Bomans en Willem Brakman
Edward Krabbendam
Willem Brakman werd in 1922 geboren en begon zijn maatschappelijke carrière als huisarts.
Pas in 1961 debuteerde hij met ‘Een winterreis’. Dat was een gewone roman. Rob Schouten schreef na het overlijden van Brakman in ’Trouw’ (9-5-’08) het volgende: “Maar gaandeweg ontwikkelde Brakman zich steeds verder weg van het traditionele proza en creëerde een geheel eigen universum, waarin dromen, fantasieën en werkelijkheid soms onontwarbaar door elkaar lopen.”
Brakman was zeer productief. Van zijn hand verschenen 51
romans. Arjan Peters vroeg zich in de Volkskrant van 9 mei af, waar die romans over
gingen en liet het antwoord aan Brakman over: “Volgens mij moet kunst chaos aanbrengen in de orde, in dat wat te
geordend is. Speelsheid op de rand van het verbodene, fantasieën, omspelingen,
kortom: vrijheid van de geest contra de dwang der feiten.”
Schrijven was voor Brakman een heerlijke verslaving. “Met de rug naar de toekomst”, schreef
Peters, “boog deze eenling zich over zijn
eigen bestaan en bracht daar humor, huiver en luister in aan.”
In 1980 kreeg Brakman de P.C. Hooftprijs. Zijn werk was echter te exclusief om bij het grote publiek door te breken.

Van Brakman heb ik diverse boeken gelezen. Daar bleef het bij. Ik meende de structuur van zijn werk voldoende te kennen en mijn belangstelling verschoof van romans naar historisch werk. Hieronder staat mijn favoriete passage, die volgens mij representatief is voor Brakman’s schrijfstijl. Het betreft de eerste pagina van ‘Een goede zaak’ uit 1994:
“Mijn oom, mr. dr. Fink, jurist in de Residentie, bij wie ik na het beëindigen van mijn studie in de leer zou gaan, woonde op een adres dat moeilijk te vinden was. De voorbijgangers wie ik ernaar vroeg keken vreemd op, sommigen zelfs verwilderd, maar in ieder geval konden of wilden ze mij niet helpen. Erg vreemd kwam mij dit overigens niet voor, ik maak een wat eigenaardige indruk, dat is mijn ervaring, maar wie mij helpt zeg ik altijd maar is tegelijk ook van mij af. Met adressen had ik overigens altijd al een hardnekkige vete uit te vechten, mijn voogd noemde dat steevast mijn zelfkwellerige aanleg, maar dat neemt niet weg dat huisnummers die zich lang keurig gedragen vlak voor het door mij gezochte adres afbreken: door een zijsteeg, een officieel gebouw of, en dat is wel het ergste, een plein. Dat lijkt een bagatel maar voor iemand die het absolute is toegedaan
schuilt in het kleinste het grootste. Waar nummers verdwijnen, worden overgeslagen, veranderen van even in oneven dreigt voor mij de wereld uiteen te vallen en dat is des te schrijnender daar anderen zich juist zo opvallend thuisvoelen op dit ondermaanse en dan ook onwankelbaar op adressen afstevenen. Wie beweert dat dit mij dan juist tot een stutse en troost zou moeten zijn kent de gecompliceerdheid der werkelijkheid niet en kan zich beter door deze jurist laten bijlichten. Vaak ben ik dan ook uit angstdromen wakker geschrokken, wanhopig en niet in het minst opgelucht, daar ik nog net op de rand van licht en donker voelde hoe diep in mij, daar waar de dromen ontstaan, een gruwelijk maar vruchtbaar misverstand huisde tussen mij en de werkelijkheid.”
Ik ben geen Brakmankenner. Toch had ik het idee zijn werk te kunnen typeren, aan de hand van passages uit het werk van Godfried Bomans. Er was maar een aanknopingspunt: Brakman had laten weten dat hij door Bomans aan het schaken was gezet. Uit dat gegeven kwam een ode voort.
Ode aan Brakman, 23 december 2004
Bomans was een
verwoed schaker. Dat blijkt op diverse plaatsen in het boek 'Herinneringen aan
Godfried Bomans', dat een jaar na zijn dood in 1971 werd uitgegeven. In dat
boek zijn zelfs twee foto's opgenomen, waarop Bomans achter het schaakbord zit.
