Bomans en Simon Carmiggelt

 

Edward Krabbendam

 

“Simon Carmiggelt (1913-1987) deed zich voor als de man die vanaf de zijlijn, minzaam peinzend, het menselijk tekort beschouwde en beschreef in fijnzinnige verhaaltjes met een tragikomische strekking. De ironie van zijn zinswendingen, de beeldende kracht van zijn metaforen en de melancholieke toonzetting van zijn humor maakten hem tot de observator, die altijd alles in evenwicht leek te hebben.”

 

Dit citaat, waarin velen zich kunnen vinden, is afkomstig van het omslag van ‘Carmiggelt’, een biografie uit 1999 van de hand van journalist Henk van Gelder (1946).

Carmiggelt werd in 1913 te ’s Gravenhage geboren. Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945) werkte Carmiggelt bij ‘Het Parool’, een illegaal blad dat na 1945 een dagblad werd. Carmiggelt werd daar vast medewerker. Hij kreeg de leiding over de kunstrubriek en schreef toneel- en filmrecensies. Vanaf 1946 schreef hij columns die de naam ‘Kronkel’ droegen, later dagelijks. Tot aan Carmiggelts dood zijn ruim 10.000 ‘cursiefjes’ verschenen.

Voor zijn literaire werk, veelal subtiel neergezette kleine menselijke onderwerpen, heeft Carmiggelt enkele prijzen gekregen; in 1961 de Constantijn Huygensprijs en in 1974 de hoogste Nederlandse literaire onderscheiding, de P.C. Hooftprijs.

 

Godfried Bomans en Simon Carmiggelt werden in hetzelfde jaar geboren, niet ver van elkaar. Tijdens de bezetting deed ook Bomans verzetswerk. En aan het eind van de bezetting bereidde hij met enkele anderen illegaal de oprichting voor van ‘Elseviers Weekblad’ en ‘de Volkskrant’. Bomans werd bij ‘de Volkskrant’ chef-redacteur kunst. Na een jaar stopte hij daarmee en ging ander werk doen, zoals het schrijven van beschouwingen van literaire, godsdienstige, historische en culturele aard. Ondanks eerder werk als ‘Pieter Bas’ en de bestseller ‘Erik of het klein insectenboek’ viel Bomans nooit in de literaire prijzen.

 

Bomans overleed in december 1971. In 1972 kwam ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’ uit. Familie, vrienden, kennissen en collega’s, onder wie Harry Mulisch, kwamen daarin aan het woord. Carmiggelt leverde een naar omvang bescheiden bijdrage, waaruit veel waardering voor Bomans sprak. Beide schrijvers bleken elkaar in 1946 voor het eerst te hebben ontmoet, tijdens een bijeenkomst van Amsterdamse toneelcritici. Ze kwamen elkaar verder tegen in het literaire circuit en schreven elkaar al snel brieven. De eerst gepubliceerde brief aan Carmiggelt, waaruit blijkt dat beide heren elkaar al goed kenden, is van 1 augustus 1949. Bomans stelde een aantal boeken beschikbaar omdat Carmiggelt meer van de schrijver Bomans wilde weten. Op dat moment had Bomans al alles van Carmiggelt gelezen.

 

In het voorjaar van 1949 stapten Bomans en Carmiggelt in een vliegtuig. Geheel kosteloos namen zij deel aan een journalistenreis ter gelegenheid van een lijn die de KLM tussen Amsterdam en Nice had geopend. Tot plezier van Carmiggelt was Bomans in Nice de grote gangmaker van komische taferelen en dwaze toneelvoorstellingen.

 

Bomans schreef naar aanleiding van deze reis ‘Over de omgang met kelners’ dat in ‘Elseviers Weekblad’ van 14 mei werd afgedrukt, wat opgenomen is in de verzamelbundel Werken V (p. 263–267). Uit niets blijkt dat hij in Nice de gangmaker is geweest. Wel bleek dit Bomans’ eerste vliegreis. Hij vond het niet erg sensationeel op het volgende na:

“De heer Viruly vervoerde ons. Stelt u zich onze verbazing voor, toen hij halverwege Frankrijk, kalm een sigaret rokend, de cabine inwandelde! Ik dacht een ogenblik, dat hij krankzinnig geworden was. Kan zo’n man, als hem het invalt, de stuurknuppel eenvoudig maar loslaten? De heer Viruly glimlachte en verzocht mij hem naar voren te volgen. Daar zat, in de neus van het toestel, een viertal mannen bijeen.” (p. 264).

Voor Bomans was Viruly niet een geheel onbekende. In ‘de Volkskrant’ van 6 oktober 1945

had Bomans al een stuk geschreven over Nederlandse schrijvers in ballingschap, waarin deze passage voorkwam.

“Adriaan Viruly, de in schrijverskringen zo geprezen vlieger en de in luchtvaartkringen zo gewaardeerde schrijver, is gedurende de gehele oorlog actief bij de K.L.M. werkzaam geweest” (Werken IV, p. 35)


In de eerdergenoemde brief van Bomans van 1 augustus 1949 aan Carmiggelt, komen nog deze woorden voor:

“Weet je dat de Franeker, die naar beneden gedonderd is, ons naar Nice vervoerde? Het is de laatste keer dat ik gevlogen heb” (Beste Godfried, beste Simon, p. 29).

