Het is nu eenmaal zo, dat overal in de wereld
het echte en kernachtige schijnt terug te
treden voor het gladde en vlotte.

Het partijstelsel in de politiek
en overal de ‘evenredige
vertegenwoordiging’ daarbij,
de noodzaak van aktes
en diploma’s in bijna alle betrekkingen,
heel die ordening werkt als een zeef,
die alleen de
conformistische naturen doorlaat.

Godfried Bomans

Bomans als onbekende

Na kennisneming van zeven vuistdikke boeken met de titel Werken, zou men Bomans kunnen roemen als schrijver van een groot en divers oeuvre. Zo schreef hij sprookjes van formaat, als enige Nederlander. Voorts schreef hij dagboeken, satiren, psychologische verkenningen, biografische beschouwingen, essays, columns waaronder vlijmscherpe, interviews, analyses van kerk en geloof, onzinstukken en stripverhalen. Vandaar, dat Bomans lange tijd het boegbeeld van ‘de Volkskrant’ was. Voor ‘Elseviers Weekblad’ lag dat niet veel anders.

Men zou Bomans ook kunnen roemen om zijn overige begaafdheden. Al snel gaf hij overal in Nederland en Vlaanderen lezingen en voordrachten. Daarnaast was hij een graag geziene gast bij radio- en later tv-programma’s, en was als maker van tv-reportages zo goed, dat Wim Kan, de grote kleinkunstenaar, Bomans “de beste presentator van Nederland” noemde (De dagboeken van Wim Kan, 1968-1983, p. 83).

Behalve een enorme populariteit onder de bevolking - Nederland was zwaar aangeslagen door zijn plotselinge dood in december 1971 - heeft Bomans weinig roem geoogst. In academisch Nederland van na de ‘culturele revolutie’, was hij uit. Zijn werk stelde niet veel voor en zijn veelzijdigheid werd hem kwalijk genomen. Hij verbeuzelde zijn tijd. Hij moest maar eens een echt boek gaan schrijven. Door het ontbreken van een roman, hoorde hij in de literatuur niet thuis. Literaire prijzen gingen aan zijn neus voorbij. Hij schopte het niet verder dan stilist en humorist.

Bomans is 36 jaar geleden overleden. Voor de literaire wereld is hij allang dood, daarbuiten leeft hij voort. Als schrijver, kwam zijn naam in de tweede helft van de jaren ’90 diverse keren in het nieuws door recensies, naar aanleiding van het verschijnen van het verzameld werk, dat boven verwachting werd verkocht. In ‘Trouw’ van 13 november 1999 recenseerde Wim Slagter ‘Werken’ deel VII. Hij prees Bomans’ strijdvaardigheid en ironie, waarmee hij politici in hun hemd zette.

Jos Palm had deel zes van de verzamelbundel gelezen en schreef op 16 november 1998 in ‘de Volkskrant’, dat Bomans - volgens velen een oerconservatieve katholiek - in feite de grafdelver van het roomse was. In dezelfde krant schreef Jan Blokker een recensie over ‘Werken IV’, waarin de bijdragen van Bomans aan ‘de Volkskrant’ zijn gebundeld. Blokker, die begin 2007 ‘als koning der columnisten’ de Machiavelliprijs ontving, schreef: “Als columnist van de Volkskrant (..) stond hij onbetwist op eenzame hoogte”. Blokker stelde ook, dat Bomans zich nooit “expliciet als een ‘conservatief’ heeft laten kennen” (14-11-1997). En Paul Steenhuis schreef: “Hoewel Bomans altijd als een oppervlakkige lolbroek (..) en conservatief wordt afgeschilderd, valt bij lezing van de eerste twee delen van het verzameld werk en andere boeken van hem, op dat er zo veel verzet spreekt uit zijn werk” (NRC Handelsblad, 30-8-1996).

In de academische en literaire wereld was Bomans een lolbroek die niet alleen conservatief was, maar “zo rechts als de pest” (Jeroen Brouwers, De wereld van Godfried Bomans, p. 42). Voor de velen die zo dachten, moeten de bovenstaande woorden verbazingwekkend zo niet schokkend zijn geweest. Want de recensenten - geen van allen Neerlandicus - die hun mening op lézen hadden gebaseerd, zagen niets van dit al. Zij zagen juist de strijdbaarheid van Bomans, iets wat geheel tegen de heersende mening indruiste. En indruist, want de recensies hebben geen genuanceerder beeld te zien gegeven.

Aan het begin van deze nieuwe eeuw kwam Bomans weer in het nieuws. Het Letterkundig Museum opende op 14 juni 2002 de tentoonstelling ‘Godfried Bomans, De fluwelen duivel’. In de herfst van 2004 kwam de film Erik of het klein insectenboek in de bioscoop. Het gelijknamige boek was aan de 53ste druk toe. ‘Erik’ is een bestseller die al dik een halve eeuw meegaat, ook in het buitenland.

In het voorjaar van 2005 werd het tegendraadse essay Bomans als provo besproken in de dagbladen Trouw, de Volkskrant, De Telegraaf, de Provinciaal Zeeuwse Courant (PZC) en vermeld in het tijdschrift VolZin. NRC Handelsblad ontbrak aan dit rijtje.

In het najaar kwamen dvd’s met oud televisiewerk van Bomans op de markt. Tientallen jaren na dato, bleken de beelden uit zijn ‘verbeuzelde’ tijd zo fris te zijn dat ze ook nu nog goed waren voor bijna veertien uur ernst en plezier. Ze gingen grif over de toonbank. Aan het eind van 2006 kwam het luisterboek Alleen op een eiland uit, met de belevenissen van Bomans en Wolkers op Rottumerplaat. Alweer een goede pers. En in oktober 2007 werd de dubbel dvd Een Hollander ontdekt Vlaanderen gepresenteerd, met interviews van Bomans met een groot aantal Vlamingen. De nu hevig oplaaiende taalstrijd in België werd daar al uit de doeken gedaan.

In de nieuwsrubriek op de site van het Godfried Bomans Genootschap loopt het aantal berichten waarin Bomans een kleine of grotere rol speelt, tegen de tweehonderd, en dat in 9 maanden tijd. Bomans is dus nog lang niet dood. In die rubriek zijn allerlei nieuwtjes te vinden, zelfs onhollandse. Diverse personen gaven te kennen dat zij hun taalvorming aan Bomans te danken hebben gehad. Zij komen allen uit Vlaanderen, zoals spraakmakend professor Rik Torfs, die in Vlaanderen het ‘neefje’ van Bomans wordt genoemd.

