Bomans als mystieke soloreligieus

 

Edward Krabbendam

 

 

tjeu van den berk.jpgGodfried Bomans heeft eind jaren zestig van de vorige eeuw gesprekken gevoerd met pater Jan van Kilsdonk en theoloog Harry Kuitert. Zij behoorden tot de avant-garde van kerk en geloof. Maar waar stond Bomans? Over het algemeen wordt hij gezien als een aartsconservatieve sufferd. Voor zover ik weet is Tjeu van den Berk de eerste die een ander licht heeft geworpen op de religieuze Bomans. Van den Berk schreef een boek met de titel Het numineuze. Daarin voerde hij diverse personen op die zich uitlieten over hun goddelijke ervaring. Een van de hoofdstukken gaat over Bomans.

 

Jan Oegema schrijft voor dagblad Trouw regelmatig stukken van religieuze aard. Zo was op 24 december 2005 ’Een lied voor zuster Benedicta’ afgedrukt. Daarin kwam hij terug op een eerdere definitie van soloreligieuzen, een verzameling personen waartoe hij zelf behoort en waarvan hij de naam had bedacht. Aanvankelijk bedoelde hij daarmee mensen die op eigen houtje hun weg trachten te vinden in het religieuze oerwoud, op zoek naar zingeving. Volgens Oegema had deze “nieuwe religieuze bloedgroep” het christendom achter zich gelaten. God en Jezus speelden dus geen enkele rol meer.

jan oegema.jpgOegema schreef: “Ontwikkelde christenen wijken in grote getale uit naar poëzie, literatuur, kunst, filosofie, dorstend naar nieuwe woorden, vurig hopend op inzichten (..).”  Daarop kreeg hij vele reacties van spirituele christenen die zich herkenden in zijn omschrijving van soloreligieus. Dat bracht Oegema tot mystici, gnostici, ketters en andere sympathieke religieuze dwarsliggers, waardoor hij zelfs veel ging voelen voor de gedachte dat er “zonder christendom geen soloreligieuzen” mogelijk waren. Oegema verruimde zijn definitie – christelijke zinzoekers hoorden er ook bij - waardoor hij er een heel leger soloreligieuzen bij kreeg.

 

preek bomans in spijkenisse.jpgOp 25 maart 2006 stond er weer een artikel van Oegema in ‘Trouw’. Hij beschreef een “openbaring” die bevrijdend had gewerkt. Als kind had hij iets vreemds gezien en schreef daarover: “Een rode auto snelde langs de populieren zonder een meneer achter het stuur. De auto reed zichzelf. (..) Ik voelde me een vreemdeling. Ik was op aarde gedropt zonder nog enige notie dat ik misschien elders vandaan kwam. (..) Voor mij begint religiositeit met verbijstering. Ik durf dat te zeggen, nu ik sinds kort een preek ken van Godfried Bomans (..) Op een zondag in het voorjaar van 1967 hield hij (..) een preek in een kerk in Spijkenisse. Bij die gelegenheid vertelt hij iets over wat hij zijn eerste religieuze ervaring noemt. Geen bijzondere gebeurtenis, verzekert hij, wel een ingrijpende.

Bomans is zeven jaar oud en loopt langs het water van het Spaarne. Het sneeuwt, het is vijf uur in de middag, het is al donker,” en zei daarover in Spijkenisse: “Ik zag geen bomen, maar groene pilaren met een pluim erop. Ik zag geen meeuwen, maar vreemde gedaanten uit het niets opdoemen en verdwijnen. Ik zag geen water, maar een plaat van grijs staal. Alles was nieuw. Alles was totaal onbegrijpelijk. Ook ikzelf. Ik keek langs me heen. Ik zag twee benen, die in stukken leer eindigen en dacht: zo ver loop ik door. Ik zag twee handen en dacht: ik ben ik. Maar wie is ik? (..) De dingen hadden geen naam meer, de etiketten waren afgevallen. […] Ik zag alles voor het eerst, als een pasgeborene. Waarvoor diende het allemaal, wat was de betekenis van de dingen? En vooral: waarvoor ben ik er en wat doe ik hier eigenlijk? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Uit die panische radeloosheid wordt elke godsdienst geboren.”