Het toestel dat enige weken eerder Nederlandse journalisten naar Nice had gebracht, was kennelijk verongelukt. Via Internet kwam ik bij ‘Andere Tijden’ dat op 12 april 2001 ‘De crash van de ‘Franeker’ uitzond. Dat KLM-toestel vloog op 12 juli 1949 nabij Bombay (India) tegen een berghelling. Alle 45 inzittenden, inclusief 13 vooraanstaande Amerikaanse journalisten, waren op slag dood.

Het journalistenvliegtuig kwam spoedig neer, de gezagvoerder, de heer Viruly enige jaren later.

Op 5 september 1954 stortte hij met zijn Lockheed Super Constallation in de buurt van het Ierse Shannon neer. 25 Passagiers en 3 bemanningsleden kwamen om. Viruly behoorde tot de overlevenden.

 

In 1977 verzorgde Tony van Verre zes radio-uitzendingen over Bomans. Daarvoor interviewde hij Bertus Aafjes, Michel van der Plas, Harry Prenen en Simon Carmiggelt, die tot de vrienden- en kennissenkring van Bomans behoorden. In 1978 kwam hiervan een boek op de markt. Uit de mond van Carmiggelt tekende Van Verre het volgende op:

“Ik heb in 1949 een boek met interviews gemaakt, gewoon omdat ik het geld nodig had, ik ben een heel slecht interviewer, ik kan het helemaal niet. Het heette ‘Ieder kent ze’ en toen ik dat aan Godfried vertelde zei hij, ‘voor een boek met anekdotes lijkt die titel me zeer ongelukkig gekozen!’ Ik zei, nee, het zijn interviews en ik wou jou er ook in hebben. Nou, kom dan maar naar Haarlem, zei hij. Dus ik naar Haarlem.

Dat interview werd een volledig debâcle, want hij praatte niet, dat wil zeggen hij praatte over alles en nog wat, maar op vragen antwoorden, echt er op ingaan, dat deed hij niet. En er kwam telkens iemand op visite die ik niet kende en dan werd er weer uitvoering met zo’n man gebabbeld. Er kwam een of andere bokser op bezoek en er werd langdurig over boksen gepraat. Zo ging dat de hele ochtend; ik zat daar maar bij, met een lijstje met vragen, maar ik kwam niet aan de beurt. We gingen lunchen en daar waren ook weer allemaal mensen bij, dus kon ik wederom niet goed tot een interview komen” (Bomans was de naam, p. 99).

 

Carmiggelt wist met het weinig bruikbare materiaal toch een interview te schrijven en het boekje kwam uit.

“Maanden later”, zei Carmiggelt, “ga ik dat interview nog eens zitten lezen; ik kom aan het slot, ik denk, dat is gek, maar dat is mijn slot niet. Dat heb ik helemaal niet geschreven. Hou kan dat nou! Ik bel de uitgever op, moet je eens luisteren, dat slot van dat stuk dat ken ik helemaal niet, hoe komt dat er eigenlijk aan? Nou, antwoordde hij, wij zijn opgebeld door Godfried Bomans en die heeft gezegd, ik ben door de heer Carmiggelt geïnterviewd, ik heb daar weinig vertrouwen in, wilt u mij de proeven sturen. En toen had ‘ie er gewoon een nieuw slot aan geschreven! Maar ook niet met mij overleggen…. Dat was een andere kant van hem, een uiterst merkwaardige kant, hè” (idem, p. 100).
c

Carmiggelt vertelde tegen Van Verre dat hij Bomans kort na de oorlog vaak in de Amsterdamse schouwburg tegenkwam in verband met hun werk bij de krant. Tijdens lezingen kwamen ze elkaar ook geregeld tegen. Carmiggelt herinnerde zich een lezingenavond in het gebouw van Vroom & Dreesmann in Den Haag. Na een geslaagde avond werden Bomans en Carmiggelt door een jonge telg van het geslacht Dreesmann uitgenodigd bij hem nog een glaasje te gaan drinken, waarop ze ingingen.

Dat het niet altijd feest was, valt op te maken uit een dagboekaantekening van Bomans op 5 januari 1957:

“Voordracht gehouden in Ada Rasa, Den Haag (Nieuwe Uitleg 11). Een bende. Geen licht, geen lessenaar of zelfs tafel, drie overvolle zaaltjes, mensen tegen de muur op de grond, geen microfoon. Simon Carmiggelt liep weg” (Werken I, p. 719).

 

Op 10 maart 1951 waren beide schrijvers in Haarlem. Een jaar eerder had de culturele sociëteit Teisterbant voor het eerst de deuren geopend. Bomans was voorzitter. Onder zijn leiding stond de sociëteit, met leden als Harry Mulisch en Anton Heyboer, al snel in bloei. Het eenjarig bestaan werd gevierd met een kloppende boekhouding en diverse toespraken. Louis Ferron schreef in ‘De keldergang der heren’ (1981):

“Simon Carmiggelt besloot het officiële gedeelte van de avond met er zijn vreugde over uit te spreken eindelijk een bijeenkomst van een kunstenaarsvereniging mee te maken, waarop nu eens geen moties werden ingediend zoals dat in het ‘vijandelijke Amsterdam’ placht te geschieden” (p. 66-67).