In 1511 zond priester/theoloog Erasmus (1469-1536) een boekje de wereld in dat nog steeds wordt verkocht. Het is een satire. Met schitterende humor kreeg/krijgt iedereen er van langs, vooral machthebbers en gezagsdragers uit die tijd: pausen, bisschoppen en theologen. Erasmus hield de volgende spiegel voor: mensen zijn dwaas en handelen overeenkomstig. Ondanks alle ellende die daaruit voortvloeit, zijn mensen niet ongelukkig, want dankzij diezelfde dwaasheid, menen ze toch verstandig te zijn, en nog goed bezig te zijn ook, zelfs als ze in de naam van Christus oorlog voeren.

Lof der zotheid is de titel van Erasmus’ boek. Die titel vormde het motto van de Boekenweek in maart van dit jaar (2007). Het thema was humor, met scherts, satire en ironie. Dan ontkom je niet aan Bomans, of je wilt of niet. Gevolg was, dat de pers de nieuwsrubriek op de site van het Genootschap voorzag van een stroom berichten. Bomans werd veelvuldig en met waardering genoemd, naast Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en anderen. Zo schreef Kees Fens in ‘de Volkskrant’ van 15 maart dat hij nog steeds om Bomans moest lachen. Het humoristische boek ‘Kopstukken’ vond Fens “misschien toch wel Bomans’ beste boek”, met ‘De honderdjarige’ als absolute parel.


Erasmus, schilderij van Hans Holbein de Jongere,
cover Lof der zotheid, 1511

‘NRC Handelsblad’ vormde de uitzondering. In de Boeken(week)bijlage van 9 maart kwam Bomans niet voor, behalve terloops in een interview. In die bijlage stond wel een uitgebreid overzicht van humor in de Nederlandse literatuur, vanaf de veertiende eeuw tot op heden, onderverdeeld naar toneel, proza en poëzie. De onbekende samensteller noemde tal van namen zoals Bredero, Komrij, Koolhaas, Reve, Ivo de Wijs, Freek de Jonge, Annie M.G. Schmidt, Simon Carmiggelt, maar geen Erasmus, terwijl zijn ‘Lof der zotheid’ het motto van de Boekenweek was, én geen Bomans. De koning ontbrak. In de krant stond later niet één ingezonden brief waaruit bleek dat Erasmus of Bomans in dat schema werd gemist, terwijl daarover minimaal een mail was binnengekomen.

Hoe zou het toch komen, dat Bomans, zelfs als humorist, bij de ‘NRC’ geheel niet meetelt? Zijn ze hem daar vergeten of hebben ze hem nooit gekend? Of is hij gewist? Zou dat iets te maken kunnen hebben met de politieke diskwalificatie uit de jaren zestig die nog steeds doorloopt? Speelt Elsbeth Etty (1951) hier een rol? Wie zal het zeggen? Etty is redacteur bij ‘NRC Handelsblad’ en hoogleraar Literaire kritiek. Onlangs verscheen een boekje van haar hand dat was geïnspireerd door het werk van Mulisch. Ze behoort tot het establishment hoewel zij een echt kind van de jaren zestig was. Ze behoorde zelfs tot het gestaalde kader van de communistische partij (CPN) en zij beleed langdurig de waarheid in een krant die die naam droeg, de Nederlandse Pravda.

In de agressieve jaren ’60 zei Bomans nogal eens verkeerde dingen, zoals in 1966, toen linkse arbeiders de boel bij ‘De Telegraaf’ kort en klein sloegen, daartoe in een pamflet opgeroepen door communistische jongeren. In ‘De raddraaiers’ (de Volkskrant, 18-6-1966) keurde Bomans het geweld af en hij achtte de schrijvers van dat anonieme pamflet de hoofdschuldigen. Kort daarop werden vier leden van ‘Rode Jeugd’ opgepakt en voor een week opgesloten. Dat was Bomans zijn schuld, Bomans was een lelijke verrader. Onder aanvoering van Harry Mulisch kreeg hij intellectueel links over zich heen, middels een telegram. Anderen schreven onaangename brieven, waaronder doodsbedreigingen. Bomans kwam onder politiebescherming. Over de grote onverdraagzaamheid die ons land regelmatig teistert, schreef J.A.A. van Doorn op 7 april 2007 in ‘Trouw’ een commentaar en bracht dit voorval met Bomans in herinnering, als “voetnoot bij de geschiedenis van de roerige jaren zestig. Maar wel een veelzeggende.”

Bomans, cover Hollands Diep, december 1975, fragment

Bomans was zeker niet conservatief, wel anti-revolutionair. Door zijn kennis van de sociale en politieke geschiedenis, wist hij dat revoluties meer kwaad dan goed deden. Hij was ook tegen dictaturen wegens hun mensonterende karakter. Links ontkende en bestreed dat, en bejubelde dictaturen. Daar komt bij dat links niets meer van kerk en geloof moest hebben. Hoewel Bomans de grafdelver van het roomse was en met gemak een vroege solo-religieus genoemd kan worden, heerste de overtuiging dat hij een oerconservatieve katholiek was. Die meerderheidsmening had vanwege de democratisering gelijk. Gevolg was, dat links niets van die rechtse en oerconservatieve katholieke Bomans moest hebben.

Voor mij ligt een prachtig boek. Het is een bloemlezing van ‘NRC Handelsblad’ uit de eerste 10 jaar van haar bestaan, na de fusie in 1970 van de ’Nieuwe Rotterdamse Courant’ en het ’Algemeen Handelsblad’. Na enkele bladzijden komt de lezer een stuk van Battus tegen, ook bekend als Piet Grijs en Stoker. Zijn ware naam is Hugo Brandt Corstius (1935), schrijver en wetenschapper. Naar aanleiding van het verschijnen van ‘Oude en nieuwe buitelingen’ stond op 23 oktober 1970 een stuk van zijn hand in de krant dat als volgt begint: “Hebt ge ooit iets van Godfried Bomans gelezen? Neen? Bravo, ik feliciteer u recht hartelijk. Ge hoeft niet verder te lezen, want ik poog in deze verhandeling alleen de vraag te beantwoorden die een ieder die ooit iets van Godfried Bomans heeft gelezen moet beklemmen: Waarom is die man niet leuk?“

Die Battus! Als bij iedere lezer die vraag was opgekomen, had Bomans nooit van zijn pen kunnen leven. Maar zijn boeken vlogen over de toonbank. In de periode 1946 tot 1970 zijn bij ‘Elsevier’ maar liefst 324 drukken verschenen (Godfried, maart 1996, p. 9). Gelet op dat feit, had de vraagstelling van Battus moeten luiden: waarom vinden sommige mensen de schrijver Bomans niet leuk? Battus vond Bomans niet leuk, niet omdat hij “zo conservatief” was, want anderen die wél geestig waren, waren dat ook. Volgens Battus was Bomans een “falende humorist” die niet wist dat hij faalde, door “herhaling van trouvailles (..), vaste wendingen, stereotiepe stembuigingen, kortom een zeker schematisering ontsieren zijn gebabbel. Maar het is vooral zijn duidelijk behagen in eigen schittering dat hem schaadt” (p. 8).

