Bomans als onderduiker

Edward Krabbendam

“Hij verhuisde in 1943 terug naar Haarlem (..). Tegen het eind van de oorlog dook hij een tijdje onder in Aerdenhout toen er razzia’s werden gehouden voor gedwongen tewerkstelling in Duitsland.” Deze woorden zijn in juli 2008 ontleend aan Wikipedia en gaan over Godfried Bomans.Op de achterkant van ‘Godfried’ uit 1982, het biografische boek van Michel van der Plas (1927) over de jonge Bomans, staat: “Wij zien hem tenslotte als onderduiker in de laatste oorlogsjaren.” Tijdens de Duitse bezetting bleek Bomans geen held te zijn geweest: hij dook onder. Bovenstaande woorden geven de indruk dat dat van lange duur is geweest.  

Eind jaren dertig was Bomans (1913-1971) zowel schrijver als student. De studie rechten en de stad Amsterdam bevielen hem niet. Begin 1939 nam hij de bus naar Nijmegen om in die plaats wijsbegeerte en psychologie te gaan studeren. In mei 1940 golfde Hitlers leger over onze landsgrenzen en de bezetting was een feit. In het najaar van 1941 werd de Kultuurkamer opgericht, een organisatie voor nazipropaganda. Schrijvers en kunstenaars in de ruimste zin van het woord, moesten hiervan lid worden om te kunnen blijven werken. Als een schrijver geen lid was, kon hij niet publiceren en verdiende hij niets. Het overgrote deel van de schrijvers weigerde lid te worden. Bomans was een van hen. Hij had toen al twee boeken op zijn naam: ‘Pieter Bas’ uit 1937 en ‘Erik of het klein insectenboek’ uit december 1940. In 1941 verschenen maar liefst 9 herdrukken, toen hield het plotseling op. Bomans betaalde een hoge prijs, misschien wel de hoogste van alle schrijvers, want hij had net een bestseller geschreven.

Over dit onderwerp schreef Michel Van der Plas in ‘Godfried’: “Na 1943 (dit moet zijn na 1941, e.k.) kan ook ‘Erik’ niet meer herdrukt worden” (p. 314). Voor dat boek bleek geen papier meer te worden toegewezen, zodat het niet herdrukt kon worden. Dat kwam omdat Bomans weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Die informatie ontbreekt in ‘Godfried’.  

Begin 1942 werden studenten het doelwit van de bezetter. Tijdens razzia’s in collegezalen en woningen werden op zekere dag honderden studenten opgepakt voor tewerkstelling in Duitsland. Het universitaire leven kwam grotendeels tot stilstand. Op 13 maart 1943 werd door de bezettende macht officieel aangekondigd dat alle studenten een loyaliteitsverklaring moesten afleggen (zie hiernaast). Zo niet, dan mocht men geen college meer lopen.

    Het bestuur van slechts twee universiteiten riep studenten op de verklaring niet te tekenen: de Vrije Universiteit Amsterdam en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Op 10 april maakte het bestuur van laatstgenoemde universiteit zelfs bekend “dat in Nijmegen geen gelegenheid zou bestaan tot tekenen van de verklaring” (De bezetting IV, pocket, p. 34). Slechts twee van de vierhonderdvijftig studenten tekenden toch. De rest weigerde, waardoor ze uitgesloten werd van onderwijs. In heel Nederland weigerde 86% van de studenten te tekenen. De universiteiten sloten daarop hun poorten. Studenten hadden nu geen ‘werk’ meer en liepen daardoor groot risico opgepakt te worden om in Duitsland te moeten gaan werken. Van der Plas schreef daarover: “Godfried moet dus onderduiken. Hij vindt een veilig adres bij Mari Andriessen, op het z.g. ‘vluchtkamertje’, door een bevriend timmerman ingericht. Andriessens huis geldt trouwens al langer als een doorgaansadres voor allerlei mensen in gevaar (..) Wanneer de belangstelling voor de studenten bij de bezettingsmacht verslapt, neemt hij zijn intrek aan de Zonnelaan” (Godfried, p. 310).

De dokwerker van Mari Andriessen.jpg Bomans leerde Mari Andriessen kort na het begin van de Duitse bezetting kennen. Ze zijn bevriend geraakt. Andriessen was beeldhouwer en is later vooral bekend geworden door zijn verzetsmonument ‘de Dokwerker’ in Amsterdam. De vriendschap tussen beide heren bestond voornamelijk uit het verzinnen en uitvoeren van spelletjes. Dat ontleende Van der Plas aan het boek ter herinnering aan Bomans, dat in 1972 uitkwam, waarin een bijdrage van Andriessen is opgenomen. Die bijdrage is nogal oppervlakkig en gaat voornamelijk over spelletjes die Andriessen en Bomans bedachten en uitvoerden. Maar er stond meer in. Andriessen schreef dat hij Bomans in 1940 of 1941 had leren kennen. Sindsdien waren ze vrienden gebleven en Bomans had “een grote rol” in zijn leven gespeeld. Hij schreef verder: “Tijdens de oorlog (..) verbleef G.B. enige tijd bij ons in het zogenaamde ‘vluchtkamertje’” (Herinneringen, p. 55). Andriessen spreekt niet van onderduik, maar over de verblijfsduur is hij even vaag als Van der Plas.

Blijkens ‘Godfried’, stond het huis van Andriessen open voor onderduikers. Volgens Wikipedia beheerde hij thuis ook een wapenopslag voor het verzet. Elders op Internet (Noord-Hollands Archief) is te vinden dat de Raad voor Verzet bij hem vergaderde. Van der Plas en Andriessen zeggen echter niets over deze verzetsactiviteiten. Had Andriessen wel in het verzet gezeten? De beste bron is in dit geval Bomans. In ‘Elseviers Weekblad’ van 10 november 1945 was ‘Gesprek met Mari Andriessen’ afgedrukt. Het interview ging over kunst maar Bomans opende met deze woorden: “Twee honderd vijftig Nederlanders, die aan den strijd tegen den bezetter op eenigerlei wijze hadden deelgenomen, genoten gedurende zeven weken gastvrijheid in Denemarken in een kamp te Helsingör. Ook de beeldhouwer Mari Andriessen maakte de reis mee” (Werken V, p. 17).