s
Carmiggelt bracht in het eerdergenoemde boek Herinneringen de lotgevallen rondom zijn vijftigste verjaardag (1963) onder de aandacht, inclusief een interview door Bomans. Om dat beter te begrijpen eerst een gebeurtenis op 19 mei 1957. Toen werd het AVRO-radioprogramma ‘Ernst en humor in Mijmeringen’ voor de vijftigste keer uitgezonden. Deelnemers aan deze eerder opgenomen speciale uitzending waren Carmiggelt, mr. E. Elias, Henri Knap en Annie M.G. Schmidt. Bomans reageerde op elk van deze sprekers. Carmiggelt voerde als eerste het woord en begon aldus:

“Beste Godfried, je hebt een afgerond aantal keren radiografisch gemijmerd en daarom ben je op het moment een jubilaris. (..) Godfried, ik zal het niet hebben over jouw werk, want daar zullen de anderen natuurlijk enorm veel vleiende woorden over zeggen. Nee, ik wil het hebben over Godfried Bomans als mens. Ja, dat moet ook gebeuren. Het hoort erbij. Dat is altijd bij zo’n jubileum, dat er dan iemand zegt: ‘Ik wil u huldigen als mens.’ En dan wil ik toch, en stellig uit veler naam, even op eenvoudige manier dít onder woorden brengen: Godfried, jij bent een goed mens. Ik ook, maar jij ook. Weet je wat me nou altijd weer opvalt als ik zo eens met je praat, dat weet je misschien niet, maar mij valt dan altijd weer op dat je ondanks het feit dat je zo’n enorm succes boekt, dat je zo eenvoudig bent gebleven. Dat had helemaal niet gehoeven, maar je bent enorm eenvoudig gebleven. Ik ook, maar jij ook. Je merkt dat ik mezelf ook enig reliëf geef, maar dat is nu eenmaal het goed recht van alle jubileumsprekers. Jubileumsprekers, die klimmen altijd met het masker der bescheidenheid op over de ruggen van het feestvarken heen naar hun eigen glorie toe. En nu heb ik gehoord dat je straks op deze korte speech zult antwoorden. (..) Je bent natuurlijk helemaal vrij in je antwoord, hoor, maar ik zou het wel leuk vinden als je dan in je antwoord zei dat ik ook zo goed schrijf en, nou ja, dat ik ook een goed mens ben, zo aardig voor mijn moeder, bijvoorbeeld. En dat ik van de VARA ben, dat is ook wel leuk als dat even gezegd wordt. Heel leuk. Enfin, zulk soort dingen, zie je, dat jij mij ook een klein beetje opbouwt. Ik hoop maar dat je me niet teleur zult stellen met je antwoord, Godfried, en ik zou je nog een raad willen geven: doe net als ik, hou het kort.” 

Het begin van Bomans’ antwoord was:

“Ja, Simon, ja, je bent nu over mijn rug heen een eenvoudig mens geworden. Ingewikkelder kan het al niet. Ik ben blij dat ik je die dienst heb mogen bewijzen, je was het anders nooit geworden.”

(Werken VI, p. 12-13)

 

Over 1957 hield Bomans een dagboek bij dat slechts ten dele in de verzamelbundel Werken schijnt te zijn opgenomen. Over zondag 19 mei 1957, de dag waarop de speciale uitzending van ‘Ernst en humor in Mijmeringen’ werd uitgezonden, noteerde Bomans, die niet vies was van verrassingen:

“Voor hedenavond een lezing aangenomen ten bate van Haarlemse joden. (..) Deze voorwaarde gesteld, dat de 40 minuten huldiging-Godfried Bomans door de AVRO het gedeelte na de pauze vult, zodat ik dan niets hoef te doen dan op een stoeltje mede onder de toehoorders aanwezig te zijn. Het werd een zonderlinge situatie: van 9 uur vijfentwintig tot vijf over 10 zat ik tussen tweehonderd mensen naar en over mijzelf te luisteren, klapte na afloop hartelijk mee, toucheerde f. 150,- en ging naar huis. De ‘huldiging’ viel me overigens mee: de vier sprekers waren van zeer goed (Simon Carmiggelt) tot redelijk goed (Annie Schmidt) en ik heb me er bevredigend uitgedraaid” (Werken I, p. 759).

 

Interviews hebben een speciale rol gespeeld in de vriendschap van Bomans en Carmiggelt.

Tegenover Tony van Verre vertelde Carmiggelt het volgende:

“Godfried was maar een paar maanden ouder dan ik. Hij was van 2 maart 1913 en ik ben van 7 oktober 1913, hij werd dus een beetje eerder vijftig dan ik. Ik werd uitgenodigd door een krant in Haarlem om een stuk over hem te schrijven. Dat heb ik gedaan, en ik weet nog dat hij mij toen een brief (van 7 september 1963, e.k.) schreef, die ik in mijn laatste bundel Ze doen maar heb aangehaald, omdat ik die zo schitterend vond. Hij schrijft daarin:

‘De toestand van wederzijdse en met regelmatige tussenpozen ook hardop uitgesproken bewondering, waarin wij sinds jaren verkeren, bevalt me zeer. Nu is het weer jouw beurt en wel op 7 oktober, als je vijftig wordt. Je zult eens wat beleven. Ik mag er verder niets van zeggen, jammer genoeg, maar hou je vast want ik blaas dan ook mijn nummertje mee en je zult lang moeten nadenken eer je daar wat op terug hebt.’

Nou, hij heeft zich ook niet onbetuigd gelaten. Dat moet ik zeggen.