Battus noemde zijn stuk, waarin Bomans te kakken werd gezet, geen recensie. Dat is juist want ‘Oude en nieuwe buitelingen’ werd niet besproken. Battus noemde het een verhandeling. Ik zie er een onversneden column in, van merkwaardig makelij. Zijn uitverkoren bloem bloeit dankzij innerlijk rammelende logica: de boeken van Bomans waren niet leuk vooral omdat de behaagzieke babbelaar Bomans (van de televisie) niet leuk was. Voorts meende Battus dat Bomans erg conservatief was. Dat is al weerlegd. Kortom, Battus was weer lekker bezig, als columnist.

Waarom dit stuk van Battus is gekozen, is me onbekend. Was dit nu het beste wat ze konden vinden? Wellicht kwam dit stuk er door omdat Battus de mening van de redactie van NRC Handelsblad juist weergaf: Bomans was niks, zelfs geen humorist.

Harry Mulisch werd in 1927 geboren maar hij kan met gemak een kind van de jaren zestig genoemd worden. In die jaren werd hij het boegbeeld van links. De volgende wapenfeiten droegen daartoe bij. In 1961 schreef hij een schotschrift over de Bescherming Bevolking dat door minister Toxopeus werd betreurd. In 1966 steunde hij de provocaties bij het huwelijk van Beatrix en Claus actief. De provorellen in Amsterdam bezocht hij met regelmaat. In 1968 ging Mulisch voor de tweede maal naar Cuba. Hij schreef ‘Het woord bij de daad’, waarin Castro en de Cubaanse dictatuur worden verheerlijkt. In 1969 werkte hij mee aan de anti-imperialistische opera ‘Reconstructie’. En in 1971 liep hij mee in een protestmars tegen de Vietnamoorlog. Vrijwel alle gegevens ontleen ik aan ‘HP/De Tijd’ van 27-7-2007. Hieraan kan worden toegevoegd, dat Mulisch het in 1966 opnam voor communistische ‘Raddraaiers’, in een telegram aan Bomans.

Mulisch raakte in de jaren zestig helemaal in, Bomans helemaal uit. Hoewel Bomans tijdens de Duitse bezetting verzetswerk had gepleegd, later in de jaren veertig Nederland op zijn kop had gezet door op een zeer inhoudelijk manier het onderwijssysteem – in zijn ogen een dwaze tirannie - onder vuur te nemen, hij in de jaren ‘50 notabelen en soms het hele Nederlandse volk over de knie nam, waarbij hij velen kwaad maakte en zelfs van kwetsende provocatie werd beschuldigd, legde Bomans, die veertien jaar ouder was dan Mulisch, zich in de jaren zestig vooral toe op beschouwingen van historische of culturele aard. Politiek interesseerde hem in wezen geen lor: te veel conformistische naturen. Dat weerhield hem niet soms krachtig stelling te nemen. Aan grote leiders met frisse daadkracht had hij een regelrechte hekel. De gevolgen van hun beleid waren voor gewone mensen altijd desastreus. Die leiders moesten maar in bed blijven liggen, daar deden ze het minst kwaad.

Bomans uitte zijn afkeer van gewone machthebbers en gezagsdragers ook op humoristische wijze. Zij konden rekenen op zijn spot. Zie ‘Kopstukken’. Een ander fraai voorbeeld is ‘Pa Pinkelman in de politiek’, een zeer succesvol stripverhaal uit 1948 in ‘de Volkskrant’. Om iets te doen te hebben, stapte pa Pinkelman, zonder enige kennis van zaken, de politiek in. Zijn partij had twee actiepunten: ” A. De bevordering van de welvaart en B. De bestrijding der armoede” (p. 17). Deze politicus werd zeer populair en hij schopte het ver. Hiermee komt Bomans in de buurt van ‘Lof der Zotheid’.

In de politieke heksenketel van de jaren zestig mengde Bomans zich nauwelijks. Ook dat deugde niet, in een periode, waarin alles politiek was en politiek alles.

Jong links gaf de toon aan, met Bomans als pispaal. Daar zei hij soms wat van. In een interview beklaagde hij zich in de ‘NRC’ van 19 januari 1971 over het ‘onrechtvaardige’ stuk van Battus, en tegen Ischa Meijer, de man met een messcherpe tong en pen, zei hij: “Kom jij ook om me af te kraken?” (De wereld van Godfried Bomans, p. 37)

De column van Battus is ondanks zijn inhoudelijke zwakte, gezaghebbend geworden. Jeroen Brouwers gebruikte hem voor zijn boek ‘De wereld van Godfried Bomans’ (1998) dat een bewerking is van ‘De spoken van Godfried Bomans’ (1982). Beide boeken zijn beperkt van opzet, ondermeer omdat Brouwers nog niet over het verzamelde werk van Bomans kon beschikken. En onbekend maakt onbemind.

Het nieuwe boek van Brouwers werd goed ontvangen. Henk van Gelder noemde het op de achterflap, een “voortreffelijke monografie”. Daarin promoveerde Brouwers de column van Battus tot een recensie, wat wetenschappelijk en betrouwbaar aandoet. Brouwers nam net als hierboven het citaat van Battus over (p. 46), waarin Bomans als humorist faalde. En Brouwers vond Bomans ook niet leuk, en, vooral iemand die aardig gevonden wilde worden, dit in navolging van Michel van der Plas, die een biografisch boek over de jonge Bomans (tot 1946) heeft geschreven. Op zijn beurt gebruikte Henk van Gelder het boek van Brouwers voor een artikel met de titel: Godfried Bomans de aandachtverslaafde (NRC Handelsblad, 19-12-2001).


Cover van Jeroen Brouwers’ monografie uit 1998

Alweer lijkt het erop, dat een fors deel van de intelligentsia in het duister allerlei dingen zag, die er helemaal niet waren. De bevolking dacht er in ieder geval anders over. Zelf zag ik Bomans als de geestigste en gezelligste oom van Nederland. Harry Mulisch dacht er net zo over. Doelend op het vele televisiewerk, typeerde hij Bomans als een “huisvriend die in alle gezinnen een geziene gast was” (Herinnering aan Godfried Bomans, p. 149).

De toonaangevende intelligentsia, ondermeer te vinden op de literaire redacties van kranten en tijdschriften, vond Bomans niet veel soeps. Dat is door een bezoekje aan het krantenarchief alsnog te onderbouwen. Vanaf nu, terug in de tijd gekeken, stond het honderdste bericht over Bomans in november 2001 in de ‘NRC’ terwijl het honderdste bericht over Simon Carmiggelt van oktober 2001 stamt.