Op bladzijde 309 van ‘Godfried’ staat vermeld dat Bomans in april 1943 in de Zonnelaan te Haarlem ging wonen. Dat was in dezelfde maand als waarin de universiteit haar poorten sloot. De gemelde onderduikperiode van Bomans bij Andriessen is daarmee zo kort, hooguit twee weken, dat de gedachte aan een logeerpartij bij een vriend ontstaat. Die gedachte wordt versterkt doordat Bomans gewoon een huurhuis betrok. Onderduikers meden alle contact met officiële instanties. Dat was veel te gevaarlijk. Maar die contacten waren nu net noodzakelijk om een woning te kunnen huren, zoals een bezoek aan het gemeentehuis. En Bomans huurde in april 1943 gewoon een huis en ging aan de Zonnelaan wonen.In 1944 was nog een bezoek aan het gemeentehuis noodzakelijk. Bomans nam de trein van Haarlem naar Nijmegen met het voornemen daar op 14 april voor de wet te gaan trouwen. De naam van de aanstaande bruid luidde Gertrud Maria (Pietsie) Verscheure.Zo te zien gedroeg Bomans zich niet als een onderduiker maar als een gewoon burger. 
In oktober 1943 klopte Hans Lichtenstein bij Andriessen aan. Lichtenstein was een uit Duitsland gevluchte jood die in 1933 ons land was binnengekomen. Hij werd dirigent van een joods operettegezelschap dat door de Duitsers in mei 1940 werd verboden. In de zomer van 1942 kwamen de deportaties van joden naar vernietigingskampen op gang. Lichtenstein dook onder en kwam in oktober 1943 bij Andriessen terecht. Daar ontmoette hij Bomans die hem onderdak aanbood. Van der Plas schreef hierover:“Het is niet weinig. Er behoort zeer veel civiele moed toe, om een Jood in deze tijd asiel te verlenen, en die brengt hij nu dan toch maar op.” Die daad was zeker moedig want het verbergen van joden werd zwaar bestraft, maar de suggestie dat Bomans gewoonlijk een zwak persoon was, doet veel afbreuk.Van der Plas vervolgde met: “Korte tijd later aanvaardt hij zelfs een tweede onderduiker, Jan ter Gouw uit Hillegom, onder zijn dak. Eerder dat jaar heeft hij al tijdelijk onderdak verschaft aan Maurice van IJzer” (p. 317).De ‘onderduiker’ nam onderduikers in huis. Wie heeft daar ooit van gehoord?

Van der Plas bezag de onderduik van Lichtenstein bij Bomans van de zonnige zijde. Hij schreef: “Voor Godfried is deze nieuwe huisgenoot in zoverre een grote aanwinst, dat hij nu constant een musicus in zijn onmiddellijke omgeving heeft, met wie hij mooie muziekavonden voorziet” (p. 317).Het risico dat Bomans liep, bleek ook reuze mee te vallen. Bomans woonde temidden van vaderlandslievende en betrouwbare buren, Lichtenstein had valse papieren en er was “nog een andere reden”, schreef Van der Plas, “waardoor de hoofdbewoner van het pand minder gevaar loopt dan het lijkt. Die ligt in het feit, dat hij in zo normaal en open mogelijk gedrag de beste garantie ziet voor onopvallendheid. De studie in de psychologie komt Godfried in deze tijd nog te stade. Het is, gelooft hij, juist geheimzinnigheid en mensenschuwheid die de aandacht zouden trekken van de bezettende overheid en haar trawanten” (p. 317). de jonge Bomans.jpg

Bomans hield Maurice van IJzer, Jan ter Gouw en Hans Lichtenstein tijdelijk uit het zicht van de Duitsers. Van van IJzer is me niets bekend. Ter Gouw was pottenbakker en kreeg boven een atelier. Verder fungeerde hij als butler. Lichtenstein deed de keuken en zorgde voor muziek. Van der Plas schreef: “Het is, kortom, een huis waar, te midden van grauwheid en ontbering, vervolging en onderdrukking, het hoogste lied klinkt, en dat in letterlijke zin, en als (..) bewuste wilsact: verzet – een verzet dat aansluit bij de (..) mening van Godfried dat barre tijden beantwoord moeten worden met trouwbetuigingen aan schoonheid en goedheid en waarheid als eeuwige waarden” (p. 318).Over de bezettingstijd valt hier in ‘Godfried’ voor de eerste keer het woord verzet, en voor het laatst. Het verzet van Bomans blijkt van hogere orde te zijn geweest, wat me juist lijkt. Dat zal eerder geleid hebben tot zijn zorg voor de medemens, dan tot mooie cantates. En het zingen verging de bewoners aan de Zonnelaan snel. Dat gaat niet zo goed op een lege maag.

Bomans, Hans Lichtenstein (L) en Jan ter Gouw (r).jpg “In dezelfde winter van 1943 verandert het leven aan de Zonnelaan 17 nogal ingrijpend”, schreef Van der Plas op bladzijde 316. Dan komt Hans Lichtenstein bij Bomans wonen. Het dagboek van Bomans is duidelijker. Hij schreef op 10 september 1944: “H. L. is nu een half jaar mijn gast”. Dit feit wordt herdacht met een gebakje, een fles wijn! en een sigaar!!” (Werken I, p. 688). Lichtenstein kwam dus in maart 1944 bij Bomans in huis.