De ene foto is uit 1947. Hij zat toen met een pijp in de mond tegenover de oude
en eerbiedwaardige K.J.L. Alberdingk Thijm die beter bekend was onder zijn
schrijversnaam Lodewijk van Deyssel. De andere foto is uit 1960. Toen schaakte
hij een partijtje tegen dr. Max Euwe, de Nederlander die in 1935 in die
denksport wereldkampioen was geworden. Erg hoopvol zag het er voor Bomans niet
uit. Een vriendelijke heer ter rechterzijde van Bomans lijkt een secondant. De
foto is genomen net op het moment dat die man een pion verzet. Dat was niet
halverwege de partij, om Bomans een handje te helpen in een hopeloos
ingewikkelde stelling, nee, het was de eerste zet. Desalniettemin kijkt Bomans
aandachtig toe, met in zijn rechterhand een pen, in zijn andere hand een
sigaret, net boven een asbak.
In het genoemde boek is een stuk
van E. Spanjaard opgenomen. Hij behoorde een tijdlang tot de beste schakers van
Nederland en was tientallen jaren schaakpublicist. Hij ontmoette Bomans
geregeld in het culturele circuit en op schaaktoernooien. Rond 1950 zagen ze
elkaar voor de eerste keer op het Hoogovenschaaktoernooi. Spanjaard schreef dat
Bomans met zijn geestige commentaren over het spel meer opzien baarde dan met
zijn eigen spel, en ook meer opzien dan de grootmeesters. Omdat de organisatie
dat snel door had, drong zij er bij Bomans op aan om na afloop van het toernooi
het slotwoord uit te spreken. Nadat eerdere sprekers de directieleden van
Hoogovens - die op een verhoging zaten en niet de schaakgrootmeesters - lof
hadden toegezwaaid voor hun gulheid als sponsors, stond Bomans op en zei voor
een volle zaal: “Mijnheer de voorzitter.
Ik vind die gulheid niets bijzonders. Zij hebben ten slotte het geld.”
Bomans pauzeerde even, liet een stilte vallen en zei vervolgens: “en wij de hersens!” (Herinneringen, p.
228)
Bomans was ook een verwoed reiziger. Als doorgewinterd journalist ging hij overal op zoek naar materiaal, dat hij later omtoverde tot (korte) literair geschreven beschouwingen. Zo trok hij in de zomer van 1969 naar Max Euwe. Uiteraard ging het gesprek over zijn wereldkampioenschap in 1935, dat hij in een tweekamp veroverde op zijn uitdager de Rus Aljechin. Daar was Euwe zeer tevreden over want hij was van verlies uitgegaan. Toch had hij de uitdaging aanvaard om het schaken in Nederland te populariseren. Dat was hem wonderwel gelukt. Na de tweekamp verdrievoudigde het aantal leden van de Koninklijke Schaakbond tot ruim 10.000. Nu deed Euwe nog wel wat anders dan schaken. Hij was wiskundige. Zijn dissertatie droeg als titel: 'Differentiaal in varianten van co-variante vectorvelden'. Dat zegt genoeg. Het hoeft dus niemand te verbazen dat Euwe ook nog computerdeskundige was en professor in Tilburg, waar de universiteit (toen nog hogeschool) net negen dagen bezet was geweest door opstandige studenten. Euwe begreep dat en wilde ook niet dat er met een universiteit uit de middeleeuwen werd doorgegaan. Bomans viel hem bij: om de boel te moderniseren, zou het zonder rebellie nooit iets worden.
Tijdens dat interview sprong
Bomans van de hak op de tak. Daardoor ontstond een levendig gesprek en kwamen
diverse aspecten van Euwe aan het licht, zoals het aantal vrienden en kinderen
dat hij had en of hij las. Nee, daar had Euwe geen tijd voor, hoogstens boeken
over schaken. Na dit antwoord, vroeg Bomans plompverloren:
“Hebt u wel eens dat u wandelt om tussen...”
Euwe: Ja, ik wandel heel veel zelfs.
Bomans: Nee, maar dat u dan opeens stilstaat en door een verbijstering wordt
aangegrepen dat u er bent. Kent u dat?'
Euwe: Ja, dat ken ik, een ingeving noem ik dat.
Bomans: Verontrust u dat?
Euwe: Helemaal niet. Zo'n ingeving, dat is nou typisch menselijk, dat heeft de
computer niet. Nee, je kunt zelfs zeggen, dat de computer een beetje
creativiteit heeft, want die creativiteit gaat ook dikwijls volgens bepaalde
lijnen, die een computer kan laten...