Voor ‘de Volkskrant‘ geldt ongeveer hetzelfde. Dit dagblad ging mee in het revolutionaire elan van de jaren zestig. De redactie werd vervangen door jonge linkse redacteuren en in 1965 werd de ondertitel ‘Katholiek dagblad voor Nederland’ geschrapt. Het geloof in de kerk werd vervangen door geloof in de politiek. De nieuwe bekeerlingen wisselden van juk. Ze waren fanatiek, recht in de leer en veelal dogmatischer dan de paus. In 1966 kwam de rel met ‘De raddraaiers’. De positie van Bomans bij de krant moet (verder) hebben gewankeld. In 1969 barstte de bom. Bomans, volgens Jan Blokker jarenlang het boegbeeld van ‘de Volkskrant’, moest weg. Zijn vaste plek op de voorpagina werd door jonge redacteuren gezien als een vlag die de lading niet langer dekte. Als mede-oprichter van de krant in 1945, moest Bomans na 24 dienstjaren het veld ruimen. Door deze excommunicatie kwam een plek voor Jan Blokker vrij. De ‘vijand’ van de langdurig gehandhaafde linkse redactie, kreeg gedurende de laatste zes jaar toch bijna even veel aandacht als Carmiggelt.


Cover van Bomans´ boek uit 1971

In zes jaar tijd zijn de namen van Bomans en Carmiggelt in ‘NRC Handelsblad’ en in ‘de Volkskrant’ haast even vaak voorgekomen, terwijl Bomans, met alle respect voor Carmiggelt, van veel groter formaat was. Voor dagblad Trouw zijn de overeenkomstige data voor Bomans november 2000 en voor Carmiggelt december 1996. ‘Trouw’ schenkt dus aanzienlijk meer aandacht aan Bomans. Dat lijkt me juist.

 

De vrienden van Bomans zaten niet bij de ‘NRC’. Die krant - overigens de beste van Nederland – voelde meer voor Carmiggelt, die nota bene dit over Bomans had geschreven: “Alleen de ‘officiële literatuur’ heeft hem altijd onderschat. (..) Een literator, die mijn geestdrift voor ‘De man met de witte das’ deelde, zei op enigszins wrange toon: ‘Ja, Bomans is een groot schrijver. Maar je mag het alleen niet zéggen.’”

Carmiggelt reageerde met: “Ziedaar waar een klein literair wereldje klein in kan zijn” (Herinneringen, p. 71).

De eerder genoemde Wim Slagter besloot zijn recensie van ‘Werken VII’ als volgt: “Zullen de nu gebundelde duizenden bladzijden uit zijn werk de ‘officiële’ literatuurcritici alsnog tot een royale erkenning van zijn verdiensten kunnen overhalen?” Op die vraag uit 1999 is het antwoord in de zomer van 2007 duidelijk nee. Probleem lijkt me dit: aan bevoegde zijde zou men eerst de vooroordelen tegen de schrijver Bomans moeten zien te overwinnen, vervolgens zou men al die duizenden bladzijden moeten gaan lezen om zich een juist oordeel te kunnen gaan vormen. Dat is heel veel werk, dat kost jaren, niet alleen door de omvang maar ook zeker door de moeilijkheidsgraad. Om met vrucht te lezen, is een flink pakket algemene ontwikkeling aanbevolen, kennis van de geschiedenis in ruime zin is noodzakelijk.
Verzameld werk, bezorgd door Annemarie Feilzer en Peter van Zonneveld

Zelfs het humoristische werk, een bescheiden onderdeel van het gehele oeuvre, zou wel eens een zware kluif kunnen zijn. Want wie kan Bomans zien als een fluwelen duivel, zoals dichter Roland Holst deed? En wie ziet de ironie, waarmee Bomans schijn-wijsheid tegemoet trad? Die ironie was volgens dichter/essayist Willem Brandt eerder filosofie dan humor, waardoor Bomans dichter bij Socrates dan bij Charles Dickens stond (Herinneringen, p. 62). En wie kan, net als dichter/schrijver Bertus Aafjes, door de humor van Bomans heen zien, zodat een satire overblijft, “even scherp als die van onze grootste satiricus uit de middeleeuwen: Erasmus…”? (Tony van Verre, Bomans was de naam, p. 52)

In directe zin valt er uit de kranten niet veel nieuws meer te vernemen over Bomans en zijn werk, hooguit indirect, door berichtgeving over personen die met Bomans te maken hebben gehad. Ik denk aan Lodewijk van Deyssel , Harry M.G. Prick en Anton Heyboer, maar meer aan de nog in leven zijnde weduwe Bomans, Herman van Run, Harry Mulisch, Jeroen Brouwers, Willem Duys en Michel van der Plas.

Anton Heyboer, cover Hollands Diep, december 1975, fragment

Op 9 april 2005 overleed etser en schilder Anton Heyboer. Twee dagen later gaf ‘NRC Handelsblad’

een uitvoerig en gedegen overzicht van diens leven. Als kunstenaar bleek Heyboer geen voorgeschiedenis te hebben gehad want de jaren vijftig werden overgeslagen, terwijl dat vormende jaren waren geweest, ondermeer door vriendschap met Bomans en Mulisch. ‘De Volkskrant’ en ‘Trouw’ schonken rond die tijd veel minder aandacht aan Heyboer en ook daar ontbraken de namen van zijn oude vrienden.

In de lente van 2007 verscheen een boekje van Erna Kramer. ‘Trouw’ en ‘NRC Handelsblad’ brachten dat onder de aandacht van hun lezers. Kramer was de tweede echtgenote van Heyboer. ‘Anton Heijboer - 1952-1959 - Het verzonken leven’ is een mooi en sympathiek boekje, met veel foto’s en een stuk of tien afbeeldingen van Heyboer’s etsen. Bomans en Mulisch komen er veelvuldig in voor. Dat die vriendschap meer voorstelde dan alleen gezellig naar de kroeg gaan, maakte Kramer duidelijk.

Op de achterflap schreef de uitgever, dat er over de jaren ’50 niet zo veel bekend was, “terwijl deze zogeheten ‘Haarlemse jaren’ de wordingsgeschiedenis van Heijboer sterk hebben beïnvloed.”

Er was inderdaad niet veel bekend, en helemaal niets over zijn vriendschap uit die tijd. In de archieven van de kwaliteitskranten, die 20 jaar teruggaan in de tijd, plaatste ik de zoekopdracht Bomans, Mulisch, Heyboer. Het resultaat was nul. Google gaf nagenoeg hetzelfde resultaat. De betekenisvolle vriendschap van deze zeer bijzondere heren bestaat niet meer. Die periode is uit het collectieve geheugen verdwenen.