Op 10 september werd er in de Zonnelaan gefeest omdat de onderduik al een half jaar goed verlopen was. Een paar dagen eerder was het ook al feest geweest. Op Dolle Dinsdag (5 september) kolkte heel Nederland want de bevrijding was nabij, dacht men. Bomans wilde de laatste dagen van de bezetting – een historisch moment -  op schrift stellen. Het werd een veel dikker dagboek dan verwacht, want de bevrijding van West-Nederland liet nog 8 maanden op zich wachten. Op Dolle Dinsdag schreef Bomans in zijn ‘Journaal van de laatste oorlogsdagen en de eerste dagen der bevrijding’: “Een flesch wijn van mevrouw Mulder, om dit met mijn onderduikers te vieren. Wij zijn binnenkort vrij” (p. 685).   Van der Plas schonk aandacht aan de joodse onderduikers. Toch is hij bepaald niet mild in zijn oordeel over Bomans. In augustus 1944 kreeg Bomans een kaartje van de schrijver Lodewijk van Deyssel (Alberdingk Thijm) met het voornemen op bezoek te komen. Van der Plas gaf de schriftelijke reactie van Bomans weer, met een bijzonder tussenzinnetje uit eigen pen: “Uw kaartje”, schrijft de onderduiker, “was een groote verrassing voor mij” (Godfried, p. 320).

“De onderduiker?” Wat vreemd. Indien men de feiten op een rij zet, is er geen enkele steun voor deze grote uitspraak. En Bomans blijkt in ‘Godfried’ nogmaals te zijn ondergedoken. Voordat hierop zal worden ingegaan, eerst een aantal citaten uit het dagboek van Bomans, waaruit zijn doen en laten in het laatste jaar van de bezetting blijkt. Die periode ontaardde voor het Westen van ons land in de Hongerwinter, die werd ingeluid door het stilleggen van de aanvoer van steenkool, terwijl bijna iedereen kolenkachels had ter verwarming van het huis. Al snel werd de levering van elektriciteit gestaakt net als de toevoer van gas, dat in die tijd ook uit steenkool werd gewonnen. Toen moest de strenge winter nog komen terwijl er vrijwel niets meer te eten was. Hiernaast is het gemiddelde dagrantsoen in de herfst van 1943 afgebeeld, een jaar voor de Hongerwinter, die in feite liep van oktober 1944 tot mei 1945.

Hieronder staan citaten in de oorspronkelijke spelling uit het dagboek van Bomans dat van september 1944 tot in mei 1945 loopt:

4 september: Een dag van koortsachtige opwinding. Doodstil op straat (.). Vandaag horen wij - bij gerucht - dat Breda gevallen is. Groote vreugde binnenshuis. Wij durven ons niet op straat begeven. Liesbeth Leclercq doet de boodschappen. Onafgebroken luisteren wij naar de radio tot 2 uur (des nachts) toe.
5 september:  (Dolle Dinsdag, e.k.) Geruchten van razzia’s op mannen van 20-40 jaar. Des middags niettemin naar Andriessen gegaan. Er waren daar 30 menschen bijeen (..), in afwachting van de Engelschen (bevrijders, e.k.). (..) ‘s Avonds om 8 uur moeten wij binnen zijn.
9 september: Met de tram naar Oegstgeest! zonder beschoten te worden.
13 september:   Aanbod van 1 mud aardappelen voor f. 40,- afgeslagen. Ga zelf vanmiddag in de Meer rooien.
18 september:    De Haarlemmermeer is gesloten sinds eergisteren, zoodat de 50 kilo aardappelen (10 cent het kilo, zelf rooien) het laatste is wat ik er vandaan gehaald heb. Wij kunnen ons nu niet meer op straat vertoonen. Jan (ter Gouw, e.k.) blijft dan ook weg.
21 september:  Zware gevechten in Nijmegen. Dit hooren wij des avonds, op mijn slaapkamer, met de Van Waverens (buren, e.k.).
25 september: Ik rijd (..)met de fiets naar Leiden heen en terug en kom nagenoeg geen sterveling tegen.
26 september: Alberdingk Thijm op bezoek.
27 september: Fiets bij Termets moeten achterlaten, daar er overal in de stad geroofd werd.
28 september:    Fietsen weer van het dak gehaald. (..) Bracht avond door bij mevrouw Peeters (met Lunshof) en slaagde er in om ca. half elf ongezien thuis te komen.
6 october:   Hans en ik maken het huis schoon, omdat Mari en Nettie (Andriessen, e.k.) hier willen komen.
11 october:   Sinds drie dagen geen electriciteit, zoodat wij (behalve geen licht) ook geen radio hebben, en op geruchten zijn aangewezen (..) In Haarlem en Heemstede vertoont niemand zich meer op straat, daar velen tussen 18 en 50 worden opgepakt.
22 october:   12 uur ’s nachts, bij kaarslicht geschreven. Helemaal geen gas meer.
28 october: Dinsdagavond 24 Oct. Om ongeveer half 8 zijn Mari, Nettie, en Frits hier gekomen. Wij zijn dus nu met ons vijven. Den volgenden dag kolen, eten etc. (gehaald, e.k.) met handkar van hun huis (dat misschien onder bewaking staat). De man (Krist) die de overval op Mari’s huis organiseerde, den volgende dag doodgeschoten. Als represaille hiertegen 10 Haarlemmers (Westergracht) gefusilleerd.
10 november: Vandaag Mari, Nettie, en Frits weer vertrokken naar hun huis (..) Precies een week geleden naar Leiden op en neer geloopen, met Agnes van Kan en Termets.
14 november:   Morgen tusschen 9 en 4 uur moet (..) ingeleverd worden: 1. wollen deken f. 25,- (..) 6, winterjas f. 30,- (in totaal ter waarde van, e.k.) f. 97.50. Wij leveren voor f. 20,- in, en krijgen een briefje met ‘D’. (‘durchsuchen’), ontvingen ook bezoek van een Duitscher, die echter met de prestatie genoegen nam. (H. in de schuilkelder).
8 december:   Woensdagochtend 6 Dec. jl. razzia, begonnen om 7 uur. Veel geschiet en lawaai: Anke van Gogh komt ons waarschuwen. Ik blijf over met Mienke Vergeer. Wij krijgen dit briefje in de bus: ‘Bevel. Alle mannen in den leeftijd van 17 tot 40 jaar worden voor den arbeidsinzet opgeroepen.’ Tegen half elf doorzochten twee Duitschers het huis, doch vonden mij niet. Al mijn bekenden kwamen er goed af, behalve de familie Dekker. De vangst te Haarlem is 1500 man geweest.
2 januari, 1945: Fam. Bangert ontmoet.
21 januari:   Gisteravond 25-jarige bruiloft bij Van Waveren en vandaag naar Aerdenhout, lezing bij C. Bangert.
22 januari:   Geslapen in Aerdenhout.
23 januari:   Geslapen bij Andriessen.
3 maart:   Gisteren mijn verjaardag: 12 menschen ten eten: Kees en Tak Bangert, Mari en Nettie Andriessen, Paul Brand, Godfried, Henk en Kokkie Lunshof, Hans L., Karel Brans, Han en Georgette Boerma. (..) Paul Brand blijft hier tot Woensdag. Ik echter vertrek vanavond naar Aerdenhout om causerie-tje te houden, en blijf daar ongeveer 5 dagen.
5 april:   Met de families Lunshof, Bangert en De Jong Schouwenburg de vernielde V installatie in het Naaldenveld bekeken. Alles verlaten.
7 en 8 april:    Lezingen gegeven bij Schröder en Boerma.
15 april:   Neem vast Engelsche conversatie-les twee maal in de week.
16 april:   Was vanmiddag in Santpoort en maakte bombardement mee op het kwartier van generaal Christiansen. (..) Ontweek op den terugtocht een Duitscher die van verre mijn fiets sommeerde.
20 april:   Woonde lezing bij van zekeren Bakker Schut over ‘annexatie’.
27 april:   Heden, Vrijdagmiddag kwart voor 6, werd mijn fiets in Aerdenhout door een Duitscher gevorderd en meegenomen. Weigerde twee tientjes (aan te nemen, e.k.), en trok tenslotte zijn revolver. Een zwaar en voorloopig onvervangbaar verlies.
28 april:   Kwart voor 5 ‘s middags: Mij boven scherend, hoor ik door het raam dat Duitschland gecapituleerd heeft. Hans is naar Lunshof gevlogen, ik ga naar Boerma.
29 april:   Gisteravond een groot gezelschap bij Boerma vereenigd. Er werd mateloos geschranst en gedronken.
1 mei:   Onderhoud met prof. Romme en Lücker over het karakter der nieuwe katholieke groepeering (de Volkskrant, e.k.).
2 mei:   Er zullen dezen ochtend om 9 uur boven Vogelenzang (voedsel-)pakketten worden uitgeworpen. Het is nu half tien, en wij hooren niets.N.B. Om 11 uur kwamen in groepen van ca. 8 ongeveer 50 viermotorige bommenwerpers op geringe hoogte over Vogelenzang en Aerdenhout. Het was een prachtgezicht. Ik stond op het dak van het huis der familie van Hall, een slip vasthoudend van de Amerikaanse vlag, die wij horizontaal hielden, zoodat de Duitschers beneden niets zagen. (..) Wij zwaaiden wat wij konden.
3 mei:   Vanochtend hoorend dat er weer pakketten zouden uitgegooid worden, ben ik naar het Naaldenveld gegaan.
4 mei:   Attentie: wij hooren gejuich in de verte en het gelui van een klok. Hooren iemand naar de buren schreeuwen dat we ‘vrij’ zijn. Hans hoorde dit en stoorde me in het schrijven van dit journaal. Vlogen te zamen de straat op.