 

Oegema schreef hierover: “Ik hoorde dit fragment voor het eerst tijdens een lezing en was met stomheid geslagen. Er was kennelijk nóg iemand aan wie de wereld al vroeg verscheen als een (..) vraagteken. Naderhand moest ik glimlachen, want hoe dom is het om te denken dat je als mens ooit ergens de enige in bent. Toch heb ik de vervreemding waarmee ik het onder- en bovenmaanse gadesla lang verzwegen en als een afwijking (gezien) die een religieus georiënteerd mens niet past.(..) Bomans verloste me van die gedachte. Een bevrijding. En hij gebruikte een woord dat me raakt, omdat ik me er voorzichtig in herken: ontheemdheid.”

 

Oegema liet weten dat Bomans deze ervaring prereligieus achtte. Het was een startpunt waarna het religieuze zich kon gaan ontwikkelen. Het eindresultaat zou zichtbaar worden als men door “verbijstering vaak en grondig is fijngemalen.”

 

Wat Bomans in Spijkenisse heeft gezegd, is zeker interessant. Wat hij over zijn jeugdervaringen heeft geschréven, is nog interessanter.

Aan het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw – Bomans was toen nog geen 20 jaar oud – schreef hij het ‘Dagboek van een gymnasiast’, dat opgenomen is in het eerste deel van de verzamelbundel Werken. Daarin staan vooral vroege jeugdherinneringen. Op een gegeven moment zat Bomans als kind in de tuin van zijn ouders. Daarover schreef hij:  “En opeens was het of de tijd, het oogenblik, van mij afviel (ik kan niet goed uitdrukken wat er precies gebeurde) en ik opgeheven werd tot een geheel andere wijze van bestaan; het was of ik ijler werd, maar ook oneindig veel grooter en wijder, zoo wijd dat ik den ganschen avond om mij heen vulde, en ook de avond zelf en de dingen die er in stonden één met mij werden, en dat ik ‘alles’ begreep. Ik herinner mij dat ik (..) een beetje wezenloos naar bed ging, verdoofd door het wonderbaarlijke, en ik duidelijk voelde dat er iets in mij veranderd was, voor altijd” (Werken I, p. 664).

 

Dit soort ervaringen overkwam de jonge Bomans vaker. Soms kreeg hij “plotseling de behoefte om stil te staan op een brug en over het water te kijken, of naar de jagende lucht of eenvoudig naar niets; en dan was het er weer: een innig gevoel van verbondenheid met de wereld en een klare blik in haar wezen. Door die oogenblikken groeide in mij het besef (..) dat er achter de gewone dingen een andere wereld schuilde, waarvan die dingen slechts de buitenste kant waren” (p. 664-665).

 

Achter de zintuiglijke werkelijkheid zat voor Bomans nog een andere. Deze gedachte komt al bij Plato voor. De ervaring die Bomans beschrijft is geen existentiële crisis, niet zomaar iets religieus, maar puur mystiek. Veel mensen hebben tijdens hun leven een enkele keer een mystieke ervaring. Voor heel even, een paar seconden, ervaart men een geheel andere werkelijkheid, waarvoor men nauwelijks woorden heeft. De beste omschrijving is: men valt samen met de omgeving. Dat geeft een gevoel van vredige eenheid. Dat had Bomans. Hij werd één met de dingen, waaruit een innig gevoel van verbondenheid voortvloeide.

 

Door zijn pre-religieuze ervaring was de jonge Bomans voor altijd veranderd. Dat betekende niet dat zijn leven verder over rozen ging. Hij sprak in Spijkenisse niet voor niets over “panische radeloosheid” en over de verbijstering waardoor een mens grondig moest worden fijngemalen, eer er van een resultaat sprake kon zijn.

Die verbijstering is Bomans bij gebleven. Dat kwam in 1969 duidelijk tot uiting in een interview van Bomans met oud-wereldkampioen schaken, Max Euwe, die professor was aan de toenmalige hogeschool te Tilburg. Hier volgt een gedeelte van dat gesprek, dat opgenomen is in Werken deel VI, pagina 416 en 417.