Cover HP/De Tijd, 27 juli 2007
Harry Mulisch vierde op 27 juli 2007 zijn tachtigste verjaardag. Ter gelegenheid daarvan was er voor hem veel aandacht in de pers. Dat is terecht, want Mulisch is een beroemd schrijver en een markant persoon. Het breedst pakte weekblad HP/De Tijd uit, met ruim zestig bladzijden. Dat is niet verwonderlijk want Mulisch was kind aan huis in het eerder nog zelfstandige weekblad Haagse Post. De Mulisch-editie van ‘HP/De Tijd’, waarin ‘Het bijzondere leven van een fenomeen’ werd weergegeven, was interessant. De bijdragen uit het verleden varieerden van een mild kabbelend interview van Ischa Meyer (p. 62-65) uit 1975 tot een tamelijk kritisch verslag van Mulisch’ reis naar Duitsland in 1993 van Matt Dings (p. 72-76). Van dichter Rutger Kopland (psychiater R.H. van den Hoofdakker) was een recensie van ‘Het seksuele bolwerk’ uit 1973 herdrukt. In zijn even gedegen als kritische stuk riep Kopland vertwijfeld uit: “Ik begrijp er geen fluit van” (p. 61). Twee weken na het verschijnen van de Mulisch-editie bleek, dat Kopland het opnieuw afdrukken van zijn recensie ten zeerste had betreurd. Een reden werd niet gegeven.

In de interviews viel op, dat Mulisch af en toe antwoorden gaf waarmee hij hopeloos vastliep. Erg bont maakte hij het in een interview van Ad Fransen dat op 20-12-1996 in ‘HP/De Tijd’ verscheen. Mulisch verklaarde dat Gerard Reve alleen maar slechter was gaan schrijven (..): “‘De avonden’ (1948) is beter dan ‘Het Boek Van Violet En Dood’” (1996). Fransen vroeg: “Hebt u dat boek dan gelezen?” Mulisch antwoordde: “Nee, natuurlijk niet. Ik wil graag objectief kunnen blijven oordelen, en als ik het zou lezen, word ik subjectief” (p. 80). Mulisch had ook wel door dat zijn antwoord de hoogste graad van subjectiviteit inhield en verklaarde snel, dat hij het boek van Reve – zo ongeveer zijn aartsvijand - had doorgebladerd.

In een recent interview van Roelof Bouwman en Ad Fransen, kreeg Mulisch deze vraag voorgelegd: “Naar aanleiding van de dood van Godfried Bomans schrijft u in januari 1972 voor de ‘Haagse Post’ een omslagverhaal. Was dat op uw eigen initiatief?” Antwoord: “Ja, maar het is mijn eer te na om de krant te gaan bellen als er iets bijzonders over mezelf te melden zou zijn” (p. 28). Dit is nauwelijks een antwoord. Met welk motief had hij dat stuk geschreven? Om welk stuk ging het? Dat werd niet verteld. Het betrof een fors artikel dat Mulisch later nogmaals gebruikte onder de titel ‘Hij minder en minder’. Dat was zijn bijdrage aan het boek ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ dat in 1972, een jaar na Bomans’ dood, verscheen.

In 1960 plaatste de ‘Haagse Post’ een interview van haar redacteur Simon Vinkenoog onder de titel: ‘Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan!’. Mulisch bleek al naam te hebben gemaakt in Haarlem, “waar hij een trouw, werkend lid is (met Godfried Bomans, Harry Prenen, Kees Verwey en Anton Heyboer) van de sociëteit Teisterbant” (p. 33).

Meer is er niet. In het hele tijdschrift worden Bomans en Heyboer in totaal drie keer genoemd. Net als in ‘NRC Handelsblad’, ’de Volkskrant’ en ‘Trouw’, komt Mulisch in ‘HP/De Tijd’ pas in de jaren zestig tot leven, een periode waarin zijn faam groeide en hij links-activistisch werd. Het is alsof hij in de jaren vijftig, waarin de vriendschap met Bomans en Heyboer centraal stond, niet geleefd heeft. Maar hij lééfde. Gedurende een jaar of zeven, maakte hij met zijn vrienden veel lol, meestal in de culturele sociëteit Teisterbant, waarin ze ook actief werkzaam waren.

Daar bleef het niet bij. Bomans en Mulisch waren getuigen bij het tweede huwelijk van Anton Heyboer met Erna Postma (Kramer). De vrienden woonden ook de begrafenis bij van de vader van Harry en die van Erna’s vader. Tijdens de vele gesprekken die ze voerden, ging het over het kunstenaarschap waarbij Mulisch en Heyboer elkaar vonden als bouwers van denksystemen. Alles, van mens tot aarde en kosmos, probeerden ze tot enkele eenvoudige principes te herleiden. Cijfers speelden daarbij een rol, wat naar de kabbala wijst. Heyboer zette zijn gedachten op etsplaten, Mulisch op papier. Als ik het wel heb, siert een ets van Heyboer de herdruk van Mulisch’ boek Archibald Strohalm uit 1958.

Godfried Bomans en Harry Mulisch op Eindenhout in gesprek, tijdens het eerste huwelijkslustrum van Ank en Dolf Planteijdt in juli 1956. (Familiealbum Planteijdt). Dolf (tandarts) en Ank Planteijdt waren Teisterbantleden en komen enkele keren voor in Ferron's 'De keldergang der heren'. Ze woonden in 1956 in Eindenhout en waren daarmee buren van Mari Andriessen. Andriessen was beeldhouwer en verzetsman. Al aan het begin van de Duitse bezetting raakte hij met Bomans bevriend.

De gesprekken gingen ook vaak over het schrijverschap. Bomans en Mulisch waren overtuigd van het chaotische beeld dat de wereld bood. Verder dachten en schreven ze geheel anders. Bomans was nieuwsgierig en hij had een wetenschappelijk/journalistieke aanleg. Twee half afgemaakte studies (rechten en wijsbegeerte/psychologie) en een enorme belezenheid, met name op het gebied van geschiedenis, hielpen hem dieper in de werkelijkheid door te dringen. Tussen vaststaande feiten legde hij zinvolle verbanden. Met grote bedachtzaamheid zette hij het op de chaos veroverde inzicht op papier.

Mulisch was schrijver, geen lezer, met een naar eigen zeggen artistieke levensbeschouwing. Ook hij ging uit van feiten (zijn geboorte en het activeren van een vulkaan) die geen feiten waren maar tekens. Die moesten geïnterpreteerd worden en voorzien worden van verbanden. De benadering van Mulisch was niet gericht op kennis en inzicht, het ging hem om “het bedwingen van de chaos die de werkelijkheid is” (Matt Dings, HP/De Tijd, p. 76). Mulisch ontvluchtte de werkelijkheid door een eigen lezing te construeren. Daarmee heeft hij een vooraanstaande positie als schrijver verworven, maar zijn werk biedt weinig inzicht in het menslijk bedrijf. Of, zoals de kop boven de lovende beschouwing van Arnold Heumakers over het werk van Mulisch luidde: “Het oeuvre van Harry Mulisch tilt de lezer in een groots geheim”(NRC Handelsblad, 27-7-2007).