Tot zover het dagboek van Bomans in de verzamelbundel Werken deel I (p. 684-718). Terwijl hij nog sliep, schreef Hans Lichtenstein in het schrift van Bomans een dankwoord voor de veertien maanden durende gastvrijheid, waardoor hij het leven had behouden.   Bomans overleed in 1971. In 1972 kwam ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ uit. In de daarin opgenomen beknopte biografische kalender schreef Michel van der Plas over het jaar 1944 het volgende: “De Hongerwinter brengt hij gedeeltelijk door in zijn woning aan de Zonnelaan en, ondergedoken, bij de familie Bangert, Merellaan 1, Aerdenhout” (p. 16).De Hongerwinter besloeg zeven maanden. Een gedeelte daarvan zat Bomans bij de Bangerts ondergedoken. Dan denkt men snel aan enige maanden. Dat is onmogelijk. Zelfs enige weken is niet voorstelbaar want Bomans had de zorg voor zijn eigen onderduikers. Daar komt bij dat er in het dagboek van Bomans niets te vinden is van een onderduikperiode. Wel ging hij een dag of vijf logeren in Aerdenhout, waar de familie Bangert woonde. Eerder in 1945, overnachtte hij daar eenmaal. Dat is alles.

  Het heeft er alle schijn van dat Van der Plas geen gebruik heeft gemaakt van het dagboek van Bomans. Daardoor ontbreken belangrijke gegevens in zijn boek over de jonge Bomans, zoals de onderduik van verzetsman Andriessen en zijn gezin, die ruim 2 weken bij Bomans in huis verbleven, nadat de Duitsers het huis van Andriessen – een broeinest van verzet - waren binnengevallen.Daarnaast moet opgemerkt worden dat het dagboek van Bomans er niet eentje is van een onderduiker maar van een vrijbuiter. Hij fietste wat rond, rooide aardappels, maakte flinke wandelingen, bezocht die en gene of kreeg bezoek, probeerde een soldaat om te kopen, luisterde naar de radio en dronk met zijn onderduikers een glas wijn.

Op 8 december maakte Bomans melding van de razzia op 6 december. Daarbij kamden de Duitsers de huizen uit op zoek naar mannen die in Duitsland moesten gaan werken Bomans hield zich verborgen toen twee Duitsers zijn woning doorzochten. Ze vonden hem niet. Dat zal de waarheid zijn. Bomans had in zijn huis namelijk een schuilruimte. Van der Plas schreef daarover: “De timmerman die bij Mari Andriessen een schuilplaats heeft vervaardigd heeft ook in Godfrieds huis boven de vestibule een ligplaats weten te fabriceren” (p. 325). Van der Plas liet ook weten dat de onderduikers ten tijde van de huiszoeking bij buren waren ondergebracht, bij de familie Van Waveren.