 

Euwe en Bomans.jpgBomans: Hebt u wel eens dat u wandelt om tussen...
Euwe: Ja, ik wandel heel veel zelfs.
Bomans: Nee, maar dat u dan opeens stilstaat en door een verbijstering wordt aangegrepen dat u er bent. Kent u dat?'
Euwe: Ja, dat ken ik, een ingeving noem ik dat.
Bomans: Verontrust u dat?
Euwe: Helemaal niet. Zo'n ingeving, dat is nou typisch menselijk, dat heeft de computer niet. Nee, je kunt zelfs zeggen, dat de computer een beetje creativiteit heeft, want die creativiteit gaat ook dikwijls volgens bepaalde lijnen, die een computer kan laten...
Bomans: Ik had verwacht dat u op die vraag nee zou zeggen, omdat ik nu het voorrecht heb te spreken met iemand die diametraal tegenover mij staat, die helder en logisch zijn dag indeelt en precies weet waar hij staat en dat hij toch die bijna kosmische verbijstering kent, waar ik zo juist op doelde. U kent die dus?
Euwe: Jazeker.
Bomans: Hebt u dan een antwoord op die verbijstering? Waarvoor u er bent?
Euwe: Ja, dat wil zeggen, die ingeving zie ik als een soort oplossing van een vraagstuk waar ik misschien al maanden mee tob.
Bomans: O, maar dat bedoel ik helemaal niet.
Euwe: O, pardon.
Bomans: Ik bedoel, dat u in uw tuin staat en opeens naar uw eigen benen kijkt en uw armen die bewegen en denkt: ik ben Euwe. Ik ben ik. Dat kent u niet?
Euwe: Ja, nee dat ken ik niet.
Bomans: Dan klopt het toch, wat ik dacht.
Euwe: Ja, ja.
Bomans: Ik benijd u.

Bomans benijdde Euwe, dat hij niet getroffen werd door kosmische verbijstering. Zo’n pretje was het nou ook weer niet. En het voerde verder. Bomans ging bikkelharde gevechten aan met zichzelf en met God. In 1936 raakte hij verscheurd door de vraag of hij naar het klooster zou gaan of niet. Hij deed het. Na twee weken hield hij het voor gezien. Dat was niet voor hem weggelegd.

Die innerlijke strijd blijkt ook uit een ‘gedicht’ dat hij in 1932 schreef: 

 

Opstandig gebed

Wanneer het stormt buiten heb ik een behoefte om veel bier te drinken en te tieren.

Goede God, ik kan ‘t niet helpen, als ik de wind door de takken hoor beuken en stompen, en er schiet een raaf met ‘n woeste schreeuw langs mijn raam de nacht in. Dan kan ik toch niet stilzitten, dat verlangt Ge toch niet van me?

Het begint soms zoo vreemd in mij te woelen en te bruisen, zoo heet, zoo dwaas, zoo onbegrijpelijk.

Waarom hebt U van mij eigenlijk zoo’n raare kerel gemaakt?

Geef me, Goede God, als ‘t de volgende keer weer stormt, een paard (een wild zwart paard), om door deze storm te ijlen, te vliegen, te donderen, hard, alsmaar harder, takken tegen mijn gezicht, vonken uit de hoeven, hu, hu, als ‘n duivel, (een wilde, zwarte duivel), scheldend en spuwend om me heen.

Of laat me loopen, ver en doelloos loopen, met gesloten vuisten en ‘n opgeslagen, zeer vuile jaskraag, dwars door de regen en de modder, ademend de ruime lucht. Ik heb alleen maar lucht noodig, Goede God, ruime, wijde lucht, lucht om te ademen, lucht om te tasten, te proeven, te omvademen, om in te verdrinken.

Wanneer het stormt buiten, moet ik iets hebben tusschen mijn handen om te knijpen, en te wringen en te smijten, omdat ik anders met mijn kracht geen raad weet.

Geef me maar, Goede God, als ‘t de volgende keer weer stormt, een bijl, enkel een bijl, om roekeloos in de stammen te hakken dat het witte hout krult.

 

Zo wild ging het er niet altijd aan toe. Bomans heeft zijn mystieke inslag ook vanuit zijn luie stoel kunnen ontwikkelen door het lezen van boeken. Bovendien was hij rond 1940, als student wijsbegeerte en psychologie, een trouw volger van de colleges van Titus Brandsma, die in Nijmegen de geschiedenis van de mystiek doceerde.