‘Het Parool’ wilde een stuk over mij hebben toen ik vijftig werd en die hadden Godfried uitgenodigd om mij te interviewen. Hij belt me op, ja, ik moet je interviewen voor Het Parool. Nou, dat is goed. Hij zegt, dan kom ik wel bij je eten. Dat lijkt me uitstekend, zei ik en we spraken een datum af.

Maar ik heb bij zulk soort dingen altijd het gevoel, wat vervelend dat je vrienden worden opgezadeld met het feit dat jij vijftig jaar wordt. Dat geeft me altijd een soort schuldgevoel. Dus voordat hij kwam, ben ik achter de schrijfmachine gaan zitten en heb een aantal absurde vragen bedacht, waarop ik dan absurde antwoorden gaf. Allemaal over liefhebberijen die ik had en die ik helemaal niet heb; een heel verhaal over mijn intense liefde voor het verzamelen van Japanse prenten, dit soort nonsens.

Toen kwam hij en ik zei, Godfried, moet je kijken, ik heb alvast wat gemaakt, dan hoef je niet zo zwaar aan me te tillen; en ik geef hem dat papier. Hij nam dat papier, schoof zijn bril naar zijn voorhoofd en ging lezen, las mijn hele onzin-verhaal door. Ja, dat is goed, laten we nu maar gaan eten. We gingen eten; maar verder geen woord over interview of wat dan ook” (Bomans was de naam, p. 103).

 

In ‘Het Parool’ van 5 oktober 1963 verscheen een fors artikel van Bomans waaruit hier diverse citaten zijn opgenomen. Voor lezers die Carmiggelt niet of nauwelijks kennen: hij hield wel van een borreltje.

 

SIMON CARMIGGELT VIJFTIG JAAR

 

“U kunt zich wel voorstellen, hoe bedremmeld Simon Carmiggelt en ik tegenover elkaar zaten in zijn bescheiden doch propere woning te Amsterdam. Carmiggelt heeft het interview grondig belachelijk gemaakt, althans wat er nog van over was, toen ik het in mijn boekje ‘Kopstukken’ de nek al had omgedraaid. We zaten dus met een lijk, maar het mes moest er toch in, want Simon wordt vijftig en dan gaat zo’n jongen op de snijtafel, daar helpt geen lieve moeder meer aan. Ik was dat een half jaar eerder al geworden. Er had toen geen haan naar gekraaid, want ik ben veel bescheidener van aard, maar Simon wilde met alle geweld ondervraagd worden en wel door een ouder persoon.(..)

Eerlijkheidshalve moet ik erbij voegen, dat het idee eigenlijk van de hoofdredactie is uitgegaan en dat Carmiggelt toen een hele tijd heeft tegengestribbeld, net zolang tot ze het al bijna opgegeven hadden en toen zei hij gauw ja. (..) Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. (..)
‘En’, zo begin ik, ‘wie vind je op het ogenblik de beste schrijver?’

‘Van Nederland?’ vraagt Carmiggelt, ‘of van heel Europa?’ (..)

‘Van de hele wereld,’ verduidelijk ik.

‘Bomans’, zegt hij zonder aarzelen.

Ik noteerde niets, want ik had dit allang opgeschreven. (..)

‘Wat Simon schrijft,’ sprak zij (mevrouw Carmiggelt, e.k.) plotseling, ‘is anders ook heel aardig.’

‘Maar natuurlijk’, zei ik ijverig, ‘wie zal dat ontkennen?’ (..)

‘Och Mien,’ zei Carmiggelt opeens, ‘vergeleken daarbij is het immers niets.’

Hij keek mij na deze uitspraak van terzijde aan, want nu was het mijn beurt om hem te gaan loven. Maar ik besloot eens van het gewone interview af te wijken en vervolgde opgewekt: ‘Uw man heeft volkomen gelijk, mevrouw, maar de mensen lezen hem graag. (..) Hebt u iets onder de kurk?’

Dit laatste voegde ik eraan toe, omdat de Carmiggelts nogal krenterig zijn. Ze drinken zelf namelijk nooit iets, maar ik zie niet in, waarom hun vrienden daaronder lijden moeten. Mevrouw Carmiggelt haalde een fles oude klare te voorschijn en gaf deze aan haar man. Deze bleef er enigszins beduusd naar kijken. ‘Hoe doe je zo’n kurk er nou af?’ vroeg hij hulpbehoevend, ‘heb je daar enig idee van?’

‘Kijk, dat gaat zo,’ sprak ik, mijn zakmes te voorschijn halend, ‘de kurketrekker erin en dan maar draaien. Nu de fles tussen de knieën en ploep!, daar hebben we ‘m.’ (..) Ik schonk mijn kelkje vol, terwijl mevrouw Carmiggelt een glas warme melk voor haar man neerzette.”

(Werken VII, p. 354 e.v.)