Over de gebeurtenis zelf schreef Van der Plas: “Maar de Zonnelaan heeft het geluk dat er twee Duitse soldaten langs de deuren komen met de beleefde vraag of er eventueel nog iemand vergeten is zich voor de Arbeitseinsatz te melden, en die bij een Neen niet aandringen” (p. 325).   Hoewel razzia’s om grof geweld bekend staan, stonden bij Bomans twee engelen voor de deur. Hoe bestaat het? En wie deed bij Bomans de deur open en wie stond de soldaten te woord? Van der Plas vertelt het niet, noemt zijn bron niet en laat iedereen in het duister tasten.

In ‘Godfried’ valt verder te lezen dat Bomans na de razzia op zoek gaat naar een “veiliger plaats en vindt die bij de familie Bangert” (Godfried, p. 325). Dat is vreemd: Bomans dook onder bij mensen die hij een maand later voor het eerst van zijn leven zou gaan ontmoeten.Van der Plas schreef ook: “Naarmate het jaar vordert komen er steeds vaker suikerbieten en bloembollen op het menu (..) .Een uitzondering vormt de ‘sprookjesmaaltijd’ die Godfried en zijn twee onderduikers met Kerstmis ’44 bij hun buren (Van Waveren, e.k.) voorgezet krijgen: een gehele gans. En daarna zelfs nog een tweede” (p. 325).

Indien Bomans na de razzia van 6 december bij wie dan ook is ondergedoken, heeft dat hooguit een week of twee geduurd, want rond de Kerst was hij kennelijk weer in de Zonnelaan. Het dagboek van Bomans geeft geen bevestiging want van 8 tot 30 december 1944 maakte hij geen aantekeningen, iets wat meer voorkwam. Het heeft er echter alle schijn van dat Bomans en zijn onderduikers na de razzia gewoon thuis zijn gebleven. Het gevaar was immers geweken. Aan de Zonnelaan beleefden ze een mooie Kerst, hoewel, in het dagboek van Bomans komt de sprookjesmaaltijd niet voor.  

In ‘Godfried’ zijn drie brieven aan mevrouw Bangert opgenomen. Zij werd Kees genoemd, haar man Tak. In de brief aan Kees van 5 februari 1945, met als aanhef “Carissima”, gaf Bomans te kennen, niet naar Aerdenhout te zullen komen, want hij achtte het te gevaarlijk. Dat speet hem zeer want “voortdurend zweefde het visioen der gezellige vriendenkring ginds mij voor ogen”, terwijl hij thuis omgeven was door “de luidruchtige kinderen van Sion”. Bomans vergeleek zijn woning met ‘het nieuwe Jeruzalem”, waarvan hij “sinds een jaar de hoogste rabbijn” was (p. 328).  

Mevrouw Bangert was zeer gastvrij. Tot de vriendenkring waarvan in de brief sprake is, behoorde ook Anton van Duinkerken. Vermeldenswaard is, dat hoogleraar en schrijver Van Duinkerken een voorman was van de katholieken in die tijd. Al in de jaren dertig schreef hij verzetspoëzie. In zijn beroemd geworden ‘Ballade van den katholiek’ trok hij fel van leer tegen de nationaal-socialistische kliek, in ons land onder leiding van Mussert.  

De tweede brief aan Kees (zie bijlage) staat op pagina 326-327 en is niet gedateerd. Hierin kondigt Bomans zijn komst aan. Hij zal in de avond te voet van Haarlem naar Aerdenhout gaan, ‘gedekt door een groeiende duisternis. (..) Ik verheug mij geweldig op de paar dagen die ik bij je mag logeeren; ik heb zoo door en door genoeg van de boel hier, en verlang innig naar een andere omgeving, een andere tafel, andere stoelen, gezichten, gesprekken, en heb alle hoop dat dit mij zal opwekken uit den staat van versuffing waarin ik langzamerhand gezonken ben.’  

Uit deze brief blijkt dat hij de boel waarin hij dagelijks verkeerde, zat was. Voorts blijkt dat Bomans niet gaat onderduiken maar een paar dagen gaat logeren, wat overeenkomt met zijn dagboekaantekening van 3 maart. De datering van de brief is hiermee ongeveer bekend en beide brieven zijn van 1945.Toch lijkt er in ‘Godfried’ een bewijsstuk te staan dat Bomans en mevrouw Kees elkaar al eerder hebben leren kennen. Op bladzijde 304 is een derde brief van Bomans aan Kees opgenomen, van half oktober 1944, die begint met “Lieve vriendin.” Daarna volgen deze woorden: “Ik ben ten einde raad. Wat moet ik doen? Lees de brief van Het Spectrum.”Bomans had genoemde uitgever toegezegd dat hij een groot deel van de vertaling van de Pickwick Papers van Dickens af zou hebben als de bevrijding daar was. Op Dolle Dinsdag leek de bevrijding plotseling nabij. Bomans kreeg het benauwd want hij had nog niet veel vertaald. Hij stipte ook aan dat hij “door de Cultuurkamer Geschiedenis niet ruim” in zijn geld zat.  

“Lieve vriendin.” Dat is een stevig begin maar het is geen liefdesbrief. Gingen de andere brieven over het al dan niet doorgaan van een bezoek aan Kees, in deze brief legt Bomans zijn hele zakelijke hebben en houden aan haar voor. Daardoor moet die vrouw goed ingevoerd zijn geweest in de materie, anders kon ze de brieven nauwelijks begrijpen en was het zinloos haar om advies te vragen. Dat zou betekenen dat Bomans Kees al veel langer kende. Toch schrijft Van der Plas dat nergens en hij situeert de eerste kennismaking tegen het eind van 1944. Net als met Andriessen, bleek Godfried met Kees vooral spelletjes te hebben gespeeld, zoals het samenstellen van een ‘Vies Woordenboek’, waarin okselsap en buikzwoerd voorkwamen. Over diepgaande persoonlijke gesprekken repte Van der Plas niet.  