Mystiek wordt vaak verward met mysterie, vaagheid en zweverigheid. Maar het heeft niets met vaagheid te maken. Het gaat in de mystiek om de werkelijkheid onder ogen te zien, zoals die is. Allerlei ideeën en meningen zijn van geen enkel belang. Men moet naar de feiten durven kijken, alleen de feiten, en dan zelf conclusies trekken, om te kunnen zeggen hoe de werkelijkheid is. Etty Hillesum - door de oude commentator van NRC Handelsblad J.L. Heldring “De heilige van het Museumplein” genoemd - schreef eens: “Mystiek moet rusten op een kristalheldere eerlijkheid. Na de dingen eerst doorvorst te hebben tot op hun laatste realiteit” (De nagelaten geschriften, p. 448).
x

cover In de kou.jpg

Bomans was eind jaren zestig helder over zijn individuele religieuze houding, ondermeer door de uitgave van ‘In de kou’ dat in 1969 verscheen. Dat boek schreef hij op basis van een langdurig gesprek  met Michel van der Plas over de katholieke kerk en haar geloof, in het verleden tot in de jaren zestig. Dit boek was in zekere zin de katholieke voorloper van ‘Het algemeen betwijfeld christelijk geloof’ (1992) van de protestants theoloog Harry Kuitert.

Het boek ging ook over de crisis waarin de katholieke kerk in de jaren zestig was terechtgekomen. Bomans nam ten aanzien van het geloof een verschuiving waar van collectief gedrag naar individuele beleving. Daardoor stroomden de kerken leeg. Nieuwe dogma’s konden de boel niet redden, daar waar hij “een enorme honger naar mystiek” zag (Werken VI, p. 147). Die kant moest het op. Voor de institutionele kerk was geen toekomst meer. Daar was alles in vormen gegoten en gestold. Het was slechts buitenkant, er zat geen leven meer in. Over de kerkafbraak was hij dan ook optimistisch. Daardoor ontstond ruimte voor nieuwe religieuze concepten. Bomans schreef verder: “Beelden worden naar beneden gedonderd, kruiswegstaties verdwijnen, alles wordt afgebroken. En dat moet eenvoudig gebeuren (..) Dat is uit” (p. 390).

 

Eerder kwam de preek van Bomans in Spijkenisse uit 1967 aan bod. In 1968 hield hij nog een preek, een ketterse preek, voor 4.000 protestanten in de Amsterdamse Westerkerk. Zonder ook maar iets te verhullen, verklaarde hij dat hij van het oude geloof alles had verloren. Slechts een ding was overgebleven: de binnenkant. In de woorden van Jezus zag hij een “verbijsterende combinatie van diepgang en eenvoud.”  Door veel in het Nieuwe Testament te lezen, probeerde hij de diepe betekenis van die woorden te achterhalen. Hij las ook andere boeken, zoals ‘Belijdenissen’ van filosoof, kerkvader en mysticus Augustinus. Mede daardoor stelde Bomans een nieuw godsbeeld voor, niet een God als onbetrouwbare vader in de verte maar als nabije vriend, waarmee je in harmonie verkeert. “Ik geloof”, zei Bomans, “dat de God als kameraad, als het wezen dat je helemaal vervult, dat is de God van (de mystici, e.k.) Ruusbroec en Johannes van het Kruis – het waren maar enkele uitverkorenen, die dat haalden – nu aan ons allen als opgave wordt gesteld. Wat die paar getalenteerden gepresteerd hebben wordt nu een collectieve opdracht” (p. 170).

 

Bomans zag brood in een verbrijzeld ego waardoor men zich kon gaan overgeven aan iets veel groters, iets waartoe in onze dagen Eckhart Tolle oproept in zijn bestseller Een nieuwe aarde (2005). Die mystieke houding van Bomans ontbreekt in het eerder genoemde boek van Van den Berk en in het artikel van Oegema in ‘Trouw’. Hoewel zij een onbekend aspect van Bomans aan het licht hebben gebracht – de religieuze ervaring - laten ze hem toch weer terugvallen in de vorm die anderen van hem gegoten hebben. Vermoedelijk hebben zij geen weet gehad van Bomans’ ‘Dagboek van een gymnasiast’ en diens preek uit 1968.

