Bomans en Brouwers








Jeroen Brouwers (1940) krijgt binnenkort de Prijs der Nederlandse Letteren. Deze driejaarlijkse hoge onderscheiding zal door de Belgische koning Albert worden uitgereikt. Brouwers wordt geroemd als ‘buitengewoon stilist’ en als veelzijdig schrijver. Hij schreef romans, brievenboeken, polemieken en essayverzamelingen. Bekende titels zijn Bezonken rood, De zondvloed en Geheime kamers. Tot zijn oeuvre behoren ook twee boeken over Bomans.

In 1982 kwam ‘De spoken van Godfried Bomans’ uit. De bewerkte en uitgebreide versie stamt uit 1998 en is getiteld ‘De wereld van Godfried Bomans’. Brouwers volgde in belangrijke mate de lijn die eerder was uitgezet door Michel van der Plas, Harry Mulisch en Kees Fens. Als persoon komt Bomans er niet best van af, zijn schrijfwerk een stukje beter. De negatieve kwalificaties zijn zo bekend dat ze niet meer belicht hoeven te worden. Daarom nadruk op de positieve aspecten. Brouwers schreef het volgende: “Van het volledige oeuvre van Bomans maken de Sprookjes, en in het verlengde daarvan de ‘sprookjesroman’ Erik, de meeste kans ‘de eeuwigheid’ te trotseren. (..) Bomans is de enige sprookjesschrijver in de Nederlandstalige literatuur geworden die dit genre met meesterschap heeft beoefend (..)” (p. 58).

In Nederland weet men nog wel dat Bomans sprookjes schreef. Dan bedoel ik niet Erik of het klein insectenboek, waarvan maar liefst 53 herdrukken zijn verschenen, want dat is naast een sprookjesroman voor kinderen een satire voor volwassen. Ik bedoel échte sprookjes. Bomans is de enige sprookjesschrijver van formaat die ons taalgebied rijk is geweest. Brouwers legt daar terecht nadruk op, want velen gaan aan die volstrekt unieke positie van Bomans voorbij.

Tegenover de rest van het oeuvre stond Brouwers bijzonder kritisch. Hij schreef dat hij het werk van Bomans soms herlas “mij steevast ergerend aan wat hij schreef en gelijktijdig hem hooglijk bewonderend om hoe hij schreef” (p. 82). Wat Bomans schreef was dus niet veel soeps maar wel meesterlijk in woorden gevat. Dit is nog steeds de heersende mening in de wereld van schrijvers en Neerlandici. Over de stijl merkte Brouwers op: “Al is het niet bon-ton om te zeggen, ik zeg het tòch: ik heb van de vormgever, de stilist, de nu en dan volmaakt schrijvende Bomans veel geleerd” (p. 82). Toen Brouwers aan het boek over Bomans bezig was, kreeg hij van iedereen ‘de spontaan-verbijsterde vraag’: ‘Wat heb jij nou met Bómans te maken?!’ Zijn antwoord was: ‘Ik ben familie van hem’ (p. 83). En hij vervolgde met: ‘Nog andere schrijvers hebben, bewust of niet, van hun schatplichtigheid aan Bomans blijk gegeven. Dan volgen namen als Heere Heeresma, Doeschka Meijsing, Maarten Biesheuvel, Bob den Uyl en zelfs Willem Frederik Hermans. De meest opvallende naam is echter die van Harry Mulisch. Daarvoor moeten we terug naar Haarlem. In die stad woonde de literatuurpaus Lodewijk van Deyssel, tevens stilist. Op hoge leeftijd raakte hij bevriend met Bomans. Daarvan ging een grote invloed uit. Later raakten Bomans en Mulisch bevriend, niet zonder gevolgen. Brouwers schreef:

“Schrijven over Bomans zonder óók te schrijven over (..) van Deyssel is niet mogelijk (..) maar eveneens is het niet meer mogelijk om over Bomans te schrijven zonder ook over Mulisch te schrijven. (Louis) Ferron doet dit in een van de boeiendste hoofdstukken van zijn Teisterbantboek: Mulisch en de Haarlemse mythe, daarin aantonend dat het leven van Mulisch zonder Bomans ànders zou zijn verlopen, en zijdelings ook dat het werk van Mulisch, zonder dat van Bomans, er ànders zou hebben uitgezien (p. 80). (..) Wordt Mulisch in het boek van Ferron ‘de kleinzoon van Thijm’ (van Deyssel) genoemd, - hij was dus de zoon van Bomans” (p. 82).

Daar staat nogal wat. In literair/familiair verband was Bomans zoon van Van Deyssel en vader van Brouwers, én Mulisch.