De raadselachtigheid wordt nog groter. Bomans schreef: “Toen echter, ongeveer een maand geleden, de oorlog beloofde te eindigen, dacht ik met schrik aan Pickwick die dan moest uitkomen en maakte, in jullie huis, 5 ŕ 6 hoofdstukken. God zij dank dat ik dit gedaan heb, want die kan ik nu tenminste opsturen. Maar de rest? Denk eens over het geval na” (p. 305).Hoewel Bomans een snelschrijver was, moet het vertalen van de vijf of zes hoofdstukken enige tijd gevergd hebben. Dan moet hij na Dolle Dinsdag wat langer (of een paar keer) bij Kees, haar man Tak en haar zoon Coen hebben verbleven. Dat zou moeten blijken uit dagboekaantekeningen over de maand september 1944. Maar Bomans schrijft niets over het vertalen van Dickens of over Kees Bangert.  

Het mysterie van het ‘bewijsstuk’ wordt nog groter. Bomans schreef ook nog: “Ik kreeg opdracht een clandestien boek voor de ‘Bezige Bij’ te schrijven, schreef dit met animo, en werd toen in beslag genomen door het groote zeeboek dat ik bij jou hoop te schrijven” (p. 305).

Hieruit blijkt dat Bomans van plan is geweest vrijwel permanent bij Kees – een getrouwde vrouw – te willen gaan intrekken, om er een dik boek te gaan zitten schrijven. Wat vreemd. Waarom zou hij? Hij had toch zelf een huis! Of wilde hij daar onderduiken, tot ver na de bevrijding?  

De brief van Bomans – het ‘bewijsstuk’ dat Bomans en Kees elkaar al in 1944 kenden - roept alleen maar vragen op. Was Kees wel die ‘Lieve vriendin’, naar Van der Plas schrijft? De brief lijkt me eerder bestemd te zijn geweest voor stadgenoot Harry Prenen, een goede vriend en vertrouwensman, met wie Bomans al sinds 1929 intensief contact had. Met hem deelde Bomans lief en leed. Een brief uit november 1942 mag als voorbeeld dienen.

Van der Plas heeft daaruit ruim geciteerd en noemde die brief in ‘Godfried’ een “sleutelbrief aan de ‘eenige vriend’” (p. 286). Allerlei zakelijke en privé-kwesties kwamen openhartig aan de orde, en Bomans vroeg Prenen om advies.Maar Prenen was geen vriendin. In dat geval komt Pietsie Verscheure, woonachtig te Nijmegen, het meest in aanmerking, sinds 1941 de verloofde van Bomans, vanaf 1945 zijn echtgenote. Maar zelfs daarvoor is niet één aanwijzing in het dagboek te vinden.Hoe dan ook, de brief aan Kees lijkt aan iemand anders gericht te zijn geweest, temeer daar Bomans Kees in 1944 nog niet kende. Wellicht kan een onderzoek in privé-archieven, waarvan Van der Plas gebruik heeft gemaakt, opheldering verschaffen.  

Kees Bangert zou Bomans de Hongerwinter hebben doorgesleept, door het verschaffen van onderduik en voeding. Een zo belangrijke vrouw had een bijdrage hebben moeten leveren aan het boek ter herinnering aan Bomans, dat onder redactie stond van Van der Plas. Maar zij ontbreekt. Ook anderen, die in die tijd belangrijk zijn geweest voor Bomans, ontbreken, zoals Han Boerma en de familie Van Waveren, de buren aan de Zonnelaan. Ook de drie joodse onderduikers ontbreken, waarbij vooral Hans Lichtenstein wordt gemist. Door dit grote ontbreken blijven allerlei raadsels in leven. Hoewel dat met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker wordt – de generatie van Bomans staat op uitsterven - kan de komende biograaf hopelijk nog enige opheldering verschaffen.  

Bomans een onderduiker? Ik heb juist de indruk gekregen dat hij een grote mate van vrijheid genoot, veel groter dan gewone burgers in die tijd. Dat is bevestigd door journalist Henk Lunshof die bij Bomans in de buurt woonde.In zijn bijdrage aan ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ uit 1972 schreef Lunshof: “De Duitsers hadden de avondklok ingesteld, maar wind en weer trotserend, trok Bomans zich van dit barse bevel niets aan, door steeds met een opgestoken parapluie bewapend – regen of geen regen – mij op te zoeken en, laat, zachtjes heen te gaan” (p. 129).

Lunshof had Bomans in de zomer van 1943 leren kennen in het verzetscentrum van Mari Andriessen. Ze raakten spoedig bevriend. Lunshof was journalist bij ‘De Telegraaf’, een krant die van de Duitsers tijdens de bezetting mocht blijven verschijnen. Als verzet tegen de pro-Duitse koers van die krant, nam hij in 1942 ontslag, na een sterk anti-joods hoofdartikel. Van der Plas meldt slechts: “Lunshof heeft geen baan meer” (p. 311). Lunshof heeft in twee jaar tijd wel 300 gesprekken gevoerd met Bomans, meestal over theologie. Hij schreef verder dat Bomans “eindeloze schaakwedstrijden met de heer Boerma (speelde), directeur van een door de Duitsers overgenomen sigarettenfabriek, aan wie wij ons lichamelijk bestaan dankten” (Herinneringen, p. 131).

Hieruit blijkt hoe belangrijk Han Boerma voor Bomans welzijn geweest is, zo te zien vele malen belangrijker dan Kees Bangert.  

Op grond van de beschikbare gegevens kan Bomans geen onderduiker genoemd worden. Toch heeft Van der Plas dat gedaan, en dat is het dominante beeld geworden. Er is juist alle aanleiding Bomans een verzetsman te noemen. Allereerst als verschaffer van onderdak aan joden die anders ten dode waren opgeschreven, met gevaar voor eigen leven. Ook de verzetsman Andriessen, in wiens kring Bomans was opgenomen, was met zijn gezin welkom op de Zonnelaan, toen de grond hem te heet onder de voeten werd. Voorts weigerde Bomans als schrijver lid te worden van de Kultuurkamer (zie bijlage II) en hij weigerde als student de loyaliteitsverklaring te tekenen.Daarbij moet het volgende gevoegd worden. Al in 1944 bereidde Lunshof, Piet Bakker, Anton van Duinkerken en Bomans de oprichting  voor van ‘Elseviers Weekblad’. Vanaf begin 1945 deed Bomans aangaande ‘de Volkskrant’ hetzelfde, met professor/staatsman C.P.M. Romme en journalist Joop Lücker. Hoewel Van der Plas dat niet vermeld, had Lücker ook geen baan meer, omdat hij in 1944 ontslag had genomen bij ‘De Telegraaf’. ‘Elseviers Weekblad’ en ‘de Volkskrant’ zouden gaan verschijnen nadat de Duitsers waren verslagen. De voorbereidingen daartoe waren onder de Duitse heerschappij hoogst illegaal. Voorts fietste Bomans heel wat af en was hij na spertijd, wanneer iedereen gedwongen thuis zat, vaak op straat. En hij luisterde naar de radio, terwijl alleen al het bezit daarvan strafbaar was.    