Bomans verwachtte al in 1957 dat Mulisch grote werken zou gaan schrijven maar hij zat niet op nog meer geheimen te wachten. Hij wilde juist inzicht. De artistieke wereldbeschouwing van Mulisch stond de realist Bomans minder en minder aan. Dat schreef Mulisch in ‘Herinneringen’ op pagina 135. Vandaar dat de discussies tussen beide schrijvers hoog konden oplopen.

Harry Mulisch rond 1955, uit Zijn getijdenboek, fragment

Mulisch, de grote man van de jaren zestig, lijkt een plant zonder wortels. Maar dat is niet zo. Van de vriendschap uit de jaren vijftig ging een vormende werking uit op de jonge schrijver, die Mulisch toen was. Jeroen Brouwers noemde Mulisch niet voor niets de zoon van Bomans. Brouwers bedoelde dit in stilistische zin. Maar de invloed van de gevestigde schrijver op de beginnende is groter geweest. In het boek van Brouwers over Bomans, komt een citaat voor van Kees Fens uit ‘de Volkskrant’ van 16 juli 1977, naar aanleiding van Mulisch’ verhalenbundel ‘Oude lucht’: “Het zou, geloof ik, aardig zijn, eens de invloed van Bomans op delen van Mulisch’ werk te onderzoeken: met hetzelfde materiaal waarmee de een speelt, bedrijft de ander ironische ernst, op haast identieke wijze (..)” (p. 81). Hierna geeft Brouwers vrijwel identieke fragmenten uit het werk van Bomans en dat van Mulisch. Tot slot een opmerking van Theodor Holman in ‘De Groene Amsterdammer’ van 23 augustus 1997: Mulisch is “niet meer dan de definitieve Godfried Bomans van de Nederlandse literatuur geworden.”

De invloed van Bomans op Mulisch lijkt zich niet beperkt te hebben tot het literaire domein. Bomans had zich al in 1951, toen een kernoorlog met de Sovjet-Unie dreigde, in een pamflet tegen kernwapens gekeerd. Mensen moesten gaan beseffen, dat als de bom viel, ze volstrekt machteloos waren, wat de overheid ook aan sussende praatjes afstak. Steden veranderden in puinhopen en massagraven. In ‘de Volkskrant’ van 23 augustus 1960 riep Bomans nogmaals mensen op zich tegen de kernwapens te keren. (Dit stuk is buiten het verzameld werk gelaten, evenals het volgende). Enige maanden later schreef hij ‘De argelozen’ (de Volkskrant, 6-11-1960) waarin hij op sublieme wijze een loopje nam met een onnozel experiment van de Bescherming Bevolking, die in die tijd de schijn ophield, dat een kernoorlog wel meeviel. Ten slotte keerden 53 Nederlandse letterkundigen zich tegen kernproeven, omdat ze “onvermijdelijk het gevaar inhoudt van een vernietigende kernoorlog.” Dit is te lezen in de Leeuwarder Courant van 15 december 1961. Onder de ondertekenaars behoorden Hella Haasse, Annie M.G. Schmidt, W.F. Hermans en Bomans.

En wat gebeurde er, na deze stukken en een intensieve vriendschap met Bomans in de jaren vijftig? ‘HP/De Tijd’ schrijft: “Eind 1961 verschijnt ook het pamflet ‘Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf, tijdens de jongste dag’. Het schotschrift (van Mulisch) is een parodie op de nutteloze huis-aan-huisfolder van de Bescherming Bevolking (BB) over wat te doen bij een atoomoorlog” (p. 37).

En op 21 november 1981 liep Mulisch mee in de grote betoging tegen kernwapens, de kruisraketten.

Geconcludeerd moet worden dat de invloed van Bomans op Mulisch aanzienlijk is geweest. Dat zal tot op zekere hoogte ook van Heyboer gezegd kunnen worden. Dat blijkt niet uit het biografische boek van Onno Blom over Mulisch. In ‘Zijn getijdenboek’ uit 2004, komen de vrienden van Mulisch wel voor, maar zeker niet als kernpunt van Mulisch’ bestaan in de jaren ‘50. Heyboer wordt slechts genoemd.

Bomans komt er beter vanaf. Over zijn persoonlijke stijl (een gentleman) wordt waarderend gesproken maar het ging toch vooral om de lol. Mulisch was eerder mededeelzamer geweest. In ‘Herinneringen’ uit 1972 bleek Mulisch moeite te hebben gehad met de stijl van Bomans, met diens “zorgvuldige bedachtzaamheid”, die hem tegelijkertijd imponeerde. Bomans had hem bedachtzamer gemaakt, in alles, zelfs in kleine zaken als het opsteken van een sigaret. Mulisch vond dat “een grote prestatie” van Bomans en vervolgde met “ik ben er hem dankbaar voor (..)” (p. 139).

Bomans en Mulisch in 1956 te gast bij de ‘koffieclub’ in het restaurant van hotel Lion d’Or

Deze informatie ontbreekt bij Blom, evenals belangrijke gebeurtenissen waarbij de drie vrienden aanwezig waren geweest: de begrafenis van Erna’s vader en het huwelijk van Heyboer en Postma, met Mulisch en Bomans als getuigen. Ook Teisterbant speelt vrijwel geen rol, terwijl Mulisch daar in 1958 tot persona non grata werd verklaard, waarna hij van Haarlem naar Amsterdam vertrok. En naar enige literaire invloed van Bomans op Mulisch is het bij Blom vergeefs zoeken.

De pers volgend, weet men bij de literatuurgeschiedenis niets van de vormende werking die van de vriendschap met Bomans en Heyboer op Mulisch uitging. De jaren vijftig bestaan gewoon niet. Het gevolg is dat er van Mulisch een glad en vlot beeld is ontstaan, zonder Bomans en Heyboer, die niet zo eenvoudig in het leven van Mulisch zijn in te passen. Mulisch kan dus alles zeggen, zonder weersproken te worden, zoals in ‘Voer voor psychologen’ uit 1961: “In eenzaamheid (..) zonder school of leraar, heb ik ten slotte mijn magnum opus gevonden. Ik schrijf”.

De redacties van kranten en weekbladen zijn in zekere zin dictators. Zij bepalen wat ‘hun’ lezer onder ogen krijgt. Daar zit logica in: zij bedienen een bepaalde doelgroep. Nieuws, achtergrondverhalen en ingezonden brieven gaan door een zeef, wat overblijft komt in de krant. Om haar aard te kunnen beoordelen, zou men niet alleen kennis moeten nemen van wat er in een krant staat maar ook, en misschien wel vooral, van wat er niet in komt. Zelden zijn buitenstaanders in staat een blik in de prullenmand te werpen maar Jac Aarts (redacteur Bomans Weekblad, Internet) is het een keer gelukt. Hij speelde de informatie in handen van de redactie van ‘Godfried’, het tijdschrift van het Godfried Bomans Genootschap.