Bomans: Ik had verwacht dat u op die vraag nee zou zeggen, omdat ik nu het
voorrecht heb te spreken met iemand die diametraal tegenover mij staat, die
helder en logisch zijn dag indeelt en precies weet waar hij staat en dat hij
toch die bijna kosmische verbijstering kent, waar ik zo juist op doelde. U kent
die dus?
Euwe: Jazeker.
Bomans: Hebt u dan een antwoord op die verbijstering? Waarvoor u er bent?
Euwe: Ja, dat wil zeggen, die ingeving zie ik als een soort oplossing van een
vraagstuk waar ik misschien al maanden mee tob.
Bomans: O, maar dat bedoel ik helemaal niet.
Euwe: O, pardon.
Bomans: Ik bedoel, dat u in uw tuin staat en opeens naar uw eigen benen kijkt
en uw armen die bewegen en denkt: ik ben Euwe. Ik ben ik. Dat kent u niet?
Euwe: Ja, nee dat ken ik niet.
Bomans: Dan klopt het toch, wat ik dacht.
Euwe: Ja, ja.
Bomans: Ik benijd u.
(Euwe over Euwe, Werken VI, p. 416-417)
Bomans belandde in 1946 bij Rabilsky, die om redenen die ik
niet heb kunnen nagaan, nooit opgenomen is geweest in de Grote Winkler Prins.
Deze grootmeester bereidde zich in Londen voor op een groot schaaktoernooi.
Zijn vertrouwen was zo groot dat hij alle partijen dacht te gaan winnen. En dr.
Euwe zou hij niet alleen verslaan, maar verpletteren. Rabilsky wilde deze
uitlating tegenover de journalist wel nader verklaren en verzocht zijn vrouw
Anna de kamer te verlaten. Vanaf hier laat ik Bomans aan het woord:
'Mevrouw Rabilsky raapte haar breipennen bijeen en vertrok. De grootmeester
keek omzichtig rond, boog zich toen andermaal naar mij over en fluisterde: “Pf6-e4.”
Ik verbleekte. Dit was meer dan geniaal. Dit was bovenmenschelijk. “Gij
begrijpt de gevolgen”, hernam Rabilsky, in zijn stoel terugvallend, “de
rechtervleugel wordt opgerold, de paarden verliezen hun
bezinning, de beide raadsheren
worden teruggeworpen, terwijl de
Koningin-----“
“Enorm,” fluisterde ik.
“Onderbreek mij niet,” zeide Rabilsky, terwijl een lichte wolk van toorn over
zijn gelaat trok, “de Koningin wordt gekraakt tusschen e4 en g5. Hierop zal er
onder de pionnen een paniek uitbreken, nog vergroot door Lf4-h6. Natuurlijk
zullen de kasteelen toesnellen, doch tegen h5 machteloos te pletter loopen.”
“Maar zouden Euwe's paarden deze charge niet voorzien?” vroeg ik, hijgend
analyseerend? De grootmeester lachte hartelijk. “Mijn waarde vriend,” sprak
hij, “denk eens aan Ta4-b4!”
Ik bloosde. “Is er nog meer, meester?” vroeg ik schuchter.
“Er is nog meer,” antwoordde Rabilsky, zijn beenen in een gunstiger positie
leggend, “maar ik beschouw u daarvoor als te suf.”
“Is deze zet nooit eerder toegepast?”
“Neen,” antwoordde Rabilsky met vaste stem, “wel geeft de 32ste zet in de
partij
Anderssen-Steinitz, op 12 October 1880, een vermoeden in die richting, doch ook
niet meer dan dat. Ook de partij Goethe-Eckermann (Eckermann was de biograaf
van Goethe, e.k.) doet er een oogenblik
aan denken, doch wijkt ten slotte niet van de gebruikelijke sjablones af.
Jammer, jammer, zij zagen Pb7-c5 over het hoofd” (De grootmeester, Werken V, p.
39-40).
Hoewel ik geen kenner ben van het schaakspel moet ik toegeven dat ik diep onder de indruk ben van al deze zetten. Zeer vermoedelijk heeft Euwe daar geen raad mee geweten en heeft hij zijn partij tegen Rabilsky smadelijk verloren. Met zulke gebeurtenissen, die het aanzien van de natie schaden en dat van de Koninklijke Schaakbond in het bijzonder, lopen we liever niet te koop. Mogelijk is dat de reden waarom Rabilsky buiten de encyclopedie is gebleven.