Op 10 mei 1940 zag Bomans de Duitse troepen Nijmegen binnenrijden. Daarover schreef hij in mei 1960:“De Duitse soldaten stonden recht overeind in de voorbijrollende tanks. De blauwe ogen in hun gebruinde gezichten gleden over mij heen, zoals men een insect terloops opmerkt en direct daarna kwamen er weer nieuwe gezichten. Ik weet nog goed, wat ik dacht. Ik dacht: dit is een historisch ogenblik. De bewustheid hiervan bewijst, dat ik niets voelde. (..) Ik stond naar die onwezenlijk voorbijglijdende colonnes te kijken met de gedachte: ‘Dit is 10 mei 1940: inval der Duitse troepen in Nederland.’ Er was geen sprake van verzet, woede of zelfs maar smart. Hier voltrok zich een gebeurtenis uit een geschiedenisboek, pagina zoveel.  (..)Wat ik nu ga bekennen, is riskant. Maar een documentatie van die dagen is waardeloos zonder volstrekte eerlijkheid. Ik wil u namelijk toevertrouwen, dat ik volstrekt geen haatgevoelens koesterde. Hoewel ik later, toen de druk van de laarzen voelbaar werd, geen gelegenheid verzuimde om hen een hak terug te zetten, was er op het moment zelf alleen …. nieuwsgierigheid” (Werken VII, p.298).  Met vrienden als Andriessen, zal Bomans geen moment verzuimd hebben om de Duitsers een hak te zetten. Dat zal meer geweest zijn dan bekend is geworden, want Bomans heeft over zijn eigen daden in bezettingstijd gezwegen. Zelfs toen hij na de oorlog Hans Lichtenstein voor ‘Elseviers Weekblad’ (18-10-’47) interviewde, die hij het leven had gered, hield Bomans zijn mond.Geconcludeerd moet worden dat het bekende beeld van Bomans als onderduiker geen bestaansgrond heeft. Bomans behoorde eerder tot het verzet. Dit aspect ontbreekt geheel in het boek van Van der Plas over de jonge Bomans.    

25 september 2008      

Bijlage I   Hieronder is de brief van Bomans van begin maart 1945 aan Kees Bangert weergegeven, niet in de laatste plaats voor het prachtige proza (Bron: ‘Godfried’, bladzijde 326-327). Met MARI’s huis uit regel twee, werd de woning van Mari Andriessen bedoeld.

Bijlage II (toegevoegd op 3 oktober 2008)   Erik of het klein insectenboek is het succesvolste boek van Bomans. Tot op de dag van vandaag komen herdrukken in diverse talen op de markt, in het Nederlands al meer dan 50. Het succes begon in december 1940. In 1941 volgden 9 herdrukken. Toen hield het op.Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945) werd op 25 september 1941 de Kultuurkamer opgericht. Allen die werkzaam waren op het gebied van kunst en cultuur moesten zich daarbij aansluiten op straffe van verbod van beroepsuitoefening. Doel van die Kamer, een soort gilde-organisatie, was de Nederlandse cultuur in de nationaal-socialistische geest te beďnvloeden, anders gezegd, aangesloten leden moesten nazi-propaganda gaan bedrijven.Nu Bomans enorm populair was geworden, was het voor de Kultuurkamer van belang de coming man van de Nederlandse literatuur binnen te halen. Dat zal de reden zijn geweest voor een onderhoud dat in december 1941 in Nijmegen plaatsvond tussen Bomans en een vertegenwoordiger van het Letterengilde van de Nederlandse Kultuur Kamer (NKK). Hiervan is een verslag aanwezig in de Beeldbank van het Nationaal Archief dat moeilijk leesbaar is en daarom hieronder uitgetikt is weergegeven.

“Onderhoud Godfried Bomans.Bomans is de schrijver van een merkwaardig boek: “Erik” genaamd. Hij is een soort Nederlandsche Andersen.Dit boek heeft op het oogenblik reeds zijn 9de druk en is vertaald in het Duitsch, Fransch, Tchjechisch en Deensch.Vertalingen in het Noorsch en Zweedsch komen binnen enkele weken.Ongetwijfeld een opmerkelijk, en, zooals de kranten dit uitdrukken, “veelbelovend “ auteur.Dhr Bomans heeft zijn Candidaatsexamen Rechten gedaan en is bovendien psycho-technicus.Hij heeft veel belangstelling voor de N.K.K.. Hij vindt de idee der samenbundeling uitnemend, maar….. hij is bevreesd, dat het lidmaatschap der N.K.K. ideologische consequenties met zich brengt, welke hij niet kan deelen.Wanneer hij de overtuiging heeft “vrij” te zijn als lid van het Letterengilde in dien zin, dat hij daardoor geen boeken hoeft te schrijven, welke van een bepaalde doctrine doordrenkt zijn, zal hij zich gaarne aanmelden. Zoo niet, dan geeft hij zijn schrijversloopbaan op: een loopbaan, welke sociaal-economisch zooveel kansen biedt, dat hij zou kunnen trouwen, doch die hij zal verlaten om een baan als psycho-technicus bij de mijnen te aanvaarden en dan jaren te wachten, alvorens te kunnen trouwen.Ziehier een gewetensconflict, dat, in verband met de belangrijkheid van degenen, in wien het woedt, ook voor de N.K.K. van belang moet zijn.Gaarne zou dhr Bomans ontvangen worden door Dr J. van Ham.”

