens bezig met receptiegeschiedenis, dan weer met literatuursociologie, schakelt vlotjes over op literaire kritiek en voor we het weten zitten we opeens midden in de pure anekdotiek.(..) Inconsequenties en grove omissies zijn door gebrek aan samenhang schering en inslag.(..) Wie het boek van a tot z heeft doorgenomen, weet exact wie ooit met wie in de redactie van welk tijdschrift heeft gezeten, wanneer een ruzie is losgebarsten, waarover die ruzies gingen en of de twist werd bijgelegd. Allemaal hoogst leerzaam”, maar pijnlijk “als je ziet hoe bepaalde hedendaagse auteurs uitbundig in het zonnetje worden gezet, auteurs van wie je nu al kunt voorspellen dat geen haan er over dertig, veertig jaar naar zal kraaien.(..) Wanneer bevinden de auteurs iemand rijp om te worden opgenomen in de galerij van de onsterfelijkheid? De criteria die ze hanteren, blijven in nevelen gehuld.

Voor de gemiddelde, niet in de letteren geschoolde lezer blijft de informatieve waarde van deze geschiedenis ondermaats. Kroonprinses Maxima bijvoorbeeld mag zich de gelukkige eigenaar van deel acht noemen. Stel dat Maxima ergens de naam Godfried Bomans heeft opgevangen. Zij gaat ijverig bladeren en verneemt spoedig dat de eminente literatuurcriticus Garmt Stuiveling in 1953 de humor van Bomans, Simon Carmiggelt en Belcampo zag als een vorm van verzet tegen hun ongelukkige jeugd. Bomans is een humorist, weet Maxima nu. Op pagina 158 wordt dat feit bevestigd: in 1955 had de humorist Bomans veel succes met Nieuwe buitelingen en met de Pa Pinkelman omnibus. Maar waren er dan ook Oude buitelingen? En wie is die Pa Pinkelman die zo’n succesrijke omnibus wist te inspireren? Maxima geeft het niet op en ontdekt even later dat in 1951 uitgeverij Spectrum in de reeks Prismapockets een herdruk uitbracht van Bomans’ Erik of Het klein insectenboek. En dat ook die reeks hoge verkoopcijfers haalde. Nieuw mysterie: insecten in een literatuurgeschiedenis?

De prinses der Nederlanden blijft moedig zoeken en ontvangt de passende beloning: op pagina 226 ziet ze Bomans in levenden lijve op een foto, naast Hella Haasse, Karel Jonckheere, Victor van Vriesland en Harry Mulisch, tijdens de opname van het populaire televisieprogramma Hou je aan je woord. Schrijvers worden mediafiguren, tekent de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur in het onderschrift aan. En daarmee moet Maxima het doen. Nee, toch niet, want er is achteraan ook nog een overzicht met verduidelijkende aantekeningen. Daar verneemt onze prinses het opzienbarende nieuwtje dat Erik van Bomans eerst als ongenummerde proefuitgave van de Prismapockets verscheen en later het nummer 32 kreeg.

Je kunt de hele opzet van dit achtste deel vergelijken met een tiental onbemande camera’s die op willekeurige plaatsen in de stad staan opgesteld. Ze werken niet de hele dag, daar is geen geld voor. Mensen of fenomenen die op het juiste moment in het blikveld van zo’n camera terechtkomen, hebben prijs. De anderen, tja. Volgende keer wat meer geluk?

Die aanpak levert soms uiterst interessante bladzijden op. Maar van een uitgave die een grote wetenschappelijkheid claimt – en ook zwaar werd gesubsidieerd – had je toch iets anders verwacht.

Voor gehele recensie, klik hier. www.tertio.be/archief/2006/T342/T342-cu1.htm



Naschrift per 22-1-2008
Op 6 oktober 2002 overleed prins Claus. Zes dagen later kwamen leden van het Godfried Bomans Genootschap bijeen in het stadhuis van Haarlem in verband met haar dertigste verjaardag. Er waren diverse sprekers. Voorzitter Fred Berendse begon zijn rede met:

“Ook wij namen met verslagenheid kennis van het overlijden van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Claus. Wij beschouwen de Prins als een van ons want het is ons zeer wel bekend dat hij de Nederlandse taal heeft geleerd met boeken van Godfried Bomans. En dat hij die bijzonder waardeerde.”


Na zijn rede, gaf Berendse het woord aan oud-premier Dries van Agt. Hij citeerde letterlijk uit een brief van prins Claus aan hem: “Ik houd van Godfried Bomans, van hem heb ik veel geleerd, en nog meer zelfs dan een verrijking van mijn Nederlandse taalschat.”