 

Bomans en Carmiggelt speelden een spel, over hoofden van lezers heen. Dat blijkt uit de reactie van Carmiggelt, die overigens wel vooraf gewaarschuwd was voor het humoristische spektakel dat op den duur absurdistische trekken kreeg. Tegen Tony van Verre vertelde hij in 1977 het volgende:

 

 

“Ik weet nog dat hij (Bomans, e.k.) naar aanleiding van mijn vijftigste verjaardag een schijninterview heeft geschreven. Een absurd stuk, dat bij ons in de krant gestaan heeft: hoe het allemaal aan dat diner was toegegaan en hoe wij zo’n verschrikkelijke moeite hadden om de fles wijn open te krijgen, omdat wij nooit eerder een fles wijn hadden opengemaakt… Dat was een kostelijk stuk. Het stond op de dag van mijn vijftigste verjaardag in de krant – ik heb ’s ochtends zo’n krant gehaald en mijn vrouw en ik hebben er enorm om moeten lachen. Ik was daar erg blij mee. We hadden daarna een feestelijke lunch, waar hij ook was, en ik merkte toen dat sommige mensen dat stuk eigenlijk ongepast vonden. Dat heeft me min of meer verbijsterd omdat ik dacht, wat verwachten die mensen, wat willen ze nou eigenlijk? Willen ze het obligate stukje van: meneer Carmiggelt kan zo mooi schrijven, oh oh oh!... Dat zou mij nou niet veel plezier hebben gedaan. Wat ik zo mooi vond van dat stuk, was dat het Bomans op zijn hoogste niveau toonde. En ik vind dat je een mooier geschenk niet kunt krijgen van een schrijver.”

(Bomans was de naam, p. 107).   

 

In de biografie Carmiggelt, gaf Henk van Gelder nog een aardig detail omtrent het feeststuk van Bomans. Hij schreef:

“Simon Carmiggelt, die van tevoren wist dat ‘Het Parool’ zijn vriend Bomans om een artikel had gevraagd, kon die dag niet wachten tot de bezorger aan het eind van de middag de Weteringstraat had bereikt. Hij was razend nieuwsgierig, en zorgde ervoor dat hij rond het middaguur aan de Nieuwezijds Voorburgwal was om een vers exemplaar van de eerste editie mee naar huis te kunnen nemen” (Carmiggelt, p. 224).

 

Carmiggelt zal wel zeer verrast zijn geweest toen bleek dat er die dag nog een ‘interview’ over hem in de krant stond, ook ter gelegenheid van zijn verjaardag, in ‘de Volkskrant’. Het tamelijk ernstige stuk, waarin Carmiggelt, naar mijn inzicht, goed wordt benaderd, begint met een liefhebberij, die Carmiggelt tijdens Bomans’ bezoek voorafgaande aan het interview, ter hand had gesteld. Over dit Volkskrantstuk heeft Carmiggelt niets tegen Van Verre gezegd, Henk van Gelder heeft er niets over geschreven. Het bewuste artikel - Bij Carmiggelt thuis - begint als volgt:


“Simon Carmiggelt is vijftig geworden. Waar blijft de tijd? Ik stapte bij hem binnen met een blijde tred van iemand, die eindelijk eens een vakman ondervragen gaat. En werkelijk, Simon had zich terdege voorbereid. Hij stond bij het raam een Chinese prent te bekijken en ik moest hem drie keer porren, eer hij uit zijn extase wakker werd. ‘Een Kwin Yu Mau’, zei hij afwezig, ‘vermoedelijk uit de tweede dynastie.

 

(..) ‘Vind je het leuk om geïnterviewd te worden?’

(..) ‘Nee, ik vind het niet leuk. Vooral als er een plaatje bijstaat. Ik ben visueel gesproken het volstrekte tegendeel van Mies Bouwman, die ik beschouw als de meest fotogenieke vrouw van het westelijk halfrond. Als ze van de Westertoren tuimelde en iemand maakte een kiekje, dan zou ze er nóg leuk opstaan. Ik daarentegen ben onfotografeerbaar. Als ik op een foto lach zie ik eruit als een zeer ziek nijlpaard. Lach ik niet, dan vertoon ik de gelaatsuitdrukking van iemand, die aan de groeve staat van zijn beste vriend. (..) Met het interview is het eigenlijk net zo. Het komt neer op een amfibisch gesprek van twee mensen, die er eigenlijk geen van beiden in geloven.

Maar mijn grootste bezwaar tegen interviews, huldigingen en onderscheidingen, enfin, tegen alle hartelijkheden buiten de gewone vriendenkring, is dat ze me zo nerveus maken. Ik voel me dan net zo’n man die op straat staat te schilderen, terwijl over zijn schouder heen enige beroepsvoorbijgangers elke penseelstreek staan te beloeren. Ik heb nooit zo slecht geschreven als in de veertien dagen, die voorafgingen aan de uitreiking van de Huygens-prijs. (..) En wat interviews betreft: als het om typische eigenaardigheden van mij “als mens” gaat, kan ik moeilijk serieus blijven. (..) Over mijn werk ben ik geneigd in interviews pure onzin te beweren, omdat ik diep in mijn hart maar van één credo overtuigd ben: Ik schrijf met mijn rechterhand, soms lukt het, soms lukt het niet, amen.”

(Werken IV, p. 494-496)  

 

Over Bomans’ inzet voor de vijftigjarige, zei Carmiggelt tegen Tony van Verre:

“Hij heeft het erg druk met me gehad toen; mijn vrienden hadden een vriendenboek gemaakt, waarin ze allemaal iets hadden geschreven – een erg mooi gedrukt boek, met een oplage van 43 exemplaren, uiterst zeldzaam dan ook. In dat boek had Godfried ook een stuk geschreven. Het is een van de weinige stukken die hij gemaakt heeft voor een zeer kleine kring van lezers. Het is ook weer een heerlijk verhaal (..)” (Bomans was de naam, p. 107).