Houtskooltekening van Aleid Slingerland, zomer 1971
Journalist Hans Hoenjet was Jeroen Brouwers in Zutendaal (België) gaan opzoeken. Zijn interview stond op 13 augustus 1999 in weekblad HP/De Tijd. Brouwers bleek al een lange tijd met zijn gezondheid te sukkelen en hij las nog nauwelijks romans. Enerzijds ontbraken grote talenten en de gevestigde schrijvers, die het ambacht van pen en papier hadden verruild voor tekstverwerker, waren makkelijker gaan schrijven. Zelfs in het werk van Mulisch, dat Brouwers zeer bewonderde, was “het doorwrochte weg”. Bomans kwam in het afgedrukte interview niet voor, wel op de geluidsband van Hoenjet.

 

Brouwers had in zijn tweede boek over Bomans uit 1998 al ingestemd met de woorden van schrijver Louis Ferron, die Mulisch de kleinzoon van de stilist Thijm (Lodewijk van Deyssel) had genoemd. Daar Bomans, die bevriend was geweest met Thijm, de zoon van Thijm werd genoemd, concludeerde Brouwers: Mulisch “was dus de zoon van Bomans” (p. 82). Brouwers noemde verder namen van schrijvers die door Bomans beïnvloed waren zoals Heere Heeresma, Doeschka Meijsing, Maarten Biesheuvel en Bob den Uyl. Brouwers zag zichzelf net als Mulisch, als een literaire zoon van Bomans. Opvallend hierbij is, dat Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren 2007 ondermeer heeft toegekend gekregen als ‘buitengewoon stilist’. Brouwers vond 16.000 euro klein bier en weigerde de oeuvreprijs in ontvangst te nemen.

Brouwers zei in het interview tegen Hoenjet: “Ik ben familie van Bomans. In die Haarlemse tak, daar was Van Deyssel de hoofdfiguur en toen die stierf nam Bomans het over. Ik heb veel van Bomans geleerd. Bomans werd opgevolgd door Mulisch. Veel van Mulisch geleerd (..). Van Deyssel en Bomans, dat waren stilisten! Nog steeds, tot op de huidige dag, ligt er een verzameld werk van Bomans, open op mijn tafel. En dan heb ik het niet over die vervelende drolligheid, maar over zijn essays. Die waren schitterend. Nu dat verzameld werk voltooid is – het laatste deel verschijnt volgende maand - je zou eens moeten opperen: maak een mooie, goed geredigeerde bloemlezing uit de serieuze essays van Bomans. Je verbaast je, hoor! Je verbaast je over ’s mans veelzijdigheid en belezenheid, zijn eruditie” (Godfried, april 2000, p. 12).

Brouwers had de belangstelling voor de hedendaagse Nederlandse literatuur verloren maar een schat uit het verleden gevonden. Overdreven gesteld, Brouwers werd van Saulus tot Paulus. Zijn ‘bekering’ kwam tot stand door het verzamelde oeuvre van Bomans te lezen, wat overigens de enige manier is om een schrijver te kunnen gaan leren kennen. De opvallende informatie waarmee journalist Hoenjet thuis kwam, werd niet in het weekblad afgedrukt. De reden ken ik niet. Misschien wilde Brouwers dat bij nader inzien niet, misschien kwam het stuk niet door de zeef die bij ‘HP/De Tijd’ klaarstond. Wellicht niet conformistische genoeg.

Het debuutverhaal van Mulisch komt in ‘HP/De Tijd’ uiteraard aan de orde: “In oktober 1946 schrijft hij een kort verhaal ‘De Kamer’, dat hij naar ‘Elsevier’s Weekblad’ stuurt. De redactie zet het in de oude spelling en publiceert het, in februari 1947” (p. 32).

Bomans, in die tijd al schrijver van naam, behoorde tot de kleine redactie van dat weekblad. Het is aannemelijk dat hij voor het literaire debuut van Mulisch heeft gezorgd.

De naam van Bomans lijkt ook elders te ontbreken. In april 1961 gaat Mulisch voor ‘Elseviers Weekblad’ naar Jeruzalem om het proces tegen de nazi-beul Eichmann te verslaan, waaruit een jaar later ‘De zaak 40/61’ voortkomt. Dat is opmerkelijk want in die tijd werd dat weekblad rechtser en Harry linkser. Mulisch vertelde er tegenover Bouwman en Fransen dit over. “Ik wou naar dat proces in Israël, maar ik had geen geld. Toen ben ik eerst naar ‘de Volkskrant’ gegaan, maar daar hadden ze Abel Herzberg al gecontracteerd. Hoofdredacteur Lücker heeft toen de oude Lunshof voor me gebeld bij ‘Elsevier’. Die man liet me meteen gaan” (p. 24).

Zo kan het gegaan zijn hoewel een andere lezing meer voor de hand ligt. Voor zover ik weet kende Mulisch geen van beide hoofdredacteuren. Was het dan niet het makkelijkst om even zijn oude vriend te bellen? Bomans was immers redacteur bij ‘de Volkskrant’ en hij was bevriend met hoofdredacteur Joop Lücker. Bij ‘de Volkskrant’ werd het niets maar de deur van ‘Elsevier’ zwaaide moeiteloos open. Daar was Bomans óók redacteur, en hij kende hoofdredacteur Lunshof zeer goed, door eindeloze gesprekken tijdens de laatste jaren van de Duitse bezetting. En Bomans had met Henk Lunshof en enkele anderen, in 1945 ook nog eens ‘Elseviers Weekblad’ van de grond getild, net als hij met Lücker in 1945 met ‘de Volkskrant’ had gedaan.

Het lijkt erop dat Bomans voor de carrière van Mulisch meer heeft gedaan dan tot nu toe bekend is geworden. Toekomstige biografen van Bomans en Mulisch zouden dit kunnen onderzoeken.

Simon Carmiggelt, uit Grote Winkler Prins

Ja beste Simon, Bomans was “een groot schrijver. Maar je mag het alleen niet zéggen.” Dat mag tientallen jaren later nog steeds niet. Toch doe ik dat, als niet-Neerlandicus.

Toen Bomans in 1971 op 58-jarige leeftijd plotseling overleed, was Nederland zeer geschokt. Willem Duys heeft de stem van het volk in ‘Elsevier Magazine’ van december 1975 mooi vertolkt, voor zover ik weet als enige. De huisvriend van Nederland, door krant, weekblad, boeken, radio- en televisie-optredens, was er plotseling niet meer. Voor academisch Nederland was het verlies gering. Bomans was toch niet veel soeps. Door die houding bleef de beroemde Bomans daar een onbekende. Dat geldt voor zijn oeuvre, voor zijn invloed op andere schrijvers, en voor zijn maatschappelijke invloed, die er geweest moet zijn, gegeven zijn populariteit en zijn standpunten ten aanzien van onderwijs, kernwapens, politiek, kerk en geloof.