 

Kennelijk wilde Dr. J. van Ham (1892-1985) Bomans alsnog overhalen om lid te worden. Daar de wil van de Duitse bezetter en zijn Nederlandse handlangers wet was, zal dat onderhoud wel hebben plaatsgevonden. Bomans bleef weigeren.  

Aan Wikipedia ontleen ik de volgende gegevens. Jo van Ham studeerde Nederlandse letteren in Utrecht en promoveerde in 1932. In 1941 werd hij hoofd Afdeeling Boekwezen. Wikipedia meldt voorts over Van Ham:“Hij kreeg zo de kans de Nederlandse letteren te modelleren naar de geest van de Nieuwe Orde. Tot zijn belangrijkste taken behoorden het verlenen van subsidies aan auteurs en het geven van toestemming voor papiergebruik voor literatuur en populair-wetenschappelijke werken. Hij deelde schrijvers in naar de tijdens de bezetting gangbare criteria ras en politiek. Hij ontwikkelde zich gaandeweg tot de machtigste censor die Nederland ooit op literair gebied gekend heeft. In april 1941 werd hij lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van ir. A.A. Mussert.”      

Naschrift   Langdurig is het gissen geweest hoe het de joodse onderduiker Hans Lichtenstein verder is vergaan. Want zijn naam komt niet voor in ‘Werken’, de zevendelige verzamelbundel van het werk van Bomans. Lichtenstein is ook opvallend afwezig in ´Herinneringen aan Godfried Bomans´ dat kort na diens dood uitkwam, met tientallen bijdragen van familie, vrienden en kennissen. De kans dat Hans Lichtenstein was overleden, leek reëel. Sabine Lichtenstein heeft deze zomer haar vader aan de vergetelheid ontrukt door enige artikelen te schrijven in Bomans Weekblad (Internet). Kort na de bevrijding vertrok Lichtenstein naar Palestina om daar als dirigent concerten te gaan geven. In het najaar van 1947 keerde hij met vrouw en dochter Sabine terug, die vier maanden oud was. Hij vertelde zijn ervaringen aan Bomans die er een artikel over schreef dat in Elseviers Weekblad van 18 oktober 1947 werd afgedrukt, wat niet in het verzamelde werk is opgenomen. Ruim een jaar later werd een tweede dochter geboren. Lichtenstein is zijn verdere leven dirigent gebleven. Hij is in 1994 gestorven, 89 jaar oud.

  Sabine Lichtenstein gaf ook  informatie over haar vader en Bomans. Ze schreef: “De mannen konden het goed met elkaar vinden, al was men elkaar af en toe beu.” Voorts bleek er gemusiceerd te worden met Bomans aan de piano, Lichtenstein voor de zang, waarover Sabine opmerkte dat zij haar vader “nooit hard of ‘galmend’ (had) horen zingen.

Na de bezetting hebben beide mannen elkaar nog zelden gezien. Sabine schreef over haar vader: “Blijkbaar was alles, ook de contacten met bijna alle mensen die grote risico’s voor hem hadden gelopen, te confronterend.” En: “Mijn vader sprak maar zelden over zijn onderduiktijd maar áls hij over zijn tijd met Bomans sprak, deed hij dat telkens met grote dankbaarheid en hoogachting.”Over ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ schreef Sabine Lichtenstein: “Mijn ouders (dus ook mijn vader) wisten niets van een herinneringsboek over Bomans, laat staan dat men mijn vader vroeg er aan bij te dragen. Anders had hij dat natuurlijk gedaan.” Wat haar ouders wel deden was het volgende: zij droegen Bomans en Mari en Nettie Andriessen voor om in aanmerking te komen voor de Yad Vashem onderscheiding, wat gehonoreerd is. Indien u de artikelen van Sabine Lichtenstein wilt lezen, klik hier. 

Bomans heeft in zijn dagboek een accuraat beeld gegeven van het laatste oorlogsjaar. Daarvan is in bovenstaande stuk een ruime selectie opgenomen, net als in ‘Bomans als oorlogsverslaggever’, dat te lezen is op de site van de Stichting Informatie Wereldoorlog Twee (STIWOT). In de rubriek 1000-pootjes op deze site staat een inleiding daarop, met doorklik naar bewuste artikel. Een ander gerelateerd stuk op onze site is ‘Bomans en Mari Andriessen’. Indien gewenst, kunt u beide stukken aanklikken.      

Verantwoording illustraties:  
1.      Te door studenten te ondertekenen loyaliteitsverklaring van 13 maart 1943. ‘De bezetting’ (pocket), deel 4, 1964, p. 23, van Dr. L. de Jong.
2.      Verzetsmonument ‘de Dokwerker’ van Mari Andriessen. ‘De bezetting’, deel 1, p. 154.
3.      Foto van de jonge Bomans uit ‘De wereld van Godfried Bomans’ van Jeroen Brouwers, p. 128k.
4.      Foto uit 1943 (moet zijn 1944, e.k.) uit ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, p. 22, onder redactie van Michel van der Plas. Bomans temidden van de onderduikers Hans Lichtenstein (links) en Jan ter Gouw (Lou Bauer), rechts.
5.      Gemiddeld dagrantsoen herfst 1943. ‘De bezetting’, deel 2, p. 99.
6.      Voorkant van ‘De bezetting’, deel 1.
7.      Bekendmaking van 8 mei 1943 van verplichte arbeid in Duitsland voor mannen tussen 18 en 35 jaar. ‘De bezetting’, deel 2, p. 84.
8.      Michel van der Plas, afbeelding van Google.
9.      Foto van vriend Harry Prenen, 1931, detail. ‘Herinneringen’, p. 209.
10.   Henk Lunshof, afbeelding van Google.
11.   Brief van Bomans aan mevrouw Kees Bangert van begin maart 1945. ‘Godfried’, p. 326-327.
12.   Verslag van onderhoud over mogelijk lidmaatschap van Bomans van de Kultuurkamer. Beeldbank van het Nationaal Archief.