De bijdrage van Bomans aan dat boek droeg als titel  De Nederlandse Tchitschikof. Daaruit de volgende citaten:

“Het verschil tussen Carmiggelt en mij is, dat hij niets te zeggen heeft en het heel aardig zegt, terwijl ik eigenlijk nog minder te vertellen heb, maar het zó doe, dat de mensen het wel drie keer moeten overlezen, voor ze merken dat er niets staat.

(..) Want waar wil Carmiggelt nu eigenlijk heen? Wat geeft hij ons mee? Wat draagt hij nu precies uit? Het is op dit punt, dat ik even dieper wil ingaan, omdat daar nog nooit iemand over heeft nagedacht. Wat Carmiggelt in hoofdzaak beoefent is het cafébezoek. Hij brengt ons daar in kennis met wat melancholieke grijsaards en andere ondermijnde figuren, die in hun reeds half geleegd glaasje tengere dingen zeggen, waardoor het drankgebruik een dubbele bodem krijgt. Nu is dit, met permissie gezegd, boerenbedrog. Carmiggelt heeft op die wijze de mythe van de weemoedige flapdrol geschapen, de jongen die het niet gehaald heeft, maar op de ruïne van zijn leven nog wat herfstbloemen kweekt, kortom, de eigenaardige geslaagdheid van de sociaal mislukte. Nu heb ik de moeite genomen om al die cafés eens af te lopen en daar geen van die grijsaards aangetroffen. Ik vond er louter ouwehoeren en lulbroeken, die, zodra Carmiggelt zijn hielen had gelicht, als zodanig door de mand vielen. Aan een soortgelijk bedrog hebben ook de heren Querido en Justus van Maurik zich schuldig gemaakt, die het type van de Jordaner schiepen en duizenden toeristen een achterbuurt instuurden, waar volstrekt niets te vinden was. Het type van de Amsterdamse tramconducteur, die geacht wordt snaakse dingen te zeggen, is weer een creatie van Max Tailleur en zo zit Amsterdam vol met kleurige figuren, die slechts op papier en bij overlevering bestaan, maar nimmer in vlees en bloed worden aangetroffen. In deze sector van volksmisleiding is Carmiggelt nu reeds jaren werkzaam. Hij is, evenals wijlen Tchitschikof, een handelaar in Dode Zielen.”

Bomans stelde dat Carmiggelt van het treurige caféleven op papier iets kon maken en schreef verder:

“Zij weten, dat deze man (Carmiggelt, e.k.) uit het meest grauwe deeg nog wittebrood weet te bakken en dat hij elke dag opnieuw uit materiaal, waar niemand meer wat in ziet, zijn kadetje te voorschijn tovert. Zuiver literair bekeken mag dit een ongehoorde prestatie zijn (..).”

(Beste Godfried, beste Simon, p. 81-85)  

 

De vijftigste verjaardag van Carmiggelt is verder niet geheel ongemerkt voorbijgegaan. Henk van Gelder schreef:

“De verjaardag werd gevierd aan een lange tafel in een zaal van Artis, met een lunch voor vrienden. Max Nord en Reinold Kuipers hadden een boek samengesteld vol bijdragen uit de vriendenkring. (.. Ter ontvangst speelde die dag een fanfarecorps, waarna de veertig vrienden en naaste familieleden zich naar de lunch begaven. Simon Carmiggelt liet zich, tronend aan de lange tafel, alle felicitaties gewillig welgevallen. ‘Op het menu stond ook wild,’ schreef Max Nord. ‘Dat was een kleine leeuw die hem op schoot werd gezet tijdens de speech van Godfried Bomans. Het leeuwtje at niet hem op, maar de kalfsoester die op zijn bord lag. ’Zijn moeder onderging de feestelijkheden als een nieuw bewijs voor het succes van haar zoon en maakte na afloop de opmerking die Simon graag doorvertelde: ‘Ze hebben je wel in de bloemetjes gezet. ’t Leek wel of je honderd werd’” (Carmiggelt, p. 224-225). 

 

Louis Ferron schreef in 1981 ‘De keldergang der heren’. Daarin kwam dit citaat voor: “Over Bomans is inmiddels heel wat afgeschreven en naar blijkt is zijn figuur daar geen spat helderder door geworden” (p. 73). Dit schreef Ferron nadat ‘Herinneringen aan Godfried Bomans’, met een beschouwing van het werk van Bomans van de hand van de grote neerlandicus Kees Fens, in 1972 was uitgekomen. De woorden van Ferron kunnen nu, in 2008, nog steeds gezegd worden, met een voorbehoud.

Toen Bomans vijftig jaar werd, schreef Carmiggelt een ‘Verjaardagsversje voor Godfried’ dat op 1 maart 1963 werd afgedrukt in het ‘Haarlems Dagblad’. Dat is opgenomen in ‘Beste Godfried, beste Simon’ (1999), een boekje met brieven aan en stukken over elkaar. Het ‘Verjaardagsversje’ is veruit de beste typering van de schrijver Bomans die ik tot op heden ben tegengekomen. Carmiggelt had namelijk de moeite genomen het werk van Bomans te lezen en te gaan herlezen. Bomans bleek niet één schrijver te zijn, maar vier schrijvers in een: essayist en schrijver van novellen, satiren en sprookjes. Het versje van Carmiggelt zal maar bij weinig personen uit de literaire en academische wereld als muziek in de oren hebben geklonken, waardoor de invloed van dat stuk op de mening van literatoren gering geweest zal zijn. Hieronder enkele citaten:

 

“Godfried Bomans wordt morgen vijftig. (..) Godfried rekent men in onze letterkunde tot de humoristen. Wat is een humorist? Een auteur die wordt gelezen door de gewone lezers en door de vingers gezien door de ernstige critici. ‘Een humorist is iemand, die genoeg humor heeft om ons zijn ernst te besparen.’, heb ik eens geschreven. Dat klinkt wel aardig, maar is het ook waar? (..) De enige zinvolle manier om Godfried Bomans te benaderen is zijn voor de drukpers geschreven werk te lezen en na te gaan, wat hij doet met zijn ernst. Want als die niet permanent op de een of andere manier aanwezig was, zou hij geen schrijver van dit niveau zijn, doch een lollige broek, die pas op zijn honderdste verjaardag in dit blad zou worden vermeld als een opmerkelijk exces van de natuur.

Het was prettig , met deze vraagstelling als voorwendsel voor ogen, Bomans’ geschriften weer eens door te lezen. Hij heeft de gewoonte in zijn bundels zijn stukken streng te rubriceren. Dat geschiedt terecht want ze zijn zeer uiteenlopend van bedoeling en van toon. Eigenlijk bundelen boeken als ‘Capriolen’ en ‘Buitelingen’ een aantal schrijvers, die wel in redelijke harmonie in één stad schijnen te wonen, doch geen behoefte voelen elkaar op straat te groeten. Tussen aristocratisch geschreven essays als die over Goethe en Beets en de heerlijke satire over de blote beelden ligt ogenschijnlijk een lange weg. ‘De nieuwe kapelaan’- een van zijn mooiste korte novellen – maakt de indruk weer uit een heel andere pen te zijn gekomen, terwijl in de sprookjes een vierde man aan het woord is, die mysterieuze wijze kans ziet het lieve ‘Er was eens…’, met zijn spot niet te bezeren.
Bomans heeft benijdenswaardig veel pennen op zijn boog. Het meest karakteristiek voor zijn gecompliceerde persoonlijkheid is voor mij zijn werk dat geschreven schijnt te zijn met al die pennen tegelijk. Hij bezit het heerlijk vermogen een beschouwing aan te vangen in een proza, zó geserreerd, dat het een air van plechtigheid krijgt. Maar op een niet te voorspellen moment schijnt hem plotseling het geloof in de eigen opzet te ontzinken. Of beter: een volstrekt onbedwingbare lust buiten de affaire te treden en er eens hartelijk om te lachen, neemt bezit van hem. Een klein pasje – meestal een iets te kloeke overdrijving – voert hem uit de ernst in het absurde. Zijn boeken wemelen van de verrukkelijkste voorbeelden van deze wezenstrek, die er – geloof ik – de oorzaak van is, dat zo velen om Bomans lachen en zo weinigen weten wat ze aan hem hebben.”

 

Hierna behandelde Carmiggelt een van Bomans’ psychologische verkenningen uit ‘Capriolen’ (1953) met als titel Mijn ervaringen als spreker. Carmiggelt vond dat de beste bladzijden die over dat “helse onderwerp” waren geschreven. Daarin betrok Bomans zijn vader die net als Godfried een goed redenaar was. Carmiggelt vervolgde met Bomans te citeren:

“Zeer kundig hanteerde mijn vader ook het wapen der stilte. (..) Men onderschatte dit niet. De pauzen in een goed gebouwde rede zijn van even wezenlijk belang als de rustmaten in een symfonie. Een woord, gesproken na een lange stilte, valt als een paukenslag. In het voorafgaand zwijgen wordt de aandacht van het auditorium als een trommelvel gespannen en bom! daar valt de klap. Mijn vader kon zo lang zwijgen, dat men de neiging voelde opkomen om genade te roepen, om redding, uitkomst en erbarmen. Ik heb iemand ook werkelijk eens ‘help!’ horen roepen. Een fraai oratorisch succes, waar mijn vader niet zonder voldoening aan terugdacht.’

Dit is Bomans compleet in een notedop. De verschillende schrijvers ontmoeten elkaar. Hij heeft critische beschouwingen gepubliceerd in een hoge, schier gewichtige trant, maar de man die dan aan het woord is, vindt ge meesterlijk geparodieerd terug in zijn ‘Kopstukken’.

Het meest wezenlijke van Bomans is voor mij de eeuwige, altijd weer boeiende schermutseling tussen de in hem verenigde talenten, allemaal sterk genoeg om op eigen benen te staan en toch op de een of andere manier familie van elkaar. Daarom kan niemand voorspellen wat hij ons precies in de tweede helft van zijn leven zal schenken. Het veld van zijn mogelijkheden is daarvoor te breed. Maar welke richting hij ook inslaat, ik zal hem graag volgen.”

(Beste Godfried, beste Simon, p. 60-63)   

 

Carmiggelt had veel bewondering voor het werk van Bomans, maar Bomans viel nooit in de literaire prijzen. Daarover had Carmiggelt wel een mening, die hij tegen Tony van Verre uitte:

“Mijn vrouw zegt, je hebt zelf prijzen gehad en je kunt nooit oordelen hoe mensen die ze nooit hebben gekregen, zich voelen. Dat is zo. Toch durf ik te zeggen: Prijzen hebben geen waarde, dat wordt bewezen door het feit dat Godfried er nooit een gehad heeft. Want als je nou aan alle mogelijke onduidelijke personen eer betoont en aan Bomans nóóit, dan bewijs je dat het eigenlijk flauwe kul is, die prijzen” (Bomans was de naam, p. 108).