In dit kader lijken me de woorden van James Kennedy, hoogleraar nieuwste geschiedenis, van belang. In ‘NRC Handelsblad’ van 4 maart 2005 liet hij weten dat bekeringen in ons land altijd radicaal verlopen. Kennedy was gefascineerd door “de collectieve bereidheid om ineens afscheid te nemen van oude waarden en zich tot nieuwe te bekeren. (..) Ik was de eerste die schreef dat de revolutie van de jaren zestig is voorbereid, gesteund en soms zelfs gemaakt door de vooroorlogse generatie.”

Kennedy kwam met een eenvoudige waarheid: het heden is resultante van het verleden, ook de jaren zestig. Was nog niemand opgevallen. Zijn woorden moeten pijn hebben gedaan. Het opstandige deel van de jongeren uit de jaren zestig - in opstand tegen het establishment,

nu veelal behorend tot het establishment - dacht zozeer zelf alle veranderingen teweeg te hebben gebracht, dat er een streep onder de geschiedenis van ons land gezet kon worden: onze jaartelling begon bij 1960. Mulisch en Heyboer zijn daar voorbeelden van. Kennedy vindt dat onzin, en terecht.

Het is me niet bekend welke oude gangmakers Kennedy voor ogen had. Zelf denk ik aan Wim Kan (1911) en Godfried Bomans (1913). Ik beperk me tot laatstgenoemde. Bomans zette politici en hoog geplaatsten graag in hun hemd, de ene keer ernstig, de andere keer humoristisch. Dat deed hij in een tijd, waarin het gezag van mensen met macht haast onbegrensd was, ver voor de jaren zestig. Dat was baanbrekend, net als zijn houding ten opzichte van het onderwijs, kernwapens, kerk en geloof. Daarom zie ik Bomans als een keurige en genuanceerde voorloper van de vooral ludieke provobeweging uit de jaren zestig.

Het kan zijn dat Kennedy Harry Mulisch (1927) bedoelde. Hij was in de jaren zestig boegbeeld van links en fan van provo. Onderzocht zou kunnen worden in hoeverre Bomans – de man van verzet – in politiek opzicht de vader van Mulisch genoemd mag worden.

Ondanks biografische boeken van Michel van der Plas (1982) en Jeroen Brouwers (1982, 1998), lijken me de woorden van Louis Ferron uit 1981 nog geheel juist: “Over Bomans is inmiddels heel wat afgeschreven en naar blijkt is zijn figuur daar geen spat helderder door geworden” (De keldergang der heren, p. 73).

Cover ‘Herinneringen’, 1972

Ook het herdenkingsboek, dat een jaar na het overlijden van Bomans onder redactie van Van der Plas uitkwam, maakt dat beeld niet beter. Enige recensenten bleven na het lezen van bijdragen van familie, vrienden, kennissen en collega’s met een vraag zitten: Wie wás die Bomans nou eigenlijk? Het best heb ik dat verwoord gezien in een beschouwing in de Leeuwarder Courant (20-5-1972), mogelijk van de hand van Nico Scheepmaker. De schrijver noemde Bomans een nationaal figuur, die was heengegaan. Maar was Bomans ook een erflater, “een man die (..) de aard van de Nederlandse samenleving mee heeft bepaald of misschien zelfs een klein beetje veranderd respectievelijk verbeterd heeft?”

De schrijver wist het niet en van lezen werd hij niet wijzer: “Van de 39 Herinneringen aan Godfried Bomans is er in feite niet meer dan één waarin een werkelijke poging is ondernomen om greep op het fenomeen Bomans te krijgen.”

Bomans als fenomeen. Laat ik dat beperkt houden tot zijn omvangrijke schrijverschap. De geordende literaire wereld, met aktes en diploma’s, heeft hem niet doorgelaten. Van de personen die zich in dit artikel – Bomans als onbekende - hebben uitgelaten over Bomans, is niet één Neerlandicus, behalve Kees Fens. Het vakgebied bij uitstek, blijft in gebreke.

In de jaren zestig werd Bomans niks geacht en dat is zo gebleven. Dus geen prijzen, geen literaire onderscheidingen, geen wetenschappelijk verantwoorde biografie, vrijwel geen waarderend woord, ook niet postuum. Was Bomans te groot? Was hij te veelzijdig? Was de zeef te klein? Was hij te weinig conformistisch? Of was het toch de politiek? Wat de reden ook is, in de literatuurgeschiedenis is een leemte ontstaan die door wetenschappelijk onderzoek kan worden gevuld. Als de ‘officiële literatuur’ mocht aantonen, dat Bomans niet de enige Nederlandse sprookjesschrijver van formaat is, dat hij geen groot stilist was, dat hij geen prachtig proza heeft geschreven, dat zijn vele beschouwingen niet erudiet waren, dat hij geen goed journalist was, dat zijn humor niet flonkerde, dat zijn grote-mensen-satire geen bestseller is, dat hij geen boegbeeld van ‘de Volkskrant’ en ‘Elseviers Weekblad’ is geweest, en dat hij in literair opzicht niet de vader van Mulisch genoemd mag worden, zal ik mijn waardering voor Bomans moeten laten varen.

Edward Krabbendam

11 november 2007

Met dank aan Frank van der Voordt, Georg Riel en Rob Maat

Doorklik:

Naschrift

- In het hedendaagse boekje Nederlandse literatuur in een notendop ontbreekt Bomans.

- Op de site van het Godfried Bomans Genootschap staan gerelateerde stukken te weten: Bomans en Kees Fens, Bomans en

Mulisch, Bomans en Brouwers, Bomans, Heyboer en Kramer, Bomans en Duys, Bomans en

Teisterbant, en Bomans, Mulisch, Heyboer, vriendschap à trois. (www.godfriedbomans.nl)

Dit stuk houdt in bepaalde mate ook verband met het essay Bomans als provo en een reeks

artikelen in ‘Godfried’, het tijdschrift van het Godfried Bomans Genootschap. De titels daarvan zijn:

Bomans als cultuurfilosoof, Bomans als schaker (september 2005), Bomans als humorist (maart

2006), Bomans als monnik (september 2006), Bomans als journalist I: Elsevier, Bomans als

Journalist II: de Volkskrant (maart 2007). Bomans als onbekende stond in september 2007 in

‘Godfried’. Dat is op deze site geheel overgenomen, voorzien van verbeteringen en aanvullingen,

met name in het slotgedeelte. Het aantal afbeeldingen is sterk toegenomen.