 

Op 25 maart 2005 schreef Oegema dat Bomans in zijn laatste levensdagen “steeds sterker doordrongen (raakte) van het nut van de liturgie, bij voorkeur de katholieke, met haar zin voor mysterie en haar rijke, theatrale vormen.” Hier geeft Oegema het vertrouwde beeld waarvan al tientallen jaren niets klopt, dat hij ontleend heeft aan het boek van Tjeu van den Berk. Bomans zag niets meer in de geïnstitutionaliseerde kerk en haar vele vormen. Als mystieke soloreligieus was zijn hoop juist gericht op individuen, waarin Oegema ook toekomst ziet. Voor Bomans waren dat mensen die zich innerlijk wisten te verbinden met God, zichzelf, de medemens en de wereld.

Oegema had zijn definitie van soloreligieuzen al verruimd om christelijke zinzoekers binnen te halen. Daar kan hij Bomans rustig aan toevoegen.

 

20 augustus 2008


 

Aanvulling per 4 januari 2012

De voor zover mij bekend krachtigste manier waarop Bomans zijn voorkeur voor mystiek tot uitdrukking bracht, was tijdens een interview van Henk Suèr voor ‘de Tijd en Maasbode’ van 2 maart 1963, dat onlangs met een aantal andere interviews is gepubliceerd in het eindejaarsgeschenk van het Godfried Bomans Genootschap. Bomans zei tegen Suèr:
“Ik beweeg mij in alle hokjes: droom, romantiek, humor, satire, mystiek, waar ik helemaal bezeten van ben. Ik heb zojuist weer een boek van (de mystica, e.k.) Theresa van Avila gelezen.”



 

Naschrift/correcties

Dit stuk is een zodanige bewerking van het vorig voorjaar geplaatste ‘Soloreligieus Oegema’, dat een nieuwe titel noodzakelijk was.

Jac Aarts, redacteur van Bomans Weekblad, wees me er terecht op dat Van den Berk kennis had van het ‘Dagboek van een gymnasiast’. In ‘Het numineuze’ maakte hij gebruik van de hier weergegeven citaten uit dat dagboek, en meer. Mijn vermoeden dat Van den Berk geen gebruik heeft gemaakt van Bomans’ Amsterdamse preek uit 1968 (of 1969), is juist gebleken.

Oegema heeft ten dele gebruik gemaakt van het werk van Van den Berk. Het citaat in de laatste alinea van bovenstaand stuk, lijkt in Oegema’s artikel in ‘Trouw’ afkomstig te zijn van het deelhoofdstuk van Van den Berk over Bomans, maar dat is niet zo.


Bijlage

Harry Mulisch, Kees Fens en Michel van der Plas blijken in het essay ‘Bomans als provo’ (2005) de beeldbepalende personen te zijn geweest aangaande Godfried Bomans. Op religieus terrein zagen zij hem als een conservatieve katholiek, hevig terugverlangend naar het verleden, wat in dat essay weerlegd is.
‘Geloof in Nederland’ is een reeks van 35 tweewekelijkse afleveringen met de ontwikkeling van het geloof in ons land over de laatste 2000 jaar. Deel 2 van half oktober 2008 is van de hand van drs. Willem Bouwman en handelt over de manier waarop Nederlanders hun geloof thuis beleefden. In de inleiding schrijft Bouwman dat Bomans in 1970 “een katholiek (was) die niet meer geloven kon. (..) Hij verlangde niet terug naar de verering van de heiligen en naar devotieprentjes, de Jezusbeelden en andere voorwerpen van aanbidding.”
Hieronder de gehele inleiding (pagina 42-43), toegevoegd op 5 november 2008.

“Wie het katholieke leven van nu vergelijkt met dat van veertig jaar geleden
staat verbaasd over wat er allemaal verdwenen is. Door een duistere
rommelzolder vol zonderlinge gebruiken hebben de bezems van een grote
schoonmaak geveegd en het is er lichter en leger geworden. Maar tevens
werd het ook kaler.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verantwoording illustraties

- Dr. Tjeu van den Berk is theoloog, afbeelding Google.

- Jan Oegema, doctor in de algemene literatuurwetenschap, is publicist en redacteur, afbeelding Google, detail.

- Godfried Bomans tijdens zijn preek in 1967 in de Emmausparochie te Spijkenisse. Bron: Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 220.

- Dr. Max Euwe (links), in 1935 wereldkampioen schaken, speelt in 1960 een partijtje met Godfried Bomans (rechts). Bron: Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 217.

- Voorkant van ‘In de kou’ uit 1969.