 |
Vandaag,
38 geleden, was ik bij de begrafenis van Godfried Bomans op het
Adalbertus Kerkhof in Bloemendaal. De tijd en de plek konden niet
mooier gekozen zijn. Kerstavond, in de schemering, de lichtjes
van de huizen tussen de eeuwenoude bomen aan de duinrand, de kaarsen
bij de kapel, in de verte wist je de zee: alles werkte mee om
de uitvaart tot een haast feeëriek gebeuren te maken, geheel passend
in de stijl van de verhalen die hij zo prachtig schreef. “De
dood van de sprookjesverteller” was één van die titels,
en wie dat leest heeft moeite de ogen droog te houden. Ik tenminste,
elke keer weer, want ik vind het een van de mooiste verhalen die
ik ken. Dat onderscheidt literatuur van lectuur: het vermogen
om met woorden iets te beschrijven wat uitstijgt boven het gewone,
wat anderen kan beroeren of ontroeren. Daarmee wordt het kunst.
Godfried Bomans, één van mijn grote voorbeelden, was een meester
in de taal. Meesters zijn er nu nog steeds, en er wordt nog steeds
literatuur geschapen, maar de verfijning en het zachte zijn weg,
geheel passend bij de huidige maatschappij, dat weer wel. Er is
nu geen plaats meer voor sprookjesvertellers, voor nuance, subtiliteit
of mildheid. Het gaat nu om het onverbloemd hakken, kwetsen, dingen
bij de naam noemen en vooral niet meer nadenken vòòr je iets zegt.
Dingen die Godfried vreemd waren.
Enige honderden meters verderop woonde in die tijd Anton Pieck,
de Godfried Bomans van de illustratiekunst. Zoals Bomans verhaalde,
zo tekende Pieck. En beide vaardigheden komen weer samen in het
werk van Marten Toonder; een driemanschap van verfijning en nuance,
en alle drie getuigend van een wereld die helaas is verdwenen.
Een wereld die past bij Kerstavond, waarop we allemaal nog één
keer per jaar iets van die vergeten tijd en sfeer proberen te
reconstrueren. We zijn nog niet alles kwijt dus, en we mogen toch
een beetje hopen.
[bron] |
|
Hieronder
het verhaal,
Er was eens
een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven
lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog
een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast,
in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een
kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: ‘Ach,
lieve God,’ sprak hij, ‘ze zijn op. Er is er geen
eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters
waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch
gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte.
Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.’
En de sprookjesverteller
kroop in bed, blies de kaars uit en wachtte op de dood.
Doch de dood kwam niet; hij was de verkeerde weg ingeslagen en
liep nu te mopperen om het huis heen. ‘Woont hier de sprookjesverteller?’
riep hij door het raam. ‘Ja, Dood!’ antwoordde de
sprookjesverteller van uit de bedstee, ‘kom er maar in!
Maak het kort! Alle aar digheid is er toch voor mij af. Pas op
voor de drempel, daar zit een plank los.’
‘Je bent een rare.’ hernam de Dood, zich over het
bed buigend, ‘verlang je naar mij? De mensen zijn altijd
bang als ik binnenkom. Vind je het prettig, dat ik er ben?’
‘Jawel,’ antwoordde de sprookjesverteller glimlachend,
‘ik vind het heel prettig, Dood, de kabouter wil niet komen
en daarom ben ik blij dat jij komt. Of het een, of het ander.’
‘Wat zit je nu toch te praten van een kabouter?’ sprak
de Dood verbaasd, ‘je bent toch een echte sprookjes verteller,
waarlijk. Onderzoek liever je geweten, denk eens aan je zonden
en aan de eeuwigheid. Dat zijn nut tige gedachten. Ik zal zo lang
wat in de tuin rondlopen. Je roept wel als je klaar bent.’
De sprookjesverteller
lag nu op zijn rug naar de zoldering te kijken en deed wezenlijk
zijn best aan zijn zonden en aan de eeuwige straf te denken. Maar
het vlotte niet erg; telkens kwam de gedachte aan de kabouter
er tussen.
‘Lieve Heer,’ bad hij tenslotte, ‘ik ben maar
een arme sprookjesverteller met weinig verstand. Wees niet boos
om die ene wens, de enige die ik heb: laat mij toch een kabouter
zien!’ Maar de kabouter kwam niet.
De sprookjesverteller wachtte en wachtte; toen draaide hij zijn
hoofd om en keek door het tuinraam; de Dood stond daar, naast
het rozeboompje, en knikte hem toe.
‘Kom maar,’ riep de sprookjesverteller, ‘kom
maar, Dood!’
En de Dood kwam. En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor
Gods voeten.
‘Wie is dat?’ vroeg God. ‘Dit is een sprookjesverteller,’
antwoordde de Dood, ‘hij is zojuist gestorven.’ ‘Wat
was zijn laatste gedachte?’ vroeg God. ‘Hij wilde
een kabouter zien,’ antwoordde de Dood verlegen. God glimlachte.
‘Dat is een zeer goede gedachte,’ zeide hij, ‘laat
hem derhalve binnen.’ |