De boeken van Brouwers over Bomans zijn monografieën. Ze belichten enkele aspecten. Het zijn dus geen biografieën. Dat had ook niet gekund. Brouwers moest het doen met de informatie die hem ter beschikking stond. Zijn eerste boek stamt uit 1982. Toen waren er nog geen dvd’s of luisterboeken van Bomans zoals nu. En toen was Annemarie Feilzer waarschijnlijk nog niet eens begonnen aan haar enorme karwei de verzamelbundel Werken samen te stellen, waaraan helaas de brieven van Bomans ontbreken. En ook al had Brouwers alle boeken van Bomans rond 1980 gelezen, dan nog had hij slechts een beperkt beeld van Bomans kunnen geven. Zijn gehele oeuvre is namelijk veel groter dan wat in (verzamel-)boeken is verschenen. Door verkoopmotieven van de uitgever en weerzin van Bomans om nog meer mensen kwaad te maken, kwamen veel scherpe stukken die in de Volkskrant of elders hadden gestaan, niet in die boeken terecht, ook niet het grote aantal langere beschouwingen en essays over cultuur, geschiedenis en literatuur, die voor gewone lezers te pittig waren. Het werk van Bomans was (is) goeddeels onbekend. Mede daardoor schreef Brouwers: ‘Bomans zou er bij de Grote Jongens van de literatuur niet aan te pas komen’ (p. 45) en hij haalde Gerard Reve aan, toen nog G. K. van het Reve: “( ) bij het geinponem G.B. aanschouwen we de rijkdom van 3 1/2 mening in de trant van ja, nee en betrekkelijk (..)”. Van het Reve hield het op ‘geslachtsloze schrijfsels’. Brouwers was het daarmee eens, gelet op zijn voortdurende ergernis als hij wat van Bomans herlas. Inmiddels heeft Brouwers zijn mening herzien, nadat hij kennis heeft genomen van het verzamelde werk van Bomans. In 1996 kwam Werken I op de markt. Daarna volgden nog zes dikke pillen, inclusief dagboeken en het radio- en televisiewerk van Bomans. In de zomer van 1999 blijkt Brouwers die verzamelbundels in huis te hebben. Journalist Hans Hoenjet was hem in Zutendaal (België) komen opzoeken. Het interview stond op 13 augustus 1999 in het weekblad HP/De Tijd. Het onderstaand fragment dat letterlijk van de geluidsband van Hoenjet is overgenomen, werd om onbekende reden niet in HP/De Tijd gepubliceerd. Jac Aarts zorgde ervoor dat het fragment in het tijdschrift Godfried van het Bomans Genootschap terechtkwam (april 2000, p. 12).

Jeroen Brouwers zei:

“Ik ben familie van Bomans. In die Haarlemse tak, daar was van Deyssel de hoofdfiguur en toen die stierf nam Bomans het over. Ik heb veel van Bomans geleerd. Bomans werd opgevolgd door Mulisch. Veel van Mulisch geleerd. (..) Van Deyssel en Bomans, dat waren stilisten! Nog steeds, tot op de huidige dag, ligt er een Verzameld Werk van Bomans, open op mijn tafel. En dan heb ik het niet over die vervelende drolligheid, maar over zijn essays … Die waren schitterend.

Nu dat Verzameld Werk voltooid is - het laatste deel verschijnt volgende maand - je zou eens moeten opperen: maak een mooie, goed geredigeerde bloemlezing uit de serieuze essays van Bomans. Je verbaast je, hoor! Je verbaast je over ‘s mans veelzijdigheid en belezenheid, zijn eruditie. En geschreven! Zo puntig, zo mooi geslepen … dat is een facet van Bomans dat altijd wordt overgeslagen, altijd die aandacht voor zijn lolbroekerij en vervelende geestigheid die ook mijn strot uitkomt. Maar als stilist is hij een van mijn leermeesters.”

Bij die woorden sluit ik me volkomen aan. Ik verbaas me al enige jaren over de veelzijdigheid, belezenheid en eruditie van Bomans en heb dat op diverse plaatsen laten blijken. Door bovenstaand citaat blijkt Brouwers meer dan een goed schrijver te zijn, die voor zijn oeuvre de grote prijs der lage landen verdient: hij is ook dapper. Hij is de eerste schrijver die lovend over de ernstige stukken van Bomans weet te spreken. Daarnaast waardeerde hij Bomans al in 1982 als de enige Nederlandstalige sprookjesschrijver en als stilistisch leermeester. En juist het buitengewoon stilistisch vermogen van Brouwers was voor de juryleden van de Taalunie een zwaarwegend element hem de Prijs der Nederlandse Letteren 2007 toe te kennen.

Edward Krabbendam