Bomans merkte tijdens al zijn
geschaak op dat hij vrijwel voortdurend een man tegenover zich had. En hoewel
hij toegaf dat hij van een vrouwelijke kampioen zou verliezen, stelde hij toch
de volgende vraag: Waarom kunnen vrouwen niet schaken? Zijn eenvoudige antwoord
luidde: omdat schaken een abstracte bezigheid is. Dat betekent dat de
deelnemers aan dat spel het vermogen moesten hebben “zich iets voor te stellen wat men niet ziet en uit die imaginaire stand
weer zuiver denkbeeldige conclusies te trekken. Het is tekenen in de lucht” (Notities
in Beverwijk, Werken IV, p. 641).
En dat vrouwen dat niet konden
bewees Bomans direct en wel op een overtuigende manier: “Wij hadden op school een leraar wiskunde, die op een dag zijn krijtje
miste. Hij zette toen een kubus voor ons neer, louter door met zijn handen de
hiervoor vereiste bewegingen te maken. Hij deed dit zo suggestief, dat bij het
uitgaan van de klas alle jongens er voorzichtig om heen schuifelden. De meisjes
liepen er dwars doorheen” (idem, p. 641).
Na al deze bijeen gesprokkelde
fragmenten, meen ik aardig te weten hoe Bomans tegenover het schaken stond.
Toch is dit allemaal maar buitenkant. De kernvraag voor iedere individuele
schaker, voor die ene mens, is, waarom hij schaakt. Bomans gaf ook op die vraag
antwoord. In Beverwijk, waar jarenlang het Hoogovenschaaktoernooi werd
gehouden, wandelde Bomans geregeld rond en kwam dan van alles tegen, zoals “redacteurs van schoolbladen, vol met ideeën
en sproeten (…). Hun meest gestelde vraag is deze: waarom schaakt u eigenlijk?
De kern van deze vraag zit natuurlijk in het woordje ‘eigenlijk’. De jongen
bedoelt daarmee, dat men beter deed het te laten. Mensen , die niet schaken,
kijken tegen de volgende paradox aan: zij zien iemand, die vermoeid is, doordat
hij een stuk geschreven of een lezing gehouden heeft, urenlang ingespannen
nadenken en na afloop verkwikt opstaan. Hoe kan dat? Is dit nu ontspanning?
Jazeker. De inspanning geschiedt namelijk op een terrein, dat geheel en al
verschilt van het gebied, waarop men tevoren moe geworden is. Men herstelt zijn
energie door deze te verleggen naar een totaal nieuwe sector. Deze sector is de
abstracte bespiegeling. Juist omdat schaken met uw vorige problemen niets te
maken heeft en zich afspeelt op een van
het leven afgesloten vierkant, daarom rust men ervan uit. (…) Alle spelen
hebben dit met elkaar gemeen, dat er geen voeling is met de wereld daarbuiten.
Men trekt zich een ogenblik uit het leven terug. Men wordt monnik, doch zonder
gelofte van stabiliteit. Dadelijk stort men zich weer in de golfslag der
sentimenten; maar intussen heeft men urenlang gedreven in het effen water der
zuivere contemplatie” (Waarom schaakt u eigenlijk?, Werken IV, p. 442).
Op 21 december 1971 was Bomans
weer toe aan een bad. Hij trok zijn monnikspij aan en vertrok naar de
Bloemendaalse schaakclub. Het lukte niet erg, die avond. In zijn laatste
schaakpartij bood hij tot twee keer toe remise aan. Hij had het warm, deed zijn
boord los en verdween. Met de auto wist hij zijn huis nog te bereiken. Kort na
middernacht overleed hij aan een hartaanval. De schaker, beter gezegd, deze
homo ludens, was uitgespeeld.
Tot zover mijn ode aan Willem Brakman. Een enkeling, die
niet voldoende ingevoerd is in het werk van deze schrijver, zal uitroepen: maar
dit gáát toch helemaal niet over Brakman! Zo iemand vergist zich. Op de eerste
plaats is in het universum van Brakman alles mogelijk, vooral het onmogelijk.
