Bomans en Elsevier

In de zomer van 1943 raakte Godfried Bomans bevriend met journalist Henk Lunshof die bij hem in de buurt woonde. Beiden hadden geen betaald werk omdat ze tijdens de Duitse bezetting van ons land (1940-1945) geen zin hadden in censuur. In het najaar van 1944 vormden zij met Piet Bakker en Anton van Duinkerken een groepje dat voorbereidingen trof voor een weekblad dat na de bezetting zou verschijnen. De verschillen tussen de mannen van het eerste uur waren groot. Wat hen bond, was hun verzet tegen de bestaande orde en hun wil een mooi blad te gaan maken.

Op 27 oktober 1945 kwam het eerste nummer van 'Elseviers Weekblad' uit. In 2005 werd het blad zestig jaar oud. Dat werd met een jubileumeditie herdacht. De grondleggers kregen weinig aandacht. Wel was dit te lezen: 'Elseviers Weekblad wordt lang gedomineerd door kleurrijke personages die een tamelijk romantische opvatting van journalistiek huldigen. De oprichters combineren vitaliteit en dadendrang met excentriek gedrag en een flinke dosis grilligheid' (Elsevier, 22-10-'05).

Op 14 april 1960 stond het stuk 'Een geboren verteller' in 'de Volkskrant'. Bomans eerde daarin zijn overleden collega Piet Bakker als groot verteller en als beste verslaggever van de gehele staf. Bomans gaf ook te kennen dat hij het vrijwel altijd met hem oneens was. Over het beëindigen van dergelijk gesprekken schreef Bomans. 'Hij gaf mij dan een stomp, ontkurkte een fles en begon over iets anders' (Werken IV, p. 340).
In dat stuk komen ook de eerste redactievergaderingen uit 1944 aan de orde. Bomans schreef: 'Piet Bakker behoorde tot het kleine groepje mannen, dat midden in de bezetting de oprichting van Elseviers Weekblad heeft voorbereid. Het was een vreemd gezelschap, dat ongeveer wekelijks bijeenkwam en ik heb mij dikwijls afgevraagd, als ik de kring rondkeek, hoe uit dit zonderling samenraapsel van totaal verschillende geesten ooit iets groeien kon, dat op een homogene redactie leek. Dit is dan ook niet gebeurd. De kracht van het blad school juist in de onmogelijkheid hiervan' (p. 339). In 1965 ging Bomans een stapje verder en vertelde dit: 'Ik had wèl de indruk dat ze allemaal lichtelijk krankzinnig waren. Dat moet je ook zijn. Ik dacht, ik ben terecht gekomen in een gekkenhuis van heel hoog niveau met uiterst begaafde patiënten' (Werken V, p. 6).
Dit zonderlinge samenraapsel wist na de bezetting een weekblad van de grond te krijgen dat een onstuimige groei tegemoet ging. In vier jaar tijd bedroeg de oplage 120.000.

De bijdrage die Bomans aan het eerste nummer van 'Elseviers Weekblad' leverde, was een verslag van een gesprek met de schrijver Lodewijk van Deyssel (Dr. K.J.L Alberdingk Thijm, 1864-1952). Dat was voor Bomans geen onbekende. Vier jaar eerder had hij met de toen al bejaarde Van Deyssel kennis gemaakt. Ze voerden regelmatig gesprekken en speelden een partijtje schaak. Van Deyssel was de laatste vertegenwoordiger van een groep letterkundigen die bekend stond als 'de Tachtigers'.
Enige jaren later zette Bomans het hele land op zijn kop. Daarbij liet hij de vensters op het Binnenhof rinkelen, de brievenbus van 'Elseviers Weekblad' overstromen en de oplagecijfers stijgen. In een serie artikelen zette hij uiteen waarom het onderwijssysteem een schandalige en dwaze tirannie was. Leerlingen werden veel te zwaar belast en het praktisch nut van al hun gezwoeg was gering. Hoewel Bomans bijna uitsluitend bijval kreeg, twijfelde hij danig aan het nut van zijn 'schoolstrijd', omdat er niets 'zo conservatief (was) als het onderwijs' (Supplement Werken V, p. 30).
Bomans heeft in de loop der jaren vele beschouwende en essayistische stukken geschreven over Dickens, Goethe, Andersen en de Tachtigers. Voorts sneed hij graag historische onderwerpen aan evenals zaken, die belangrijk waren in het gewone leven zoals kerstmis en voetbal. Zijn verblijf in Rome (1953-1954) leverde een groot aantal artikelen op. Voorts trok hij er vele malen als journalist op uit om meer te weten te komen van bijvoorbeeld Japan, Vlaanderen, politieke partijen en belangrijke figuren op het gebied van cultuur en geloof. Zijn laatste bijdrage aan 'Elseviers Weekblad' was een fors interview met een nog steeds zeer herkenbare Johan Cruijff. Bomans was een groot liefhebber van voetbal en begon dat artikel met: 'Johann Cruijff doet in zoverre aan een engel denken dat ook een engel niet aan de zwaartekracht onderhevig is (..). De bekoring van Cruijff zit nu hier in dat men plotseling in een elftal krombenige kluitenjongens een balletdanser ziet verschijnen, die tussen al die hollende en trappende lijven gewichtloos voortzweeft en iets met de bal doet dat niemand meer kan volgen en gewoonlijk in het doel eindigt' (Werken V, p. 839). Dit was te lezen in 'Elseviers Weekblad' van 25 december 1971. Een dag eerder was Bomans onder grote belangstelling begraven.

Edward Krabbendam

Naschrift: Dit is een verkorte versie van een artikel over Bomans bij 'Elseviers Weekblad' dat in het maartnummer 2007 van 'Godfried', het tijdschrift van het Godfried Bomans Genootschap, is gepubliceerd.