 

Carmiggelt mopperde verder dat “de officiële literatuur-bonzen niet bereid waren om te erkennen dat hij een groot schrijver was. Ik heb eens geschreven, Godfried was een groot schrijver, maar je mag het niet zeggen” (Idem, p.111).

 

Bomans was in de loop der jaren uitgegroeid tot de huisvriend van Nederland, zoals Harry Mulisch dat uitgedrukt heeft op pagina 149 van ‘Herinneringen’. Velen kenden zijn werk in ‘Elseviers Weekblad’ en ‘de Volkskrant’ of lazen zijn boeken, en genoten van zijn optredens voor radio en tv. In 1971 overleed een nationaal figuur. Willem Duys heeft de verslagenheid mooi vertolkt in ‘De dag dat Bomans stierf’ in ‘Elsevier Magazine’ van 20 december 1975.

Henk van Gelder schreef over het overlijdensbericht van Bomans:

“In hotel De Hamert in Arcen, met een vredig uitzicht op de Maas, werden Simon en Tiny Carmiggelt die maand echter opgeschrikt door het bericht dat Godfried Bomans op de 22ste was overleden. ‘Los van het feit dat mijn decemberneurose nog in volle bloei staat (ik kan gewoon niet tegen deze maand, waarin het woordje “gezellig” gedurig om je heen tsjilpt) kreeg ik een fikse tik van Godfried Bomans’ plotselinge dood. Ik was goed met hem bevriend en sloeg zijn werk hoog aan,’ schreef hij in een brief aan Gerard Reve op 27 december 1971, inmiddels weer thuis aan het Eerste Weteringplantsoen.

 

Simon en Tiny waren naar de begrafenis geweest (..). De volgende dag brachten alle kranten een foto en een verslagje van de druk bezochte bijeenkomst, behalve nu juist ‘de Volkskrant’, waarvan Bomans jarenlang een prominent medewerker was geweest. Voor het eerst van zijn leven, nog danig geschokt door de zo onverwachte dood, besloot Simon Carmiggelt een ingezonden stuk te schrijven: ‘Kunt u mij uitleggen waarom u niets over deze begrafenis meldde? Ik interesseer me voor journalistiek, hoogachtend.’


Het briefje werd niet geplaatst.”

(Carmiggelt, p. 251)

27 oktober 2008

 

Naschrift

 

Voordat ik deze deelstudie begon wist ik niet dat Bomans en Carmiggelt goed bevriend zijn geweest en ook niet dat zij elkaars werk zo waardeerden. Wikipedia blijkt dit ook niet te weten (peildatum 26 oktober 2008), sterker nog: Bomans komt in Wikipedia in het geheel niet voor bij Carmiggelt, Carmiggelt komt in het geheel niet voor bij Bomans.

 

Gerelateerde stukken met doorklikmogelijkheid zijn: Bomans als onbekende, Bomans en Kees Fens en Bomans en Willem Duys.

 

Met dank aan Jan Henry.


Simon Carmiggelt wordt, ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag, geïnterviewd voor de VARA-televisie door Koos Postema. In dit fragment praat hij over zijn schrijvende vrienden Annie M.G. Schmidt en Godfried Bomans:

Verantwoording illustraties

 

1.      Bomans en Carmiggelt tijdens een gezamenlijke lezing voor de Bergense Kunstkring, 8 maart 1953. Bron: ‘Bomans was de naam’ van Tony van Verre, 1978, p. 98.

2.      Adriaan Viruly op de bok (links) van de Lockheed Super Constallation ongeveer midden jaren vijftig van de vorige eeuw. Bron: Internet.

3.      De Lockheed Constallation PH-TDF ‘Franeker’ waarmee journalisten naar Nice werden gebracht, die een paar weken later neerstortte. Bron: Internet.

4.      Omslagfoto van ‘Bomans was de naam’.

5.      Bomans en Anton Heyboer in de kelder van de culturele sociëteit Teisterbant in Haarlem, begin jaren vijftig van de vorige eeuw. Bron: ‘Hollands Diep’ van 20 december 1975, p. 14.

6.      Foto van Bomans, vermoedelijk uit de jaren vijftig. Bron: ‘Bomans was de naam’, p. 6.

7.      Simon Carmiggelt, vermoedelijk uit jaren zestig. Bron: ‘Bomans was de naam’, p. 94.

8.      Omslagfoto van ‘Carmiggelt’, de biografie uit 1999 van de hand van Henk van Gelder.

9.      Carmiggelt, vermoedelijk uit de jaren zeventig. Bron: de Grote Winkler Prins, zevende druk.

10.   Bomans temidden van Tiny (links), de vrouw van Carmiggelt en dochter Marianne, tijdens de lunch in Artis ter gelegenheid van Carmiggelts vijftigste verjaardag. Bron: ‘Bomans was de naam’, p. 106.

11.   Tony van Verre op omslag (achterzijde) van ‘Bomans was de naam’.

12.   De baar met Bomans in de Drieëenheidkerk te Bloemendaal waar op 24 december 1971 de uitvaartdienst werd gehouden. Bron: Internet.