Daarbij vergeleken is deze ode slechts een flauwe afspiegeling. Voorts gaat
onder het oppervlak iets schuil. Telkens zie ik Brakman zowel in als tussen de
regels opduiken met zijn vervlogen woorden, zijn zwierig taalgebruik, zijn
volle zinnen, deftigheid, uitbundigheid, subversie, onlogica, waanzin,
morbiditeit, nadenkendheid en humor. In zijn boeken zie ik dus voortdurend de
Bomansen, de Euwes en de Rabilsky's over elkaar heen rollen. Daarom gaat dit
stuk over Brakman. Het verschil is, dat Bomans de gewone waanzin meestal in
realistische stukken vatte. Brakman doet dit in fictie. Zijn boeken zijn
volstrekt uniek en lijken op een glas Campari dat ieder mens tenminste een keer
in zijn leven gedronken moet hebben. Ik stel voor dat alle Nederlanders,
ongeacht herkomst en bij wijze van inburgering, gedwongen worden tot het lezen
van één van Brakmans boeken. Om te laten zien hoe rijk het Nederlands is en hoe
literatuur kán zijn. Ten slotte dit. Brakman is door Bomans aan het schaken gebracht.
De precieze toedracht ken ik niet. Vandaar mijn vraag: Heer Brakman, waarom
schaakt u eigenlijk?
In de brief van 3 januari 2005 waarvan het eind hier is afgebeeld, gaf Brakman antwoord op de gestelde vraag en gaf nog een toegift. Hij schreef:
Als schaker moet ik u teleurstellen. Ik was ongeveer 1 jaar lid van
een schaakclub, maar kende alleen maar ‘openingen’. Dat ging natuurlijk niet
altijd op maar vaak had ik een ijzeren stelling. Daar schudde ik dan de kant
van mijn tegenstander en vertrok. Waarom? Om de sfeer, het dubben. Opstaan en
heen en weer lopen en andere spelers zwijgend gade te slaan alsof er dreiging
in de lucht hing, etc. Er is zelfs een duidelijk bewegingspatroon, een soort
vingerballet, waarmee stukken worden verschoven, omgelegd, opgetild etc. Voeg
hier Bomans aan toe en zijn huis in Bloemendaal en we zijn er. Ik heb het niet
lang gedaan maar het was toch een ervaring en daar moet een schrijver het toch
van hebben.
Bomans heb ik om zijn rethorisch
genie altijd zeer bewonderd. Ik heb hem maar een keer gesproken, of eigenlijk
dat niet eens. Ik had mijn debuut achter mij, een bekroonde toestand en werd
tot mijn grote genoegen uitgenodigd voor de boekenmarkt in Amsterdam in de
Bijenkorf. Na afloop en na het diner schoof ik aan een lange tafel, waar Bomans
en Hella Haasse zaten. Ik de literator schoof daar aan, waarop een kribbig ‘zeg
als jij nou eens ergens anders ging zitten’ volgde. Hella Haase was nog jong,
slank en mooi en Bomans was Bomans. Ik was diep gekwetst en eigenlijk roept hij
het nog steeds.
Met de hartelijke groeten
Willem Brakman
"Ik ben opgestaan en weggelopen. Ik had niet de kans gekregen ook maar
één woord te wisselen. Ach, Bomans had natuurlijk groot gelijk.
Een snotjongen die naast hem schuift, terwijl hij bezig is iemand te versieren.
Mijn fout was dat ik dacht er bij te horen. (...)"
Naschrift
De biograaf van Brakman, Gerrit Jan Kleinrensink liet de ‘Ode aan Brakman’ eind 2004 op de site van de Brakmankring plaatsen. Dat stuk is hier nu in zijn geheel overgenomen, met enkele kleine wijzigingen en toevoeging van illustraties. De bekorte versie van de ‘Ode’ verscheen in het septembernummer 2005 van tijdschrift Godfried van het Bomans Genootschap onder de titel Bomans als schaker en werd in het najaar van 2006 op de site van het Genootschap geplaatst. Dat is nu vervangen door het huidige ‘Bomans en Brakman’.
fotoverantwoording
1: kaft van Brakman’s boek
2: schaakpartij Euwe en Bomans ( 1960) uit ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’
3: tekening De grootmeester van Jo Spier uit ‘Kopstukken’
4: Bomans met kat aan de schaak uit ‘De wereld van Godfried Bomans’
5: Willem Brakman uit ‘Trouw’ van 9 mei 2008
6: fragment van Brakman’s brief van 3 januari 2005
13 mei 2008